Onzichtbare meridianen

Waar stroomt de levenskracht?

door Dirk Koppenaal

NiermeridiaanVeel oosterse geneeswijzen, maar ook vechtsporten en andere lichaamstechnieken, gaan uit van onstoffelijke levenskracht die door meridianen in ons lichaam zou stromen. Deze meridianen, die zelfs door de WHO worden erkend, zijn nauwkeurig in kaart gebracht, maar wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt.

In 1984 publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie WHO het rapport A proposed standard international acupuncture nomenclature: Report of a WHO scientific group. (1) In dit rapport dat zij aan zij staat met vermaarde internationale standaarden, zoals de ICD-10 en ICF (classificaties voor ziekten en gebreken), wordt beweerd dat er veertien hoofdmeridianen en 361 acupunctuurpunten bestaan. Daarnaast zouden er nog acht extra meridianen en achtenveertig extra acupunctuurpunten zijn. Feitelijk erkent de WHO met dit rapport acupunctuur als therapie en geeft wetenschappelijke status aan een medische mythe. Niet alleen acupuncturisten, maar tal van andere alternatieve therapeuten beroepen zich op het rapport om vertrouwen te wekken en medisch aanzien te verwerven.

Loodgieterswerk

Wat zijn meridianen, waarvoor dienen ze en waar bevinden ze zich? Volgens veel antieke gezondheidsfilosofieën stroomt er een levenskracht door ieder lichaam. In oude Arabische geschriften, Indiase werken en Chinese boeken wordt gesproken over deze kracht die de organen met elkaar verbindt. Het bekendst is de qi of chi (spreek uit tsji). De grondbetekenis van qi is adem, en afhankelijk van de context kan het ook ook lucht, stoom, kracht, energie of stemming betekenen, maar in de oude Chinese gezondheidsleer is het zoiets als levenskracht, de basis voor alle fysiologische processen. Verstoring van qi resulteert steevast in gezondheidsproblemen. Qi komt voor in vele types, kent geen materiële verschijningsvorm, maar zou toch door vleselijke kanalen stromen: jing luo. Jing betekent smal pad, rechtdoor of direct en verwijst naar verticale kanalen: de meridianen. Luo betekent netwerk en verwijst naar de kanaalstelsels die zich vanuit de verticale kanalen vertakken. De term meridianen werd pas in 1939 door de Franse diplomaat George Soulié de Morant geïntroduceerd, die ook de vertaling ‘energie’ voor qi bedacht. De qi-circulatie door de meridianen is traag; volgens de meeste bronnen worden de organen in een vaste volgorde, die ongeveer één etmaal duurt, van energie voorzien.

De voornaamste geneeswijze waarbij de meridianen een rol spelen, is acupunctuur. Door naalden op de juiste plaatsen (acupunctuurpunten) te prikken, zou verstoorde of ongebalanceerde stroming van qi in de kanalen worden opgeheven en de gezondheid worden hersteld. De acupunctuurpunten heten xue (gat of grot, spreek uit sjuè). Acupunctuur, in het Chinees zhen (naald, spreek uit dzun), wordt vaak toegepast in combinatie met jiu (moxibustie, spreek uit dzjioo). Het meridianen- en qi-verhaal lijkt op een buizen- en pijpenstelsel, waarbij de therapeut in de rol van loodgieter (met soldeerbrander) verstoppingen zoekt, vindt en ontstopt. Wat de loodgieter echter vermijdt, namelijk leidingen dwars doorboren, is de aangewezen techniek in de acupunctuur. Het qi-concept wordt trouwens buiten de acupunctuur vaak gebruikt om behandelingen te ‘verklaren’ die de therapeut zelf eigenlijk ook niet snapt. Voorbeelden hiervan zijn: reflexologie, chiropractie, homeopathie, bioresonantie, biofoton coherentietherapie, etc.

Het was in China lange tijd ongebruikelijk om anatomische studies op mensenlichamen te verrichten omdat verminking, ook van lijken, onfatsoenlijk werd gevonden. (2) Tot begin 1900 was er zelfs geen goede anatomische atlas die de lichaamsorganen aangaf. Alle oude kennis omtrent de meridianen is verkregen door een combinatie van prikken en levensovertuiging, maar zonder enige vorm van methodische benadering.

