Elektroacupunctuur

Een dwaze diagnostische methode van dokter Voll

door Dirk Koppenaal

Met elektroacupunctuurdiagnostiek is het stellen van een diagnose een pure gok. De methode heeft zelfs niets met acupunctuur te maken. Wat overblijft is een trucje met een mooi elektrisch apparaat, waarmee de behandelaar zichzelf en zijn klant bedriegt.

Om een aandoening te behandelen is een diagnose noodzakelijk. Ook alternatieve behandelaars, die uitsluitend aandacht geven en placebotherapieën aanbieden, realiseren zich dat. Maar in plaats van zich een stukje medische kennis eigen te maken, past men diagnostische methodes toe die alle natuurwetten tarten. Hoewel het doorgaans eenvoudig is om betrouwbaar te onderzoeken of men met zo’n methode A van B kan onderscheiden, hebben de pleitbezorgers daar zelden behoefte aan. Ze trekken zich ook niets aan van wetenschappelijke onderzoeksresultaten. Dit roept de vraag op of we hier te maken hebben met naïeve pseudowetenschap, onverbeterlijk dogmatisme of ordinaire oplichterij.

Bij een elektroacupunctuurmeting wordt met een stroommeter de elektrische weerstand bepaald die zwakke gelijkstroom ondervindt in acupunctuurpunten. Deze acupunctuurpunten hebben naar men zegt via meridianen een directe verbinding met de organen. De metingen worden meestal verricht aan acupunctuurpunten op de vingers en tenen, de begin- en eindpunten van de meridianen. De uitslag van deze meting zegt naar verluidt iets over de gezondheid van het orgaan. Zo wordt bij een ontsteking van een orgaan een verminderde elektrische weerstand gemeten en bij weefselafbraak is de weerstand juist verhoogd.

Een van de belangrijkste criteria voor het vaststellen van de conditie van een orgaan is de zogenaamde Zeigerabfall (wijzerdaling): een op een bepaald niveau ingestelde meetwaarde daalt langzaam naar een lagere waarde. Hoe groter deze daling, dus hoe meer de stroomsterkte afneemt, hoe ernstiger de aandoening.

Wat de elektroacupunctuurdiagnostiek helemaal speciaal maakt, is dat testampullen met geneesmiddelen of ziekmakers nabij de stroomkring geplaatst kunnen worden. De positieve of negatieve wisselwerking van deze ampullen op de meting zouden aangeven welke geneesmiddelen gebruikt moeten worden en welke ziekmakers verantwoordelijk zijn.

Valse ‘eer’

Hoewel de elektroacupunctuurdiagnostiek pas rond 1950 is ‘ontdekt’, kan nu al niet meer precies achterhaald worden wie wat heeft uitgevonden. Volgens Kramer (1990) gebruikte de Franse arts Roger de la Fuye (1890 – 1961), oprichter van de Franse Vereniging voor Acupunctuur en de Nationale Unie van Acupunctuur, reeds in het begin van de jaren 1950 een stroommeter om de acupunctuurpunten te vinden. De huid zou op de plaats van een acupunctuurpunt ongeveer 10% minder weerstand hebben. Zijn dochter weet zich hier echter niets meer van te herinneren (Verne, 2008).

Omstreeks dezelfde tijd onderzocht de Duitse arts Schmidt de weerstand van acupunctuurpunten bij patiënten met een vastgestelde klinische diagnose, bijvoorbeeld hartfalen. Hij registreerde een verandering in de elektrische geleiding op punten die bij de zieke organen hoorden. Bij gezonde mensen bleef de weerstand van deze acupunctuurpunten juist onveranderd. Hij noemde dit fenomeen in 1953 Zeigerabfall. Het is onduidelijk wie deze arts was en waarom hij de geleiding van acupunctuurpunten onderzocht. De Nederlandse Artsen Acupunctuur Vereniging spreekt over Dr. H. Schmidt, maar de meeste andere organisaties hebben het over Dr. W. Schmidt. Of het hier gaat om de beroemde SS-arts Walter Schmidt, is niet te achterhalen.
Rond dezelfde tijd liet ene Dr. Schick uit Stuttgart een stroommeter bouwen door Dr. Reinhard Voll en de natuurkundige Dr. Ing. Werner Voll (1909 – 1989) hield zich destijds al enige jaren met acupunctuur bezig. Het toestel werd de KuF-Universal-Diatherapuncteur genoemd.

