Natuurlijk onschuldig

De gevaren van ‘geneeskruiden’

door Marie Prins

De zogenaamd genezende kruiden worden steeds populairder. Tegelijkertijd is er veel te weinig bekend over hun schadelijke effecten. Officiële instanties krijgen nu pas in de gaten dat hier een belangrijke taak ligt.

Eigenlijk was ik helemaal niet zo geïnteresseerd in geneeskruiden. Ik wilde alleen maar weten of, en zo ja hoe, ik het kruid absintalsem als smaakgever kon gebruiken bij peperkoek, wild en gevogelte. Het extract van absintalsem wordt immers verantwoordelijk gesteld voor de verslaving aan (en de hersenbeschadiging door) het gebruik van de likeur absinthe. Nu bevat absinthe 80 procent alcohol, dus verslaving en hersenbeschadiging bij zware drinkers liggen nogal voor de hand, maar toch wilde ik er meer van weten. Absintalsem is ook een traditioneel geneeskruid. Bij mijn zoektocht kwam ik daardoor het nodige te weten over de gevaren van vrij verkrijgbare geneeskruiden.

‘Puur natuur, dus het kan geen kwaad’, denkt men. Vergeet het maar. De natuur is boordevol gemeen giftige bladen en besjes, en er zijn meer mensen gestorven door het eten van aardige groene blaadjes dan door de vraatzucht van wilde beesten. Maar ik wil het niet zozeer hebben over giftige planten (waaronder enkele van grote geneeskundige waarde) maar over de stiekeme gevaren verborgen in allerlei ‘geneeskruiden’, over de beïnvloeding van de reguliere behandeling door kruidentherapie, slechte etikettering en het gebrek aan toezicht.

Symphytum officinale (gewone smeerwortel). Uit: Flora Batava, deel 3, Jan Kops (1814)
Symphytum officinale (gewone smeerwortel). Uit: Flora Batava, deel 3, Jan Kops (1814)

Giftige thee

Een verzameling stoffen die momenteel veel zorgen baren zijn de zogenaamde pyrrolizidine alkaloïden, of PA’s. Ze komen voor in het ‘wondermiddel’ smeerwortel – of, beter, in de gewone smeerwortel (Symphytum officinale L.), de ruwe smeerwortel (S. asperum Lepech) en de uplandse wortel (S. uplandicum Nym.). Furlenmeyer (naar ik vermoed een chiropractische kwakzalver) beveelt het aan voor zowel in- als uitwendig gebruik bij wonden, zweren en bloedingen (Furlenmeyer 1983, p. 160). Sommige angelsaksische auteurs zijn werkelijk dolenthousiast. V.E. Tyler citeert uitspraken als ‘de eerste van alle wondermiddelen’, ‘een van de belangrijkste therapeutische middelen’ en ‘niet giftig en volslagen onschadelijk’ (Tyler 1993, p.97). Afgezien dan van die PA’s. Die kunnen leverbeschadiging veroorzaken. Volgens E. Röder (1982, p.2089) kunnen ze ook kanker veroorzaken, maar Cornelius en Himes verwerpen deze suggestie. In tegenstelling tot ratten is bij mensen kanker als gevolg van PA’s nog niet aangetoond (Mann 1994). Het is dus nog te vroeg om iets over een verband tussen kanker en PA’s te zeggen. Maar de leverbeschadiging liegt er ook niet om. Littekenachtige weefselvergroeiingen doen de kleine adertjes in de lever dichtslibben. Zoiets kan fataal zijn, vooral bij zuigelingen en kinderen. Een zuigeling van vijf weken stierf doordat de moeder tijdens de zwangerschap dagelijks kruidenthee (met PA’s) had gedronken. Zijzelf had nog geen klachten (Huxtable 1992).

De wortel van smeerwortel bevat tien keer zoveel PA’s als de bovengrondse delen van de plant. De ruwe en de uplandse smeerwortel bevatten echimidine, volgens Tyler (1993, p.98) de giftigste PA die er in smeerwortels te vinden is. Zoals de naam al doet vermoeden is de traditionele toepassing van smeerwortel een smeersel, dat geschikt zou zijn tegen kneuzingen en zwellingen. Heel veel wondzalven bevatten dan ook Symphytum. Röder vermoedt dat de huid PA’s doorlaat, maar zegt verder niets over de (on)veiligheid van deze toepassing.

