Vibraties uit het vrije veld

De magische technologie van ir. Hans Andeweg

door Rob Nanninga

Resonantietherapie maakt het mogelijk met behulp van een resonator informatie over te dragen naar het morfische veld van een holon. Dat is lang niet zo ingewikkeld als het klinkt.

Hans AndewegDe bioloog Hans Andeweg voelde zich opperbest toen hij samen met Heike, een Duitse vriendin, door een park in de buurt van Keulen wandelde. Slechts één vraag kwelde hem: hoe komt het toch dat ik me op bepaalde plaatsen zo lekker voel? Gelukkig wist Heike het antwoord: dat komt omdat daar veel energie is! Om dit te demonstreren liet ze Hans met één hand een grote boom aanraken die naast een houten hek stond. Tegelijkertijd moest hij zijn vrije arm opheffen en gestrekt in de lucht houden. Heike probeerde de uitgestrekte arm naar beneden te drukken, maar dat lukte niet omdat Hans veel kracht had. De uitkomst van deze spiertest veranderde echter radicaal toen hij het hek moest aanraken in plaats van de boom. Plotseling namen zijn krachten sterk af zodat Heike zijn arm gemakkelijk naar beneden kon duwen. De test werd enkele malen herhaald met steeds hetzelfde resultaat.

Hoewel de proef allerminst objectief was, trok Andeweg vergaande conclusies uit zijn ervaringen: ‘Tijdens mijn biologiestudie had ik geleerd om het bestaan van levensenergie categorisch te ontkennen. Nu had ik haar effect aan den lijve ondervonden… Door de boom aan te raken maakte ik, via mijn handchakra, contact met zijn energie. De boom was gezond, wat betekende dat hij veel energie had. Zijn energie laadde mijn spier op, met veel spierkracht als resultaat. Het omgekeerde gebeurde bij het hek.’ Daar had Andeweg het gevoel dat hij ‘langzaam leegliep’. Blijkbaar trekt dood hout levensenergie aan, zodat het vermoedelijk onverstandig is om in het park op een houten bankje te gaan zitten. Daar kom je bijna niet meer weg.

De spiertest komt voort uit de Toegepaste Kinesiologie en wordt in alternatieve kringen regelmatig gebruikt om medische diagnoses te stellen. Een therapeut kan de patiënt bijvoorbeeld de opdracht geven een buisje met een bepaalde voedingsstof tegen zijn navel te houden terwijl een van zijn spieren wordt getest. Als de spier schijnbaar zwakker wordt, betekent dit dat de patiënt overgevoelig is voor de stof.

De psycholoog Ray Hyman (1999) beschreef hoe enkele alternatieve therapeuten hem demonstreerden dat het menselijk lichaam een duidelijk onderscheid maakt tussen glucose (‘slechte suiker’) en fructose (‘goede suiker’). Als ze een druppel opgeloste glucose op de tong van een vrijwilliger legden, nam de spierkracht onmiddellijk af. Een druppel fructose had daarentegen geen negatieve invloed. Hyman was niet onder de indruk van deze demonstratie omdat alle betrokkenen steeds wisten welk soort suiker er werd getest. Misschien gaven de vrijwilligers onbewust een beetje mee wanneer ze de ‘slechte’ suiker in hun mond hadden, of misschien drukten de therapeuten in dat geval iets harder of effectiever op hun arm.

Hyman organiseerde een dubbelblinde test waarbij de therapeuten buisjes met suikerwater gebruikten waarop alleen een code stond, zodat ze niet wisten of er glucose of fructose in zat. De buisjes waren van tevoren gevuld door een verpleegster die niet bij de test aanwezig was. Ook onder deze omstandigheden werden er verschillen in spierkracht gemeten: de ene keer konden de vrijwilligers de druk weerstaan en de andere keer niet. Maar deze verschillen hingen nu in het geheel niet meer samen met de stof die zich op hun tong bevond. De therapeuten moesten erkennen dat ze er onder gecontroleerde omstandigheden niet in slaagden glucose van fructose te onderscheiden. Ze bleven er desondanks van overtuigd dat de methode in de praktijk wel degelijk werkt.

Hans Andeweg leerde van Heike hoe hij de veronderstelde levensenergie op afstand kon voelen. Bij de eerste oefening probeerde hij zijn eigen aura te voelen door zijn handpalmen langzaam naar elkaar toe te brengen. ‘De eerste paar keer voelde ik niks, maar toen leek het alsof een dikke wolk tussen mijn handen begon te ontstaan. De weerstand werd steeds groter. Het werd steeds moeilijker om mijn handen op elkaar te krijgen. Het voelde werkelijk als twee magneten die elkaar afstoten. Ik zag niks bijzonders op of tussen mijn handen, maar het gevoel was zo sterk dat ik het onmogelijk kon ontkennen. Ik was verbluft.’ Andeweg gaat voorbij aan de meest eenvoudige verklaring: suggestie, aangevuld met wat warmteuitstraling.