Meer dan Voll

Het is Voll die de elektroacupunctuurdiagnostiek zijn bekendheid gaf (Elektroakupunktur nach Voll – EAV). Een grote doorbraak kwam toen hij bij een collega de diagnose ‘chronische prostaatontsteking’ stelde en hem adviseerde om het homeopathische middel Echinacea D4 te gebruiken. De collega vertelde Voll dat hij het middel in zijn kantoor had staan en ging het halen. Toen hij terugkwam met een flesje Echinacea in zijn hand, testte Voll nogmaals het prostaatmeetpunt. Tot zijn verrassing was de meetwaarde van 90 naar 64 gedaald, een grote verbetering. Voll vroeg zijn collega het flesje opzij te leggen en herhaalde de meting. De meter gaf nu weer 90 aan, maar nadat de collega het flesje opnieuw vastpakte, zakte de waarde meteen. Op deze ontdekking baseerde Voll zijn ‘medicatietest’, die het mogelijk maakt om zowel geneesmiddelen als ziekmakers te herkennen zonder ze aan te patiënt toe te dienen.

Helaas heeft Voll nooit de moeite genomen om dit simpele proefje geblindeerd uit te voeren met twee verschillende flesjes, al beweerde hij dat zijn methode was gebaseerd op de uitkomsten van duizenden reproduceerbare metingen. Uiteraard beriep hij zich ook op de klassieke acupunctuur, waarbij hij zich gedwongen zag een aantal aanvullende punten en meridianen toe te voegen, die de oude Chinezen blijkbaar eeuwenlang over het hoofd hadden gezien.

Hoewel de EAV in Nederland nog steeds de meest toegepaste elektroacupunctuurdiagnostiek is, is de methode volop verder uitgewerkt. De meeste van deze voortborduursels zijn erop gericht de methode sneller en eenvoudiger te maken. Een goed voorbeeld hiervan is de Vegatest, ontwikkeld door Dr. Helmut Schimmel. In plaats van alle meridianen ‘door te meten’, om te kunnen vaststellen welk orgaan het meest gestoord is, vond Schimmel het voldoende om slechts enkele acupunctuurpunten te testen. Hij introduceerde ook een filterconcept om snel heel veel testampullen te screenen en gebruikte ‘versterker’-ampullen.

Diverse andere testmethoden zijn gebaseerd op EAV en lijken daar sterk op: elektrodermale screening (EDS), bio-elektrische functiediagnose (BFD), bioresonantietherapie (BRT), meridiaan stress assessment (MSA), bio-energie regulatietechniek (BER), elektrofysiologische diagnostiek (EFD), mora bioresonantietherapie (MORA), bicom bioresonantietherapie (BICOM), biocybernetic medicine (BM), gecomputeriseerde elektrodermale screening (CEDS), elektrodermale test (EDT). Deze methoden proberen zich te onderscheiden door sprookjesachtige reclameverhalen, glimmende instrumenten of kleurrijke software, maar hebben één ding gemeen: ze meten geen enkele gezondheidsfactor.

 

Voor elektroacupuntuur volgens Voll (EAV) gebruikt een behandelaar een meettoestel met twee elektrodes. Tijdens het meten laat men zwakke gelijkstroom (1 tot 1,5 volt) door het lichaam gaan. Meestal moet de patiënt een ronde messing cylindervormige elektrode in één hand houden, terwijl de behandelaar een puntvormige elektrode op acupunctuurpunten op de vingers van de andere hand drukt.

De meting vindt plaats in een ruimte die zo is ingericht dat de meting hierdoor zo min mogelijk wordt beïnvloed (houten meubilair, geen andere elektrische apparatuur). De behandelaar draagt bij voorkeur katoenen kleding, geen sieraden of mobiele telefoon. Hij draagt katoenen of latex handschoenen en raakt de patiënt niet aan. Voll zelf nam het daar echter niet zo nauw mee, zoals uit de foto blijkt. Voor iedere meting wordt de puntelektrode bevochtigd met fysiologisch zout. De puntelektrode wordt op de huid gedrukt totdat de uitslag op de meter stabiliseert en het nog net geen pijn doet. De meting neemt meestal 1 – 6 seconden in beslag, maar kan ook 30 – 60 seconden duren. Een complete check-up kan de meting van 130 klassieke en Voll acupunctuurpunten omvatten.

