Wonderen der techniek

Elektrische en magnetische gezondheid

door Roland Glaser

Hoewel elektriciteit en magnetisme op grote schaal misbruikt worden door kwakzalvers, zijn er wel degelijk interessante toepassingen in de geneeskunde.

Al vanaf de tijd van Mesmer hebben elektriciteit en magnetisme de naam wonderen te kunnen doen. Er wordt echter ook serieus onderzoek gedaan, en de resultaten van de biofysica zijn van groot belang bij het opsporen en behandelen van ziekten.

M.J. Rossbach (1882) merkte al op dat de geheimzinnige magnetische krachten sterk op de verbeeldingskracht inwerken. Elke vooruitgang in de natuurkunde bracht kritiekloos geloof in weer nieuwe wondermiddelen met zich mee. Dat is nog steeds waar.

Op internet wemelt het van de bioresonantietherapie, kwantumgeneeskunde, radionica, kernspinresonantietherapie en nog veel meer. Maar op die websites is niets te vinden over de intensiteit en frequentie van de velden waar het om gaat, en evenmin in welke vaktijdschriften meer te vinden is, bijvoorbeeld over bewijzen van werkzaamheid. De verkopers van al dit moois zeggen allemaal dat hun speciale methode zo optimaal mogelijk is, maar ze zijn vaag over hoe dat optimaliseren in zijn werk is gegaan.

Er wordt gesmeten met natuurkundige vaktaal. Dat is goed te zien aan de zogeheten bioresonantietherapie (zie Skepter, juni 2003). Het spreekt vanzelf dat men aan de oppervlakte van het lichaam allerlei elektrische metingen kan verrichten. De geneeskunde onderzoekt het hart, de hersenen en de spieren met respectievelijk het elektrocardiogram (ECG), het elektro-encefalogram (EEG) en het elektromyogram. Metingen tonen ook geringe elektrostatische spanningsverschillen tussen diverse delen van het lichaam. Deze worden meestal veroorzaakt door details van het contact van de meetelektrode met de huid. Ze hangen af van het geleidingsvermogen van de huid, en van de hoeveelheid zweet. Als een ECG en dergelijke gemaakt worden, vermijdt men deze of compenseert ervoor.

Iedere elektrotechnicus weet dat zwakke elektrische potentialen ruis vertonen als men ze maar genoeg versterkt. Deze ruis kan men ontleden in verschillende frequenties. Men verkrijgt dan een spectrum. Dat is allemaal standaard wis- en natuurkunde.

Helende stralen

De lui van de bioresonantie doen dat ook, en met hun elektroden, versterkers, computers enzovoorts maken ze veel indruk op de patiënten. De wonderen beginnen bij het interpreteren van het spectrum. Dit spectrum bestaat uit een mengsel van meetfouten, ruis en vaak ook externe signalen, namelijk als de afscherming niet deugt. Men geeft aan dit alles een biologische interpretatie, en spreekt van ultrafijne trillingen, resonanties die uit het zieke lichaam worden afgetapt en die gerepareerd kunnen worden door ze omgekeerd terug te stralen, en meer van die wartaal. De homeopathie doet ook mee, want homeopathische middeltjes in dichte glazen flesjes zouden ook zulke trillingen uitzenden en aan de meetstroom koppelen. Zegenrijke middeltjes dempen dan de zieke trillingen, in tegenstelling natuurlijk tot de verkeerde pilletjes.

Het slaat allemaal nergens op. Zulke trillingen zijn nog nooit aangetoond en zijn ook biofysisch gesproken flauwekul. De hele methode bestaat uit koffiedikkijken in het spectrum.

De alternatieve genezers die met zulke methodes werken halen er de oude Chinese qi (spreek uit tsji) bij. Deze stelt men gelijk aan levenskracht en ook aan natuurkundige energie. Maar het woord qi betekent zoiets als damp, geest, subtiele invloed. Het is geen natuurkundig begrip, in tegenstelling tot de manier waarop de alternatieve genezers het hanteren.