In een (verder redelijk betrouwbaar) boekje (Morton 1978, p. 29) over keukenkruiden wordt een salade van jonge smeerwortelen aanbevolen. Juist aan zo’n salade is een slachtoffer te wijten: een jongeman van 23, wiens lever het had begeven (Tyler 1993, p.99). Verder is smeerwortel een populair bestanddeel van ‘groene theeën’, die velen drinken omdat ze zo gezond zouden zijn. De PA’s accumuleren in het lichaam. Vijftig milligram in drie maanden tijd is net zo giftig als vijftig milligram in één keer (Mann 1994). Juist dat maakt die groene theeën zo bedenkelijk.

Een kopje absint

Smeerwortels zijn niet de enige boosdoeners – al zijn ze waarschijnlijk wel de meest populaire. Diverse kruiskruiden (Senecio) zijn ook bekend als geneeskruid, onder meer het wit askruid (S. cineraria DC), jacobskruid (S. jacobaea L.), schaduwkruiskruid of Fuchs’ kruiskruid (S. nemorensis L. ssp. fuchsii Gmel.), klein kruiskruid (S. vulgaris) en het gouden kruiskruid (S. aureus L.). Ze bevatten allemaal PA’s. Vooral S. nemorensis (dat gebruikt wordt voor een thee die de bloedsuikerspiegel verlaagt) is gevaarlijk bij langdurig gebruik. Gouden kruiskruid wordt in de homeopathie gebruikt bij ‘vrouwenklachten’. Volgens Röder (1982, p. 2091) gaat het om de (onverdunde) ‘oertinctuur’ en de verdunning tot D2. Dat is dus beslist geen onverdachte toepassing.

Andere populaire geneeskruiden die PA’s bevatten zijn echte gamander (Teucrium chamaedrys L.), klein hoefblad (Tussilagio farfara L.), groot hoefblad (Petasitis hybridus G., M. et S, ook wel: P. Officinalis Moench) en heliotroop (Heliotropium) (Tyler 1989).

Kalmoeskruid (Acorus calamus L.) bevat het kankerverwekkende isoasarone, een stof die bij uitstek de twaalfvingerige darm aantast. Het is een eeuwenoud middel tegen maag- en darmklachten. Bovendien wekt het de eetlust op. Een variant van de plant, A. calamus L. var. americanus (Raf) Wulff, is praktisch isoasaronevrij (Tyler 1993, p.329). Maar ook bij deze plant wordt langdurig gebruik afgeraden (Röder 1982, p.2091). Verschillende soorten pijpbloemen (leden van het geslacht Aristolochia), en dan vooral A. clematitis L., bevorderen naar verluidt het genezen van wonden en versterken de natuurlijke afweer. Ze bevatten echter ook aristolochiazuur, dat zowel kankerverwekkend is als mutageen (het veroorzaakt genetische mutaties in cellen). In Duitsland, waar men de kruidengeneeskunde over het algemeen toch goedgezind is, mogen preparaten die dit zuur bevatten niet meer worden toegepast (Röder 1982, p.2090).

Men loopt met geneeskruiden niet alleen kans op leverbeschadiging en kanker. Soms zijn de bijverschijnselen ‘alleen maar’ stuipen en delirium. Twee traditionele ontwormingsmiddelen, het al genoemde absintalsem (in het Engels ‘wormwood’ geheten) en boerenwormkruid (Chrysanthemum vulgare Bernh of Tanacetum vulgare L.) bevatten allebei alfa-thujon, de stof die verantwoordelijk wordt gesteld voor de stuipen en het delirium van absinthedrinkers – alhoewel delirium bij alcoholvergiftiging natuurlijk geen onbekend verschijnsel is. (Het zoeken naar publicaties waarin de effecten van alcohol en alfa-thujon worden gescheiden, is als het zoeken naar betrouwbare waarnemingen van ESP; een artikel in Nature gaf als bron voor de effecten van alfa-thujon het tijdschrift Playboy!) (Tyler 1993, p. 305 en 321; Castillo et al. 1975.) Alfa-thujon komt ook voor in salie (Salvia officinalis L.), maar bij jansalie denken we toch niet direct aan stuipen en delirium.

Van te veel absintalsem of boerenwormkruid kun je flink ziek worden, en de daarvoor benodigde dosis ligt dicht in de buurt van de effectieve dosis voor het bestrijden van wormen. Voor dat laatste zijn tegenwoordig trouwens veiliger en effectievere middelen beschikbaar. Absintalsem gebruiken voor het trekken van een dagelijks potje thee (zoals een etiket bij een tuincentrum suggereerde) is niet aan te bevelen. Een middel dat ingewandswormen doodt, is niet geschikt voor dagelijkse consumptie.