Het meettoestel meet de weerstand van de huid op de acupunctuurpunten. Voll ontdekte echter dat er onafhankelijk van persoon, gewicht, geslacht, leeftijd of ras een vaste waarde was voor een meridiaan die in balans is. Hij stelde deze waarde op 50 op een lineaire schaal van 0 tot 100. Hierbij geldt dat 0 een oneindige weerstand is en 100 overeenkomt met geen weerstand (kortsluiting). Het toestel wordt zo geijkt dat een weerstand van 100.000 ohm overeenkomt met 50. Uitslagen boven de 50 wijzen op een infectie, uitslagen onder de 50 op een chronische aandoening en Zeigerabfall wijst op een slecht functionerend orgaan.

Wanneer testampullen met medicijnen of ziekmakers via een ampulhouder of door ze in de hand te houden in de stroomkring worden geplaatst, kan dit de EAV-meting beïnvloeden en een aanwijzing vormen hoe een aandoening is ontstaan en hoe deze bestreden moet worden. Voor medicijnen worden vaak homeopathische of fytotherapeutische middelen gebruikt, maar ook reguliere geneesmiddelen. Als ziekmakers gebruikt de EAV-behandelaar producten die voortkomen uit de homeopathie, zoals nosoden (homeopathische preparaten gemaakt van ziek weefsel of ziekteproducten), homeopathische verdunningen van orgaanmateriaal en isopathica (homeopathische verdunningen van bacteria, virussen, gifstoffen, etc.).

Vreemde aannames

Elektroacupunctuurdiagnostiek is gebaseerd op een aantal veronderstellingen.

  • Ieder mens heeft meridianen en bijbehorende acupunctuurpunten, die informatie over organen bevatten.
  • Meridianen geleiden elektriciteit.
  • De aard van hoe de elektriciteit door de meridianen stroomt, kan direct gerelateerd worden aan hoe energie door de meridianen stroomt.
  • De energiestroom zegt iets over de energetische gezondheid van een meridiaan.
  • De energiestroom is te beïnvloeden door plaatsing van testampullen in de stroomkring.

In artikelen over elektroacupunctuurdiagnostiek slaat men de eerste veronderstelling doorgaans over. Het is een uitgangspunt waarover kennelijk geen enkele twijfel bestaat. Vreemd, want noch voor meridianen, noch voor acupunctuurpunten is enig bewijs (Koppenaal, 2007). Er is geen lichaamsstructuur aan te wijzen die overeenkomt met de locaties, functies of eigenschappen die aan meridianen en acupunctuurpunten toegedicht worden. Er zijn ook geen overtuigende bewijzen dat acupunctuur meer is dan een placebotherapie. Bovendien is er geen bewijs dat de huidgeleiding op acupunctuurpunten anders is dan op de aangrenzende huid, al kan de huid wel variaties in elektrische weerstand vertonen door fluctuatie in dikte en verhoorning, door het weefsel eronder of door verschillen in de activiteit van de zweetklieren (Ahn, 2008).

Zelfs als we de eerste veronderstelling voor waar aannemen, dan maakt dat de tweede veronderstelling nog niet aannemelijk. Door meridianen zou ‘qi’ stromen, een denkbeeldige levenskracht, die vaak levensenergie wordt genoemd. Blijkbaar is het woord ‘energie’ een aanleiding om te veronderstellen dat meridianen elektriciteit geleiden; immers ‘elektriciteit is toch energie?’ Dat elektriciteit ineens soepeltjes door de meridianen zou kunnen stromen is leuk bedacht, maar een klassieke fout, want niet alle energie is elektriciteit. Acupuncturisten zijn het er onderling ook niet over eens in welke vorm de levensenergie door de meridianen zou stromen. Sommigen menen dat het iets onstoffelijks is, terwijl anderen onder meer over biofotonen spreken. Hoe de elektriciteit allerlei informatie over de organen kan meenemen, is evenmin goed uitgewerkt, en duidelijk ingegeven door de kennis die men in de jaren vijftig had. Men kan tegenwoordig zelfs internet via het stopcontact ontvangen, dus waarom dan een beperking tot simpele weerstandniveaus en Zeigerabfalls?