In dit verband moet de methode van de plattelandsdokter Reinhold Voll genoemd worden, die in de jaren 1950 een diagnostisch systeem ontwikkelde. Het bestond uit huidweerstandmeting op acupunctuurpunten in combinatie met homeopathische flesjes als boven vermeld. Dit is de zogeheten elektroacupunctuur volgens Voll (EAV). Met acupunctuur heeft het eigenlijk niets te maken: men prikt noch geneest, maar er worden diagnoses gesteld. (zie Koppenaal, 2008)

Alle variaties van bioresonantietherapie en elektroacupunctuur gaan in wezen terug op de uitvindingen van Albert Abrams aan het begin van de 20ste eeuw. Deze had wel drie machines waarmee hij ziekten via ‘trillingen’ kon aantonen en vervolgens genezen door de trillingen te verbrijzelen: de biodynamometer, de elektrobioscoop en de oscilloclast, allemaal elektrisch gesproken volslagen onzinapparaten. Ze werkten ook met bloeddruppeltjes of proeven van handschrift van de onderzochte personen. Behalve allerhande kwalen kon men er ook geslacht, religie en financiële omstandigheden mee vaststellen. Of de genezende krachten ook op de portemonnee werkten moet betwijfeld worden. De machines konden hun helende stralen over grote afstanden laten werken. In 1923 waren er in de VS 3500 artsen die met de toestellen van Abrams werkten. Abrams stierf in 1924 en liet een vermogen van twee miljoen dollar na. De ideeën van Abrams zijn nog allemaal in de een of andere vorm in omloop. Zelfs zieke bossen kan men er op afstand mee genezen (zie Nanninga, 2002; Skepter, september 1993).

Drie groepen

De wetenschappelijke geneeskunde berust op een combinatie van experiment en theorie. Als we ons beperken tot de elektromagnetische geneeskunde, dan kunnen we die in drie groepen verdelen.

De eerste groep omvat alles wat zowel theoretisch begrepen is, als klinisch onderzocht. Voorbeelden zijn prikkelstroomtherapie, stimulering door magneetvelden, elektrochemotherapie, hyperthermie, iontoforese en andere.

Iontoforese is een elektrische therapie met een redelijke onderbouwing. Daarbij worden geneesmiddelen in de vorm van geladen moleculen in het lichaam gebracht door middel van gelijkstroom. Eigenlijk gaat het om een verbetering van opname door de huid. Bij elektrochemotherapie worden korte elektrische pulsen met hoge veldsterkten toegepast. Daardoor worden als het ware gaatjes geprikt in de celmembranen, zodat werkzame middelen makkelijker in de cellen kunnen dringen. Sommige middelen tegen kanker dringen normaal maar slecht door in de cellen waartegen ze gericht worden. Met deze methode kan kanker lokaal behandeld worden. Het onderzoek is echter nog in het stadium van proeven met dieren, dus men kan deze methode ook rekenen bij de volgende groep.

De tweede groep bestaat uit behandelingsmethoden die theoretisch veelbelovend zijn, maar waarvoor nog niet voldoende bewijs is, en waarvan men vaak (nog) niet weet hoe men ze het beste kan toepassen. Voorbeelden zijn behandeling van botbreuken, wonden, en zenuwherstel.

Alles wat theoretisch onbegrijpelijk is, vormt de derde groep. Daar is ook nooit een bewijs voor op grond van proeven met zieken. Dat is de hele alternatieve winkel van magneettherapie, bioresonantie enzovoorts.

Therapieën die bewijsbaar effectief zijn, zonder dat we zelfs maar kunnen vermoeden waarom, zijn er op dit gebied niet.

Magneten

Met magneettherapie bedoelen we alles wat gebruik maakt van permanente magneten. Mesmer begon hier al mee (wellicht afgekeken van de jezuïet Hell), en hoewel hij snel ontdekte dat het zonder magneten net zo goed ging, worden door anderen nog steeds geneeskrachtige magneten aangeboden. Wereldwijd ging er in 1999 voor ongeveer vijf miljard dollar om in magneetpleisters, -gordels, -hangers, -matrassen, -kussens, en magnetische armbanden, inlegzolen, enzovoorts. (1) Er is wel onderzoek naar de effectiviteit van magneten gedaan, en bij sommige kleine onderzoeken, met tien of minder patiënten, wordt wel eens een effect gevonden dat statistisch weinig indrukwekkend is.

Bij veel van die proeven ziet men een sterk placebo-effect. Als er met apparatuur gewerkt wordt die heimelijk uitgeschakeld kan worden zonder dat de patiënt het merkt, ziet men bijvoorbeeld een flinke pijnreductie in de placebogroep. Bij proeven met hangers, pleisters enzovoorts is niet goed te blinderen omdat de patiënt makkelijk na kan gaan of het wel om een echte magneet gaat. Bij zulke proeven lijken de magneten dan ook vaak te helpen. Kennelijk wordt het suggestieve effect versterkt door de wetenschap dat men een echte magneet op de knie heeft zitten.