Volgens Andeweg straalt alles energie uit en kan iedereen dat leren voelen. Het vermogen om uitstralingen te voelen bleek nuttig te kunnen worden aangewend om de vitaliteit van bomen of de gesteldheid van de bodem te bepalen. Zo constateerde Andeweg dat een gezonde bodem een uitstraling heeft die bestaat uit drie lagen die elk 70 cm hoog zijn. De overgangen tussen de lagen zijn ongeveer 10 cm breed en voelen zacht en wollig aan. In de stamuitstraling van gezonde bomen kun je meestal zes lagen onderscheiden. Vooral de overgang tussen de derde en vierde laag is duidelijk waarneembaar omdat de energie van deze lagen in tegengestelde richting stroomt.

Andeweg slaagde er eveneens in contact te leggen met het bewustzijn dat zich in de stam van een gezonde boom bevindt. Naar zijn ervaring kun je met bomen een goed gesprek voeren en ‘als je niet oppast nemen ze je zelfs in de maling’. Het is hem alleen nog niet duidelijk of hij met de bomen zelf praat of met wezens die zich daarin schuilhouden. Als hij in een vitaal en alert bos loopt, heeft hij vaak het gevoel van alle kanten te worden bekeken. Soms lijkt het alsof het hele bos staat te trillen van woede, opwinding of ontzetting. Dan zijn er meestal net wat bomen gekapt. Hierdoor raakt de levensenergie geblokkeerd. Het voelt volgens Andeweg zwaar en kleverig aan en het geeft hem een bedroefd gevoel.

De ervaringen zijn zo levensecht en indrukwekkend dat hij ze onmogelijk kan ontkennen: ‘Ik heb vertrouwen in mijn waarnemingen; die zijn voor mij waar. Wat ik waarneem, wat ik zie, voel, hoor en ruik is de werkelijkheid waarin ik leef. Met die werkelijkheid ben ik onlosmakelijk verbonden en door haar te ontkennen, ontken ik uiteindelijk mijzelf.’

Geprojecteerde waarneming

Hans Andeweg studeerde biologie aan de Landbouw Universiteit in Wageningen. Na zijn studie werkte hij bij het antroposofisch georiënteerde Louis Bolk Instituut, waar hij onder meer onderzocht of zieke bossen met een homeopathisch middel geholpen kunnen worden. In 1990 stapte hij over naar het Duitse Institut für Resonanztherapie (IRT), waar men de noodlijdende bossen op afstand behandelt met radionische apparatuur die via het morfisch veld helende informatie doorgeeft. De vakgroep Ecologische Landbouw in Wageningen had veel belangstelling voor de resonantietherapie en vroeg in 1993 bij twee ministeries (VROM en LVN) een half miljoen gulden subsidie voor nader onderzoek. Volgens Andeweg was het te wijten aan een gerichte anticampagne in de pers dat de subsidie niet werd toegekend en de vakgroep zich terugtrok (Smit & De Does, 1993). Het IRT ontving wel bijna een half miljoen van de Stichting Milieubewustzijn. De voorzitter van deze stichting was tot voor kort de antroposoof dr. ir. Kees Zoeteman, sinds 1988 plaatsvervangend directeur-generaal milieubeheer op het ministerie van VROM. (Nanninga, 1998; zie ook Skepter, maart 1998).

Intersubjectieve waarneming van de bodemuitstralingNadat hij in 1998 bij het IRT was vertrokken, schreef Andeweg met financiële steun van de Stichting Milieubewustzijn het boek In resonantie met de natuur (1999, 2001). Het werk is voorzien van een lovend voorwoord door Kees Zoeteman. Hij spreekt over ‘een indrukwekkend overzicht van de vele aspecten die met het “energetisch diagnosticeren” van de toestand van planten en bossen te maken hebben’. Het boek is volgens hem een waardevolle ingang en oriëntatiebron voor iedereen die zich dichter wil verbinden met de energiekrachten achter al wat leeft.

Als hoofd van de biologieafdeling van het IRT moest Andeweg vaak de vitaliteit van bossen opnemen en onderhield hij contacten met opdrachtgevers en beheerders. Hoewel hij er soms in slaagde sceptische boswachters door middel van een spiertest te overtuigen, hadden de opdrachtgevers gewoonlijk wat moeite met zijn energetische waarnemingen. Romantische beschrijvingen van gesprekken met plaatselijke bomen vielen niet in de smaak. Andeweg besefte dat hij alleen met harde cijfers voldoende indruk kon maken: ‘Het blijkt dat ze minder moeite hebben met een grafiek met energetische waarnemingen. Ik koos daarom voor een aanpak waarmee het mogelijk was om energieën met getallen te beschrijven.’

In een populair boek over het emotionele leven van planten (Tompkins & Bird 1973) kwam hij een verwijzing tegen naar de Fransman André Bovis, die in de jaren 1930 een pendel gebruikte om de vitaliteit van voedingsmiddelen te bepalen. Bovis meende de golflengte van de uitstraling in ångström te kunnen meten door een pendel over een schaal van 0 tot 10.000 te bewegen. Natuurkundig gezien kon dit niet kloppen: zichtbaar licht heeft een golflengte van 4000 (violet) tot ongeveer 7000 (rood) ångström. De Franse ingenieur André Simoneton kwam tot de conclusie dat er iets anders werd gemeten. Hij noemde het de Boviswaarde en stelde vast dat deze bij gezonde mensen tussen de 6500 en 8000 ligt. Navolgers van Simoneton stelden vast dat alles een Boviswaarde heeft: organismen, voorwerpen, plaatsen en zelfs symbolen. De hoogste waarden (circa 18.000) werden op heilige plekken gemeten. Daar kun je een flinke stoot energie krijgen.

