Hervonden herinneringen

Einde van een discussie?

door Harald Merckelbach

Wie onder invloed van een psychotherapeutische behandeling zich er plotseling van bewust wordt dat hij als kind is misbruikt, hervindt een herinnering aan een delict. Vooral in de VS ligt het dan voor de hand dat het slachtoffer de gang naar de rechter maakt. In juli 1998 liepen er in de VS meer dan 1000 rechtszaken waarin hervonden herinneringen aan jeugdtrauma’s een sleutelrol speelden. Aanvankelijk ging het daarbij vooral om volwassen vrouwen die op basis van een hervonden herinnering hun vaders beschuldigden van incest. (1) De laatste tijd staan aanklachten tegen katholieke priesters in het middelpunt van de publieke aandacht. (2)

De inzet van al die rechtszaken was en is steeds de betrouwbaarheid van hervonden herinneringen. Bestaat het dat mensen in hun jeugd een trauma meemaken, de herinneringen daaraan vervolgens kwijtraken, om op een nog later tijdstip ze met behulp van een therapeut te hervinden? Jazeker, menen nogal wat psychotherapeuten. Zij wijzen erop dat veel jonge kinderen worden misbruikt door volwassenen van wie zij volkomen afhankelijk zijn. Om daarmee verder te kunnen leven is het voor slachtoffers noodzakelijk om de traumatische herinneringen ontoegankelijk voor het bewustzijn te maken. (3) Dat is onmogelijk, zeggen andere experts. Ons brein is zo gebouwd dat het bedreigende ervaringen juist extra goed vastlegt, aldus deze non-believers. Zij menen dat wie een trauma meemaakt, zich dat zijn leven lang zal heugen.

Of het nu believers of non-believers zijn, Amerikaanse experts blijven tijdens de juridische verwikkelingen over hervonden herinneringen zelden als passieve commentatoren langs de zijlijn staan. Zoals het nu eenmaal gaat in het Amerikaanse systeem, treden zij veelvuldig als partijdeskundigen op en bestrijden elkaar in de rechtszaal te vuur en te zwaard. (4) Dat alles gebeurt tegen de achtergrond van een niet aflatende mediabelangstelling voor rechtszaken over hervonden herinneringen. De stroom aan artikelen, documentaires en films over dit onderwerp is nog lang niet opgedroogd en geeft discussies tussen de partijdeskundigen een extra polemische dimensie.

En zo komt het dat in de VS sinds enige jaren de zogenaamde memory wars woeden. Daarin maken believers en non-believers elkaar het leven zuur. (5) Ze intimideren elkaar met advocaten, ze lichten de besturen van elkaars universiteiten in over vermeend wangedrag van de tegenpartij en ze dichten elkaar verwerpelijke motieven toe. (6) Met de memory wars dreigt ook het failliet van het academische debat over hervonden herinneringen. Want believers wantrouwen non-believers en vice versa. In die context tellen empirische feiten, meta-analyses en experimenten niet langer. Zij hebben hun argumentatieve kracht verloren. En dat maakt dat de academische discussie over hervonden herinneringen nu al sinds enige jaren stagneert.

