Massimo Pigliucci: ‘Serieus antwoord kost nu eenmaal tijd’

door Pepijn van Erp – Skepter 29.3 (2016)

De Italiaans-Amerikaanse filosoof en bioloog Massimo Pigliucci is de hoofdgast op het Skepsis-congres van 22 oktober. Pigliucci is op dit moment hoogleraar filosofie aan de City University of New York. Voor lezers die het skepticisme ook op internationaal vlak volgen is hij wellicht bekend van de podcast Rationally speaking en als auteur van Nonsense on stilts: How to tell science from bunk.

Massiomo Pigliucci

Hoe kwam u in aanraking met het georganiseerde skepticisme?

Mijn wetenschappelijke carrière startte ik als evolutiebioloog en daarna ben ik in de filosofie beland. Mijn interesse ligt voornamelijk bij wetenschapsfilosofie en in het bijzonder het onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap, wat ook wel als het demarcatieprobleem bekend staat.

In 1996 of 1997 kwam ik in aanraking met het skepticisme toen ik als jonge bioloog aan de universiteit van Knoxville in Tennessee tegenwerking ondervond van creationisten. Ik realiseerde me toen pas goed dat ik vanuit Italië zo in de bible belt van de Verenigde Staten beland was. Knoxville is bijvoorbeeld niet ver van Dayton, waar in 1925 de bekende rechtszaak plaatsvond over de rechtmatigheid van het onderwijzen van de evolutietheorie op openbare scholen.

Ik werd een beetje activistisch, begon met het geven van publieke lezingen over wat evolutie inhoudt en hoe wetenschap werkt. Het schrijven van artikelen in de plaatselijke kranten volgde en zo kwam ik uiteindelijk ook in contact met een lokale skeptische groep. Dat was het begin van een jarenlange betrokkenheid met de skeptische beweging. Na mijn verhuizing naar New York werd ik lid van de New York City Skeptics en was betrokken bij veel van hun activiteiten. Ook landelijk werd ik actief, ik had bijvoorbeeld een tijdlang een column in Skeptical Inquirer over skepticisme en wetenschap. En ook schreef ik wel voor Skeptic Magazine.

Uw betrokkenheid kwam dus vooral via het creationisme. Was u ook toen ook al bekend met klassieke skeptische onderwerpen als ufo’s en astrologie?

Nou, weet je, die onderwerpen acht ik zelf op dit moment niet heel erg relevant. In de academische wereld zul je bijvoorbeeld niet snel een student tegen het lijf lopen die zegt dat hij in ufo’s gelooft. Waar ik wel tegenaan liep, waren studenten die stelden niet in evolutie te kunnen geloven, omdat hun pastor had verteld dat evolutie een leugen is. Dat is de reden dat ik actief werd als skepticus. Pas daarna werd ik me meer bewust van die andere onderwerpen, maar ik heb er zelf niet echt over geschreven. Meer heb ik me bezig gehouden met ideeën die in de praktijk gevaarlijk kunnen uitpakken voor de samenleving, zoals de ‘vaccinaties veroorzaken autisme’-mythe, de bergen geld die nog altijd aan onwerkzame alternatieve therapieën als homeopathie worden besteed en het ontkennen van klimaatopwarming.

Het Creation Museum in Petersburg in de Amerikaanse staat Kentucky wordt onderhouden door de creationistische organisatie Answers in Genesis. Het museum kostte 27 miljoen dollar en werd in mei 2007 geopend. Foto: Wikipedia (Jelson25)
Het Creation Museum in Petersburg in de Amerikaanse staat Kentucky wordt onderhouden door de creationistische organisatie Answers in Genesis. Het museum kostte 27 miljoen dollar en werd in mei 2007 geopend. Foto: Wikipedia (Jelson25)

Op een recente skeptische conferentie gooide wetenschapsjournalist John Horgan een knuppel in het skeptische hoenderhok: volgens hem zijn we eigenlijk wel klaar met onderwerpen als homeopathie, Bigfoot en astrologie en zouden skeptici zich meer moeten bezighouden met echt lastige problemen. Zijn voordracht heeft nogal wat commotie veroorzaakt als we mogen afgaan op de talloze blogs die er over geschreven zijn.

