Paranormale kinderen

Geesten als onzichtbare vriendjes

door Rob Nanninga

Kinderen die een onzichtbaar vriendje hebben, weten gewoonlijk dat anderen dit vriendje niet kunnen zien omdat ze het verzonnen hebben. Er zijn echter ook kinderen die beweren dat ze contact hebben met een geest.

‘I see dead people’, zei de negenjarige Cole Sear tegen de kinderpsychiater in de memorabele film The Sixth Sense (1999). De psychiater geloofde het jongetje en raadde hem aan de geesten te helpen. Hij ontdekte pas aan het slot dat hij zelf ook een geest was – vermoord door een wraakzuchtige ex-patiënt die als paranormaal begaafd kind ten onrechte voor hallucinaties was behandeld.

Het is niet meer louter fictie. In 2008 zond het Amerikaanse netwerk A&E Television een zesdelige serie uit onder de titel Psychic Kids. In elke aflevering figureerden enkele paranormale kinderen, die meestal beweerden dat ze geregeld geesten zagen. Ze mochten hun gaven demonstreren aan het medium Chip Coffey, die hen in spookhuizen rondleidde. Hoewel de makers geen middel schuwden om het voor de kijkers spannend te maken – met schrikachtige beelden en griezelmuziek – werkte er ook een klinisch psycholoog aan de serie mee, Lisa Miller. Zij is hoofddocent aan de Columbia University in New York en was in 2008 voorzitter van de sectie ‘Psychology of Religion’ van de American Psychological Association.

Dr. Miller verdiende haar sporen met een onderzoek waaruit ze concludeerde dat adolescenten beter beschermd zijn tegen depressies en verslavingen wanneer ze een persoonlijke relatie met de Schepper hebben. Er kunnen naar haar indruk psychische problemen ontstaan wanneer de spirituele ontwikkeling van kinderen wordt belemmerd. De spiritualiteit hoeft niet noodzakelijk in christelijke banen te worden geleid. Zelf gelooft Miller dat het universum wordt bezield door de kracht der liefde, dat toevallige gebeurtenissen een diepere betekenis hebben, dat er spirituele wetten bestaan (zoals ‘gelijken trekken elkaar aan’) en dat er een Spiritual Awakening in het verschiet ligt. Het oude newtoniaanse denken heeft afgedaan, want de kwantumfysica toont aan dat materie door bewustzijn wordt gevormd. Wetenschappers die dit nog niet inzien, lopen volgens Miller achter bij haar studenten, die niet meer geïnteresseerd zijn in theorieën waarin de Ziel geen plaats heeft.

Ze twijfelt er niet aan dat kinderen in contact kunnen staan met een onzichtbare geestenwereld. Er ontstaan pas problemen wanneer anderen deze ervaringen niet accepteren en de kinderen vertellen dat ze dingen zien die niet werkelijk bestaan. Het psychisch welzijn van de kinderen loopt veel schade op wanneer de realiteit die zij ervaren, wordt ontkend. Ze raken hierdoor gestresst, verward en onzeker. Ze zijn slachtoffers van het ongeloof, worden gediscrimineerd en lopen het risico dat ze een psychiatrisch label krijgen. Zolang ze nog niet beschikken over een wereldbeeld dat waarde en betekenis geeft aan hun bijzondere gaven, hebben ze speciale ondersteuning nodig.

Lisa Miller zag de tv-serie als een geschikte mogelijkheid om meer bekendheid te geven aan de paranormale ervaringen van geestelijk gezonde kinderen. Ze wilde ook tonen hoe de problemen van deze kinderen kunnen worden overwonnen door ze meer zelfvertrouwen te geven. De tv-producent koppelde haar aan Chip Coffey, die tevens optrad in een tv-serie waarin spookhuizen werden onderzocht. Spookhuizen zijn in de VS heel populair. Circa 45 procent van alle vrouwen gelooft erin (32% van de mannen) en bijna 40 procent van de Amerikanen tussen 18 en 30 jaar heeft naar eigen zeggen wel eens een huis of plaats bezocht waar geesten rondwaarden (Baylor Religion Survey 2006).