In de VS was een aantal vooraanstaande psychologen en psychiaters zo verstandig om zich aan de memory wars te onttrekken. Zij lieten zich er nooit toe verleiden om als expert in de rechtszaal op te treden. Een van hen is Richard J. McNally. McNally is als hoogleraar psychologie verbonden aan de universiteit van Harvard en hij heeft een indrukwekkende hoeveelheid vakpublicaties op zijn naam staan. Hij is vooral bekend vanwege zijn onderzoek naar de oorsprong en behandeling van angstaandoeningen zoals de dwangneurose en de Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Daarbij bedient hij zich van de meest uiteenlopende onderzoeksbenaderingen. Soms doet hij experimenteel onderzoek naar het conditioneren van angstreacties, naar de visuele aandacht van patiënten met een fobie of naar het autobiografische geheugen van patiënten met een dwangneurose. Dan weer gebruikt hij moderne scantechnieken om de hersenactiviteit van PTSS-patiënten in kaart te brengen. Hij laat zich ook zo nu en dan uit over therapeutische kwesties. Geïnspireerd door wat zich allemaal als hulpverlening in het kielzog van de aanslag op de Twin Towers aandiende, schreef hij bijvoorbeeld onlangs een uiterst kritisch overzichtsartikel over het effect van psychologische debriefing bij rampen (McNally et al., 2003). (7) Kort en goed, Richard McNally is een wetenschapper van formaat en een boek van zijn hand over hervonden herinneringen is meer dan welkom. Het zou een nieuwe impuls aan de in het slop verkerende discussie kunnen geven.

Hoe werkt het geheugen?

Het is niet voor niets dat Remembering Trauma (McNally, 2003) begint en eindigt met een opmerking over vooringenomenheid. Op de eerste pagina’s van het boek schrijft McNally dat het sympathiek lijkt om de waarheid over hervonden herinneringen ergens midden tussen de believers en non-believers te situeren. Maar van deze diplomatieke oplossing wil McNally op voorhand niets weten. Ooit debatteerden geleerden over de vraag of de aarde plat of rond is. Die discussie werd niet vooruit geholpen door aan te nemen dat de aarde ellipsvormig is. Het enige dat telt, aldus McNally, is of een theorie wordt ondersteund door de feiten. En wanneer de lezer na bijna 300 bladzijden aan het einde van Remembering Trauma is gekomen, herhaalt de schrijver die boodschap nog eens: ‘Ultimately the best form of advocacy is a commitment to pursuing the truth about trauma wherever it may lead us'(p. 285). In de 10 tussenliggende hoofdstukken wordt dan duidelijk wat de ‘truth’ – althans de voorlopige versie daarvan – volgens McNally is.

Het eerste hoofdstuk (The politics of trauma) geeft een korte historische schets van het debat over hervonden herinneringen. McNally beschrijft de gang van zaken rond de aanvankelijk sterk aan Vietnamveteranen gekoppelde diagnose van PTSS. Halverwege de jaren 1990 veranderden de officiële criteria voor deze stoornis op een subtiele, maar wel beslissende manier. Want terwijl aanvankelijk alleen levensbedreigende situaties (bijvoorbeeld het slagveld) als ‘trauma’ golden, vonden Amerikaanse psychiaters nu ook vervelende seksuele ervaringen voor die kwalificatie in aanmerking komen. En terwijl aanvankelijk werd aangenomen dat getraumatiseerde mensen zich slecht kunnen concentreren op alledaagse taken, heette het later dat zij een onvermogen aan de dag leggen om zich belangrijke elementen van het trauma te herinneren. Veel psychotherapeuten meenden dat een groot deel van de psychiatrische patiënten last heeft van deze vorm van vergeten. Gevoegd bij het tot op de dag van vandaag springlevende idee dat de therapeut met hypnose het vergeten trauma weer naar boven kan halen, ontstond daarmee een context waarin het heel gebruikelijk was dat psychotherapeuten jacht maakten op verborgen trauma’s.