Natuurlijk is het mogelijk dat Chinese artsen, niet gehinderd door enige anatomische kennis, maar gezegend met veel metafysische wijsheid, een lichaamssysteem hebben ontdekt dat onzichtbaar is voor de moderne medische technieken. In het land van zoutochkunnen is alles mogelijk. Of zou men al duizenden jaren lang een hersenschim najagen?

Een vage geschiedenis

Om meridianen echt te begrijpen, moet men het ontstaan ervan kennen. Veel van de Chinese geneeskunst is gebaseerd op het standaardwerk Huangdi Neijing (Medisch Handboek van de Gele Keizer). De Neijing beschrijft dat ieder mens twaalf primaire meridianen aan weerszijden van het lichaam heeft, die de holle organen met elkaar verbinden. Maar dat is niet altijd zo geweest. In de graftombe te Mawangdui (daterend uit 168 v.C., ontdekt in 1972) vond men vele manuscripten, waaronder een zevental medische. Die spraken over elf kanalen, mai, waar bloed en qi door stroomde. Een lakfiguurtje uit een in 1993 ontdekte graftombe uit dezelfde periode (de West-Han dynastie) toonde slechts negen kanalen. Bovendien bleken twee van die geschilderde kanalen niet beschreven te worden in de Mawangdui-manuscripten en ook niet in de Neijing, die ook uit die periode stamt.

Gedurende latere eeuwen nam niet alleen het aantal meridianen toe, maar ook de posities en de namen (karakters) veranderden. Volgens de WHO heeft de mens veertien hoofdmeridianen. Maar als men doorzoekt, zijn er ook referenties te vinden die 20 of zelfs 36 primaire meridianen beschrijven. (3) Voor de submeridianen zijn de variaties in aantallen en posities nog groter. De situatie wordt nog complexer, wanneer men hierbij ook Indiase, Koreaanse of Japanse beschrijvingen van meridianen zou betrekken.

Voor veel Chinese geleerden zijn historische tegenstellingen een wezenlijk obstakel voor de waarde van een therapie. De Chinese geneeskunst kende geen klinische experimenten en de ongecontroleerde, vastgelegde observaties zijn alles wat rest. De Neijing is in de loop van de eeuwen door vele onbekende auteurs samengesteld en aangepast. Er bestaan vele versies en vele vertalingen van. Men neemt deze beschrijvingen in de Neijing zeer letterlijk en buitengewoon serieus. Met regelmaat worden interpretaties over een bepaalde beschrijving of behandeling gepubliceerd.

Een goed voorbeeld van historische tegenstellingen wordt geschetst door Sheng. (4) Hij onderzocht de plant Albizzia. Deze plant wordt in veel Chinese medische tekstboeken genoemd als rustgevend. In 2000 jaar oude geschriften wordt beschreven dat Albizzia gegeven moet worden om iemands zorgen en boosheid te laten verdwijnen. In latere periodes werd aan het therapeutisch effect van Albizzia getwijfeld en raakte het in vergetelheid. Waarom? Onderzoek bracht aan het licht dat Albizzia nooit een medicijn geweest is, maar als bosje bloemen gegeven moest worden, om de andere persoon gunstig te stemmen. Voor Albizzia bestaat een realistische uitleg die de historische tegenstellingen in werking verklaart. Voor de geschiedkundige verschillen bij misschien wel het belangrijkste fenomeen in de oosterse geneeskunst, de meridianen, bestaat geen verklaring.

Galloze galmeridianen

Vandaag de dag lijken op qi gebaseerde therapieën bij dieren heel normaal. Dieren zouden net zoveel baat bij zulke therapieën hebben als mensen, en dierexperimenten lijken volledig (in wetenschappelijk opzicht) geaccepteerd. Er zijn ook aanwijzingen dat acupunctuur op grote dieren zoals koeien, varkens en paarden reeds lange tijd werd toegepast, hoewel niet duidelijk is met welk doel. Een van de eerste meldingen van veterinaire acupunctuur werd gepubliceerd in het Britse Veterinaire Dagboek van 1828. Een passage hieruit luidde: ‘het is nochtans voldoende duidelijk, dat de plotselinge en magische hulp die het menselijke wezen soms ervaart niet in het paard wordt gezien; en dat, waarschijnlijk door de dikte van de huid, de dieren aan extreme marteling lijden tijdens de insertie van de naalden.’