Chip Coffey beweert dat hij een mastertitel in counseling bezit, maar wil niet onthullen waar hij deze heeft behaald. Hij leidde in het verleden een kindertheater en speelde bij tweederangstoneelgezelschappen. Eind 2001 werd hij ontslagen bij een reisbureau. Hij meldde zich toen aan bij Keen.com, een bedrijf dat lichtgelovige cliënten telefonisch in contact brengt met paranormale zieners. Chip was actief in de categorie Voices from the Beyond en werkte zich op tot een van de populairste telefoonmediums. Hij rekende circa 3 dollar per minuut, waarvan hij iets minder dan de helft aan Keen moest afdragen. In 2005 werkte hij voor het eerst mee aan een tv-programma en twee jaar later mocht hij aan de serie ‘Paranormal State’ meedoen. Voor telefonische consulten waarin hij boodschappen uit de geestenwereld doorgeeft, vraagt hij tegenwoordig $500 per half uur.

You are haunted!

De eerste aflevering van ‘Psychic Kids’ geeft een onthullend beeld van de spirituele psychologie van dr. Lisa Miller. De achtjarige Faith staat in deze aflevering centraal. Faith praat dagelijks met een onzichtbare jongen, die ze Freddy noemt. Hij heeft haar verteld dat zijn achternaam Stuart is en dat hij in 1886 is vermoord door zijn moeder, Catherine. Freddy klopt ’s avonds zachtjes tegen het slaapkamerraam om zijn komst aan te kondigen. Alleen Faith kan hem horen. Zijn akelige moeder, die ook een geest is, mag niet weten dat Freddy contact heeft met Faith, want dan wordt ze heel boos. Ze heeft Faith al een keer uit bed geduwd.

Het meisje vertelt onbeschroomd over haar fantasieën en lijkt er niet zo zwaar aan te tillen. Ze wil graag dat anderen haar geloven. Haar moeder is daar heel ongerust over en weet niet wat ze ermee aan moet. Is haar kind gek geworden of bestaat Freddy werkelijk? Ze zou het wel willen geloven, maar kan Freddy zelf niet zien. De stiefvader van Faith geeft de voorkeur aan een simpeler verklaring. Freddy is volgens hem een onzichtbaar fantasievriendje, zoals dat wel vaker bij kinderen voorkomt. Lisa Miller concludeert: ‘De vraag is dus: is dit een imaginair vriendje of ziet Faith werkelijk geesten?’ ‘Dat zouden we graag willen valideren’, zegt de stiefvader. Hij heeft het jargon van Miller blijkbaar overgenomen, want zij spreekt voortdurend over validation, wat zou leiden tot empowerment.

Chip houdt een seance in de slaapkamer van Faith om de geest van Freddy op te roepen, zodat haar ouders kunnen kennismaken. Het meisje speelt het spel mee en beweert dat Freddy heel dichtbij is. ‘Hij raakt je haar aan’, zegt ze tegen haar moeder. Freddy knijpt er echter al spoedig weer tussenuit, want hij is nog wat schuw. Chip en Faith zijn het erover eens dat de vervelende moedergeest moet worden aangepakt om Freddy te helpen. Op een tekening die Faith van Freddy heeft gemaakt, ziet hij eruit als een spookje uit een stripverhaal, zonder armen en benen.

Lisa Miller lijkt wat meer oog te hebben voor psychologische factoren. Ze weet dat Faith het moeilijk had toen haar vader vertrok en haar moeder met een ander trouwde. ‘Gaf Freddy je een gevoel van vriendschap? Zorgde hij ervoor dat je je beter voelde?’, vraagt ze aan Faith, die het bevestigt. Als ze later met Chip in de auto zit, merkt ze op dat de verhalen van Faith soms wat ongeloofwaardig klinken. Chip is er echter zeker van dat het meisje geesten ziet. ‘Kijk eens naar alle details die ze over Freddy wist!’ Daarmee is de kwestie grotendeels opgelost, want Chip is de autoriteit op het gebied van de geestenwereld. Alleen de ouders van Faith moeten nog overtuigd worden. Het zou volgens Lisa ‘een grote geruststelling voor de familie zijn als ze er zeker van konden zijn dat Faith de geestenwereld waarneemt en niet louter een imaginair speelkameraadje, zoals elk kind kan hebben’.