In hoofdstuk 2 (How we remember) schuift McNally dan tijdelijk de kwestie van hervonden herinneringen terzijde om stil te staan bij wat de wetenschap aan vaststaande feiten te melden heeft over de werking van het geheugen. Het is een lijvig, maar zeer helder geschreven hoofdstuk dat één ding heel duidelijk maakt. Er zijn nogal wat vaststaande feiten over het geheugen en het is dus niet zo dat het debat over hervonden herinneringen zich afspeelt tegen de achtergrond van een beperkt kennisbestand. Sommige hypothesen zijn daarom waarschijnlijk. Andere zijn – gegeven ons kennisbestand – ronduit onwaarschijnlijk. Sommige therapeuten menen bijvoorbeeld dat pavloviaanse conditionering de drijvende kracht achter hervonden herinneringen is. De patiënt zou lichamelijk reageren op bepaalde cues (bijvoorbeeld de reuk van een sigaar) omdat die cues ooit verbonden waren met een vergeten trauma (bijvoorbeeld een sigaar rokende incestpleger). Het is dan de taak van de therapeut om van de lichamelijke herinneringen bewuste herinneringen te maken. Dit hele idee is gebaseerd op de aanname dat pavloviaanse conditionering een onbewuste vorm van geheugen is. McNally maakt duidelijk dat die aanname nergens op slaat. Pavloviaanse conditionering treedt alleen op als mensen om te beginnen volledig door hebben wat bij wat hoort (dus dat de incestpleger sigaren rookte).

Een ander hypothese die onwaarschijnlijk is, maar niettemin onder psychotherapeuten grote aanhang verwierf, zegt dat traumatische gebeurtenissen de concentraties van sommige stresshormonen dermate opstuwt dat zij het geheugen gaan ondermijnen. En dat zou verklaren waarom sommige mensen zich helemaal niets meer van het trauma kunnen herinneren. (8) McNally laat zien dat wetenschappelijk onderzoek eerder wijst op het tegendeel: hoe aangrijpender de gebeurtenis, hoe meer stresshormonen gaan circuleren en hoe beter mensen zich de gebeurtenis kunnen herinneren.

Voorbeelden van ideeën die plausibel zijn, geeft McNally in dit hoofdstuk ook. Zo besteedt hij veel aandacht aan de literatuur over pseudo-herinneringen. Die literatuur laat zien dat het eenvoudig is om studenten vervelende dingen te laten herinneren die nooit zijn gebeurd. Wat bijvoorbeeld goed werkt is droominterpretatie: studenten worden uitgenodigd om te vertellen over hun dromen en een neptherapeut zegt dan dat de dromen verraden dat zij op 3-jarige leeftijd zijn verdwaald. Studenten hechten veel geloof aan een dergelijke interpretatie. Als dat voor intelligente studenten geldt die één keer met een therapeut praten, dan moet het a fortiori gelden voor hulpbehoevende patiënten die talloze malen met hun therapeut praten.

PTSS-symptomen

Hoofdstuk 3 (What is psychological trauma?) gaat in op de vraag wat een trauma is en onder welke omstandigheden het een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) veroorzaakt. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat er wel een dosis-effectrelatie zal zijn: hoe erger de gebeurtenis, hoe groter de kans dat het slachtoffer er een PTSS aan overhoudt. Allerlei studies suggereren ook wel zo’n soort verband, maar McNally betoogt dat hier een artefact meespeelt. Nogal wat onderzoek is namelijk op retrospectieve rapportages gebaseerd, waarbij slachtoffers terugblikkend een oordeel vellen over de intensiteit van het trauma. Dan treedt vaak een amplificatie van de traumatische herinneringen op. Naarmate het slachtoffer meer last krijgt van PTSS-symptomen, neemt de gerapporteerde intensiteit van het trauma toe, want slachtoffers willen voor zichzelf en anderen verklaren waarom zij nog steeds last hebben van PTSS-symptomen. (9)

Niet elk slachtoffer van een trauma krijgt PTSS-symptomen. Zo staat inmiddels vast dat intelligente mensen minder snel last hebben van zulke symptomen. Niet verwonderlijk dus dat onderzoekers óók hebben gevonden dat de kwetsbaarheid voor PTSS genetisch verankerd is. Hoe precies intelligentie beschermt tegen PTSS is minder duidelijk. Het zou kunnen dat domme mensen eerder gevaarlijke situaties opzoeken. Het tegendeel – domme mensen hebben sneller de neiging om aan tegenslagen een traumatische allure toe te kennen – zou ook waar kunnen zijn. Wat sterk in het voordeel van die interpretatie spreekt, is dat er in de literatuur ook wel gevallen beschreven zijn waarin mensen aan het kijken naar The Exorcist (1973) PTSS overhielden. En wat te denken van de man die PTSS-klachten kreeg nadat hij met zijn maaimachine per ongeluk een aantal kikkers had gedood? Er is geen simpele dosis-effectrelatie tussen trauma en PTSS. Het is meer een kwestie van hoe slachtoffers zich het trauma herinneren.