Bij een bekende en vaak geciteerde studie van het Baylor College (29 verum, 21 placebo) werd een al dan niet echte magneet drie kwartier tegen de huid gedrukt, met een duidelijk onmiddellijk effect op de pijnbeleving. Het is niet meer na te gaan of er goed geblindeerd is, maar dat de verloting niet deugde is goed te zien aan de samenstelling van de groepen. De placebogroep was ouder en telde relatief veel meer mannen en kan dus als geheel wat ongevoeliger voor suggestie geweest zijn.

Volgens veel reclame bevorderen magneten de bloedsomloop, bijvoorbeeld omdat er ijzer in rode bloedlichaampjes zit. Die verklaring is onzin. Bloed trekt zich niets aan van magneten. Het hele menselijke lichaam bevat maar ongeveer drie gram ijzer en niet eens in magnetiseerbare vorm. Een schijf bloedworst blijft echt niet aan een magneet hangen. Zelfs al zou bloed dat wel doen, dan nog zou een magneet de stroomsnelheid van het bloed niet kunnen vergroten, integendeel. Wetenschappers hebben zich zelfs moeite gegeven om experimenteel te laten zien dat het bloed niet sneller gaat stromen bij een magneet. Als magneten werkelijk de bloedsomloop zouden bevorderen, zou een magneet vlak bij de huid een rode plek moeten geven en men kan makkelijk vaststellen dat zoiets niet gebeurt. (2)

Vaak wordt vermeld dat dieren ook baat hebben bij magneten, en meer in het bijzonder dat er in de paardensport grote successen mee geboekt worden. Paarden kunnen de reclame voor magneetverbanden niet lezen, dus van een placebo-effect kan geen sprake zijn. Maar paarden zijn net als mensen gevoelig voor aandacht, en jockeys zijn vaak nogal lichtgelovig.

Op Stephen Barretts website www.quackwatch.org staat een artikel van Barrett zelf over, dat een zestal gevallen noemt van Amerikaanse verkopers van magnetische artikelen die door de rechter werden teruggefloten. Bij de gewraakte artikelen waren ook magnetisch water (!) en golfschoenen die een gebrek aan magnetisme zouden corrigeren. Een van de zondaars die Barrett vermeldt, is het echtpaar Richard en Ernestine Markoll en hun medewerker Trock, die een strafrechtelijke veroordeling kregen voor hun frauduleuze en onwettige toepassingen van pulserende velden (waarover zo dadelijk meer) en omdat Richard zich voor arts had uitgegeven. Bovendien moest hun bedrijf vier miljoen dollar aan de regering betalen. Markoll woont nu in München waar hij zijn oude stiel hervat heeft en uiteraard schermt met zijn jarenlange onderzoek.

In Barretts nieuwsbrief van 2 november 2004 wordt de firma Media Maverick vermeld. Die verkocht een ‘Balance Bracelet’ die zogenaamd ‘elektro-gepolariseerd’ was en pijn heette te verdrijven afkomstig van een ‘onbalans in de positieve en negatieve energie’. Media Maverick kwam met de Federal Trade Commission overeen dat ze 400.000 dollar zouden betalen om de klanten schadeloos te stellen (zie ook elders op de Quackwatch site).

Toch zijn er wel nuttige toepassingen van de magnetische kracht voor diagnose en therapie. De laatste paar jaren hebben er stormachtige ontwikkelingen plaatsgevonden.

Met name zijn ‘supraparamagnetische nanodeeltjes’ veelbelovend. Het idee is dat zulke deeltjes aan antilichamen worden gekoppeld die tegen specifieke cellen of specifieke grote moleculen in het bloed zijn gericht. Als deze antilichamen zich aan hun doel hechten, kunnen ze met behulp van magneten op bepaalde plekken worden geconcentreerd. Deze techniek heet magnetische separatie, of immuno-magneettechniek. Een andere mogelijkheid is om chemotherapeutische middelen aan zulke nanomagneten te koppelen en ze dan met magneten naar een kwaadaardig gezwel te dirigeren. Een derde optie is dat men de magnetische deeltjes naar de tumor stuurt, en dan de patiënt aan een hoogfrequent veld blootstelt. De nanomagneetjes warmen dan veel sterker op dan het omliggende weefsel, zodat alleen de tumor ‘gekookt’ wordt.

Een wetenschappelijke grondslag is er ook voor de magnetische stimulatie van de hersenen. Men wekt dan kortdurende uiterst krachtige magnetische velden op. Deze hebben een indirect effect, namelijk door kringstromen die zo worden opwekt. Met deze methoden kan men zonder elektroden in de hersenen aan te brengen er toch plaatselijk een stroom in laten lopen. Neurologen hebben hier belangstelling voor. Hoe het echter met de bijwerkingen zit, is niet duidelijk.