Die bewuste conferentie wordt elk jaar georganiseerd door mijn lokale skeptische groep, de New York City Skeptics, en ik heb er in het verleden vaak aan meegewerkt en er voordrachten gehouden. Dit jaar was ik er zelf niet bij, maar het is grappig dat je Horgan noemt, want het was mijn suggestie om hem uit te nodigen. Horgan houdt er wel van om de controverse op te zoeken en het publiek een ander perspectief voor te houden. De organisatie had zijn lezing aan het slot ingepland, dat heeft wel bijgedragen aan de impact.

Mijn vriend Steven Novella heeft over zijn betoog geschreven dat Horgan te weinig moeite had gedaan om zich te verdiepen in wat de skeptische beweging tegenwoordig eigenlijk doet en dat daarom zijn kritiek niet bijster goed onderbouwd was. Maar ik ben het niet helemaal met hem eens.

Horgan heeft misschien onderschat wat skeptici tegenwoordig doen, maar zijn belangrijkste boodschap was dat ze uit moeten kijken om te gemakzuchtig te worden. Skeptici voelen zich al snel de slimste kindertjes van de klas, die snel door hebben wat onzin is. Maar veel belangrijke onderwerpen liggen stukken gecompliceerder dan ufo’s en astrologie.

Skeptici gedragen zich als cheerleaders van de natuurwetenschap en zijn vaak zeer optimistisch over wat daar mee kan. Maar bij sommige praktijken binnen de wetenschap zijn ook vraagtekens te zetten, zoals de berichten over fraude ons leren. Er zijn zelfs hele wetenschapsgebieden die in de problemen lijken te zijn, medisch onderzoek en de psychologie, vooral vanwege replicatieproblemen. En tegelijkertijd doen veel natuurwetenschappers, vooral fysici, weer alsof de sociale wetenschappen onbelangrijk zijn zonder dat ze al te veel kennis van zaken tentoonspreiden. Wat Horgan stelde is dat skeptici meer oog zouden moeten hebben voor dat soort zaken. En daarin geef ik hem gelijk.

Hoe zit dat eigenlijk met die arrogante houding van natuurwetenschappers richting de humaniora en in het bijzonder de filosofie? Ze lijken er vaak vanuit te gaan dat ‘harde’ wetenschap uiteindelijk voor alles wel een antwoord kan opleveren.

Om eerlijk te zijn, is het iets dat me behoorlijk ergert. Ik ben zelf in de eerste plaats natuurwetenschapper, filosofie is iets dat later op mijn pad kwam. Maar waarom zoveel prominente natuurwetenschappers alles wat niet op harde wetenschap lijkt, zo maar afwijzen, is iets dat ik alleen maar kan verklaren vanuit onwetendheid en arrogantie. Het is eigenlijk nogal verbazingwekkend dat je dit over wetenschappers moet zeggen, omdat bescheidenheid een van de kernwaarden binnen de wetenschap is. Die bescheidenheid zie ik echter niet veel, eigenlijk ook niet in skeptische kringen. Ik zal geen namen noemen, maar je kunt ze vinden in de stukken op mijn blog.

Ik zal het nu even bij mijn eigen vak, filosofie, houden. Niemand zal beweren dat filosofie antwoorden kan geven op vragen van natuurwetenschappelijke aard. Dat is ook helemaal niet waar filosofie om draait. Het is geen alternatief voor natuurwetenschap. Als doel van wetenschapsfilosofie zie ik het onderzoeken van hoe wetenschap werkt. Vanuit logisch en kennistheoretisch perspectief. Waarom werkt wetenschap zo goed? En als het fout gaat, waarom gaat het dan mis? Dat zijn vragen die onafhankelijk te stellen zijn van de onderzoeken naar specifieke natuurwetenschappelijke kwesties. Waarom zou het een natuurkundige kunnen verontrusten als iemand van buitenaf naar zijn praktijk kijkt? Er zijn meer vakgebieden die dat doen, wetenschapssociologie bijvoorbeeld. Er zijn allerlei sociale structuren binnen de wetenschap die het bestuderen waard zijn, wetenschap als menselijke activiteit. Zo is er ook wetenschapsgeschiedenis, enzovoort. Al deze vakgebieden hebben hun eigen methodes en hun eigen vragen, en ik zie geen reden voor een wetenschapper om ze af te doen als zinloze bezigheid.