Alle veronderstellingen worden nog vreemder als we met simpele middelbare schoolnatuurkunde de stroomkring in relatie met de meridianen proberen te verklaren. Via een elektrode gaat de zwakke gelijkstroom eerst door de slecht geleidende huid. Vlak onder de huid bevinden zich bloedvaten. Bloed is een zoutige oplossing, die de stroom kan geleiden. De stroom verspreidt zich vervolgens over het lichaam om uiteindelijk via een tweede elektrode het lichaam te verlaten. Stroom heeft echter geen intelligente intenties en zal dus niet actief op zoek gaan naar meridianen. De stroom zal zeker niet even op en neer door een meridiaan gaan om de gewenste informatie op te halen. Bij het meten van punten op de voet wordt de andere voet op een voetelektrode geplaatst en gebruikt men geen cilinderelektrode die in de hand kan worden gehouden. Daar is echter geen goede reden voor, want de stroomsterkte hangt slechts af van de spanning en de huidweerstand in het gemeten acupunctuurpunt. Ten opzichte van deze weerstand is de rest te verwaarlozen.

Resoneren en fantaseren

Testampullen met verschillende homeopathische potenties of andere stoffen kunnen in een houder worden geplaatst die in de stroomkring is opgenomen. De patiënt mag ze eventueel ook in de hand houden. Men neemt aan dat ze van invloed zijn op de elektroacupunctuurmeting en duidelijk kunnen maken waar de oorzaak van het probleem zit of hoe een aandoening bestreden kan worden. Als een patiënt reageert op een hoge potentie, terwijl hij nog geen klachten heeft die bij dit middel passen, dan zal de behandelaar veronderstellen dat de ziekte zich in een preklinische fase bevindt.

Hoewel de ampullen dichtbij de stroomkring staan, gaat de stroom er niet doorheen. Dat kan ook niet, want glas isoleert goed en een ‘potente’ homeopathische oplossing bevat geen zouten om de stroom te geleiden. Onderzoek van een elektrodiagnostisch apparaat, de “Vegatest I”, toonde aan dat het plaatsen van ampullen geen invloed had op de stroom die werd gemeten (Mosenkis, 1997).

Hoe zou een testampul dan van invloed kunnen zijn op een meting? De EAV’ers vertellen het volgende: iedere stof trilt op een unieke frequentie als gevolg van de elektrische ladingen van de atomen waaruit de stof of oplossing bestaat. De vibrerende, elektrisch geladen atomen zenden elektromagnetische straling uit, die een uniek spectrum zouden vormen. Deze straling gaat door een glaswand heen. Iedere cel zou twee soorten receptoren hebben: een receptortype voor biochemische substanties en een type dat als een soort antenne elektromagnetische straling herkent. Cellen zouden honderden malen gevoeliger zijn voor de elektromagnetische straling dan voor biochemische signalen. De elektromagnetische straling zou vervolgens ‘meevaren’ op de elektrische stroom en signalen aan de cellen in het lichaam afgeven. Als reactie op de straling geven de cellen van de organen andere informatie via de meridiaan en het acupunctuurpunt door, en dat resulteert in een andere meting.

Het uitproberen van allerlei testampullen is tijdrovend. Door meerdere ampullen tegelijk nabij de stroomkring te plaatsen en een eliminatieprocedure toe te passen, kan het proces worden versneld. Er bestaan tegenwoordig ook softwarepakketten met een database van elektromagnetische stralingspatronen die aan de stroomkring kunnen worden toevoegd. Maar de producenten van deze software vertellen niet hoe ze in staat waren om de patronen te meten. Dat is jammer, want als het werkelijk mogelijk was, zou het veel kunnen bijdragen aan de wetenschappelijke erkenning van homeopathie. De eerste wetenschapper die op reproduceerbare wijze het ene homeopathische middel van het andere kan onderscheiden, mag rekenen op de Nobelprijs. De fabrikanten zijn niet alleen de bescheidenheid zelve wat betreft de techniek om de patronen vast te leggen, ze vinden het ook niet nodig om duidelijk te maken hoe deze aan een stroomkring kunnen worden toegevoegd. Gezien de schappelijke prijs van de diagnostische elektroacupunctuurapparaten is dat kennelijk niet eens zo moeilijk.

