Van zorgenkind tot wonderman

De avonturen van Robbert van den Broeke

door Rob Nanninga

Het leven van Robbert van den Broeke veranderde toen zijn vader hoorde dat hij bijzondere vermogens had. Het begon met cirkels in de polder en eindigde voorlopig met geestenfoto’s voor 800.000 tv-kijkers.

De heer Van den Broeke had hoge verwachtingen van zijn enige zoon Robbert. In de bestseller Robbert – Van zorgenkind tot medium (2005) schrijft hij hierover: ‘Ik hoopte op een uitstekende opleiding, liefst afgerond met een titel, gevolgd door een succesvolle carrière waar menigeen van onder de indruk zou raken.’ Deze toekomstperspectieven bleken echter te hoog gegrepen. Robbert kon al in de eerste klas van de basisschool (groep 3) niet goed meekomen. Hij had veel moeite om zich op het schoolwerk te concentreren, zat vaak te dromen en slaagde er niet in om de opdrachten van de juf op tijd af te krijgen. Om te voorkomen dat hij zich liet afleiden, plaatste ze hem in een grote kartonnen doos voor in de klas.

In groep vier werden de problemen alleen maar groter. Robbert had weliswaar geen moeite met taal en kon ook goed uit zijn woorden komen, maar zijn rekenwerk was een ramp. Peter van den Broeke was thuis uren bezig om zijn zoontje de tafels van vermenigvuldiging in het hoofd te stampen, maar de jongen scheen niet te begrijpen wat daar de bedoeling van was. De schoolbegeleidingsdienst adviseerde om Robbert aan te melden bij het speciaal onderwijs, waar echter niet meteen plaats was. Toen het geduld van de leerkracht op raakte, besloot men Robbert voor de rest van het jaar maar thuis te houden.

Toch had Robbert wel talenten. Zijn jongere zus Madelon kan zich nog goed herinneren hoe hij vaak poppenkast voor haar speelde. Hij kon mooie verhalen verzinnen. Robbert vond het nog leuker om als pastoor de mis op te dragen. Hij stond dan voor het altaartje met Mariabeelden dat zijn ouders voor hem hadden gemaakt, terwijl zijn zusje als trouwe kerkganger aan zijn lippen hing.

Het speciaal onderwijs bood helaas geen oplossing voor Robberts problemen. Wat betreft sociale vaardigheden lag hij voor op de anderen, maar hij was niet in staat om leeropdrachten naar behoren uit te voeren. Robbert kon niet voldoen aan de verwachtingen en voelde zich erg ongelukkig. Om de stress te bestrijden trok hij zich soms terug in een hoekje waar hij eindeloos een stukje papier voor zijn ogen heen en weer bewoog. Hij kreeg ook last van angsten en depressies. Zijn ouders gingen met hem naar een psycholoog in een kinderziekenhuis en vervolgens naar een kliniek voor kinderpsychiatrie. Er vonden allerlei onderzoeken plaats en Robbert kreeg antidepressiva. Het bleef nogal onduidelijk waar het probleem zat. Zijn intelligentie leek niet onder de maat te zijn. Toen Robbert 13 was, werd hij thuis zo moeilijk hanteerbaar, dat men besloot hem ter observatie op te bergen in een kliniek die was gespecialiseerd in gedragsproblemen. Dit was een zeer onaangename ervaring voor Robbert. Hij voelde zich helemaal niet thuis tussen zoveel agressieve kinderen en smeekte zijn ouders om weer naar huis te mogen.