Daarover gaat ook hoofdstuk 4 (Memory for trauma). Veel psychiaters en psychotherapeuten menen te weten dat traumatische herinneringen een totaal andere vorm hebben dan gewone herinneringen. De eerste, maar niet de tweede categorie zou foto-achtige kwaliteiten bezitten en zich manifesteren in de vorm van nachtmerries en flashbacks. Uit onderzoek blijkt echter dat slechts een minderheid van de slachtoffers beweert dat hun flashbacks en nachtmerries exacte replica’s van het trauma zijn. En dan nog veronderstelt deze bewering dat het slachtoffer in zijn hoofd een exacte reconstructie van het trauma kan maken, waartegen de flashback kan worden afgezet. Dat is echter een discutabele veronderstelling. McNally moet niet veel hebben van de theorie dat traumatische herinneringen een heel andere vorm hebben dan ‘gewone’ herinneringen.

Selectief geheugenverlies

Ondertussen is er wel wat aan de hand met het autobiografische geheugen van getraumatiseerde mensen. Hoofdstuk 5 (Mechanisms of traumatic memory) gaat nader op die kwestie in. Zo hebben slachtoffers die aan een trauma psychiatrische ellende (depressies, PTSS) overhouden, de neiging om in nogal globale termen te praten over hun verleden. Niet alleen hun traumatische herinneringen, maar ook al hun andere herinneringen zijn vaag en weinig gedetailleerd. Het is niet helemaal duidelijk wat de oorzaak hiervan is. Maar men kan zich voorstellen hoe patiënten, aangemoedigd door hun therapeuten, in hun vage autobiografische herinneringen de hand van verdringing of dissociatie gaan zien. Hoofdstuk 6 (Theories of repression and dissociation) is helemaal gewijd aan de analyse van deze kernbegrippen. Verdringing is natuurlijk een ouderwets, Freudiaans begrip, terwijl dissociatie sterk verbonden is met de meer recente opkomst van de Meervoudige Persoonlijkheid (tegenwoordig ook wel dissociatieve identiteitsstoornis genoemd). Wat beide begrippen beogen te verklaren is selectief geheugenverlies, waarbij slachtoffers het trauma niet meer kunnen herinneren, maar alle andere dingen wél. Bestaat dat type geheugenverlies überhaupt wel? McNally betwijfelt het: ‘What we have here is a set of theories in search of a phenomenon’ (p. 182).

Psychiaters die aan het begrip dissociatie een biologische draai proberen te geven, verwijzen vaak naar het werk van Joseph LeDoux. Deze neurobioloog vond dat er twee routes in het brein zijn waarlangs emotionele informatie wordt verwerkt. De eerste route is de trage, corticale route waarbij men zich uiteindelijk bewust wordt van de emotionele informatie en op basis daarvan een handeling (vluchten of vechten) initieert. De tweede route is de snelle, subcorticale route waarbij een handeling zonder tussenkomst van het bewustzijn totstandkomt. Deze route wordt door sommigen in verband gebracht met dissociatie, maar McNally is daarvan niet erg onder de indruk. Want zelfs als die snelle, subcorticale route geactiveerd raakt en aanzet tot onbewuste actie, dan zal binnen luttele seconden toch altijd ook de trage, corticale route daar kennis van nemen. De term dissociatie wil nu juist verklaren waarom mensen emotionele gebeurtenissen lange tijd helemaal kunnen vergeten. (10)