Dankzij de Bovisschaal kon Andeweg de ‘heelheid’ van een bos exact bepalen. Het gevoel dat een bos hem gaf kon hij nu ‘onderbouwen met een getal’. Zo bleek dat hij na een boswandeling opgefrist terugkeerde wanneer de Boviswaarde 8000 bedroeg. Hij voelde zich daarentegen nogal vermoeid in een bos van slechts 4000 Bovis. Hoe kun je zulke abstracte waarden meten? Dat blijkt kinderlijk eenvoudig te zijn. Trek een lijn van 20 cm en plaats bij elke centimeter een streepje dat correspondeert met een bepaalde Boviswaarde. Zeg nu tegen jezelf ‘Dit is de Bovisschaal’ en beweeg een pendel langzaam van links naar rechts over de schaal. Het instrument zal gaan draaien op het moment dat hij boven de juiste waarde hangt.

Andeweg leerde de pendelkunst van de natuurgenezeres Maria, een vriendin van Heike. Haar methode was afgeleid van Huna, een oeroude, magische leer van de voormalige Kahuna’s in Hawaii. De geheime leer werd herontdekt door Max Freedom Long, die er vanaf 1936 verscheidene boeken over schreef. In 1945 richtte hij een religieuze organisatie op, die nog steeds bestaat. Long geloofde dat de geheimen van de Kahuna’s in gecodeerde vorm verstopt zaten in de Hawaïaanse taal. De woorden Unihipili, Uhane en Aumakua vertegenwoordigden volgens hem de drie niveaus waaruit de mens bestaat: het onderbewuste lagerzelf, het rationele middenzelf en het bovenbewuste hogerzelf. Dit hogerzelf kan de pendelaar alle informatie verschaffen die hij nodig heeft, mits het van de nodige levensenergie (Mana) wordt voorzien.

Andeweg beschrijft onder meer een experiment waarbij hij met zijn pendel de Boviswaarde van homeopathische verdunningen (potenties) van keukenzout onderzocht. In zijn grafiek is duidelijk te zien dat door het potentiëren de Boviswaarde stijgt. Zo heeft de tweede decimale verdunning (D2) een Boviswaarde van 4000, terwijl de potentie D12 een waarde van 8000 oplevert. C- en M-potenties, waarbij tijdens elke stap respectievelijk 99 of 99,9 procent oplosmiddel wordt toegevoegd, leverden de hoogste waarden op: 13.000 Bovis bij C14 en 19.000 bij M16.

Overigens is het volgens Andeweg niet verstandig om jezelf een homeopathisch middel toe te dienen, want als je een verkeerde potentie gebruikt, zal dat de ziekte verergeren. Hij adviseert de uit bloesems bereide remedies van de homeopathische arts Edward Bach, die slechts in één potentie worden aangeboden: ‘Ik heb de Bach-remedies op mijzelf uitgeprobeerd en kan hun positieve werking bevestigen.’ Er bestaan 38 remedies die elk kunnen worden ingezet tegen een bepaalde negatieve gemoedstoestand. Aan een universiteitskliniek in Freiburg stelde men onlangs vast dat Bachremedies examenangst kunnen verminderen. De controlegroep, die een placebo ontving, rapporteerde echter een even grote angstreductie (Walach et al. 2001).

Aan het begin van de 19de eeuw werden chemische analyses soms nog met behulp van een pendel uitgevoerd. De Franse chemicus Michel Eugène Chevreul experimenteerde in 1812 met een metalen ring die aan een koordje hing (Spitz & Marcuard, 2001). Deze pendel begon behoorlijk te slingeren wanneer hij hem boven een bakje kwik hield. Maar als hij tussen het kwik en de ring een glasplaat hield, nam de beweging af totdat de pendel weer helemaal stil hing. Chevreul liet zich echter niet zo gemakkelijk overtuigen. Hij merkte op dat het effect verdween wanneer de proef geblinddoekt werd uitgevoerd en concludeerde dat het kon worden toegeschreven aan kleine spierbewegingen die hij zelf onbewust opwekte wanneer hij verwachtingsvol naar zijn pendel keek. De invloed van suggestie op onwillekeurige spierbewegingen werd later bekend als het ideomotoreffect, een term die in 1852 voor het eerst werd gebruikt door de Engelse fysioloog William Carpenter (Hyman, 1999).