Een bijzondere zoon

De ommekeer werd naar het schijnt in gang gezet door een begeleidster in de kliniek. Zij beweerde te kunnen voelen dat Robbert paranormaal begaafd was. Haar idee werd binnen de kliniek niet geaccepteerd, maar de ouders van Robbert wilden er wel meer van weten. Op advies van een ver familielid dat ze op een begrafenis tegenkwamen, gingen ze naar Rens Hendriks in Nijmegen, een spiritueel therapeut. In het boek van Robbert wordt hij aangeduid als ‘psycholoog en ziener’. Zelf verklaart Hendriks: ‘In mijn praktijk als psycholoog werk ik sinds dertig jaar met mensen vanuit een uitgebreider bewustzijn, niet door veel te praten, maar vooral door die kracht van buiten tijd en ruimte en van na de dood in dit bestaan de kans te geven. Ik laat mij daarbij leiden door “de andere kant”…’

De methoden van Hendriks waren nogal onorthodox. Aan de hand van een portretfoto kon hij op buitenzintuiglijke wijze informatie over Robbert verkrijgen. Hij vroeg voor het eerste consult geen geld, wat meteen vertrouwen wekte. Volgens Rens was Robbert een heel bijzondere en paranormaal begaafde jongen waaruit nog veel zou voortkomen. Hij bood aan dit proces te stimuleren door regelmatig op afstand energie naar Robbert te zenden: ‘Wat hij ontvangt, is niet zomaar een neutrale energie waardoor hij zich wellicht wat beter voelt. In de kracht ligt een werking besloten die zijn menswording opstuwt, hem ontvouwt tot wie hij moet worden.’ Robbert vertelde later dat hij de ‘golven van liefdevolle energie’ duidelijk had gevoeld.

Na negen maanden observatie was er geen reden meer om hem nog langer in de kliniek te houden, een resultaat dat volgens zijn ouders aan de heilzame energieën van Rens Hendriks te danken was. Zij bleven Rens regelmatig bezoeken. Met zijn hulp kon hun zoon zich spiritueel ontwikkelen, al ontmoette Rens hem pas verscheidene jaren later voor het eerst in levenden lijve. De hoopvolle boodschap en spirituele begeleiding van Rens gingen er bij de heer Van den Broeke goed in. Dankzij de ziener zag hij zijn zoon niet langer als een mislukkeling: ‘Hij wist precies wat er met Robbert aan de hand was en verzekerde ons dat het goed zou komen. Sinds dat moment is Robbert opgebloeid. (…) Wij hebben kennelijk een bijzondere zoon gekregen die met zijn zielenkeuze voor ons heeft gekozen. Wij hebben de indruk dat Robbert bevoorrecht en voorbestemd is om als pionier dienstbaar te zijn op het spirituele vlak.’

Zover is het verhaal nog niet. Eerst ging Robbert weer een tijdje naar een school voor moeilijk lerende kinderen, maar daar verveelde hij zich stierlijk. Zijn ouders besloten hem al op zijn vijftiende definitief van school te halen. Hij kreeg het advies om via enkele stages binnen een beschermde werkomgeving naar passende arbeid te zoeken. Zo werkte hij enige tijd in de tuinbouw, waar men hem liet schoffelen. Robbert hield er wel van om buiten in de natuur te zijn, maar hij vond het werk niet uitdagend genoeg. Hij kon het ook moeilijk volhouden omdat hij de gewoonte had pas om vijf uur ’s ochtends naar bed te gaan. Alle stages mislukten. Robbert werd er zo ziek en depressief van dat hij uiteindelijk op zijn achttiende arbeidsongeschikt werd verklaard. Hij liet zich niet meer in het gareel dwingen.

Cirkels in alle seizoenen

Inmiddels waren er al paranormale ontwikkelingen gaande in de buurt van Robbert. Op 10 februari 1996, bijna drie maanden voordat hij 16 werd, fietste hij in de omgeving van zijn Noord-Brabantse woonplaats Hoeven, toen hij langs een polderweg twee vreemde cirkels in het gras zag. De ene had een doorsnede van ruim 3 meter (hij was niet helemaal rond), terwijl de andere iets kleiner was. Binnen de cirkels was het korte gras bruingeel en verdord. De cirkels waren met elkaar verbonden door een bijna 8 meter lang en 45 centimeter breed pad van verdord gras waar een bocht in zat. Het leek op de pictogrammen die vanaf 1994 in het Nederlandse graan waren verschenen, al was de grasfiguur een stuk kleiner.

