Contact op de koop toe

Nederlandse sjamanen en hun praktijken

door Jeroen Boekhoven

Carlos Castaneda is ontmaskerd en dood maar het neosjamanisme is springlevend. Ook in Nederland. Hoe is hier het contact met geesten?

Het woord sjamaan, dat uit Siberië komt, wordt door antropologen gebruikt om een bepaald type religieuze ondernemer te beschrijven die in vele culturen over de hele wereld voorkomt. Sjamanen onderhouden contact met de goden- en geestenwereld door in trance te gaan, vaak onder invloed van drugs, muziek of dans. Ze worden door dorps- of stamgenoten ingeschakeld om mensen te genezen en andere problemen op te lossen. Dat doen ze door tijdens hun trance te strijden tegen vijandige magische aanvallen. Sjamanisme is nauw verbonden met de lokale cultuur en de sociale omgeving. Vandaar dat de rituelen en de bijbehorende wereldbeelden behoorlijk uiteen kunnen lopen en in de loop van de tijd ook kunnen veranderen.

In zijn boek Culture, People, Nature geeft antropoloog Marvin Harris een mooi voorbeeld van een sjamaan in actie. In een dorp van de Kuikuru, een indianenstam in Brazilië, wordt de sjamaan ingeschakeld nadat twee huizen zijn verwoest door blikseminslag. De sjamaan voert eerst lange gesprekken met de belangrijkste personen in het dorp en gaat dan pas in trance. In die toestand ‘ontdekt’ hij dat de bliksem was veroorzaakt door een man die enige jaren daarvoor het dorp had verlaten en nooit was teruggekeerd. De man was een makkelijk slachtoffer: hij had ruzie in het dorp gemaakt, hij had zijn verloving verbroken en zijn familiebanden waren niet hecht. De verhuizing en een niet nagekomen huwelijksbelofte leverden problemen op die om een oplossing vroegen. De broer van de sjamaan had de moeder van het meisje later wel gevraagd de verloving te verbreken om met het meisje te kunnen trouwen, maar de spanning was daarmee nog niet verdwenen. Kort na het oordeel van de sjamaan vertrok de broer met enkele handlangers om de ‘schuldige’ te vermoorden.

De sjamaan kon niet willekeurig iemand beschuldigen: een verkeerde keuze zou hem schaden. Hij liet zich leiden door de publieke opinie en verleende daarmee zichzelf en het dorp een dienst. Niet voor niets zeggen antropologen dat sjamanen een sociale en therapeutische functie hebben: in crisissituaties laten ze spanningen verdwijnen door onduidelijke gebeurtenissen te duiden. Sjamanen ontraadselen vreemde voorvallen aan de hand van het eigen culturele kader en nemen daardoor onzekerheden weg. Ze versterken de sociale orde: diegenen die de heersende normen en waarden overtreden moeten op hun tellen passen.

Bij de Tapirapé-indianen, ook in Brazilië, gebruikt de sjamaan tabak om in trance te raken en patiënten te genezen. De behandeling, die bijna altijd plaatsvindt als het donker is, begint als de sjamaan zijn pijp aansteekt. Hij blaast de rook over zijn patiënt en begint grote hoeveelheden rook door te slikken. Hij wordt daar zo misselijk van, dat hij begint te braken. Kreunend en steunend slikt hij zijn braaksel weer door.

Ondertussen zuigt hij een paar keer op het lichaam van de patiënt en uiteindelijk spuugt hij al het verzamelde braaksel in een keer uit. Daarin zoekt hij vervolgens het object dat volgens hem de ziekte veroorzaakte en waarvan hij beweert dat het uit het lichaam van de zieke komt. En de patiënt? Die voelt zich vaak een stuk beter.

Kabouterkrachten

Moderne Nederlandse sjamanen werken op minder plastische wijze. Een paar voorbeelden: ‘Goeroe en meester’ Abbah Frederic noemt zichzelf sjamaan en formuleerde een psychologische leer die hij ‘shu’em shamanisme’ noemt en die draait om een wat hij een sjamanistische en wetenschappelijke zoektocht naar de ‘eigen bronnen van kennis en kracht’ noemt.

Roelien de Lange, een van de oprichters van de School voor Sjamanisme, is kunstenares en dromentherapeute. Ze studeerde aan het ‘Dream Dynamics Institution’ in New York, is verbonden aan ‘werelduniversiteit Findhorn’ in Schotland en verzorgt voor de Stichting Lippe-Biesterfeld onder andere de cursussen ‘Natuurlijke kunstbeleving’ en ‘Natuur, kunst en creativiteit’. Tijdens de Sjamaanse Zomerweek in Havelte vorig jaar leerde zij cursisten ‘de uitstraling van bomen, planten, de oude kracht van hunebedden en de aarde zelf’ ontdekken.

De oefeningen die ze in haar boek De Vuurgodin beschrijft, laten zien dat De Lange zich graag met heel verschillende geheimzinnige zaken bezighoudt. Zo kunnen haar lezers aan de gang met: dolfijnen klankoefening, spirit release, reizen door dimensie, tantrisch contact met bomen, farao-oefening, en een oefening waarin ze zelf lijkt uit te blinken: schep je eigen werkelijkheid.