De vraag of ze dat wel doen, komt in hoofdstuk 7 (Traumatic amnesia) nog eens zeer uitvoerig aan de orde. Onderzoek naar die kwestie gebeurt vaak op de volgende manier. Volwassen slachtoffers wordt gevraagd of zij in hun leven periodes hebben meegemaakt waarin zij geen herinneringen meer hadden aan het trauma. Bijna altijd antwoordt een behoorlijke minderheid (circa 30%) van hen met ‘ja’ op deze vraag. Dat is vaak opgevat als bewijs voor het bestaan van verdringing of dissociatie. Nader onderzoek heeft echter laten zien dat slachtoffers iets anders op het oog hebben als zij instemmend op dit soort vragen antwoorden. Wat zij bedoelen is dat zij tijden lang niet aan het trauma hebben gedacht of allerlei details ervan zijn vergeten. In dat verband herhaalt McNally een anekdote van Mark Pendergrast. Deze journalist ‘asked three distinguished Holocaust scholars – Elie Wiesel, Lawrence Langer, and Raul Hilberg – whether they were aware of any cases of massive repression of traumatic Holocaust memories. Each scholar said he was unaware of any such cases except when brain damage had occurred. Indeed, clinical research on Holocaust survivors has repeatedly emphasized the vividness of their horrific memories’ (p. 211). (11)

Dr. Greenbaum en de CIA

Wanneer een patiënt onder invloed van psychotherapie herinneringen aan een jeugdtrauma hervindt, dan valt zelden aan hun inhoud af te lezen in welke mate zij betrouwbaar zijn. Voor sommige hervonden herinneringen ligt dat anders omdat hun inhoud dermate bizar is dat zij op apriorigronden onbetrouwbaar mogen heten. Over zulke herinneringen gaat hoofdstuk 8 (False memories of trauma). Hierin staat McNally uitgebreid stil bij herinneringen aan alien abduction en satanisch ritueel misbruik. Duidelijkere voorbeelden van pseudo-herinneringen bestaan er niet, aldus McNally. (12) Wie de empirische evidentie bekijkt die de schrijver in dit en het volgende hoofdstuk presenteert, moet zich wel bij dit oordeel aansluiten. Ondertussen is het nog maar kort geleden dat de psycholoog Hammond daverend applaus in ontvangst mocht nemen als hij op congressen zijn Dr. Greenbaum-theorie over satanisch ritueel misbruik ontvouwde. Hammond had ontdekt dat Dr. Greenbaum een joodse handlanger van de nazi’s was, die later door de Amerikanen gevangen werd genomen en nog weer later met de CIA ging samenwerken (lezer, bent u er nog?). Hij trainde CIA-agenten in de finesses van het hersenspoelen. En zo ontstond een internationaal vertakt, satanisch netwerk dat kinderen misbruikt en hen het zwijgen oplegt met behulp van moderne mind control technieken. Hammond kwam dit allemaal aan de weet omdat zijn patiënten hem onder hypnose dit verhaal vertelden. McNally’s verklaring voor de herkomst ervan is simpel: een therapeut die aan zijn in trance verkerende patiënten steeds dezelfde suggestieve vragen stelt (hadden ze maskers op? was er vuur?), kan rekenen op fantastische verhalen die allemaal ongeveer hetzelfde klinken. (13)

In hoofdstuk 9 (A view from the lab) borduurt McNally verder op het thema van de pseudo-herinneringen. Hij beschrijft in dit hoofdstuk zijn eigen onderzoek op dit terrein. Dat bestond hieruit dat patiënten met hervonden herinneringen aan jeugdtrauma’s of aan alien abduction allerlei vragenlijsten en geheugentaken kregen voorgeschoteld. De resultaten waren bij benadering steeds hetzelfde: de patiënten scoren hoog op een lijst die fantasy proneness meet en hebben een uitgesproken neiging om zich dingen te herinneren die geen onderdeel waren van de geheugentaak.