Pulserende velden

Hiermee zijn we eigenlijk al op het gebied van de medische toepassingen van pulserende elektromagnetische velden (Engelse afkorting PEMF) gekomen. In de breedste zin hoort TENS hier ook bij (zie Innemée en Oerlemans, 2001). TENS werkt met elektroden op de huid die duidelijk voelbare prikkelingen opwekken en die met meer of minder succes spierontspanning teweeg brengen. Bij PEMF gaat het om het directe effect van het veld of de erdoor opgewekte kringstromen. Die kringstromen zijn echter veel te zwak om direct te voelen. Een meta-analyse van Schmidt-Rohlfing (2000) concludeert op grond van 37 onderzoeken met in totaal 3379 patiënten dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor de werking van PEMF bij orthopedische aandoeningen.

Er zijn heel veel soorten PEMF-therapieën met allemaal verschillende indrukwekkende namen, teveel om op te noemen. Wetenschappelijke publicaties zijn er nauwelijks. De reclame en de lovende krantenartikelen staan bol van de onzin. Wat te denken van ‘de zieke lichaamseigen signalen weer in gezonde banen voeren’ door de kernspin van de ‘lichaamseigen atomen’ te manipuleren? Sommige producenten moduleren de PEMF met behulp van muziek. De klant kan kiezen uit Händel of Heavy Metal of wat hij of zij maar mooi vindt.

Het is overigens niet allemaal subtiele trillingen wat de klok slaat. Sommige verklaringen kunnen voor leken aannemelijk lijken. Zo pretendeert men iets aan de ionenstroom door celmembranen of de stand van gepolariseerde eiwitmoleculen te doen. Ook het bevorderen van de bloedsomloop via de ladingen van bloedlichaampjes klinkt als niet helemaal uit de lucht gegrepen. Als men gaat rekenen blijkt de sterkte van de gebruikte velden vele machten van tien tekort te komen voor de geclaimde effecten. Men vermeldt nooit dat het lichaam goed is afgeschermd, zelfs tegen de eigen velden. De stroom in een zenuwvezel mag nabijgelegen zenuwen natuurlijk niet storen. Dat alles realiseert de leek zich niet, en daar maakt de reclame gebruik van.

Botgroei

PEMF-therapie wordt onder andere gebruikt voor genezing van botten. Daar steekt iets meer achter, hoewel het nog erg speculatief is. Het uitgangspunt is een hypothese van Julius Wolf uit 1892. Bot is opgebouwd uit kleine staafjes, en volgens Wolf is de richting van die staafjes niet willekeurig en ook geen kwestie van erfelijke aanleg. Integendeel, de mechanische belasting van het bot bepaalt de oriëntering van de staafjes. Een Japanse onderzoeksgroep onder leiding van Iwao Yasuda bewees in 1953 dat een belasting van een bot een elektrisch signaal produceert. Het boteiwit produceert spanningsverschillen bij belasting, maar het belangrijkst zijn toch de stromingspotentialen in de botkanaaltjes.

Het lag voor de hand dat de daardoor opgewekte stroompjes de botgroei sturen, en vervolgens dat bij schade aan het bot elektrische stimulatie het herstel bevorderen kan. Tot nu toe zijn er al enkele honderden publicaties over onderzoek aan mens en dier verschenen. Helaas zijn er al firma’s die speciale machines verkopen die op dit idee gebaseerd zijn, zonder dat er deugdelijke bewijzen zijn voor de werking. Deze apparaten voeren diverse soorten stroom toe, of wekken ze door inductie in het bot op. Er is al een metastudie verschenen, die concludeert dat er nog helemaal niets te zeggen valt (Akai en Hayashi, 2002).

Eigenlijk weet men nog maar weinig van de koppeling tussen het elektrische veld en botgroei. Bij herstel van bot zijn drie soorten cellen betrokken. Op de oppervlakte van het bot bevinden zich vrij beweeglijke cellen, de osteoblasten en de osteoclasten, die respectievelijk voor botopbouw en -afbraak zorgen. Uit de osteoblasten vormen zich de osteocyten die uiteindelijk deel gaan uitmaken van het bot. Het zijn stervormige cellen met tot wel tachtig uitlopers die een lengte van wel 15 millimeter kunnen hebben, en die een netwerk van onderling communicerende cellen vormen.