Faith en haar moeder worden uitgenodigd voor een logeerpartij in de Story Inn, een hotel dat zichzelf aanprijst als ‘haunted’. Er huist een geest die men de Blue Lady noemt. Ook twee andere paranormale meisjes reizen met hun moeder naar het hotel. Het is de bedoeling dat ze elkaar als lotgenoten ondersteunen. Chip neemt de kinderen ’s avonds mee naar een hotelkamer waar de Blue Lady soms verschijnt. Faith zegt dat ze Catherine voelt, de moeder van Freddy, die haar blijkbaar is gevolgd.

De volgende dag kondigen Chip en Lisa aan dat ze een belangrijke ontdekking hebben gedaan. Lisa legt uit dat de paranormale ervaringen van kinderen soms verweven zijn met fantasie. Dat was een reden om het bestaan van Freddy te betwijfelen. Maar dat hoeft nu niet meer. Chip mag het heugelijke nieuws bekendmaken: ‘Lisa heeft wat onderzoek gedaan en ze heeft een behoorlijk heftig document gevonden. Het is een volkstelling uit 1880. We hebben Freddy gevonden! Hij bestaat echt en is geen verzinsel.’

Chip toont een print-out met informatie over een zekere Freddie Stuart. Hij werd in 1872 geboren in Paxton (130 kilometer van Faiths woonplaats) en zijn moeder heette Catherine. Hoewel de moord op Freddie niet was terug te vinden, is het volgens Chip overtuigend bewijsmateriaal. ‘Wat betekent het voor jou?’, vraagt Lisa aan Faith. ‘Dat ik niet zomaar wat aan het fantaseren was, maar dat hij echt was.’ De anderen zijn het daarmee eens. De moeder van Faith huilt tranen van geluk nu al haar twijfels zijn weggenomen. Rond twaalf uur ’s nachts blijkt echter dat alle opwinding Faith niet onberoerd heeft gelaten. Ze wil naar huis en is bang dat Catherine wraak zal nemen. Chip wordt te hulp geroepen. Hij heeft zijn diagnose meteen klaar: ‘Can I tell you the truth? You are haunted!’

De volgende dag ziet Faith er nogal pips uit. Ze zegt dat ze niet meer aan de geesten herinnerd wil worden. Maar omdat de show nog niet is afgelopen, moet ze toch samen met de anderen naar een praatje van Chip luisteren. Hij merkt gerustellend op dat de geesten ‘niet noodzakelijk zijn gekomen om je de hel in te trekken’. Je moet vooral niet bang zijn. Maar de moeder van Faith is er niet gerust op en herinnert hem eraan dat Faith al een keer door een geest uit bed is gegooid. Chip geeft haar een deskundig advies: ‘Als de geest met dingen gooit, je kind wil grijpen of haar haren uittrekt, dan kun je zeggen: Stop! Ga weg!’ Dr. Miller heeft daar naar het schijnt niets aan toe te voegen.

Chip organiseert tot slot nog een seance om Catherine uit te drijven. Faith zegt dat Catherine niet bedreigd wil worden, waarop Chip beweert dat ze dat ook tegen hem zei en dat ze zijn haar aanraakte. Maar hij is niet bang voor haar. Als ze Faith en Freddy niet met rust laat, dan zal hij haar mores leren. Faith mag nu hardop tegen haar zeggen: ‘I want you to leave. Stop scaring me. And stop hurting Freddy.’ Catherine kiest het hazenpad en daarmee is het probleem naar het schijnt opgelost.

Het voelde anders

Na afloop van de uitzending werd duidelijk dat Lisa Miller niet alleen als psycholoog ongeschikt is, maar ook als genealoog. De Freddie die zij uit een archief opdiepte, bleek in 1902 te zijn getrouwd en was dus niet op jonge leeftijd vermoord. Hij werd Fred E. Stewart genoemd, maar zijn geboorteplaats en de namen van zijn ouders (Augustus Stewart en Catherine Dolan) maken duidelijk dat het om dezelfde persoon gaat. Helaas kwam deze informatie niet verder dan een paar internetforums.