In het afsluitende hoofdstuk 10 heeft McNally maar een paar zinnen nodig om de balans op te maken. Zo moeilijk als het is om bewijs te vinden voor het idee dat traumatische herinneringen via verdringing of dissociatie ontoegankelijk kunnen worden, zo makkelijk is het om bij patiënten pseudo-herinneringen uit te lokken. Zulke patiënten zijn bonafide en zij geloven oprecht in hun herinneringen. Van een geheel andere orde zijn de simulanten die handig gebruik maken van de opgerekte betekenis die het woord trauma tegenwoordig in de psychiatrie heeft. Zij veinzen symptomen en construeren willens en wetens een autobiografie om zo in aanmerking te komen voor een uitkering of schadevergoeding. McNally presenteert het probleem van de pseudo-trauma’s als een tot nog toe behoorlijk onderschat fenomeen. Hij rekent voor dat de Vietnam veteraan die PTSS simuleert in het gunstigste geval aanspraak kan maken op een belastingvrije uitkering van 36 duizend dollar per jaar: ‘It pays to be sick’. Dan wordt ook begrijpelijk hoe het komt dat 1 op de 3 leden van de Amerikaanse vereniging van ex-krijgsgevangenen nooit krijgsgevangene is geweest. (14)

Remembering Trauma is een uiterst toegankelijk, maar ook voortreffelijk gedocumenteerd boek. Het stijgt ver uit boven de vraag of hervonden herinneringen waar of onwaar zijn. McNally besteedt veel aandacht aan de psychiatrische literatuur over traumatische ervaringen en evenzeer becommentarieert hij het recente biologische onderzoek naar de effecten van trauma. Dat gebeurt met zo’n grondigheid dat een vooraanstaande recensent het boek ‘the single best resource on memory of traumatic experiences and on the role of post-traumatic stress disorder (PTSS) in the neurobiology of remembering’ noemde (Ceci, 2003). Vanwege die encyclopedische presentatie legt McNally’s conclusie dat verdringing en dissociatie tot de psychiatrische folklore behoren veel gewicht in de schaal. In zijn boekbespreking kondigt de hoogleraar psychiatrie Paul McHugh (2003) het boek dan ook aan als ‘the final nail in the coffin of the repressed-memory craze’. Dat is tevens de conclusie van recensente Sally Satel (2003) in The New Republic: ‘McNally comes down on the side of clinicians and researchers who believe that victims typically remember their adversities extremely well’. (15) De goed onderbouwde boodschap van dit boek luidt inderdaad dat de wereld rond is. En nu maar hopen dat psychiaters en psychotherapeuten het boek lezen en die boodschap verstaan.

Noten

1. Deze zaken vallen in drie categorieën uiteen. De grootste categorie wordt gevormd door de 800 civiele en strafrechtelijke procedures die mensen met hervonden misbruikherinneringen tegen de beweerde daders ervan (vaak hun familieleden) aanspanden. Acht van de 10 keer blijkt de eisende of de beschuldigende partij inderdaad onder invloed van psychotherapie tot het inzicht te zijn gekomen dat zij ooit in het verleden slachtoffer werd van een delict. En doorgaans zijn het vaders, grootvaders of ooms die als verdachten of gedaagden terechtstaan. De tweede categorie bestaat uit gevallen waarin de verdachten terugsloegen: niet in de richting van de beschuldigende partij, maar in de richting van de psychotherapeuten. In 1998 waren er in de VS ongeveer 150 beschuldigde familieleden die tegen therapeuten een rechtszaak wegens wanprestatie aanhangig hadden gemaakt. En dan is er nog de categorie van ex-patiënten die op hun hervonden herinneringen terugkwamen. Deze zogenaamde ‘retractors’ beweren dat het gaat om pseudo-herinneringen waarmee therapeuten hen hebben opgezadeld. In 1998 liepen er in de VS 130 rechtszaken van ex-patiënten tegen hun voormalige psychotherapeuten. Zo’n 70 andere ‘retractors’ kondigden juridische stappen aan. De financiële belangen die daarbij op het spel staan zijn aanzienlijk. In één zaak werd een schikking getroffen waarbij aan een ‘retractor’ 10,6 miljoen dollar werd uitgekeerd. We ontlenen al deze cijfers aan McNally (2003).