Chevreul schreef dat zijn pendel niet meer werkte nadat hij zijn geloof verloren had. Deze observatie sluit aan bij een voorwaarde die volgens Andeweg geldt voor alle energetische experimenten met planten: ‘vanaf het begin moet je ervan overtuigd zijn dat het werkt’. Misschien is dit de reden dat hij zijn pendelproeven niet blindeert, zodat hij altijd weet wat hij aan het meten is. Andeweg meent dat energetische waarnemingen desondanks wetenschappelijk verantwoord zijn: ‘Ik weet uit ervaring dat 90 procent van de mensen na training energieën kan waarnemen en op dezelfde hoogte een bodemuitstraling voelt. Bij het pendelen komt men tot dezelfde waarden. Er is hier sprake van intersubjectieve waarnemingen.’ Hij geeft echter geen voorbeeld van een gecontroleerd experiment waaruit zou blijken dat pendelaars onafhankelijk van elkaar dezelfde Boviswaarden meten zonder dat ze van tevoren weten welke waarden verwacht mogen worden.

Orgonstralers

De universele levensenergie staat bekend onder vele namen, zoals chi, ki en prana. Dit zijn echter metafysische begrippen waarmee je praktisch gezien niet zoveel kunt. Hans Andeweg geeft daarom de voorkeur aan de term ‘orgon’, die afkomstig is van de psychiater Wilhelm Reich (Merckelbach, 1992). Reich meende de levensenergie op allerlei manieren te kunnen waarnemen, meten en manipuleren. Hij kon er zelfs kanker mee genezen.

Kort voor de Tweede Wereldoorlog ontdekte Reich de bouwstenen van het leven, de zogenaamde bionen: pulserende blauwe bolletjes die zich uit dode materie vormen en waaruit onder meer amoeben kunnen ontstaan. Reich zag het met eigen ogen gebeuren wanneer hij langdurig door een microscoop tuurde die hij had voorzien van bovenmatig sterke lenzen. Tijdens een onderzoek naar sapa-bionen, een extra vitaal soort die hij uit zand had verkregen, raakten zijn ogen ontstoken en voelde hij prikkelingen in zijn hand wanneer hij die in de buurt van de bionen hield. Bovendien bleken de scharen in zijn laboratorium plotseling magnetisch te zijn. Reich vermoedde dat de bionen een soort straling uitzonden. Hij legde ze in een kijkdoos die was gemaakt van metaal, aangezien hij eerder had vastgesteld dat metaal de straling reflecteert. De buitenkant van de doos was van organisch materiaal, dat straling absorbeert. Toen Reich door een lens in de doos keek, zag hij daar een blauwachtige nevel drijven. Bovendien flikkerden er gele puntjes en lijntjes. Het meest merkwaardige was echter dat dit verschijnsel zich in mindere mate ook voordeed wanneer de doos leeg was! Daaruit kon Reich slechts concluderen dat de energie blijkbaar overal aanwezig is.

Pas later werd het hem duidelijk dat hij bij toeval een geniale uitvinding had gedaan. De doos had het vermogen om orgonenergie uit de omgeving aan te trekken en te concentreren. Het was een orgonaccumulator. Met een thermometer stelde hij vast dat het orgon de temperatuur in de accumulator deed stijgen. Ook met een elektroscoop en andere apparatuur meende hij het orgon te kunnen aantonen. Veel waarde mogen we daar niet aan hechten, want zijn onderzoek was erg amateuristisch.

Ruim tien jaar geleden besloten Duitse Reichianen, verenigd in de Wilhelm-Reich-Gesellschaft, een universitair onderzoek naar orgonenergie te sponsoren. Het werd uitgevoerd door Bernhard Harrer (1996-98), die aan de Vrije Universiteit van Berlijn meer dan twintig experimenten van Reich nauwgezet herhaalde. Meestal verkreeg hij dezelfde resultaten, maar die konden altijd met de gangbare natuurkunde worden verklaard of ze verdwenen wanneer de proefopstelling en de apparatuur werd verbeterd. In 1994 presenteerde hij de uitkomsten van zijn driejarig onderzoek op de jaarvergadering van het Reichgenootschap, waarvan hij zelf lid was. De experimenten hadden niets opgeleverd. Harrer stelde voor het begrip orgon af te schaffen. Ook leek het hem beter om Reich in het vervolg natuurfilosoof te noemen in plaats van natuurwetenschapper. De aanwezigen konden echter niet geloven dat Harrer een groter genie was dan Reich. Ze namen liever aan dat hij de meester niet goed had nagevolgd.

OrgonaccumulatorHet Orgoninstitut Deutschland, dat op Internet adverteert, levert voor bijna 1000 euro een grote Orgonakkumulator, die er uitziet als een lage kast met een deur aan de voorkant. Je kunt in de kast gaan zitten, zodat je helemaal wordt opgeladen met levensenergie. Reich behandelde er kankerpatiënten mee, maar kreeg last met de Amerikaanse inspectie. In 1956 werd hij veroordeeld tot twee jaar celstraf, terwijl al zijn orgonapparatuur in mootjes werd gehakt. Hij overleed na negen maanden in de gevangenis. Wie zich nu nog met orgon wil laten behandelen, kan onder meer terecht bij de arts Heiko Lassek, een Duitse Reichaanhanger die volgens Hans Andeweg ‘internationaal bekend is door het succesvolle gebruik van de accumulator bij kankerpatiënten’.