Op de website van haar universiteit staat een video-interview met Miller waarin haar ervaringen met Faith ter sprake komen. Ze verwijt de ‘klassieke psychologie’ (de newtoniaanse) dat deze de geesten beschouwt als verzinsels die uit behoeften ontstaan. Zelf kreeg ze een heel ander gevoel toen zij naar Faith luisterde, vooral omdat het verhaal betrekking had op een tijd die het meisje niet persoonlijk kende: ‘There was something altogether different in feel and content.’ Miller vertelt dat ze erin slaagde de ‘zeer specifieke informatie’ (over Freddy) te valideren, al was dat niet echt nodig, ‘omdat haar directe ervaringen voor mij al voldoende waren’.

Als een kind ervan overtuigd is dat het geesten ziet, dan is er voor Miller zelden een reden om dat in twijfel te trekken. Ze wil niet het risico lopen dat het kind psychisch beschadigd raakt, want niets is erger voor deze kinderen dan het ongeloof van sceptici. Juist daar kunnen ze ‘gek’ van worden. Daarom voelt zij zich geroepen hun uitspraken te ondersteunen. Ze vindt het blijkbaar niet bezwaarlijk dat de kinderen worden gebruikt voor een commerciëel tv-programma en nam zelfs een paar van hen mee naar een interview met Larry King op CNN. Volgens Miller willen de kinderen graag openlijk over hun geloof spreken en aan anderen duidelijk maken dat ze niet gek zijn. Het lijkt aannemelijk dat hun ervaringen gewoonlijk niet samenhangen met een psychische stoornis, maar dat betekent nog niet dat de kinderen paranormaal zijn, want er bestaan betere verklaringen.

Imaginaire kameraadjes

De psycholoog Erlendur Haraldsson vroeg een representatieve groep IJslanders of ze ooit een overleden persoon in hun nabijheid hadden gezien of gevoeld: 31 procent van de 902 ondervraagden bevestigde dat. Haraldson (1988) slaagde erin om een deel van de ja-zeggers te interviewen en constateerde dat bijna de helft een visuele geestverschijning had gezien. De ervaring duurde gewoonlijk maar enkele ogenblikken en in een kwart van de gevallen een paar minuten. Het gebeurde meestal wanneer men op bed lag of in een luie stoel zat, waarschijnlijk in een toestand tussen waken en slapen. De geesten zagen eruit als levensechte mensen en het waren doorgaans bekenden. Ze verschenen onverwacht en konden plotseling weer verdwijnen (of door de deur naar buiten lopen). Ze spraken maar zelden en hoogstens een paar woorden. In de meeste gevallen was er helemaal niets te horen. De Britse psycholoog Richard Wiseman schat dat circa een op de tien mensen wel eens een geestverschijning heeft gezien. IJslanders scoren boven het gemiddelde, evenals studenten.

Het lijkt alsof de geesten in de materiële werkelijkheid verschijnen, maar vermoedelijk wordt ook de waargenomen omgeving door de hersenen gecreëerd. Uit verscheidene onderzoeken bleek dat mensen beduidend meer kans hebben om een geestverschijning te zien wanneer ze goed kunnen fantaseren en helemaal in een ervaring kunnen opgaan. Geestverschijningen zijn geen reden om te veronderstellen dat er sprake is van een psychiatrische stoornis. Andere soorten hallucinaties, zoals het horen van stemmen, komen eveneens verrassend vaak voor bij mensen die niet naar de psychiater hoeven.

Volgens Lisa Miller was er ook met de kleine Faith geestelijk niets mis. De tv-beelden toonden dat zich normaal gedroeg, afgezien van haar geloof in Freddy en Catherine. Maar haar ervaringen leken niet op ‘gewone’ geestverschijningen. Zulke geesten komen niet regelmatig langs voor een praatje of om met je te spelen. De geesten van Faith lijken veel meer op imaginaire kameraadjes (imaginary companions). In het verleden dacht men dat vooral kleuters zulke fantasievriendjes kunnen hebben, maar dat blijkt niet te kloppen. Zo vond Taylor (2007) in een groep van 100 zes- tot zevenjarigen 20 kinderen die een onzichtbaar vriendje hadden. De kinderen waren drie jaar eerder ook ondervraagd. Toen hadden 13 een onzichtbaar vriendje. Daarnaast waren er ook kinderen die een stuk speelgoed als een echte persoon behandelden. Hoff (2005) en Pearson (2001) vonden zelfs onder tienjarigen circa 20 procent met een imaginair kameraadje. Hun ouders waren daar meestal niet van op de hoogte. Onzichtbare vriendjes zijn zeker niet alleen bij kleuters te vinden, al betwijfel ik of het gemiddelde percentage onder tienjarigen zo hoog ligt als werd gerapporteerd.

