.
Júíst aanhangers van desinformatie komen graag met onderzoek en wetenschappelijke argumenten. Adriaan ter Braack (Sjamadriaan) neemt ze voor Skepter onder de loep.
Door Adriaan ter Braack, freelance wetenschapsjournalist in Skepter 39.2
Zaadoliën zijn online vaak de kop van Jut. Hele volksstammen zijn er inmiddels van overtuigd dat zaadoliën, dus bijvoorbeeld zonnebloemolie, maïsolie, sojaolie en saffloerolie, puur gif zijn, alleen op basis van wat correlaties en onderbuikretoriek.
Zaadoliën zitten in veel ultrabewerkt voedsel en ultrabewerkt voedsel heeft een sterke associatie met allerlei chronische ziekten, overgewicht en noem maar op. Dus is het een koud kunstje zaadoliën aan te wijzen als boosdoener van dit alles. Dat is zo’n beetje zeggen dat iedereen die is overleden ooit water heeft gedronken en dat we dus allemaal maar beter geen water meer kunnen drinken.
De theorie is dat zaadoliën vol zitten met linolzuur, een omega-6-vetzuur, en linolzuur zou zeer ontstekingsbevorderend zijn, met alle gezondheidsgevolgen van dien. Nu is het goed om hier direct bij te vermelden dat grote studies naar zowel zaadoliën als linolzuur specifiek allemaal concluderen dat dit helemaal niet het geval is. Zaadoliën en linolzuur worden, zolang je de bestaande studies statistisch zuiver analyseert, geassocieerd met allerlei positieve gezondheidsuitkomsten en linolzuur werkt in de meeste gevallen juist ontstekingsverlagend. Niet geheel verrassend worden deze door online angstzaaiers terzijde geschoven, terwijl ze continu wapperen met één studie waaruit zou blijken dat zaadoliën toch wel de duivel zijn. Zou je van geplukte kersen ook olie kunnen persen?
“Op deze manier blaas je natuurlijk vooral de blinde vlekken van toen nieuw leven in”
Ik heb het over de zogeheten Sydney Diet Heart Study uit 2013. Als je het abstract leest, zou je zomaar kunnen denken dat zaadoliën inderdaad funest zijn, aangezien dat stelt dat het vervangen van verzadigd vet door linolzuur het totale sterftecijfer verhoogt. Alarmbellen.
Maar niets is minder waar. Sterker nog, als je iemand met een dergelijk onderzoek ziet schermen als ultiem bewijs van zijn standpunt, kun je er vergif (dus geen zaadoliën) op innemen dat-ie op monumentale wijze ongelijk heeft.
Alleen maar steak en taart
Dat begint al bij de opzet. In het onderzoek worden niet-gepubliceerde data geanalyseerd van een klinisch onderzoek dat liep van 1966 tot 1973. Mannelijke hartpatiënten tussen de 30 en 59 jaar oud (dus niet een willekeurige greep uit de bevolking) kregen de opdracht om hun verzadigde vetten uit bijvoorbeeld boter en vlees te vervangen door saffloerolie (rijk aan linolzuur). De onderzoekers wilden weten of dat het sterfterisico zou verlagen. Verlágen, ja. Het initiële onderzoek hypothetiseerde dus dat saffloerolie en linolzuur juist gezond zijn.
Jaren later worden de data uit dit onderzoek ineens gebruikt voor de omgekeerde hypothese. Zo’n vreemde gang van zaken heb ik persoonlijk nog nooit gezien. Hier is tevens sprake van HARKing: Hypothesizing After the Results Are Known. Je kunt natuurlijk niet een hypothese opstellen, onderzoek doen en als de uitkomst je niet bevalt, achteraf je hypothese aanpassen. Dat is hetzelfde als je dartpijl naast het bord gooien en er vervolgens maar een nieuw dartbord omheen tekenen.
Het wordt nog mooier. De interventiegroep kreeg ter vervanging van onder andere dierlijke vetten en margarine vloeibare saffloerolie, maar daarbij ook dieetbegeleiding. De controlegroep kreeg helemaal niets. Geen dieetwijziging, geen begeleiding. Niets. Daarbij konden proefpersonen op elk willekeurig moment instromen en was er geen standaard deelnameduur.
De controlegroep at waar men maar zin in had, wat dus ook een heel gezond dieet had kunnen zijn. 86 procent van de proefpersonen had immers een hartinfarct achter de rug. Dan ga je waarschijnlijk niet alleen steak en taart eten. Tel daarbij op dat de interventiegroep ook dieetbegeleiding kreeg en je kunt onmogelijk stellen dat het verschil tussen beide groepen enkel en alleen aan linolzuur toe te schrijven zou zijn.
Dan de data. Voor het onderzoek van 2013 zijn de gegevens van 458 mannelijke hartpatiënten meegenomen. De auteurs hebben daarbij de data uit de jaren ’60 en ’70 gereconstrueerd uit een 9-track magneetband (de standaard voor dataopslag destijds). Uitvallers die destijds niet op de tape terechtkwamen, om wat voor reden dan ook, werden in het nieuwe onderzoek dus ook niet meegenomen. Hierdoor is het al lastig selectiebias uit te sluiten: wat zeiden deze niet-meegenomen gegevens? Op deze manier blaas je natuurlijk vooral de blinde vlekken van toen nieuw leven in. Dit alles zou natuurlijk bij iedere skepticus direct alle alarmbellen moeten doen afgaan.
Ook was het verband met linolzuur nauwelijks statistisch significant: de p-waarde was net aan 0,05. Ter verhoging van de feestvreugde voerde Ramsden binnen hetzelfde paper ook nog eens een meta-analyse uit naar alle artikelen over linolzuur – waaruit eveneens geen enkel statistisch significant effect bleek.
Kortom, de Sydney Diet Heart Study geeft een nieuwe smaak aan het gezegde ‘rammelen aan alle kanten’. Het is eigenlijk een uitstekende checklist van te vermijden blunders voor onderzoekers die zelf een experiment opzetten. En dat moet dan het ultieme bewijs zijn voor de schadelijkheid van zaadoliën. Ik vermoed op basis van dit stuk ‘bewijs’ dat deze oliën niet alleen hartstikke gezond zijn, maar ook nog eens uitermate geschikt om cognitieve dissonantie mee weg te masseren.
Adriaan ter Braack is freelance wetenschapsjournalist.