Aangezien zoveel behandelaars elektroacupunctuurmetingen verrichten, zijn er ook veel producenten van veredelde stroommeters. De rol van deze producenten is laakbaar. Men mag toch aannemen dat ze wel enig verstand hebben van elektrotechniek, zodat het hen duidelijk moet zijn dat ze fantasieproducten verkopen. Hoe kan een elektrotechnicus nu geloven dat resonanties aan een stroomkring kunnen worden toegevoegd en dat de wet van Ohm (het verband tussen elektrische stroomsterkte en elektrische weerstand) zo drastisch geschonden wordt in het menselijk lichaam?

Druk

Klein Breteler en collega’s hebben verschillende onderzoeken gedaan naar de diagnostische waarde van EAV. Het eerste onderzoek werd al eens eerder in Skepter besproken (Nienhuys, 1997). Kort samengevat: EAV kan totaal geen onderscheid maken tussen hartpatiënten en gezonde mensen. In 51% van de diagnoses werd correct een hartpatiënt aangewezen en in 43% werd een gezond persoon herkend. De diagnostische waarde lag niet boven de kansverwachting.

Klein Breteler en collega’s vermoedden dat de invloed van de druk die de behandelaar op de puntelektrode uitoefent, verantwoordelijk is voor het resultaat van de EAV-meting. Ze besloten deze hypothese te testen in een vervolgstudie, waarbij ze de puntelektrode van een drukmeter hadden voorzien. Verder gebruikten ze dezelfde methoden en technieken als EAV-behandelaars. De resultaten werden niet in Voll-eenheden uitgedrukt, maar in de eenheid van stroom, ampère. De experimenten werden uitgevoerd op tien gezonde vrijwilligers: vijf mannen en vijf vrouwen. Er werd gemeten op zeven verschillende acupunctuurpunten op de rechterhand, waarbij evenveel verschillende meridianen betrokken zouden zijn.

De studie bestond uit drie verschillende proefopzetten. Bij de eerste proef werd de druk die men op de puntelektrode uitoefende, binnen twee seconden op 400 kPa gebracht en gedurende twee minuten zo constant mogelijk gehouden. Er waren twee variaties: (1) de stroomkring werd direct geactiveerd of (2) de stroomkring werd pas na 60 seconden ingeschakeld. Beide variaties vertoonden een identiek patroon van verlaging van de huidweerstand.

In het tweede experiment werd de stroomkring telkens drie seconden ingeschakeld en vervolgens zes seconden gestopt. De geleiding van de huid daalde, onafhankelijk van wel of geen stroom. Kortom, uit beide proeven blijkt dat niet de stroom, maar de druk de bepalende factor is voor de toegenomen weerstand van de huid.

Bij een derde proef werd gedurende een periode van 60 seconden een lage, constante druk van 15 kPa uitgeoefend, waarna een gelijke periode volgde waarin de druk 400 kPa was. Bij de lage druk bleef de weerstand van de huid gelijk, maar zodra de druk werd opgevoerd, trad het Zeigerabfall-effect op. Klein Breteler en medeonderzoekers denken dat wanneer met een puntvormig voorwerp op de huid wordt gedrukt, dit leidt tot een relatief snelle verplaatsing van vocht uit de huidcellen naar de ruimte tussen de cellen. Dit zoute vocht kan de stroom goed geleiden. Het extracellulaire vocht verplaatst zich vervolgens naar het omliggende weefsel, waardoor de stroom weer afneemt.

De studie toont aan dat het Zeigerabfall-effect puur berust op het uitoefenen van druk met de puntelektrode. Bovendien laat het experiment zien hoe makkelijk het is een uitslag te beïnvloeden door de druk te variëren.

Onkunde?