De onzichtbare vriendjes komen in allerlei gedaanten voor, waaronder dieren, engelen, striphelden en monsters. Kinderen kunnen hun fantasievriendje meestal gedetailleerd beschrijven. Ze zeggen dat ze het kunnen zien, horen en aanraken, alsof het echt bestaat. Onzichtbare vriendjes hebben vaak een eigen wil en doen niet altijd wat hun gezegd wordt. Ze verschijnen soms op ongelegen momenten of gedragen zich irritant. Een deel van hen heeft slechte eigenschappen. Zo waren er kinderen die vertelden dat hun kameraadje lui, laf, bazig, koppig, twistziek, gemeen, leugenachtig of agressief was. Veel kinderen waren wel eens boos of verdrietig vanwege hun vriendje. Dat is gewoonlijk geen reden voor ongerustheid, zoals bleek uit onderzoek van professor Marjorie Taylor (2007 en 2009), een deskundige op dit terrein. Het wordt pas een probleem wanneer de conflicten onbeheersbaar worden of wanneer de kinderen gaan geloven dat een onzichtbaar vriendje hun lichaam kan overnemen.

Kinderen kunnen zo bedreven raken in het oproepen van een imaginaire wereld dat alles automatisch gebeurt, zonder bewuste controle. Het kan dan lijken alsof de fantasiefiguren autonoom handelen en een eigen leven leiden. Zo zijn er kinderen die beweren dat ze nieuwe dingen van hun onzichtbare vriendje hebben geleerd. Soms vertellen ze hun ouders lange verhalen over het leven van hun kameraadjes. Het komt ook voor dat ze thuis bepaalde rechten voor hen opeisen, zoals een eigen stoel aan de eettafel of een veilige plek in de auto. Maar de wat oudere kinderen zwijgen meestal over hun fantasieën.

Marjorie Taylor vergelijkt het met romanschrijvers die een persoonlijke relatie met een verzonnen personage ontwikkelen. Zij kunnen het gevoel krijgen dat dit personage een eigen leven gaat leiden, met eigen gedachten en verlangens, die ze als auteur niet meer geheel in de hand hebben. Uit een onderzoek onder 50 fictieschrijvers bleek dat 46 van hen deze illusie in meer of mindere mate hadden ervaren.

Vermoedelijk beseffen kinderen niet op alle momenten even goed dat ze hun fantasievriendje zelf creëren. Het kan zich zo levensecht gedragen, dat ze bijna vergeten dat het niet echt is. Vooral wanneer er sterke emoties in het spel zijn, wordt het onderscheid met de reële wereld minder duidelijk. Het is ook niet altijd nodig om dit onderscheid te maken, zoals je in de bioscoop ook niet voortdurend hoeft te beseffen dat je naar acteurs zit te kijken. Hoewel kinderen met imaginaire vriendjes wat sterker geneigd zijn om fantasieën met de realiteit te verwarren (Bouldin & Pratt, 2001), zijn er maar heel weinigen die niet willen toegeven dat ze hun vriendje hebben verzonnen. Slechts een paar procent van de geïnterviewde kinderen leek er echt in te geloven. Zo was er een meisje dat opmerkte: ‘Voor mij is ze eigenlijk echt. Maar ze is onzichtbaar. Alleen ik kan haar zien, verder niemand. Ik kan haar ook echt horen als ze praat. Ze verzint altijd grappige verhalen.’