Orgonaccumulators kunnen volgens Andeweg ook een rol spelen bij de energievoorziening: ‘Levensenergie kan magnetisme opwekken en magnetisme elektriciteit. Met elektriciteit kun je iets verwarmen of een motor laten draaien.’ Hij beschrijft hoe je zelf een orgonstraler kunt maken. Leg ongeveer een meter aluminium- en plasticfolie op elkaar en rol deze om een breinaald waarvan je de punt hebt schoongekrabd. Nadat je het geheel in een open pvc-buis hebt geschoven, is de orgonstraler klaar voor gebruik. Voor een optimaal effect kun je aan de voorkant nog een koperdraad vastmaken die leidt naar een metalen plaatje, dat je in contact brengt met het te behandelen object. ‘De straler neemt de meeste orgon op als je zijn achterkant naar het westen richt.’ Het apparaat kan ook worden omgebouwd tot ‘dorzuiger’, door het metalen plaatje aan de achterkant te bevestigen en de draad die aan de voorkant zit in stromend water te hangen.

Dor (Deadly Orgone Radiation) is een dodelijke vorm van orgon, een soort geblokkeerde levensenergie, die Reich ontdekte toen hij een milligram radium in een accumulator legde. Hij hoopte de radioactiviteit te verminderen, maar in plaats daarvan veranderde het orgon in schadelijke dor, die zich door zijn hele instituut verbreidde. De lucht werd zwaar en plakkerig en iedereen kreeg onbestemde lichamelijke klachten, die vermoedelijk psychosomatisch waren (Wilcox, 2001). Later zag Reich soms een dorsluier boven een landschap hangen: ‘dor-wolken doemen op terwijl de zon blijft schijnen. De groene kleur van bomen en weiden verdwijnt van de bergen. Alles schijnt zwart te worden, of “dof”. Men kan er niet omheen dit te ondergaan als de dood, “de troosteloze dood”, zoals sommigen het noemen. Deze troosteloze zwartheid hangt in het bijzonder over landschappen zonder vegetatie, en over moerassige gebieden.’ (Mulisch, 1973).

Andeweg weet te melden dat er in gebieden met kerncentrales of opslagplaatsen voor radioactief afval hoge concentraties dor voorkomen. De overgangsvorm tussen orgon en dor heet oranur. Dat is een hyperactieve en scherpe energie die onder meer in de buurt van tl-lampen, beeldschermen en elektrische apparaten kan worden waargenomen. Zoals verwacht mag worden, kunnen de percentages orgon, oranur en dor gemakkelijk met een pendel worden bepaald. Trek een lijn van 20 cm en zeg tegen jezelf ‘Dit is de orgonschaal’. Met de pendel kun je onder meer het orgonniveau van een plant bepalen, waarbij het optimale orgongehalte op 100 procent wordt gesteld. Houd tijdens het pendelen in gedachten dat er vanwege de huidige milieuvervuiling zelden percentages worden gemeten die boven de 30 liggen. Bij zieke planten ligt het percentage lager dan 10.

Orgon komt overal in de atmosfeer voor. Niemand hoeft daaraan te twijfelen omdat je het met je blote ogen kunt waarnemen. Andeweg demonstreert dit door zijn cursisten op een zonnige dag wazig naar een stuk blauwe hemel te laten kijken. Na een tijdje ziet bijna iedereen heldere puntjes voor de ogen dansen. ‘Dat zijn bolletjes orgon.(…) Het vertrouwen in de waarneming, en dat het hier gaat om een echt fenomeen en niet om zinsbegoocheling, neemt toe als we de ervaring met anderen delen’, meent Andeweg.

Oogartsen kennen het verschijnsel eveneens. De krioelende lichtpuntjes kunnen worden toegeschreven aan witte bloedlichaampjes, bolletjes die door de haarvaatjes van het netvlies stromen. Daarnaast kunnen er vaak ook wat grotere objecten worden waargenomen die er soms uitzien als kronkelende sliertjes of kikkervisjes en die langer in beeld blijven dan de puntjes. Dit zijn dode cellen of andere onschadelijke deeltjes die in het glasvocht van het oog drijven. Ze worden floaters of mouches volantes (vliegende muggen) genoemd en nemen toe naarmate men ouder wordt. Desgevraagd bleek Hans Andeweg niet op de hoogte van deze normale fenomenen. Het lijkt me aannemelijk dat de vermeende orgon in zijn oog zit en niet daarbuiten.

Zwarte dozen

Voor de behandeling van bomen of planten met te lage Bovis- en orgonwaarden, kan radionische apparatuur worden ingezet. Andeweg geeft een korte beschrijving van de geschiedenis van de radionica, die voortkwam uit het werk van de Amerikaanse arts Albert Abrams. Hij stelde aan het begin van de vorige eeuw diagnoses door de buik van zijn patiënten te bekloppen. Iedere ziekte veroorzaakte op een bepaalde plek een dof geluid, mits de patiënt naar het westen keek (het ‘critical rotation point’). Dit effect kon ook worden waargenomen wanneer men een gezonde persoon beklopte die via een koperdraad met de patiënt was verbonden. Om nauwkeuriger onderscheid te kunnen maken tussen de ‘elektrische vibraties’ van verschillende ziekten, plaatste Abrams potentiometers (variabele weerstanden) in het systeem. De patiënt hoefde niet meer aanwezig te zijn tijdens de diagnose. Een druppel van zijn bloed, een haarlok of een handtekening onthulde alles, zelfs zijn godsdienst. Abrams ontwikkelde ook een apparaat dat elke ziekte kon genezen door de juiste vibraties naar de patiënt te zenden. In de jaren twintig besteedde het tijdschrift Scientific American 20.000 dollar aan een uitgebreid onderzoek naar de betrouwbaarheid van Abrams’ diagnostische methode. Er bleek niks van te kloppen.