Lang niet iedere onderzoeker is ervan overtuigd dat veterinaire acupunctuur als behandelingsmethode werkelijk heeft bestaan. (5) Met geschiedvervalsing en interpretatie- en vertaalproblemen moet ernstig rekening gehouden worden. Op één Duitse ‘acupunctuurkaart’ van een paard staat, kennelijk zonder dat de therapeut die ermee adverteert dit weet, met grote letters in het Chinees: ‘kaart van beenderen’. Een beroemd basreliëf toont hoe een generaal een kruisboogpijl verwijdert uit het lievelingspaard Herfstdauw van keizer Tang Taizong; dit wordt aangeprezen als een acupunctuurillustratie uit de West-Han dynastie (in plaats van Tang). Opvallend is dat in alle dieren acupunctuurpunten telkens op gelijke plaatsen worden aangeduid en dat de posities ervan grote overeenkomst met een op handen en voeten poserende menselijke figuur hebben. Dat ook de meridianen afgeleid zijn van het menselijk model, komt onmiskenbaar naar voren bij het paard. Het paard heeft namelijk net als mensen een galmeridiaan, maar geen galblaas. Kortom, onderzoek naar meridianen bij proefdieren heeft bij voorbaat weinig wetenschappelijke waarde.

In en rond bloedvaten?

Chinese medici wijzen graag op de voorsprong van de Chinese geneeskunst, en noemen daarbij de bloedcirculatie, op gezag van onderzoek door de sinoloog Joseph Needham. Eeuwen en eeuwen voordat William Harvey de bloedcirculatie ophelderde en in 1628 publiceerde, zou deze al beschreven zijn in de Neijing. Nu bespreekt de Neijing wel een circulatiesysteem maar het is onduidelijk wat er circuleert. Een verband met bloedvaten of hart wordt niet gelegd. De zogeheten constructieve qi ontstaat uit voedsel en legt via in totaal wel dertien meridianen een route af die de vingers tweemaal en de tenen driemaal passeert en onderweg alle organen ook nog aandoet. De ‘verdedigende’ qi‘ doorloopt een andere eveneens zeer lange route. (6) Lezing van de hele tekst doet de vraag rijzen hoe iemand hier ooit de bloedsomloop in heeft kunnen herkennen. Een gedeelte van de misvatting gaat terug op de scheepsarts Willem ten Rhijne die in zijn boek uit 1685 beweerde dat de hele Chinese geneeskunde gebaseerd was op het idee van de bloedsomloop, maar of Ten Rhijne de Neijing goed gelezen heeft, moet worden betwijfeld.

Toch blijven de bloedvaten intrigeren. De groep van Ma Wentao verlegde de bloedvatenhypothese iets en beweerde dat de ruimte vlak rond de grote bloedvaten zou corresponderen met meridianen. (7) De onderzoekers stelden dat in vroegere tijden de Chinese geneeskundigen de meridianen opspoorden aan de hand van de ligging van de grote bloedvaten, en dat de grote bloedvaten in de borst en buik in grote lijnen de maag- en galblaasmeridianen volgen. Door inkt te spuiten in de perivasculaire ruimte bij konijnen en muizen toonden de onderzoekers aan dat er een vloeistofstroom was, onafhankelijk van lymfevaten. Bovendien toonde men aan dat elektrische geleiding in de perivasculaire ruimte lager en de zuurstofspanning hoger was dan in het omliggende weefsel, net zoals dat voor meridianen wordt beweerd. Verder stelde Ma dat de tijdsduur waarin acupunctuurpuntstimulatie effectief ongeveer twintig minuten is, een periode die niet te verklaren is met directe bloedgeleiding, maar wel met het langzamere perivasculaire transport.

Uit nadere bestudering van het artikel blijkt dat niet de grote bloedvaten in borst- en buikholte zijn bestudeerd, maar bloedvaten vlak onder de huid. De vraag rijst dan natuurlijk, hoe komt die levenskracht bij het orgaan? Er zijn meer problemen met het onderzoek. De perivasculaire ruimte is namelijk de ruimte rond bloedvaten in het centraal zenuwstelsel. Deze ruimte wordt met een extra membraan afgeschermd en functioneert als drainagesysteem voor lymfevloeistof, aangezien er in de hersenen geen lymfevaten zijn. Deze perivasculaire ruimte voert de lymfe in één richting af. Voor de huid is er geen perivasculaire ruimte, alleen een extravasculaire ruimte, zonder extra membraan. De onderzoekers rapporteren dat de inkt in beide richtingen van de injectieplaats migreert. Dit wijst niet op een doordacht fysiologisch transportmechanisme, maar meer op een artefact ontstaan door de overdruk tijdens de injectie.