Imaginaire vriendjes kunnen een rol spelen in het ontwikkelingsproces van kinderen en diverse functies vervullen. Ze kunnen helpen om sociale vaardigheden te ontwikkelen en dingen vanuit het perspectief van een ander te bekijken. Ze kunnen een middel zijn om eenzaamheid en verveling te bestrijden of wensdromen te vervullen. Ze kunnen emotionele steun, waardering en begrip bieden of een soort mentorrol vervullen. Ze kunnen ook worden gebruikt als zondebok of om aandacht te trekken. Wanneer een kind twee fantasievriendjes heeft, dan hebben deze vaak tegengestelde eigenschappen. In het verleden nam men aan dat de vriendjes vooral voorkomen bij eenzame of teruggetrokken kinderen met emotionele problemen, traumatische ervaringen of een dissociatieve stoornis. Maar volgens Marjorie Taylor zijn de kinderen juist socialer, creatiever en minder verlegen, al geldt dat wellicht niet voor tienjarigen die nog een onzichtbaar vriendje hebben. Zij werden wat minder goed geaccepteerd door leeftijdgenoten en hadden een negatiever zelfbeeld.

Er is helaas nog geen psychologisch onderzoek verschenen over kinderen die zeggen dat ze een geest als vriendje hebben. In zo’n geval is het makkelijker om vol te houden dat het vriendje echt bestaat, want het is algemeen bekend dat geesten niet voor iedereen zichtbaar zijn. Ouders die zelf in geesten geloven, zullen er minder zeker van zijn dat het louter fantasie is, wat ongetwijfeld van invloed is op de kinderen. Sommigen zullen zich er graag van laten overtuigen dat hun kind paranormale gaven heeft of dit idee zelfs stimuleren, omdat het hun eigen ideologie ondersteunt.

Er zijn ongetwijfeld ook kinderen die paranormale verhalen vertellen omdat ze graag bijzonder willen zijn. Het twaalfjarige meisje in de eerste aflevering van Psychic Kids, met zwartgelakte nagels en mascara, was daar misschien een voorbeeld van. Ze overdreef haar gaven nogal en had deze naar eigen zeggen van God gekregen om te gebruiken. Haar moeder geloofde haar, maar had voortdurend onenigheid met haar omdat ze zich niet aan de regels hield. De moeder stemde erin toe dat het meisje vaak van school spijbelde, zogenaamd omdat de geesten haar ’s nacht wakker hielden.

Paranormale kinderen in Nederland

Het zal niet lang meer duren voordat de paranormale kinderen ook op de Nederlandse tv doordringen. SBS6 wil er na de zomer een serie over uitzenden, die zal worden gepresenteerd door het gewiekste medium Liesbeth van Dijk, eerder actief als fondsenwerver en berucht van de serie Op Zoek naar het Zesde Zintuig. Het Jeugdjournaal zond in april al een item uit waarin Liesbeth werd geïntroduceerd als deskundige en reclame mocht maken voor haar programma. Ze zoekt nog meer kinderen in de leeftijd van 7 tot 12 jaar die over hun ervaringen willen vertellen.

Er is in Nederland ook al een echte autoriteit die de kinderverhalen serieus neemt: de klinisch pedagoog en psycholoog dr. Pieter Kousemaker. Hij was jarenlang verbonden aan de Leidse Universiteit, maar heeft nu een praktijk die zich op bijzondere kinderen richt. Deze kinderen kunnen naar zijn overtuiging in een ‘andere wereld’ kijken, die buiten onze waarneembare werkelijkheid bestaat. Kousemaker wil er een handboek over schrijven, want de huidige wetenschappelijke theorieën schieten volgens hem tekort.

Literatuur

Bouldin, Paula en Chris Pratt (2001). The ability of children with imaginary companions to differentiate between fantasy and reality. British Journal of Developmental Psychology, 19, 99-114.
Haraldson, Erlendur (1988). Survey of claimed encounters with the dead. Omega, 19(2), 103-113.
Hoff, Eva V. (2005). Imaginary companions, creativity, and self image in middle childhood. Creativity Research Journal, 17, 2&3, 167-180.
Pearson, D. et al. (2001). Prevalence of imaginary compagnions in a normal child population. Child: Care, Health and Development, 27(1), 13-22.
Taylor, Marjorie (2007). Autonomy and control in children’s interactions with imaginary compagnions. Proceedings of the British Academy, 147, 81-100.
Taylor, Marjorie et al. (2009). Children’s imaginary compagnions: what is it like to have an invisible friend? In Keith D. Markman et al. (eds.), Handbook of imagination and mental simulation, p. 211-224.

Uit: Skepter 21.2 (2008)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014