Ruth Drown, een navolger van Abrams, construeerde een diagnostisch apparaat met negen draaiknoppen, die elk in tien genummerde posities konden worden gezet. Terwijl ze aan de knoppen draaide, wreef ze met een vinger over een stuk rubber dat verbonden was met een bloedmonster van de patiënt. Wanneer haar vinger aan het rubber bleef plakken, betekende dit dat ze een knop in de juiste stand had gezet. Op deze wijze kon ze van iedere ziekte het trillingsgetal bepalen. Bij moderne radionische apparatuur is het rubber vervangen door een kunststof plaatje. De vinger blijft ‘kleven’ wanneer de behandelaar onbewust wat harder drukt of de stand van de vinger verandert – opnieuw een voorbeeld van het ideomotoreffect.

Drown had van al haar patiënten een beetje bloed op een stukje vloeipapier in voorraad. Als zich nieuwe klachten openbaarden, kon ze meteen nagaan wat er aan de hand was zonder dat de patiënt een nieuw bloedmonster hoefde in te leveren. Het oude monster bleef op wonderbaarlijke wijze informatie verschaffen over de actuele toestand van de patiënt. Met haar apparatuur was Drown bovendien in staat over grote afstanden heilzame vibraties naar haar patiënten te zenden. Ze vergeleek dit met radiogolven en bedacht de term radionica. Rond 1950 werden de vermogens van Drown getest door de Universiteit van Chicago. Het werd een jammerlijke afgang. Drown bleef echter doorwerken tot ze in 1963 werd gearresteerd na een bezoek van een undercoveragente van de inspectie. Ze overleed voordat ze berecht kon worden. Haar dochter, die de agente voor $588 een therapeutische ‘black box’ had verkocht, werd veroordeeld voor diefstal. Een professor in de radiologie, die de zwarte doos had onderzocht, legde tijdens het proces uit dat de knoppen geen enkele functie hadden. (Smith, 1968)

In het midden van de jaren 1980 las de Duitse natuurgenezeres Irene Lutz over experimenten met planten die in de jaren 1950 waren uitgevoerd door de bekende Engelse radionica-pionier George de la Warr. Haar vriendin, de gravin dr. Marion Hoensbroech, schafte in Oxford een authentiek apparaat van De la Warr aan. Het was bekleed met zwart leer en had twaalf knoppen waarmee de in serie geschakelde weerstanden konden worden ingesteld. Meer zat er niet in (Evans, 1973). Met behulp van het apparaat behandelden beide dames vanuit de woonkamer enkele potplanten op het balkon. De resultaten waren zo goed dat ze al spoedig grotere projecten onder handen namen, akkers en bossen. Om de radionische invloeden op de juiste plek af te stemmen, werd het apparaat van landkaarten of luchtfoto’s voorzien.

In 1988 richtten Lutz en Hoensbroech het Institut für Resonanztherapie op. Een zoon van Lutz is de huidige directeur. Het grootste project dat door het IRT is uitgevoerd was de bijna vierjarige behandeling van het Russische Niznesvirsky-natuurreservaat, een 40.000 hectaren groot gebied waaraan ook Kees Zoeteman een bezoek bracht. Degelijke onderzoeksrapporten over de resultaten van de behandelingen zijn echter niet beschikbaar. Om de ontwikkelingen bij te houden, schafte het IRT een aantal exemplaren aan van de SE-5, een gloednieuw radionisch apparaat met techno-look. De website van de Amerikaanse leverancier vermeldt: ‘The SE-5 plus is an experimental research instrument and no claims can be made to its effectiveness.’ Desondanks kost hij ongeveer 3000 euro.

Ook zonder deze apparatuur kunnen behandelingen worden uitgevoerd, al zijn die volgens het IRT minder effectief en nauwkeurig. Andeweg schrijft dat uit proeven is gebleken dat de resultaten even goed zijn wanneer je een radionisch apparaat vervangt door een bouwtekening van het toestel. Blijkbaar gaat het in de eerste plaats om de idee. Een bouwtekening van de SE-5 schijnt overigens niet beschikbaar te zijn, want niemand kan vertellen hoe het ding werkt.

Runen tegen zure regen

Resonantietherapie is een nieuwe vorm van radionica die een centrale rol toebedeelt aan morfische resonantie, een term die is overgenomen van de controversiële bioloog en natuurfilosoof Rupert Sheldrake. Volgens Sheldrake bestaan er morfische velden (vormvelden) die het gedrag van systemen organiseren. Zo wordt de ontwikkeling van een plant geleid door een soort blauwdruk in het morfische veld van de betreffende plantensoort. Een veld kan ook fungeren als een collectief geheugen. Wanneer er bijvoorbeeld ergens een paar pimpelmezen zijn die ontdekken hoe ze op een nieuwe manier aan voedsel kunnen komen, dan komt deze kennis terecht in een vormveld waaruit andere pimpelmezen het kunnen oppikken. De informatie wordt overgedragen door morfische resonantie.