In 1963 beschreef de Zuid-Koreaan Bonghan Kim minuscuul dunne buisjes binnen bloedvaten en bij organen. Deze ‘Bonghan-buizen’ liepen precies samen met de meridianen. Kim gebruikte een speciale histologische kleuring, die hij geheim hield. Met dezelfde techniek ontdekte hij op acupunctuurpunten Bonghan-lichaampjes in de huid. Kim maakte geen foto’s en voor zover bekend zijn er geen preparaten bewaard gebleven. Recentelijk beweerden Zuid-Koreaanse onderzoekers dat zij met behulp van verschillende histologische technieken bij konijnen, varkens en ratten opnieuw Bonghan-buizen konden aantonen. (8, 9) De buisjes bestaan uit draadachtige cellen en de onderzoekers stellen dat zij wezenlijk onderscheid kunnen maken tussen de cellen van de buisjes en immunologische cellen (die er wel erg veel op lijken) en fibrine, een eiwit dat tijdens perfusie van bloedvaten ontstaat.

De Koreaanse onderzoekers bleven in varianten van de klassieke histologische technologie steken; zelfs een immunohistologische kleuring die onderscheid maakt tussen de meest voor de hand liggende structuren is niet of niet succesvol gedaan. De kritiek op de primitieve technieken die gebruikt zijn om de buisjes aan te tonen, is eigenlijk maar het begin. De onderzoekers erkennen zelf dat ze geen statistisch significante correlatie tussen de Bonghan-buizen en meridianen konden aantonen. Men staat er ook niet bij stil dat de Bonghan-buizen (als ze bestaan) de bloeddoorstroming zo ernstig zouden belemmeren, dat het hele concept wel een artefact moet zijn. Men heeft uit het onderzoek geen enkele aanwijzing hoe de Bonghan-buizen levenskracht of informatie zouden kunnen doorgeven. Tekenend voor het hele onderzoek heeft men wel een hypothese: de Bonghan-buizen zouden als een soort glasvezelkabels biofotonen geleiden. (10)

Verschillende onderzoekers hebben geprobeerd om meridianen aan te tonen door bij menselijke vrijwilligers en (onvrijwillige) honden radioactieve stoffen in acupunctuurpunten te injecteren en de verspreiding ervan in het lichaam te volgen. (11, 12) De eerste studies concludeerden dat de radioactieve tracer via onbekende kanalen werd opgenomen en verspreid; kortom het bewijs voor meridianen was geleverd. Veel websites en boeken over meridianen verwijzen nog altijd naar deze studies en de onderzoekers en media juichten dat een nieuwe medische beeldanalysetechniek was ontwikkeld. Latere studies toonden echter aan, dat de radioactieve tracer toch door bloedvaten werd opgenomen en geconcludeerd werd dat het gebruik van radioactieve tracers niet de manier is om meridianen aan te tonen. (13, 14)

Virtuele kikkervismeridianen?

De eerste moderne uitgebreide westerse kennismaking met qi en meridianen was door de vermeende pijnstillende werking van acupunctuur. Het is dan ook niet meer dan logisch dat het zenuwstelsel werd gezien als anatomisch equivalent voor meridianen. Voorstanders wezen ook op het autonome zenuwstelsel dat een yin/yang principe kent in de vorm van het kalmerende, parasympathisch zenuwstelsel en het stimulerende (ortho)sympathisch zenuwstelsel. Onderzoek bracht aan het licht dat de hersenen zeer krachtige opiaatachtige pijnstillers kunnen aanmaken, als reactie op pijn- en inspanningsprikkels. Kortom, redeneerde men, door op specifieke plaatsen prikkels te geven, zouden geprikkelde hersencellen endorfines aanmaken die naburige hersencellen verdoven. Hierdoor worden pijnprikkels uit andere delen van het lichaam niet meer gevoeld. Deze hypothese is zeer aanvechtbaar. Als dit een normaal mechanisme is, waarom merken we dan niet dagelijks allerlei acupunctuureffecten? Waarom beïnvloeden de endorfines alleen sensorische neuronen; waarom treedt geen motorische uitval op?