2. Zo lopen in Boston op dit moment 500 rechtszaken tegen de katholieke kerk. In 40% van de zaken zou het gaan om volwassenen die pas tijdens therapie erachter kwamen dat zij ooit als misdienaar of koorknaap door een priester zijn misbruikt.

3. McNally citeert in zijn boek een hulpverleenster die beweert dat ‘more than half of all women are survivors of childhood sexual trauma’. Dat slachtoffers zich dat lang niet altijd kunnen herinneren heeft te maken met de ontoegankelijkheid van hun traumatische herinneringen (‘amnesie’). En die is weer het gevolg van verdringing of dissociatie, aldus menig psychotherapeut (zie ook Skepter, december 2000).

4. Dat is ook de reden om te vermoeden dat het accusatoire rechtssysteem van de VS een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het uit de hand lopen van de hele discussie over hervonden herinneringen. In het Amerikaanse recht bestrijden de partijen elkaar op voet van gelijkheid. De partijen huren allerlei experts in en een ‘clash of opinions’ tussen deze experts wordt aangemoedigd. Een van de neveneffecten van dit nobele principe is dat partijen experts met een propagandistische stijl contracteren. Op de radicale uitspraken die zij tijdens openbare zittingen doen kunnen ze later moeilijk terugkomen. Zie Merckelbach (2003).

5. Voorzover ik kan nagaan komt de term uit een bespreking die geheugenpsycholoog Dan Schacter (1995) aan allerlei boeken over het onderwerp wijdde.

6. Carol Tavris (2002) bespreekt in haar essay een voorbeeld hiervan.

7. Vlak na de aanslag waren er in New York duizenden psychotherapeuten op de been. Zij onderwierpen iedereen die hen voor de voeten liep aan debriefing sessies. De voorspelling van deze therapeuten was dat in de maanden na de aanslag een dikke 1,5 miljoen New Yorkers psychologische hulp nodig zou hebben. Het bleek uiteindelijk een fractie van dit aantal te zijn. Op basis van de onderzoeksliteratuur concluderen McNally en zijn collega’s dan ook dat getraumatiseerde mensen meer incasseringsvermogen hebben dan psychotherapeuten vaak voor mogelijk houden en dat in een vroeg stadium veelvuldig met hen praten over het trauma in het gunstigste geval niet helpt en in het slechtste geval interfereert met het natuurlijke herstelvermogen van mensen.

8. Volgens een populaire versie van dit idee tast het stresshormoon cortisol de hippocampus aan, terwijl deze hersenstructuur bij uitstek verantwoordelijk is voor de opslag van herinneringen. Zo zou het komen dat getraumatiseerde mensen het trauma vergeten. De empirische kredietwaardigheid van dit idee laat echter zeer te wensen over. Zie ook Jelicic en Merckelbach (2004).

9. De kwestie van retrospectieve amplificatie speelt ook in de literatuur over wat ‘peritraumatische dissociatie’ heet: hoe slechter slachtoffers er nu aan toe zijn, hoe meer ze de neiging hebben om terugblikkend te zeggen dat zij ten tijde van het trauma typische dissociatieve reacties als depersonalisatie en derealisatie ervoeren. Zie Candel en Merckelbach (2004).