Veel artsen in de reguliere geneeskunde begrijpen niet goed hoe allerlei apparaten werken en hoe sommige laboratoriumresultaten tot stand komen. In ziekenhuizen houden specialisten de ontwikkelingen van apparatuur nauwlettend in de gaten en moeten laboratoriumbepalingen uitgebreid gevalideerd worden voordat ze in productie mogen. Alternatieve behandelaars zouden ook kunnen zeggen dat ze niet weten hoe een elektroacupunctuurmeting werkt, maar dat doen ze zelden of nooit. Ze lokken hun klanten vaak met pseudotechnische verhalen over de geavanceerde wetenschap die aan hun diagnostische apparatuur ten grondslag zou liggen, terwijl er maar weinig kennis nodig is om in te zien dat de verklaringen niet kunnen kloppen. Geconfronteerd met zulke kritiek zal men steevast stellen dat er geen reden is voor twijfel omdat er in de praktijk voldoende positieve resultaten te zien zijn. Maar is dat inbeelding of zijn die resultaten ook met een goede proefopzet te herhalen?

Natuurlijk, zoals voor iedere behandelwijze geldt, zijn er studies, die diagnose met elektroacupunctuur zeer waardevol vinden. Zo rapporteert Dr. Zetzsche (2008) over een vrouw die al lang zwanger wilde worden en bij wie twee IVF-pogingen geen resultaat hadden. Dankzij EAV in combinatie met nosoden, isopathica, homeopathisch verdund orgaanmateriaal en homeopathische geneesmiddelen ontdekte zij wat geen reguliere arts kon vinden: de patiënte had last van rode hond en polio, had een eileiderontsteking en een darminfectie. De patiënte reageerde positief op verdunningen in de potentie van D10, een 10.000.000.000 keer doorverdunde stof. Logisch dat de reguliere geneeskunde dit niet kon vinden. Na homeopathische behandeling bleef de patiënte positief voor de eierstok- en darmontsteking, maar ze raakte wel in verwachting van een tweeling.

Dr. Würthle (2008) beschrijft hoe hij dankzij EAV en testampullen twee patiënten genas van hun helicobacter-infectie. Würthle beweert dat hij vele jaren geleden al met EAV ontdekte dat er bij patiënten met maagzweren aanwijzingen waren voor een maaginfectie. Pas in 1983 toonden Marshall en Warren aan dat de bacterie Helicobacter pylori maagzweren kan veroorzaken, iets wat door de reguliere geneeskunde toen voor onmogelijk werd gehouden. Het is bedenkelijk dat de bakerpraat van Zetzsche en Würthle als wetenschappelijk artikelen door Embase/Medline geïndexeerd is – zelfs als men weet dat Elsevier eigenaar van Embase is en uitgever van het tijdschrift Komplementäre und Integrative Medizin – Ärztezeitschrift für Naturheilverfahren.

Een uitgebreide speurtocht met meerdere termen in de verschillende medische databases levert maar een zeer klein aantal studies naar elektroacupunctuurdiagnostiek op. Sarkova en Sarek (2005) rapporteren 17.000 patiënten succesvol te hebben behandeld met een combinatie van EAV-diagnose en gemmotherapie (met geneesmiddelen uit bloemknoppen en andere jonge plantendelen). De auteurs toveren wat statistieken tevoorschijn en zijn razend enthousiast, maar een goede proefomschrijving en controles in welke vorm dan ook ontbreken. Kail (2001) testte op allergie met een vragentest en EAV. Het artikel gaat meteen verder met het ‘desensitiseren’ van allergie door homeopathie. Toetsing van het desensitiseringsprotocol vindt plaats met EAV. Over controlegroepen en controle van de allergie met bijvoorbeeld een huidpriktest wordt niet gerept.

Naast het eerder genoemde onderzoek van Klein Breteler zijn er twee gecontroleerde studies uitgevoerd door een onderzoeksgroep van de Universiteit van Southampton in Engeland. In beide studies werd dubbelblind onderzocht of de Vegatest gebruikt kan worden om potentiële allergenen te voorspellen. Deze studies waren bittere noodzaak, want in het Verenigd Koninkrijk waren er al 500 behandelaars die de Vegatest gebruikten om allergieën aan te tonen. Beide experimenten waren gelijk van opzet. Bij vrijwilligers werd getest of men allergisch was voor een allergeen. Uit een simpele priktest op de huid was eerder gebleken dat een aantal vrijwilligers inderdaad een allergische reactie voor het allergeen vertoonde. Hoewel beide studies in hetzelfde instituut werden uitgevoerd, waren de resultaten tegenstrijdig.