De leer van Roelien de Lange is psychologisch en vooral ecologisch: contact met dieren, planten en stenen is essentieel. Een hele reeks traditionele culturen is daarbij haar inspiratiebron: indianen, Afrikanen, aboriginals, Maori’s, Kahuna’s, de Lappen, het ecodorp Findhorn, Kelten en druïden.

Jan Prins, ook wel Searching Deer genoemd, is een Groningse sjamaan. In 1995 verwierf hij landelijke bekendheid toen hij een Drents hunebed opnieuw inwijdde. Voor zijn ‘Circle of Shamanic Learning: Shining Arrow’ fungeert hij als een soort profeet. Het fundament van zijn leer wordt gevormd door de ‘dictaties en invocaties’ die hij ontvangt van ‘de Meester M. (El Morya), Meester van de 1e straal van de Witte Broederschap’. Dit is een oude bekende in occulte kringen: prominente 19de-eeuwse theosofen als Helena Blavatsky en Alice Bailey beweerden al dat ze boodschappen van hem ontvingen. In zijn sjamanistische theorie staat het medicijnwiel, een soort magische cirkel, centraal. Het staat symbool voor de wereld die ontdekt moet worden.

In zijn boek De sjamanistische leringen van Meester M. legt Jan Prins de teksten uit die Meester M. hem dicteerde. Sommige daarvan hebben de vorm van lessen, andere zijn Engelstalige rijmpjes. Over het medicijnwiel zegt Meester M. bijvoorbeeld: ‘Wanneer wij een kring trekken, maken wij in feite een voorstelling van de schepping van het heelal. Door het trekken van de Oercirkel komen wij weer tot Hem.’ Hierbij hoort de ‘invocatie van de Solar Circle of the Year’:

Circle of the year
ever going round,
In your guidance we are walking
In your spell we’re bound.

Prins raadt aan dit gebed in de groep gezamenlijk op te zeggen onder begeleiding van trommels, het liefst bij graanfeesten.

Jan Prins kreeg onder meditatie ook mededelingen door van zogenoemde kabouterkrachten. Die vertelden hem: ‘We want to be talked at. We want to be cherished. We want to be part of your life.’ (Wij willen dat er tegen ons gepraat wordt. We willen gekoesterd worden. We willen deel zijn van je leven.) Prins legt uit dat die woorden duidelijk maken hoe we contact kunnen leggen met kabouterkrachten, dat we van ze moeten houden, dat we ermee moeten praten en dat ze deel uitmaken van ons leven.

Volgens Prins vindt Meester M. dat we op zoek moeten naar onze poweranimal, een innerlijke gids die als raadgever kan fungeren: ‘Het is belangrijk om je in bepaalde situaties te identificeren met je poweranimal. Want een dier weet bijna altijd intuïtief wat het te doen staat in moeilijke omstandigheden’. Het gedicht gaat als volgt:

Here I am, my Spirit (bv. Deer, Beaver).
At the crossing of the four winds
I call you.
Come, let me share your company.
Friend of my soul,
Let us walk together
Under your shield of protection.

Prins legt de gechannelde boodschap als volgt uit: ‘Wil je de relatie met je poweranimal versterken? Dat is mogelijk! Probeer met hem te praten als een goede vriend.’

Bij de inwijding tot sjamaan komt veel meer kijken. In het wereldbeeld van Jan Prins is plaats voor sjamanistische muziek (oerklanken), de koendalinivlam, voorouders, chakra’s en geheimzinnige wezens als gnomen, nimfen, natuurgeesten, vuurwezens, engelen en elfen. Als inspiratiebron voor die bonte verzameling noemt hij sjamanen uit Mexico, Guatemala, Tibet en Hongarije, Afrikaanse pygmeeën, Siberische Tuva’s, Australische aboriginals, Kapajo-indianen, eskimo’s, piramidebouwers, hunebedbouwers, Gurdijeff, de Rozenkruisers en Carl Gustav Jung.

Heilzame trucjes

Er zijn grote verschillen tussen Abbah Frederic, Roelien de Lange en Jan Prins en grote overeenkomsten. Hun neosjamanisme draait om contact met een andere werkelijkheid en het doel is healing, persoonlijke transformatie, zelfverwerkelijking, bewustzijnsverruiming en spiritualiteit. Sjamanen en volkeren uit alle windstreken en tijdperken worden over één kam geschoren: theosofen, tarot, channeling, chakra’s, kosmisch bewustzijn en andere new-ageprincipes zijn allemaal slechts onderdelen versierd met een pseudo-wetenschappelijk sausje. En, zeggen de neosjamanen, omdat de westerse wereld van haar wortels is losgeraakt of oeroude kennis is kwijtgeraakt bewijzen de neosjamanen de samenleving een grote dienst door oude wijsheden, inzichten en technieken nieuw leven in te blazen.