10. In het universum van LeDoux duurt het onderbewustzijn nooit langer dan 1 seconde, maar blijkbaar is dat voor menig psychiater toch lang genoeg om de parallellen met het Freudiaanse onderbewustzijn te zien. De snelle, subcorticale route van LeDoux is dan ook veelvuldig in verband gebracht met het ontstaan van angststoornissen. Zie voor een kritische beschouwing Mayer en Merckelbach (1999).

11. En dat geldt trouwens ook voor mensen die de jappenkampen hebben overleefd. Ook zij bewaren nogal scherpe herinneringen aan wat hen daar aan overkwam. Zie Merckelbach e.a. (2003).

12. Letterlijk zegt McNally over satanisch ritueel misbruik: ‘However, the evidence adduced in support of the reality of satanic abuse crumbles upon inspection’ (p. 240) en ‘Features of the ritual abuse narrative resemble other long-debunked legends having no basis in fact (p. 242)’ en ‘the entire saga of alleged ritual abuse provides one long argument for the reality of false memories of trauma. In nearly every case, the memories return only in psychotherapy. The proportion of patients who have no recollection of their ritual abuse until they begin psychotherapy ranges from 95 to 100 percent across studies’ (p. 245).

13. Ook al omdat veel patiënten Hollywoodfilms hebben gezien waarin het thema van mind control prominent aan bod komt. Een aardig voorbeeld is The Manchurian Candidate (1962; met Frank Sinatra), waarin Amerikaanse soldaten door een Koreaanse hypnotiseur worden gehersenspoeld. Zie Spanos (1996).

14. Veel van wat hij hierover schrijft, ontleent McNally aan het onthutsende boek van de journalisten Burkett en Whitley (1998).

15. Zie voor een andere, lovende bespreking, Craig (2003).

Literatuur

Candel, I. & Merckelbach, H. (2004). Peritraumatic dissociation as a predictor of Post-Traumatic Stress Disorder: A critical review. Comprehensive Psychiatry, 45, 44-50.

Ceci, S.J. (2003). Can one forget to remember? Science, 301 (25 juli), 465.

Craig, G. (2003). Remembering trauma. JAMA, 290, 3006-3007.

Burkett, B.G. & Whitley, G. (1998). Stolen valor: How the Vietnam generation was robbed of its heroes and its history. Dallas: Verity Press.

Jelicic, M. & Merckelbach, H. (2004). Traumatic stress, brain changes, and memory deficits: A critical note. Journal of Nervous and Mental Disease. In druk.

Mayer, B. & Merckelbach, H. (1999). Unconscious processes, subliminal stimulation, and anxiety. Clinical Psychology Review, 19, 571-590.

McHugh, P.R. (2003). The end of a delusion: The psychiatric memory wars are over. Weekly Standard, 36, 8.

McNally, R.J. (2003). Remembering trauma. Cambridge: Harvard University Press.

McNally, R.J., Bryant, R.A. & Ehlers, A. (2003). Does early psychological intervention promote recovery from posttraumatic stress? Psychological Science in The Public Interest, 4, 45-79.

Merckelbach, H. (2003). Taking recovered memories to the court. In P.J. Van Koppen & S.D. Penrod. (Eds.). Adversarial versus inquisitorial justice. New York. Kluwer (pp. 119-130).

Merckelbach, H., Dekkers, Th., Wessel, I. & Roefs, A. (2003). Amnesia, flashbacks, nightmares, and dissociation in aging concentration camp survivors. Behaviour Research and Therapy, 41, 351-360.

Satel, S. (2003). The trauma society. The New Republic, mei, 29.

Schacter, D.L. (1995). Memory wars. Scientific American, 272, 134-139.

Spanos, N.P. (1996). Multiple identities and false memories: A sociocognitive perspective. Washington: American Psychological Association.

Tavris, C. (2002). The high cost of skepticism. Skeptical Inquirer, 26, 41-44.

Uit: Skepter 16.4 (2003)

Harald Merckelbach is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Maastricht en lid van het Comité van Aanbeveling van Skepsis