Uit het onderzoek van Krop (1997), dat uit twee substudies bestond, bleek dat met de Vegatest in 82% en 96% correct onderscheid kon worden gemaakt tussen allergeen en fysiologisch zout. De latere studie van Lewith (2001), die ook als auteur bij de studie van Krop vermeld staat, laat echter niets van deze resultaten overeind staan. Deze studie was uitgebreider dan die van Krop: meer testen, meer allergenen, meer behandelaars, meer Vegatestapparaten. Lewith concludeerde dat alle behandelaars en apparaten even slechte resultaten opleverden. Geen enkele diagnose was correct. In een later overzichtsartikel nam Lewith (2003) uitdrukkelijk afstand van de eerste studie uit 1997. Dit is opmerkelijk omdat hij zelf een alternatieve behandelaar is die de Vegatest in het verleden propageerde en onderwees.

Ook in een Italiaanse studie door Semizzi et al. (2002) kon met de Vegatest geen onderscheid gemaakt worden tussen allergische of niet-allergische personen, en tussen testampullen met allergenen of fysiologisch zout.

De klok en de klepel

De zogenoemde focale storing speelt tegenwoordig een grote rol in de elektroacupunctuurdiagnostiek. Dit is een plaatselijke ontsteking, die een pathologische reactie van het lichaam veroorzaakt. Binnen de tandheelkunde is de term ‘odontogeen focus’ een gangbaar begrip. Men denkt dat behandeling van een dergelijke focus soms van belang kan zijn bij bepaalde therapieën, zoals hart(klep)chirurgie, radiotherapie, chemotherapie en transplantatie van organen. Aangezien het om ingrijpende therapieën gaat, vindt het onderzoek plaats in een ziekenhuis door een kaakchirurg of tandarts. Dit gebeurt, voor alle duidelijkheid, niet met elektroacupunctuur, maar met reguliere middelen, zoals röntgenfoto’s. Het is nog niet zeker of het verwijderen of genezen van een focus werkelijk bijdraagt aan het genezingsproces. Binnen de beroepsgroep is men van mening dat er gerandomiseerd klinisch onderzoek nodig is om duidelijkheid te geven (Gortzak, 2007).

Zoals wel vaker gebeurt, heeft de alternatieve behandelaar over de klok gehoord en probeert deze nu te luiden zonder dat hij weet waar de klepel hangt. Het is toch mooi als je op goed geluk een diagnose stelt en meteen een mooie smoes hebt als de bijbehorende onzinbehandeling niet helpt. En als na het trekken van het hele gebit de behandeling nog niet aanslaat, dan kan de focale storing ook nog in de amandelen of blindedarm zitten.

Baten of schaden

EAV, bioresonantie en natuurkunde als moderne mythologie zijn terugkerende onderwerpen in Skepter (Hulspas, 1997; Nienhuys, 1997; Nanninga, 2002; Glaser, 2005). De conclusie is iedere keer dezelfde: voor al deze hersenspinsels is geen enkele wetenschappelijke basis en overtuigende studies die iets van nut voor de methode aantonen, ontbreken. EAV wordt zelfs door sommige alternatieve behandelaars afgekeurd (onder meer door het IOCOB).

Vaak heerst de gedachte: ‘Baat het niet, het schaadt ook niet.’ Behandelaars die met behulp van elektroacupunctuur op de gok een diagnose stellen, berokkenen lang niet altijd schade. Hun patiënten kwakkelen wel, maar hebben doorgaans geen ernstige ziekte onder de leden. Ook kwakkelaars moeten echter uitkijken. De behandelaar kan hen bang maken met diagnostische nonsens of een remedie aanbevelen die niet zo onschuldig is, bijvoorbeeld het onnodig laten trekken van tanden en kiezen. Patiënten die wel een ernstig medisch probleem hebben, lopen het risico dat een essentiële therapie wordt uitgesteld of zelfs helemaal niet wordt toegepast. Een bekend voorbeeld hiervan zijn natuurlijk de elektroacupunctuurmetingen bij Sylvia Millecam, die uitwezen dat ze geen kanker had.