Op het ogenblik richt het onderzoek zich op die uitlopers. Deze liggen in smalle kanaaltjes in de matrix van het botmateriaal. Als het bot maar een beetje (een promille of zelfs minder) verbuigt, ontstaat een elektrisch stroompje in de enkele nanometers brede vloeistoflaag tussen het celmembraan van de uitlopers en de wand van het kanaaltje. Hetzij de stroom zelf, hetzij het spanningsverschil dat bij de stroom hoort, stimuleert de osteocyten zodat ze stoffen uitscheiden die het evenwicht tussen osteoblasten en osteoclasten veranderen.

In principe opent dit de mogelijkheid voor therapie. Zou je geen stroompjes in de botten kunnen opwekken die bijvoorbeeld door hun frequentie de natuurlijke belasting van het lopen simuleren? Er moet nog veel werk verzet worden voor het mechanisme van het proces begrepen is, en voor dit begrip is omgezet in een bruikbaar apparaat. Op winst beluste charlatans kunnen de vooruitgang alleen maar schaden.

Meer uit groep twee

Wondgenezing is nog een voorbeeld van de tweede groep (theoretisch niet onaannemelijk, maar praktisch onvolgroeid). Het idee berust op het feit dat er vaak een spanningsverschil is tussen twee kanten van een weefselmembraan, in het bijzonder bij de huid. De spanningen waar om gaat, zijn van de orde van 20 tot 100 millivolt. Bij de huid worden die in stand gehouden doordat het epithelium ionen transporteert, maar verder een isolator is. Een huidbeschadiging werkt dan als een kortsluiting en veroorzaakt plaatselijk een veld van tot 200 millivolt per millimeter oftewel 200 V/m. Zo’n veld kan twee effecten op cellen hebben: de vrij beweeglijke (granulocyten, fibroblasten) gaan stroomop- of afwaarts, en ‘onbeweeglijke’ cellen (zenuwen bijvoorbeeld) kunnen gaan groeien in de veldrichting. Beide effecten treden op bij wondgenezing. Hier wordt onderzoek naar gedaan bij wonden aan de ogen. Het idee is natuurlijk de natuur een handje te helpen met behulp van kunstmatige velden. In de praktijk is het een hele toer om velden van de goede sterkte lokaal aan te brengen.

Ten slotte zijn er nog de verschillende warmtebehandelingen met hoogfrequente velden. Daarvoor zijn thans in gebruik therapie met korte golven (13 tot 40 kilohertz) en met microgolven (400 tot 2450 megahertz, met golflengten van enkele centimeters tot een meter). Die zitten in groep een. Een aantal publicaties is gewijd aan frequenties die nog tien maal zo hoog zijn. Zulke velden dringen niet erg diep door in het lichaam, dus men kan er niet zomaar elk orgaan mee behandelen. Gezocht wordt naar methoden om de velden via buisjes of slangetjes in het lichaam te voeren. Men probeert zo ook de bloed-hersenbarrière tijdelijk te slechten om zo geneesmiddelen naar de hersenen te brengen. Ook deze methode is nog ver verwijderd van klinische toepassingen.

Elektrische en magnetische velden hebben dus nog een mooie toekomst. De onderzoekers hebben het er niet makkelijker op door de activiteiten van oplichters, maar in het verleden hebben die de vooruitgang niet kunnen tegenhouden. Dat is een hele troost.

Noten

1. Zie bijvoorbeeld de Biostabil 2000 van Bruno Santanera en de producten van Nikken.

2. Als bloed invloed zou ondervinden van magneten, zou een MRI-onderzoek onmogelijk zijn. Het buitengewoon krachtige veld waaraan de patiënt in een MRI-machine blootstaat zou volgens Barrett de patiënt doen exploderen.

Literatuur

Akai, M. en K. Hayshi (2002), Effect of electrical stimulation on musculoskeletal systemes. A meta-analysis of controlled clinical trials. Bioelectromagnetics 23, p. 132-143.

Rossbach, M.J. (1882). Elektricität. In: Lehrbuch der physikalische Heilmethoden. Verlag von August Hirschwald, p. 171-176.

Schmidt-Rohlfing, B., J. Silny, F.U. Niethard (2000), Pulsierende elektromagnetische Felder in der Behandlung von Verletzungen und Erkrankungen der Bewegungsorgane – eine Übersicht und Metaanalyse. Z. Orthop. 138, p. 379-389.

Dit is een vertaling en bewerking van een artikel dat eerder verscheen in FGF-Newsletter en Skeptiker.

Uit: Skepter 18.1 (2005)

 

Roland Glaser is emeritus hoogleraar biofysica