Bij plantaardige stoffen moet men ook serieus rekening houden met allergische reacties. Dat geldt in het bijzonder voor de grote familie der Composieten, die pakweg tien procent uitmaken van alle planten. De meeste mensen die daar overgevoelig voor zijn, zullen dat al weten – maar weten ze ook welke kruiden uit die familie komen? De twee meest gebruikte zijn kamille (Matricaria chamomilla L.) en wolverlei of arnica (Arnica montana L.). Kamillethee en het stomen met kamille zijn goede huismiddeltjes tegen de symptomen van verkoudheid. Maar voor wie gevoelig is voor composieten kan zoiets nare gevolgen hebben (Tyler 1993, p.331). Arnica wordt gebruikt in zalven en geleien voor de behandeling van kneuzingen, builen en verstuikingen, en in cosmetica. Mensen die overgevoelig zijn, krijgen van dergelijke producten huidontsteking.

Chien-Pu-Wan

Het Verre Oosten staat garant voor geheimzinnige kruiden. Neem bijvoorbeeld de wortel van de fo-ti of shou-wu (Polygonum multiflorum, een soort duizendknoop). Deze heeft afhankelijk van de leeftijd de volgende eigenschappen:
50 jaar: voorkomt grijs worden.
100 jaar: een opgewekt uiterlijk.
150 jaar: een nieuw stel tanden.
200 jaar: zorgt voor behoud van jeugd en energie.
300 jaar: onsterfelijkheid.

U begrijpt wel dat de wérkelijk oude wortels érg moeilijk te krijgen zijn. Vast staat ook dat fo-ti laxerend werkt (Tyler 1993, p.136). Misschien is dat wel het geheim van de eeuwige jeugd.

Er wordt al heel lang onderzoek gedaan naar werkzame bestanddelen in Chinese geneeskruiden. Ma huang (bereid uit diverse soorten Ephedra) wordt al vijfhonderd jaar tegen astma gebruikt, en zo’n honderd jaar geleden ontdekte men daarin het antiastmamiddel efedrine, dat tegenwoordig trouwens synthetisch wordt bereid (Tyler 1993, p.120). Bij dat onderzoek worden uiteraard ook schadelijke stoffen aangetroffen. Zo bevatten Chien-Pu-Wan kruidenpillen delen van de Aristolochia fanchi. Van de aristolochia is, zoals gezegd, bekend dat ze kankerverwekkend zijn. Ooit bleken vele patiënt van een Brusselse vermageringskliniek last te hebben van nierbeschadiging, en die werd naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door A. fanchi, per abuis aanwezig in de gebruikte Chinese kruiden (zie Skepter, juni 1998).

Ernstiger is de aanwezigheid in Oosterse kruiden van zware metalen. Soms als vervuiling, maar soms ook worden deze opzettelijk toegevoegd, omdat men er heilzame effecten aan toeschrijft. Zo bevatten die Chien-Pu-Wan pillen mangaan en werden er resten lood in aangetroffen. (Krom et al. 1994, p.2010; De Smet 1993, p.3). Een andere bedenkelijke toevoeging zijn reguliere geneesmiddelen. En dat zonder dat dit op het etiket wordt vermeld. In één mengsel werd recent aminopyrine aangetroffen, een stof die in de VS al in 1938 werd verboden wegens ernstige bijverschijnselen (Butler 1992, p.166). Een in Indonesië verkocht antireumamiddel bleek behalve het op het etiket vermelde gentiaanextract ook dexamethason te bevatten (Provinciale Zeeuwse Courant 15 januari 1994). Gentiaan wekt (heel misschien) de eetlust op en is een populair bestanddeel van kruidenbitters (Tyler 1993, p.126). Dexamethason helpt bij ontstekingen.

Een onderschat gevaar van geneeskruiden is dat ze de reguliere behandeling nadelig kunnen beïnvloeden. Onvoldoende etikettering en gebrek aan controle zorgen er dan voor dat u en de dokter niet weten wat u exact slikt. Het is ook mogelijk dat reguliere geneesmiddelen de kwalijke effecten van kruidengeneesmiddelen versterken. Fenobarbitol bijvoorbeeld, dat bij epilepsie wordt gebruikt, versterkt het effect van PA’s. In India kreeg eens een groep mensen last van heliotroopvergiftiging. De twee sterfgevallen waren fenobarbitolgebruikers (Huxtable 1992, p.165).

Als een geneeskruid officieel staat geregistreerd, is er niet veel aan de hand. Digoxine uit vingerhoedskruid (Digitalis purpurea L.), opiumderivaten uit papaver (Papaver somniferum L.) en atropine uit wolfskers (Atropa belladonna L.) worden door de arts voorgeschreven en de Inspectie van Geneesmiddelen houdt een oogje in het zeil. Maar dat geldt niet voor de vrij verkrijgbare kruidengeneesmiddelen die u bijvoorbeeld bij de drogist koopt. Die vallen tussen wal en schip. ‘Een grijs gebied’ zeggen ze bij de Keuringsdienst van Waren (afdeling Specialiteiten, gevestigd in Maastricht, die zich hierop toelegt).