Tot zover de wetenschapsfilosofie. Meer over filosofie in het algemeen wil ik het volgende kwijt. Voor veel filosofische vragen kan natuurwetenschap wel input leveren, maar niet de antwoorden. Ethiek is het voor de hand liggende voorbeeld. Als wetenschappers gaan beweren dat de neurobiologie of natuurkunde leert dat dit of dat het juiste is om te doen, dan zijn ze niet goed bij hun hoofd. Ethische vragen zijn geen vragen die met empirisch onderzoek beantwoord kunnen worden. Het zijn geen vragen over feitelijkheden, maar over waardeoordelen.

Maar dat betekent ook weer niet dat ethici zo maar in een vacuüm voor zich uit kunnen denken zonder input van empirische wetenschappen. Als je bijvoorbeeld binnen het utilitarisme uitgaat van het streven naar zo weinig mogelijk leed of pijn, dan heb je gegevens nodig over wat precies pijn verlaagt of doet toenemen. En dat zijn overduidelijk gegevens die alleen de natuurwetenschap kan leveren. Maar diezelfde natuurwetenschap kan niet vertellen dat die verminderde pijn het juiste is om na te streven.

Dat brengt me bij een algemeen punt, dat filosofie ons helpt om zaken te begrijpen en door te denken, terwijl natuurwetenschap ons helpt om te begrijpen hoe de wereld werkt. En dat is niet hetzelfde. Natuurlijk zijn wij mensen onderdeel van de wereld, maar wij zijn in staat tot zelfreflectie en kunnen bijvoorbeeld logica gebruiken, wat geen empirische discipline is. Net als wiskunde …

Ik ben zelf wiskundige …

Met wiskunde als voorbeeld is het misschien nog duidelijker. Het is ontzettend bruikbaar binnen de natuurwetenschappen en er zijn misschien gevallen waarbij empirische resultaten wiskundigen kunnen helpen, maar je kunt het zeker ook doen zonder dat soort input. Het is dus een ander soort bezigheid dan natuurwetenschap. Vaak helemaal niet relevant voor empirische wetenschappen, maar zeker interessant en waardevol op zichzelf. Om dat dan af te doen als niet relevant, omdat het geen ‘natuurwetenschap’ is, dat is het soort arrogantie waarover ik me op kan winden.

Uit het mede door u samengestelde boek The philosophy of pseudoscience komt duidelijk naar voren dat filosofie onontbeerlijk is om onderscheid te kunnen maken tussen zinvolle wetenschap en pseudowetenschap. Het frappante is dat je veel van de namen van de denkers die zich met dit probleem hebben bezig gehouden vooral tegenkomt in de betogen van pseudowetenschappers die ze aanhalen om kritiek te uiten op hun critici. Het lijkt wel of natuurwetenschappers, en skeptici, nauwelijks kennis hebben van de ontwikkelingen op dit vakgebied sinds Karl Popper.

Dat is inderdaad ironisch. Ik was onlangs op een conferentie in München die ging over de status van snaartheorie en theorieën omtrent multiversums. En waarom was ik daar eigenlijk uitgenodigd? Ik ben immers bioloog en wetenschapsfilosoof, maar niet gespecialiseerd in de filosofie van de natuurkunde. De organisatie legde uit dat in discussies tussen de wetenschappers die zich met deze onderwerpen bezighouden de naam van Popper steeds weer opduikt en het begrip falsificatie, terwijl duidelijk is dat ze zelf Popper niet hebben gelezen en nauwelijks een idee hebben wat er binnen de wetenschapsfilosofie sinds Popper gebeurd is. Eigenlijk werd me gevraagd om ze op dit gebied even bij te praten. En dat vond ik toch merkwaardig. Want hier waren excellente onderzoekers, die het vaak zeer oneens waren met elkaar, modder aan het gooien met argumenten uit de wetenschapsfilosofie als wapens, zonder door te hebben wat wetenschapsfilosofie eigenlijk voor strijdmiddel is.

En je hebt gelijk dat verdedigers van pseudowetenschap regelmatig Popper en Thomas Kuhn aanvoeren, en soms Paul Feyerabend, als wapen tegen skeptici en tegen wetenschap in het algemeen. En dat is een goed argument voor wetenschappers en skeptici om te leren over wat deze heren hebben geschreven. En ook over de denkers die erna zijn gekomen. Want we zijn alweer bijna vijftig jaar verder als je kijkt naar wat Kuhn bijvoorbeeld schreef en op het vakgebied is veel gebeurd. Als je als skepticus niets weet van deze materie, wat zeg je dan tegen een creationist of een verdediger van homeopathie die zegt ‘Maar Feyerabend heeft laten zien dat …’? Je kunt je er niet van af maken met, ‘O, maar dat is een filosoof, die doet er niet toe.’

schema-demarcatieprobleem-Pigliucci

In uw eigen artikel in het boek geeft u een indeling van vakgebieden door ze uit te zetten op twee assen: empirisch bewijs en theoretisch begrip. Overduidelijke nonsens als astrologie zit helemaal linksonder, harde wetenschap als deeltjesfysica rechtsboven. Hoe moeten we eigenlijk naar snaartheorie kijken vanuit die indeling?