Robbert vertelde er thuis over, maakte er foto’s van en haalde er ook iemand bij van de lokale sterrenwacht. Daar volgde hij een cursus om rondleidingen te geven. De cursisten hadden eerder besproken hoe je zelf cirkels in het gewas kunt maken (Martens, 2006). Wellicht was de eerste figuur die Robbert vond, gecreëerd door het gras plaatselijk te behandelen met een bestrijdingsmiddel tegen onkruid, glyfosaat of iets dergelijks. Volgens een plaatselijke boer was het met bleekwater gedaan. Hij vond elders ook nog een plek waar wat was gemorst.

Een paar dagen later voelde Robbert een sterke aandrang om weer naar de polder te gaan ‘omdat daar iets stond te gebeuren’. Hij zag ditmaal een lichtblauwe bol die met een knetterend geluid achter de dijk zakte. Daar bleken een paar kleine grascirkels te zijn ontstaan. Het is opvallend dat Robbert vanaf zijn eerste vondst in februari 1996 ieder jaar opnieuw de eerste was die gewasfiguren ontdekte, dikwijls platgedrukte cirkels in hoog gras. Al tien keer ging de primeur naar hem, doorgaans in april of mei.

In alle seizoenen verschenen er tekenen in de velden rond Hoeven, niet zelden vlak achter Robberts ouderlijk huis, dat aan de rand van het dorp lag. Ze ontstonden in gras, tarwe, gerst, rogge, koolzaad, mosterdzaad, wortels, bonen en in het zand. In totaal waren het er al wel een stuk of tachtig. Robbert wist steeds waar hij ze moest zoeken en voelde ze vaak aankomen. Op 31 december 1996 zag hij vanuit zijn slaapkamerraam zelfs een cirkel in de sneeuw. Op een naburige akker was een dun laagje sneeuw in een ronde vorm weggesmolten, terwijl er geen voetstappen zichtbaar waren. Een wereldprimeur, al kan het effect ook worden verkregen door wat zout te strooien voordat het gaat sneeuwen (een verklaring die Theo Meder opperde).

Robbert schuwde de publiciteit niet. In het najaar van 1996 nam hij voor het eerst contact op met de lokale televisie TV8, die besloot een item te wijden aan de cirkels die hij in een veld met wintergerst had gevonden. Hij belde ook regelmatig naar lokale kranten als er weer wat nieuws te melden was. Er verschenen steeds meer berichten over Robbert en op zijn achttiende zat hij al twee keer in een talkshow van Catherine Keyl op RTL4.

Peter van den Broeke hield nauwkeurig bij wat zijn zoon allemaal ontdekte en wat er over hem geschreven werd. Hij nam vaak de maten van de gewasfiguren op en maakte er schematische tekeningen van. Ook Madelon toonde interesse en ging elke keer mee om te kijken. Als ze in een cirkel van Robbert stapte, voelde ze de energie, die haar moe en draaierig maakte. In het boek van Robbert staat dat de aarde een netwerk van energiebanen heeft. In dat netwerk zitten een soort trechters waardoor kosmische energie de aarde in gaat. Omdat de energiebanen vervuild zijn, moeten ze worden ‘gedotterd’. De graancirkels en symbolen ontstaan door interactie tussen kosmische en aardse energie. Mensen kunnen hun eigen energieveld helen door een cirkel te bezoeken.

De BOL-theorie

De cirkels van Robbert waren vrij klein en zagen er vaak nogal slordig uit. Desondanks wekten zijn verhalen de belangstelling van verscheidene cirkelonderzoekers. Zij geloofden niet dat alle graancirkels door mensen werden gemaakt, maar hadden geen goed alternatief. Robbert bood een oplossing voor dit probleem. Hij beweerde meermaals te hebben gezien hoe de cirkels werden gevormd door zwevende lichtbollen die snel door het graan draaiden. Ze leken heel heet te zijn, want de lucht rond de bollen trilde hevig en ze maakten knetterende en zoemende geluiden. Volgens Robbert gebeurde het soms overdag. Hij was een keer in de polder toen honderden lichtbollen, ongeveer zo groot als grapefruits, om hem heen begonnen te draaien. Robbert raakte hierdoor buiten bewustzijn en werd later wakker in een graancirkel. Bij een andere gelegenheid zag hij aan de hemel een hand waaruit talloze witblauwe bollen met een doorsnee van ongeveer een meter tevoorschijn kwamen. Enkele bollen begonnen als spiralen omlaag te draaien en vormden vlak voor zijn voeten een cirkel in het gerst.