Het IRT gaat nog een flinke stap verder. Men neemt aan dat het mogelijk is om doelgericht bepaalde informatie toe te voegen aan het vormveld van een ecosysteem. Dit gebeurt met behulp van een luchtfoto of landkaart. Wanneer er een bos moet worden behandeld, dient men eerst op intuïtieve wijze vast te stellen welk gebied een natuurlijk geheel vormt, een holon. De holongrens kan met de vingers worden gevoeld. Het holon wordt uit de foto of kaart geknipt en fungeert als een zogenaamde resonator, die kan worden gebruikt om in contact te treden met het morfische veld van het bos. De uitgeknipte afbeelding, die ook als digitaal beeld in een computer kan worden opgeslagen, resoneert met het veld omdat hij gelijkenis vertoont met het echte bos. Voor een optimale informatieuitwisseling is het nodig de resonator in een bepaalde stand te draaien, het ‘critical rotation point’ (CRP). Dit is vergelijkbaar met een antenne die je moet richten, al bevinden de ongrijpbare morfische velden zich naar verluidt niet op een bepaalde plaats. De juiste stand wordt intuïtief bepaald.

Nu is het mogelijk om via de resonator aan de weet te komen wat de toestand van het bos is en waar het bos behoefte aan heeft. Dit gebeurt met behulp van geprojecteerde waarneming. Een gezond bos kan zich aanpassen bij veranderende omstandigheden door de benodigde informatie uit het morfische veld te halen. Oplossingen voor nieuwe problemen, zoals zure regen, zijn echter niet altijd in dit veld te vinden, waardoor de bomen verzwakken en het contact met elkaar verliezen. Via de resonator kan nuttige informatie worden overgedragen naar het vormveld van het bos. Dit gebeurt met behulp van een zogenoemde informator, die met de resonator in contact wordt gebracht. De apparatuur zorgt ervoor dat de informatie ritmisch wordt aangeboden, met intervallen van minimaal een tiende seconde. Orgon fungeert als transportmedium voor de informatieoverdracht naar het morfische veld. De therapie duurt gewoonlijk meerdere jaren.

Runentekens, Hebreeuwse letters, en andere oude symbolen blijken zeer geschikt te zijn als informator. De bomen vragen er zelf om. Dat mag enige verbazing wekken omdat het woord milieuvervuiling in oude tijden nog niet bestond. Volgens Andeweg heeft het te maken met het feit dat oertalen natuurlijk en natuurgetrouw zijn: ‘Taal was in de oudheid gelijkvormig met het teken dat de natuur openbaarde. Vorm en inhoud waren identiek. Namen weerspiegelden het wezen der dingen.’ De letters r o o s hebben nu feitelijk niets meer te maken met een bloem, maar vroeger was dat kennelijk heel anders. Bovendien resoneren symbolen met een zeer sterk en complex veld van betekenissen, dat de natuur goed begrijpt. Naast symbolen worden onder meer fractals, kleuren en orgon- of dorspoelingen gebruikt.

Andeweg beschrijft diverse proefnemingen die de lezer zelf kan uitvoeren. Zo is het mogelijk om een kamerplant op afstand te behandelen met behulp van een polaroidfoto van de plant. In plaats daarvan kun je ook een blad van de plant gebruiken, waarvan je eventueel met een kopieerapparaat of scanner een afdruk maakt. De kopie is een goede resonator. Je legt de resonator op tafel en je draait hem in zijn CRP. Op het moment dat het plaatje goed ligt, voel je iets opengaan. Je kunt de plant nu onder meer vragen of hij een bepaalde kleur licht wil hebben en hoe lang hij behandeld wil worden. Planten kunnen ook antwoorden op de vraag of zij reiki of Bachremedies willen (ze schijnen deze alternatieven te kennen). Het antwoord kun je voelen of met de pendel bepalen. Vervolgens kun je de resonator bijvoorbeeld tien seconden met groen licht bestralen. Hierdoor wordt de informatie ‘groen’ opgenomen in het morfische veld van de plant. Dat schijnt soms nodig te zijn. Tevens kun je aan je hogerzelf vragen om de plant levensenergie te geven. ‘Groen licht is immers informatie en energie. De kleur is informatie. Het licht is energie.’ Als het allemaal goed gaat, kun je na afloop vaststellen dat de energetische waarden van de plant (Bovis, orgon, etc.) significant zijn gestegen.

In plaats van groen licht kun je ook een groen object, bijvoorbeeld een kristal, op de resonator leggen. Alles wat groen is resoneert met het hetzelfde ‘groene’ morfische veld. Door het object te draaien tot je een soort klik voelt, stel je de morfische velden van de resonator en de informator op elkaar in. Je kunt er bovendien nog een zogenoemde transformator aan toevoegen, die de overdracht van energetische informatie bevordert. Kleine afbeeldingen van graancirkels zijn daar zeer geschikt voor. In echte graancirkels kan men 100 procent orgon meten. Andeweg vermoedt dat de cirkels worden vervaardigd met behulp van een straal geconcentreerd orgon, die vaste materie tijdelijk week kan maken. Uri Geller gebruikte dit om lepels te buigen. Graancirkels zijn bedoeld als een soort acupunctuurbehandeling van de aarde.