Het antwoord op die vraag is van filosofische aard, je kunt het niet met een experiment vinden. In Aeon heb ik net een artikel geschreven dat hier over gaat. Zelf weet ik niet genoeg van de details van snaartheorie om er een inhoudelijk oordeel over te geven, maar als filosoof kan ik wel van buitenaf waarnemen hoe de discussie binnen het vakgebied wordt gevoerd en analyseren hoe de relatie ligt tussen de theorie en mogelijk empirisch bewijs. Als sommige snaartheoretici hun vakgebied verdedigen als een ‘post-empirische’ wetenschap, waarin alleen de mathematische constructies van belang zijn, dan word ik toch ongerust. Dan zeg ik: ‘Wacht even, het is misschien heel interessant wat jullie aan het doen zijn, maar gezien wat ik weet over de geschiedenis van de wetenschap, is dit geen wetenschap. Misschien moet je het door wetenschap gevoede metafysica noemen of mathematisch gestructureerde metafysica. Als het tegenargument komt dat deze theorieën uiteindelijk wel getoetst kunnen worden, dan zeg ik dat ze tegen die tijd maar terug moeten komen.

Dit is een mooi voorbeeld van een goede verhouding tussen natuurwetenschappen en wetenschapsfilosofie. Dat was ook zo interessant aan die conferentie in München. Filosofen en fysici zaten aan dezelfde tafel, hadden goede discussies, op grond waarvan je ze eigenlijk niet uit elkaar kon halen. Als in een vakgebied de meeste inhoudelijke verschilpunten zijn uitgediscussieerd, als het stof is gaan liggen, is er voor filosofen eigenlijk ook niet meer zoveel te doen.

Als dit soort discussie met snaartheoretici blijkbaar op een verstandige manier gevoerd kunnen worden, kunnen we dan concluderen dat dat vakgebied wetenschappelijk gezien wel gezond is?

Ja, zeker. Er is een term van Popper die van toepassing is op vakgebieden als snaartheorie, maar die beoefenaars ervan niet zo leuk zullen vinden: ‘metafysische onderzoeksprogramma’s’. Popper gebruikt die term voor vakgebieden die uitspraken opleveren die principieel ontoetsbaar blijken te zijn, of die op dit moment niet te toetsen zijn. Ze kunnen interessant zijn, en zelfs waar, alleen kunnen we dat nu nog niet empirisch vaststellen. Metafysica is een vies woord voor vele fysici, maar dat is voor hen dan gewoon pech. Het zijn vakgebieden die sterk het karakter hebben van wetenschap, maar het (nog) niet helemaal zijn.

Misschien dat ook meespeelt dat een term als metafysica voor het algemene publiek minder wetenschappelijk klinkt. En dat je door hem te gebruiken misschien ook wel minder makkelijk financiering kunt krijgen.

Het klinkt al snel als Deepak Chopra-achtige onzin. Maar dat is onterecht. De term slaat op de boeken van Aristoteles. Die schreef een aantal boeken over fysica en daarna volgden nog een aantal boeken over andere onderwerpen — vandaar de term metafysica, ‘na de fysica’. Metafysica is geen vies woord, maar gewoon een ruimere poging om te begrijpen hoe zaken in elkaar steken. Inclusief alles wat we weten vanuit de natuurwetenschap. In die zin zie ik snaartheorie als een poging om verder te gaan dan het beschikbare empirische bewijs, gebruik te maken van alles wat we verder nog kunnen bedenken, om zo goed mogelijk grip te krijgen op de diepere aard van werkelijkheid.

Nu we het toch over Deepak Chopra hebben: hoe kan het dat ogenschijnlijk verstandige wetenschappers niet doorzien dat zo iemand onzin staat te vertellen? In het voorjaar (2015) was er in Nederland bijvoorbeeld een pretentieus congres over Alzheimer, waar Rudolph Tanzi, een vooraanstaand onderzoeker op dit gebied, gezamenlijk met Chopra optrok.