Maar goed, stel dat de endorfinetheorie klopt, hoe kan stimulatie van een punt effect hebben op een heel ander deel van het lichaam? Waarom heeft stimulatie van het Hoku-punt, gelegen tussen duim en wijsvinger, effect in het gezicht? Waarom heeft stimulatie van het Lieque-punt, gelegen vlak bij de pols, effect op nekpijn? Voor de verklaring wordt steevast de homunculus opgevoerd. De homunculus is een projectie van zowel de lichaamsmotoriek als de sensoriek op verschillende hersengebieden. De projectie geeft aan welke lichaamsdelen het gevoeligst zijn, maar vooral belangrijk voor dit verhaal, op welke plaats in de hersenen de neuronen zitten die een gevoel in duim, gezicht, pols en nek waarnemen. Gebieden die dicht bij elkaar liggen zouden elkaar beïnvloeden door middel van endorfines. De homunculustheorie verklaart de onzichtbaarheid van meridianen; een meridiaan zou bestaan uit verbindingen tussen verschillende lichaamsdelen op hersenniveau en meridianen zijn slechts virtuele lichamelijke weerspiegelingen.

Wanneer men goed de homunculus én de qi-gerelateerde therapieën bestudeert dan is deze verklaring aardig, maar onmogelijk vol te houden; in veel gevallen kan geen overlap tussen stimulatiepunten en effect verklaard worden. Tsun-Nin Lee werkt al sinds de jaren 1970 aan de ‘thalamische neurontheorie’. (15) Volgens Lee bezit de mens naast de bekende en neurologisch aangetoonde homunculi, ook alle evolutionaire voorstadia van de homunculus, die de hoger ontwikkelde homunculi aansturen. De meest primitieve homunculus ziet er uit als een soort kikkervisje en voert de regie over de gehele hersenen en lichaam. In deze ranunculus overlappen stimulatie en doelgebieden wel. Als theorie klopt dit beter dan de homunculustheorie, maar helaas is nooit ook maar spoor van de ranunculus gevonden.

De hypothese dat het zenuwstelsel de westerse versie van meridianen is, heeft het bezwaar dat beide systemen te veel in anatomie en functie verschillen. Terwijl het zenuwstelsel signalen snel van of naar de hersenen stuurt, meest via de ruggengraat, circuleert qi langzaam door de meridianen. Terwijl volgens de westerse inzichten het zenuwstelsel signalen doorgeeft waarmee de hersenen het lichaam besturen, zijn het de verschillende qi-soorten die volgens de Oosterse visie deze rol vervullen. Verder lieten acupuncturisten in studies zien dat lokale uitschakeling van zenuwen geen effect had op de therapie. (16)

De groep van Helene Langevin denkt dat bindweefsel wel eens als meridianen zou kunnen functioneren. (17) Acupunctuurpunten bevinden zich op plaatsen met meer bindweefsel. Dat zou blijken uit het feit dat de naalden moeilijker uit acupunctuurpunten te trekken zijn dan uit omliggend weefsel. Met behulp van ultrageluid konden de onderzoekers ook vaststellen dat er bindweefsel van een acupunctuurpunt dieper het lichaam inloopt, terwijl bij willekeurige controlepunten zulke bindweefselbanen niet aan te tonen waren.

Het onderzoek is niet onafhankelijk uitgevoerd; er is geen vergelijking tussen Langevins medewerkers en onafhankelijke onderzoekers die op grond van de door Langevin opgestelde criteria naalden prikten. Er is geen acupunctuurpunt-effect. De voorbeelden gelden alleen voor bindweefsel in de spieren. Veel van dit soort verklaringen laat nog heel veel onverklaard, en dat geldt ook voor het bindweefselidee. Hoe komen de meridianen bijvoorbeeld bij de organen? Zou het bindweefsel daar wel voor zorgen? Bindweefsel vult op en steunt; hoe reguleert en stuurt dit weefsel die levenskracht?