Een fantastische werkelijkheid

Het is niet duidelijk in hoeverre de informele experimenten die Andeweg in zijn boek bespreekt onder beter gecontroleerde omstandigheden herhaald kunnen worden. Vermoedelijk stuit dit op allerlei problemen: ‘Het is onmogelijk om het effect van een energetische behandeling op een koele, afstandelijke, zogenaamd objectieve manier te onderzoeken.’ Zonder ‘oprechte en liefdevolle belangstelling’ krijgt een behandelaar geen goed antwoord van een plant. Hij moet ook altijd eerst toestemming aan de plant vragen en mag niet meermaals dezelfde vraag stellen. Als een behandeling niet ‘met hart en ziel’ wordt uitgevoerd en als je niet meent wat je tegen de plant zegt, dan werkt het niet.

De methoden die hij aanbeveelt, hebben alle kenmerken van magie. Zo is het een bekend magisch principe dat dingen elkaar kunnen beïnvloeden als ze op elkaar lijken of met elkaar in contact zijn geweest. De vitaliteit van een plant verhogen door een foto of blad van de plant met groen licht te bestralen, dat is louter een symbolische handeling die niks te maken heeft met de velden van Sheldrake, wat je daar verder ook van mag denken.

Andeweg schijnt dit zelf ook wel enigszins te beseffen, want hij schrijft: ‘Het uiterlijke, materiële proces is een imitatie van een innerlijk, geestelijk proces. Het gaat hierbij vooral om het principe en niet om wat er feitelijk gebeurt… Het belangrijkste is dat de uiterlijke voorstelling analoog is met de innerlijke… Het denken in analogieën betekent dat het gelijksoortige met het gelijksoortige reageert.’ Het komt erop neer dat hij zijn fantasieën aanschouwelijk maakt. Dit sluit aan bij de laatste zin van zijn boek waarin hij zijn verlangen uitspreekt naar ‘een wereld waar fantasie en werkelijkheid verenigd zijn, in één fantastische werkelijkheid’.

Recentelijk heeft Andeweg het Centrum voor Ecotherapie opgericht, dat door middel van zogenoemde balanceringen het evenwicht tussen organismen en hun woonplaats herstelt. De behandeling van mensen, dieren, gewassen, huizen of boerderijen kan op afstand geschieden en tussentijdse grafieken geven het verloop weer. Andeweg geeft ook cursussen waar biologische boeren en boerinnen kunnen leren de levenskrachten in hun bedrijf te versterken. Naarmate een bedrijf ‘beter in zijn energie zit’ vermindert de kans op ongelukkige tegenslagen (zoals een tractor die ‘toevallig’ net kapot gaat als je hem het hardst nodig hebt). ‘Door je bedrijf energetisch op te laden creëer je je eigen meevallers.’

Literatuur

Andeweg, Hans (1999, 2001). In resonantie met de natuur. Utrecht/Antwerpen: Kosmos-Z&K Uitgevers.

Evans, Christopher (1973). Cults of unreason. London: Harrap.

Harrer, Bernhard (1996-98). Kritische Evaluation der Lebensenergie Forschung von Wilhelm Reich. www.datadiwan.de/netzwerk/index.htm?/harrer/ha_001d_.htm en www.datadiwan.de/magazin/index.htm?/magazin/dz0114d_.htm

Hyman, Ray (1999). The mischief making of ideomotor action. The Scientific Review of Alternative Medicine, 3(2), 34-43.

Merckelbach, Harald (1992). Een ontspoorde Freudiaan: De pseudowetenschap van Wilhelm Reich. Skepter, 5(1), 26-30.

Mulisch, Harry (1973). Het seksuele bolwerk. Amsterdam: De Bezige Bij.

Nanninga, Rob (1998). Omgepoolde aardstralen: het milieubewustzijn van VROM. Skepter, 11(4), 15-17.

Smit, Ton & Mark de Does (1993). Wereldwijd de bossen redden: Wageningen wil geld voor de resonantietherapie. Skepter, 6(3), 3-7.

Smith, Ralph Lee (1968). The incredible Drown case. Today’s Health (april). (www.chirobase.org/12Hx/drown.html)

Spitz, Herman H. & Yves Marcuard (2001). Chevreul’s report on the mysterious oscillations of the hand-held pendulum. Skeptical Inquirer, 25(4), 35-39.

Tompkins, Peter & Christopher Bird (1973). The secret life of plants. New York: Harpen & Row.

Walach H, C. Rilling & U. Engelke (2001). Efficacy of Bach-flower remedies in test anxiety. Journal of Anxiety Disorder, 15(4):359-66.

Wilcox, Roger M. (2001). A skeptical scrutiny of the works and theories of Wilhelm Reich. pw1.netcom.com/~rogermw/Reich/index.html.

Uit: Skepter 15.1 (2002)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014