Nonsense-on-stiltsJe kunt zeggen dat Chopra een expert is op een lege verzameling. Er zit niets in waarop je überhaupt expertise zou kunnen opbouwen. In Nonsense on stilts heb ik een hoofdstuk aan expertise gewijd. Ook dit is een onderwerp dat skeptici zou moeten interesseren, want het is niet zo eenvoudig als menigeen denkt. ‘Vraag het gewoon aan een expert’ is niet zo vanzelfsprekend als lieden als Chopra zich als expert presenteren en ook nog door velen zo gezien worden. Astrologen zijn experts op het gebied van astrologie, maar betekent dit dat astrologie iets voorstelt? Nee.

En hier wordt het interessant. Waarom vertrouw ik een fysicus wel als het gaat om kwantummechanica, maar niet per se als hij iets vertelt over bijvoorbeeld vaccinaties? Waarom vertrouwen we een astronoom, maar niet een astroloog? Dit zijn interessante vragen. En misschien niet verrassend: dit zijn filosofische vragen…! Maar er zitten natuurlijk ook veel sociologische kanten aan.

Het komt erop neer dat we ons oordeel vormen over expertise en de relevantie van bepaalde vakgebieden door consensus te zoeken buiten dat vakgebied zelf. Met kwantummechanica lijkt niemand een probleem te hebben. Dus als je een vraag hebt op dat gebied, kun je gerust naar je lokale natuurkundige stappen. Waarom werkt dat niet bij iets als homeopathie? Precies omdat homeopathie als onderwerp van onderzoek niet zo breed geaccepteerd is als kwantummechanica, zeker niet in de universitaire wereld. Dus misschien vind je wel een expert in homeopathie, maar je treft daarnaast experts aan op aanverwante vakgebieden. Die experts, binnen biologie, scheikunde en geneeskunde, hebben ook een mening over de zaken die van belang zijn binnen de homeopathie. En zij zullen stellig beweren dat homeopathie volstrekt ongegrond is. Dus als je op zoek bent naar een expert op een gebied waarbinnen controverse heerst, dan moet je een expert buiten dat vakgebied zelf vinden.

Waarom weten we dat astrologie onzin is? Omdat experts op nabijgelegen vakgebieden als astronomie, sociologie en wetenschapsfilosofie ons zullen vertellen dat we om deze en deze redenen niets kunnen vertrouwen binnen astrologie. En dat experts binnen astrologie geen echte experts zijn, omdat er niets is om echte expertise over op te bouwen.

Bij het lezen van Nonsense on stilts las ik de vraag ‘How can you become an expert in nonsense?’ in eerste instantie net wat anders. Niet als ‘hoe kan je een expert worden op een onderwerp dat nonsens is?’ maar als ‘hoe kan je een expert worden op nonsens als onderzoeksonderwerp?’ Is dat laatste eigenlijk niet wat skeptische organisaties pretenderen te bieden, expertise op het gebied van allerlei onzin?

Ik zie georganiseerd skepticisme als een grassroots movement die geëvolueerd is over een aantal decennia. Aan de ene kant kun je skeptici zien als voorvechters van wetenschap en kritisch denken bij het algemene publiek, wat een nobel streven is. Maar ze moeten niet onkritisch worden tegenover wetenschap zelf. Kritisch denken moet je op alles toepassen, ook op wetenschap.

En aan de andere kant zijn ze inderdaad experts op het gebied van nonsens. Zij besteden veel meer tijd dan wetenschappers zelf aan het analyseren van paranormale claims. Wetenschappers doen maar weinig onderzoek naar zaken als astrologie, ufo’s, enzovoort. Dat doen ze gewoon niet. Dat zien ze niet als onderwerpen die belangrijk genoeg zijn om te onderzoeken. Wetenschappelijk onderzoek kost nu eenmaal geld en dat geven ze liever aan andere onderzoeken uit. Skeptici doen dat onderzoek wel. En het is goed dat er iemand is die het wel onderzoekt, die bekijkt wat er aan de rafelranden van de wetenschap wordt beweerd.