Traditionele sjamanen houden zich niet bezig met spiritualiteit en aanverwante zaken. Antropologen stelden wel vast dat bij enkele poolvolken de sjamaan indruk op zijn publiek maakt door tijdens bijeenkomsten klapperende geluiden te maken en met vreemde stemmen te spreken. Sommige sjamanen verlangen seksuele gunsten van vrouwen, zogenaamd om de geesten gunstig te stemmen. Het lijkt erop dat sjamanen bewust de boel bedonderen. Is dat zo?

De antropoloog Claude Lévi-Strauss beschrijft in een beroemd essay de carrière van Quesalid, sjamaan bij de Kwakiutl, aan de noordwestkust van de VS. Quesalid wilde eigenlijk geen sjamaan worden: hij ging juist in de leer om sjamanen te ontmaskeren. Hij leerde liederen en een behoorlijke hoeveelheid anatomie en psychopathologie, maar een belangrijk onderdeel van de opleiding waren de trucs: hoe hij kon doen alsof hij flauwviel, in trance kon raken, kon braken als hij wilde en hoe hij een plukje haar of veren in zijn mond moest verbergen en zich in zijn lip moest bijten om op beslissende momenten een bebloed propje tevoorschijn te halen. Dat propje stelde de ziekte voor die hij op magische wijze uit het lichaam van de zieke had verdreven.

Quesalid dacht daarom in eerste instantie dat sjamanen simpelweg bedriegers waren. Maar mensen spraken lovend over zijn verrichtingen en op een dag werd hij bij een zieke geroepen die had gedroomd dat Quesalid hem zou genezen. Nadat hij alle trucs gebruikte die hij had geleerd, genas de man. Quesalid besloot daarop sjamaan te worden en dat lukte: hij groeide uit tot een zeer succesvol en gerespecteerd sjamaan.

De volgorde van de gebeurtenissen is essentieel: Quesalid werd volgens Lévi-Strauss geen groot sjamaan omdat hij patiënten genas, hij genas patiënten omdat hij een groot sjamaan was. Sjamanen voeren dramatische acts op, ze schreeuwen, spugen, dansen, stuiptrekken en gebruiken allerlei trucs om hun toeschouwers te overtuigen van hun macht. Hoewel ze vaak weten dat ze hun publiek voor de gek houden, geloven ze tegelijkertijd in hun macht om met het bovennatuurlijke om te gaan. Hun vaardigheid in het uitvoeren van dramatische rituelen is voor hen een bewijs dat ze over die uitzonderlijke macht beschikken. Het resultaat telt: een goed optreden geeft goede resultaten.

Het lijkt erop dat moderne neosjamanen op een andere manier verwant zijn aan de traditionele sjamanen dan ze zelf denken. Met trucs en dramatische verhalen en rituelen verlenen ze diensten aan mensen die verklaringen zoeken in een voor hen onzekere wereld. Ook wekken ze de indruk dat ze bovennatuurlijke eigenschappen hebben die hun bijzondere kennis opleveren. Neosjamanen zijn wat dat betreft echte sjamanen, alleen zijn de praatjes en praktijken van dit religieuze theater duidelijk aangepast aan de tijd en cultuur waarin wij leven.

Literatuur

Barry L. Beyerstein, ‘Why bogus therapies often seem to work’, te vinden op: www.quackwatch.com.

Kirsten Halsrup, Jan Ovesen (bewerkt door Yme Kuiper en Nellejet Zorgdrager), Basisboek culturele antropologie. Groningen, 1980.

Hammer, Olav, Claiming knowledge. Strategies of epistemology from theosophy to the New Age. Leiden, 2001.

Marvin Harris, Culture, people, nature. An introduction to general anthropology (third edition). New York, 1980.

William A. Haviland, Anthropology (fifth edition). New York, 1989.

E. Adamson Hoebel en Thomas Weaver, Anthropology and the human experience (fifth edition). New York, 1979.

Claude Lévi-Strauss, The sorcerer and his magic, in: Structural Anthropology. New York, 1963 (vertaling van: Anthropologie structurale, Paris, 1958).

Ioan L. Lewis, Ecstatic religion. Harmondsworth, 1971.

Serena Nanda en Richard L. Warms, Cultural anthropology (sixth edition). Belmont, 1998.

Searching Deer Jan Prins, De sjamanistische leringen van de Meester M. Een handleiding voor de westerse mens. Deel 1, Groningen, 1998.

Alexandra Rosenbohm (red.), Wat bezielt de sjamaan?. Amsterdam, 1997.

Peter Washington, Madame Blavatsky’s baboon. New York, 1993.

R. Goscinny en A. Uderzo, Asterix en de ziener. Amsterdam, 1972. (een humoristische analyse van het sjamanisme)

Websites:
www.natuurcollege.nl
www.schoolvoorsjamanisme.nl
www.ouroboros.nl
www.sjamaan.nl
www.shuemamsterdam.nl
www.spiritplaza.nl .

Jeroen Boekhoven, de auteur van dit artikel, promoveerde in 2011 op Genealogies of shamanism. Struggles for power, charisma and authority, dat als boek verkrijgbaar is.

Uit: Skepter 15.1 (2002)

Jeroen Boekhoven is godsdienstwetenschapper en was in het verleden redacteur van Skepter.