Tot voor kort had het toezicht op geneeskruiden geen hoge prioriteit. Het toenemend besef dat deze kruiden helemaal niet zo onschuldig zijn, en de stijgende populariteit, heeft daar verandering in gebracht. De wet BIG zal waarschijnlijk een verdere stijging van het gebruik veroorzaken. Volgens deze wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg mogen niet-artsen onder bepaalde voorwaarden de geneeskunde beoefenen. Een van die voorwaarden is een restrictie wat betreft de middelen die ze mogen voorschrijven. Verwacht wordt dat deze behandelaars in plaats daarvan kruiden zullen aanraden, te meer omdat velen daar ongetwijfeld toch al de voorkeur aan geven.

De Geneesmiddeleninspectie wordt nu wat actiever. Zij heeft een waarschuwing doen uitgaan naar artsen, apothekers en fabrikanten betreffende de PA’s, maar ook wat betreft het gebruik van meekrap (Rubia tinctorum L.) en pijpbloemen (Aristolochiaceae). De Keuringsdienst kan op dit moment maar weinig doen. Men kan nagaan of de inhoud klopt met de etikettering, of er verontreinigingen in zitten en of er geen (verboden) medische claims worden gedaan. (Gezondheidsclaims mogen wél). De regels betreffende etikettering zijn echter weinig behulpzaam. De wet vereist geen Latijnse namen, slechts algemeen aanvaarde. Een pakje thee van gedroogde passiebloem, hoeft alleen maar ‘passiebloem’ te vermelden, zonder dat duidelijk is of het om Passiflora incarnata L. gaat (dat een licht kalmerende werking zou hebben) of om de tuinpassiebloem P. caerulea L., die giftige glycosiden bevat.

Maar ook een strenge wetgeving op het gebied van etikettering geeft geen garanties. Er zijn gevallen bekend van atropinevergiftiging na het consumeren van smeerwortel (Tyler 1993, p. 99). Smeerwortel bevat geen atropine. Waarschijnlijk was er sprake van wolfskers, waarvan de bladeren op die van smeerwortel lijken. Hetzelfde geldt voor het niet minder giftige vingerhoedskruid. Onlangs kocht ik bij een tuincentrum een absintalsem die (eenmaal volgroeid) geen absintalsem bleek te zijn. Het was een Artemisia. Hetzelfde overkwam me kort daarna met pepermunt. Dat werd een kruipplant met lichtgroene stengels – geen Mentha × piperita L. Onschuldige vergissingen. Maar in de wereld van de ‘geneeskruiden’ kunnen dergelijke vergissingen fatale gevolgen hebben.

Literatuur

Butler, K., 1992, A consumer’s guide to alternative medicine. Prometheus Books, Buffalo.
Castillo, J. del, M. Anderson, G. Rubottom 1975, Marijuana, absinthe and the nervous system. Nature, 253, p.365
De Smet, P., 1993, De keerzijde van alternatieve geneesmiddelen. Geneesmiddelenbulletin, 27.
Furlenmeier, M., 1983, De Wondere wereld der geneeskruiden. De Vries-Brouwer, Antwerpen.
Huxtable, R.J., 1992, The myth of benificient Nature: the risks of herbal preparations. Annals of internal medicine, 11, p.2.
Krom, M. de, A. Boreas, E. Hardy 1994, Mangaanintoxicatie door het gebruik van Chien-Pu-Wan tabletten. Ned.Tijdschr.Geneesk., 138, p.40.
Mann, J.D., 1994, ‘How much comfrey is safe?’. SURFNET, 4 augustus 1994.
Morton, J.F., 1978-1982, Kruiden en Specerijen. Zuidnederlandse uitgeverij, Aartselaar.
Röder, E., 1982, Nebenwirkungen von Heilpflanzen. Deutsche Apotheker Zeitung, 41.
Tyler, V.E., 1989, Hazards of herbal medicine. In: Stalker en Glymour, Examining Holistic medicine, Prometheus Books, Buffalo.
Tyler, V.E., 1993, The Honest Herbal. Pharmaceutical Products Press, New York.

Uit: Skepter 7.4 (1994)

Enkele andere artikelen over kruiden

Gekruide leugentjes (1999)
De gevaren van Chinese kruidenmiddelen (2003)
Zware metalen in ayurvedische middelen (2006)
Minister Klink en de Chinese kruiden (2007)
Riskante ayurvedische geheimen (2008)

Marie Prins is elektrotechnisch ingenieur en oud-bestuurslid van Skepsis.