Ezeltje prik

Is het mogelijk dat de huidige biologische kennis en techniek tekort schiet, maar dat indirecte waarnemingen van meridianen een solide basis vormen om het onderzoek voort te zetten? Het meest indirecte, maar tevens het beste bewijs dat meridianen wel of niet bestaan, zou kunnen komen uit acupunctuurbehandeling. Deze bewijsvoering eindigt echter steevast in een welles-nietesdiscussie tussen gelovigen met stapels brieven van tevreden klanten en wetenschappers met acupunctuurreviews en reviews van reviews. (18)

Wijdverbreid is het idee dat meridianen net als acupunctuurpunten zich onderscheiden door een verlaagde elektrische weerstand. De weerstand van de huid wordt echter door veel factoren bepaald, wat het onderzoek gevoelig maakt voor fouten. (3) Zo konden onderzoekers die naar plekken met lage weerstand zochten de traditionele acupunctuurpunten niet terugvinden. In één studie wordt inderdaad een verminderde elektrische weerstand tussen acupunctuurpunten geclaimd, waarop de auteurs concluderen dat de meridiaan een verminderde elektrische weerstand had. Maar het lichaam is onder de huid een uitstekend geleider, het leeuwendeel van de gemeten weerstand bij een acupunctuurpunt komt voor rekening van de opperhuid, dus waarom zou een duidelijk lagere weerstand tussen twee punten dan op geleidingsvermogen van een lijnachtige structuur wijzen? En als verminderde elektrische weerstand in één acupunctuurpunt al niet reproduceerbaar aangetoond kan worden, wat moeten we dan denken van metingen waarbij beide elektroden op zo’n punt gezet worden?

Eachou Chen beschrijft in een uitvoerig review dat sommige mensen qi door hun meridianen voelen stromen. (19) De qi volgt precies de route zoals die voor de meridianen wordt omschreven, en voldoet aan alle klassieke kenmerken. Hij noemt dit ‘subjectieve bewijsmateriaal en deze verspreide sensatietransmissie’ het ‘bewijs van de macht en het ontwaken van qi’. Toe maar! Het lichaam doet alle waarnemingen via het zenuwstelsel. Als mensen qi voelen stromen, moeten er receptoren zijn die dit kunnen waarnemen en moeten er connecties zijn met lichaamsstructuren, die de qi transporteren. Maar waar zijn die dan? Er zijn ook mensen die bij gebedsgenezingen de goddelijke kracht voelen stromen. Zulke gevoelens kunnen niet tellen als fysiologisch bewijs voor het bestaan van zulke stromen.

Een uitvoerige bespreking van ieder idee en elke structuur gaat te ver, maar voor de geïnteresseerden volgt hier een korte opsomming van opvallende ideeën. Meridianen onderscheiden zich door temperatuurveranderingen op de huid, en verschillen in ultrasoon geluid, magnetisme en licht. (3) Meridianen zijn: bipolaire waterclusters (20), DNA (21) of georganiseerde elektromagnetische velden. (22)

Kortom, vrijwel iedere onderzoeker vindt dat geen enkele andere onderzoeker ooit een lichaamsstructuur kon aantonen die correleert met een meridiaan. Via een ezeltjeprikmethode probeert men telkens in het wilde weg een lichaamsstructuur aan te duiden, waaraan nog niemand ooit had gedacht. Waarom deze onderzoekers de meest voor de hand liggende waarheid niet willen accepteren, is misschien een groter raadsel dan de meridianen zelf.

Vergadernotulen

De WHO vond de meridianen zo belangrijk dat ze er een aparte nomenclatuurstandaard voor heeft laten scheppen. Uit de inleiding van het rapport blijkt echter dat er slechts commisies en vergaderingen, maar geen wetenschappelijk onderzoekingen aan te pas zijn gekomen. Voor de vergaderaars stond het bestaan van meridianen al van tevoren vast, en daarmee is het rapport dus eigenlijk een soort theologie, vergelijkbaar met een classificatie van engelen.

Het zorgelijke is dat deze complementaire en alternatieve genezers niet begrijpen waarom de reguliere geneeskunde hun heksenbrouwsel van fantasieën, onherhaalbare proeven en subjectieve ervaringen niet blieft. Ondertussen wordt de patiënt misleid. Die vertrouwt op de reputatie van de WHO, maar krijgt vergadernotulen als therapie opgekwakt.