Skeptici bevinden zich in een goede positie om dat te doen, maar ze moeten het wel doen met aandacht voor kritisch denken. En dat houdt uiteindelijk ook in dat je een open houding aanneemt. Ik zie te vaak dat skeptici een onderwerp aanvallen en afdoen als nonsens omdat ‘het simpelweg niet waar kan zijn.’ Dat is lui. Dat is niet zoals een ware skepticus te werk zou moeten gaan. Als er een claim gedaan wordt van een opmerkelijk fenomeen, dan moet die claim onderzocht worden. Op z’n minst de aard van een claim, want je kunt natuurlijk niet elke claim uitgebreid aandacht geven, daarvoor ontbreekt het aan mankracht. Maar klassen van claims moet je onderzoeken. En als ze gedebunkt moeten worden, dan moeten ze op een serieuze, grondige manier onderuit gehaald worden. Niet gemakzuchtig je schouders ophalen en ‘bullshit!’ roepen. Dat is niet de manier. Dan sluipt er intellectuele onoprechtheid in. En daar moet de skeptische beweging voor waken, er is al genoeg intellectuele onoprechtheid in de rest van de wereld.

Kritiek op skeptici komt er vaak op neer dat ze cynische debunkers zouden zijn.

En helaas is dat soms waar. De beste manier om daar tegen in te gaan is om te zeggen: ‘Nee vriend, laat me je beste bewijs zien. Ik zal er naar kijken en je een serieus antwoord geven.’ Maar dat kost vaak tijd. Om serieus antwoord te geven op zaken die onderuit zijn gehaald, kost nu eenmaal tijd. Gelukkig dwingt niemand je om lid te worden van de skeptische beweging, maar als je er deel van uit wil maken, moet je beseffen dat het bepaalde verantwoordelijkheden met zich meebrengt. En de belangrijkste is misschien wel om claims serieus te nemen en ze naar behoren te beantwoorden.

Vorig jaar deed u een stapje terug als actief skepticus door bijvoorbeeld te stoppen met de podcast Rationally speaking. Ook om meer tijd te hebben een ander isme nader te onderzoeken, het stoïcisme. Is er iets dat skeptici daaruit zouden moeten oppikken?

Stoïcisme was een oude Griekse en Romeinse filosofie die veel invloed heeft gehad op bijvoorbeeld het christendom. Maar wat veel mensen niet weten is dat het ook een duidelijke invloed heeft gehad op het seculier humanisme. En als je skeptici vraagt wat hun kijk op het leven is, zul je meestal antwoorden krijgen die daarbij passen. Maar dat seculier humanisme is niet zo’n duidelijk samenhangend geheel, meer een losse verzameling van inzichten die bijvoorbeeld door Paul Kurtz, een van de leiders van de moderne skeptische beweging, zijn verwoord.

Wat ik nu binnen het stoïcisme onderzoek is of je een coherente levensfilosofie kunt formuleren die seculier is, geen beroep doet op bovennatuurlijke zaken, openstaat voor herziening van de standpunten en die de natuurwetenschappen omarmt. En de oude stoïcijnen deden dat deed eigenlijk al. Ze waren materialistisch, ze geloofden niet in niet-materiële zaken. Ze praatten wel over ‘god’, maar daarmee bedoelden ze eigenlijk het universum zelf, vergelijkbaar met het modernere deïsme of het godsbeeld van Einstein. Een ziel kenden ze wel, maar die ging verloren met het sterven van het lichaam. Dus eigenlijk duidden ze daarmee het bewustzijn aan. De stoïcijnen waren ook erg geïnteresseerd in wetenschap en nieuwe inzichten die daaruit voortkwamen. Bekende stoïcijnen als Seneca stelden herhaaldelijk dat we niet alles weten en dat we open moeten staan voor nieuwe ontdekkingen, nieuwe generaties.

Als stoïcijn bestudeerde je drie zaken: ethiek, wat zij zagen als de studie van hoe je moest leven, fysica, wat wij als alle natuurwetenschappen bij elkaar zouden zien, en logica, waartoe ze ook kennisleer en retorica rekenden. Ik ben van mening dat er veel van waarde zit in de moderne variant van het stoïcisme en er zijn best een aantal filosofen en andere geïnteresseerden die zich er nu mee bezig houden. Ik ben toevallig net klaar met het schrijven van een boek, How to be a stoic, dat eind volgend jaar ook in Nederland uitkomt. Dat zal hopelijk wederom een goede aanleiding zijn om naar Nederland te komen!

Uit: Skepter 29.3 (2016)

Vond u dit artikel interessant? Overweeg dan eens om Skepsis te steunen door donateur te worden of een abonnement op Skepter te nemen.

Steun Skepsis

Pepijn van Erp is wiskundige, redacteur van Skepter en bestuurslid van Skepsis.