Het is niet terecht dat behandelaars zich mogen blijven verschuilen achter alternatieve dogma’s zonder dat ze rekening hoeven te houden met medische ontwikkelingen. Als men een (semi)medisch beroep uitoefent of als (semi)professioneel contact heeft met mensen die met gezondheidsproblemen komen, dan hoort men zich te bekwamen in het medisch vakgebied, dan hoort men de literatuur bij te houden, ook als die niet bevalt.

Literatuur

Ahn AC, Colbert AP, Anderson BJ, Martinsen OG, Hammerschlag R, Cina S, Wayne PM, Langevin HM (2008). Electrical properties of acupuncture points and meridians: a systematic review. Bioelectromagnetics, 29, 245-256.
Barrett S (2008). Quack “Electrodiagnostic” devices.
Colbert AP, Hammerschlag R, Aickin M, McNames J. (2004). Reliability of the Prognos electrodermal device for measurements of electrical skin resistance at acupuncture points. J Altern Complement Med, 10, 610-616.
Glaser R. (2005). Wonderen der techniek – elektrische en magnetische gezondheid. Skepter, 18(1), 14-17.
Gortzak RATh, Waal I van der, Allard RHB (2007). Odontogeen focusonderzoek in een selectie van Nederlandse medische centra. Ned Tijdschr Tandheelk, 114, 287-291.
Hulspas M (1997). ‘Ik wil door jou overtuigd worden!’ Ronald Plasterk ontmoet Roel van Wijk. Skepter, 10(2), 17-22.
Iocob (2008). www.iocob.nl/energetisch/een-rood-oranje-stoplicht-voor-eav.html
Kail K (2001). Clinical outcomes of a diagnostic and treatment protocol in allergy/sensitivity patients. Alt. Med. Rev., 6, 188-202.
Koppenaal DW (2007). Onzichtbare meridianen: waar stroomt de levenskracht? Skepter, 20(1), 27-31.
Kramer F. (1990). Lehrbuch der Elektroakupunktur, Bd 1. Heidelberg: Haug-Verlag.
Krop J, Lewith GT, Gziut W, Radulescu C (1997). A double blind, randomized, controlled investigation of electrodermal testing in the diagnosis of allergies. J Altern Complement Med, 3, 241-248.
Lewith GT, Kenyon JN, Broomfield J, Prescott P, Goddard J, Holgate ST (2002). Is electrodermal testing as effective as skin prick tests for diagnosing allergies? A double blind, randomised block design study. BMJ, 20, 131-134.
Lewith GT. (2003). Can we evaluate electrodermal testing? Complement Ther Med, 11, 115-117.
Mosenkis, R (1997). Examination of a Vegatest Device.
Nanninga R (2002). Vibraties uit het vrije veld: de magische technologie van ir. Hans Andeweg. Skepter, 15(1), 13-19.
Nienhuys JW (1997). Elektroacupunctuur en onderzoek. Skepter, 10(2), 22.
Rosedale Clinic: www.rosedaleclinic.co.uk/homoeopathy.shtml
Sarkova A, Sarek M (2005). EAV and Gemmotherapy – Medicine for the Next Millennium? (technique as a means to link eastern and western medicine). Proceedings of the 2005 IEEE, Engineering in Medicine and Biology 27th Annual Conference, Shanghai, China, September 1-4, 2005, p. 4943-4946.
Semizzi M, Senna G, Crivellaro M, Rapacioli G, Passalacqua G, Canonica WG, Bellavite P (2002). A double-blind placebo-controlled study on the diagnostic accuracy of an electrodermal test in allergic subjects. Clin Exp Allergy, 32, 928–932.
Verne D (2008). www.rogerdelafuye.com
Würthle G (2008). Helicobacter pylori und seine Behandlung mithilfe der EAV. Komplement. Integr. Med., 05, 65-67.
Zetzsche G (2008). EAV und Schwangerschaftswunsch. Komplement. Integr. Med., 05, 62-64.

 Uit: Skepter 21.1 (2008)

Dirk Koppenaal is redacteur van Skepter