Literatuur

1. WHO, Proposed Standard International Acupuncture Nomenclature (A): Report of a WHO Scientific Group, 1991. www.who.in/…

2. Matuk C, Seeing the Body: The Divergence of Ancient Chinese and Western Medical Illustration. JBC, 2006, 32, p. 1-8.

3. Ramey D, A review of the evidence for the existence of acupuncture points and meridians, AAEP Proc, 2000, 46, p. 220-224.

4. Sheng ZJ, Historical research in Chinese medicine: the relationship between historical research and clinical use of medicinals. Clin. Acupuncture Orient Med, 2002, 3, p. 129-137.

5. Lumeij JT, Traditionele Chinese veterinaire acupunctuur ontmaskerd. Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij, 2003, 4, p. 14-15.

6. Jing-Boa N, Refutation of the claim that the ancient Chinese described the circulation of blood: a critique of scientism in the historiography of Chinese medicine. NZ J. Asian Studies, 2001, 3, p. 119-135.

7. Ma WT, Tong H, Xu WY, Hu JM, Liu N, Li HY, Cao LX, Perivascular space: possible anatomical substrate for the meridian. J Alt Comp Med,2003, 9, p. 851-859.

8. Lee BC, Baik KY, Johng HM, Nam TJ, Lee J, Sung B, Choi C, Park WH, Park ES, Park DH, Yoon YS, Soh KS, Acridine orange staining method to reveal the characteristic features of an intravascular threadlike structure. 2004, Anat Rec, 278B, p. 27-30.

9. Johng HM, Yoo JS, Yoon TJ, Shin HS, Lee BC, Lee C, Lee JK, Soh KS, Use of magnetic nanoparticles to visualize threadlike structures inside lymphatic vessels of rats. eCAM, 2006, 57, p. 1-6.

10. Soh KS, Bonghan duct and acupuncture meridian as optical channel of biophoton. J Kor Phys Soc. 2004, 45, p. 1196-1198.

11. De Vernejoul P, Darras JC, Reguin C, Cazalas JR, Daury G, Approche isotopique de la visualization des méridiens d’acupuncture. Aggressologie, 1984, 25, p. 1107-1111.

12. Kovacs FM, Gotzens V, GarcIa A, GarcIa F, Nicole Mufraggi N, Prandi D, Setoain J, San Roman F, Experimental study on radioactive pathways of hypodermically injected technetium-99m. J. Nucl. Med, 1992, 33, p. 403-406.

13. Lazorthes Y, Jean-Paul Esquerri JP, Simon J, Guiraud G, Guiraud R, Acupuncture meridians and radiotracers. Pain, 1990, 40, p. 109-112.

14. Wu CC, Chen MF, Lin CC, Absorption of subcutaneous injection of Tc-99m pertechnate via acupuncture points and non-acupuncture points. Am. J. Chin. Med, 1994, 22, p. 111-118.

15. Lee TN, Thalamic neuron theory: Theoretical basis for the role played by the central nervous system (CNS) in the causes and cures of all diseases. Med Hyp, 1994, 43, p. 285-302.

16. Shang C, The past, present and future of meridian research. Clin. Acupuncture Orient Med, 2000, 1, p. 115-124.

17. Langevin HM, Yandow JA, Relationship of Acupuncture Points and Meridians to Connective Tissue Planes, Anat. Rec (new anat), 2002, 269, p. 257-265.

18. Derry CJ, Derry S, McQuay HJ, Moore RA, Systematic review of systematic reviews of acupuncture published 1996-2005. Clin Med 2006, 6, p. 381-386.

19. Chen E, Subjective evidence and propagated sensation transmission (proof of the power and arousal of Chi) Clin. Acupuncture Orient Med, 2002, 3, p. 138-165.

20. Lo SY, Meridians in acupuncture and infrared imaging. 2002, Med Hyp, 58, p. 72-76.

21. Lee TN, Thalamic neuron theory: meridians =DNA. The genetic and embryological basis of traditional Chinese medicine including acupuncture. Med Hyp, 2001, 59, p. 504-521.

22. Rakovic D, Biophysical bases of the acupuncture and microwave resonance stimulation. Phys. Alive, 2001, 9, p. 23-32.

Uit: Skepter 20.1 (2007)

Dirk Koppenaal is redacteur van Skepter