Dr. Eltjo Haselhoff, die tot mei 2005 voorzitter was van het Dutch Center for Crop Circle Studies, had vanaf 1996 regelmatig contact met Robbert en kwam ook vaak bij de familie Van den Broeke op bezoek. Naarmate hij Robbert en zijn ouders beter leerde kennen, kon hij zich absoluut niet meer voorstellen dat de jongen hem bij de neus nam. Haselhoff (1998) schreef: ‘Dit blijkt tevens uit zijn enorme nieuwsgierigheid naar het fenomeen en diverse onbewuste uitspraken, zoals bijvoorbeeld “maar bij déze heb ik niet gezien hoe hij ontstond, hoor!”‘. Robbert leek goudeerlijk en bescheiden. Hij was net zo verbaasd en enthousiast als de onderzoekers wanneer hij weer wat nieuws op het spoor kwam. En hij begreep zelf ook niet waarom hij het epicentrum vormde.

Haselhoff raakte zeer onder de indruk van een onooglijk pictogram dat Robbert in een wortelveld ontdekte. Het lag ingesloten tussen maïsvelden en was vanaf de weg niet zichtbaar. Robbert rapporteerde de vondst op 8 augustus 1997. Hij noemde het een ellips, maar het leek meer op een smalle rechthoek. Een dag later belde hij weer op om te vertellen dat de figuur zich had uitgebreid. Er was een wat grotere, onregelmatig gevormde rechthoek bijgekomen. Het is echter niet uitgesloten dat die er eerder ook al lag. Haselhoff spoedde zich naar Hoeven om het fenomeen te bestuderen en huurde zelfs een vliegtuigje om het vanuit de lucht te fotograferen. De wortelplantjes lagen verlept tegen de grond. Het was merkwaardig dat ze in de ene helft van de rechthoek naar voren lagen en in de andere helft naar achteren. Bovendien werden er duidelijke brandsporen gevonden. Het leek alsof er een vonkenregen was neergedaald. In de zachte en rulle grond waren echter nergens voetstappen te zien, wat sterk de indruk wekte dat het geen mensenwerk kon zijn geweest.

De lichtbollen waagden zich steeds dichter bij Robberts huis. Op zondagavond 6 juni 1999 was hij al vroeg naar bed gegaan toen hij niet lang na middernacht weer wakker werd. Hij voelde dat hij de gordijnen van zijn slaapkamer moest openen om naar buiten te kijken. Daar zag hij in de verte een paars-roze lichtbol aankomen. De bol naderde tot op een afstand van circa 50 meter en bleef op ongeveer drie meter hoogte boven een graanveld hangen, waar hij zich transformeerde tot een dunne schijf. Er vond een soort ontlading plaats voordat het licht uitdoofde. Robbert rende door de achterdeur naar buiten en vond daar een cirkel in de gerst. De halmen voelden nog warm aan. Vijf nachten later zag hij het licht opnieuw en bleek er een tweede cirkel te zijn ontstaan.

Eltjo Haselhoff besloot beide cirkels uitvoerig te bemonsteren voor biofysisch onderzoek. Hij sneed honderden stengels af, liet ze een paar maanden drogen en maakte er digitale foto’s van. Met behulp van een zelfgeschreven computerprogramma bepaalde hij de lengte van de groeiknopen in de stengels. Het is bekend dat de knopen van platliggend graan langer worden doordat de planten geneigd zijn weer naar boven te groeien. Haselhoff ontdekte echter dat de knopen langer waren naarmate ze dichter in het centrum van de cirkels hadden gelegen. Rond het middelpunt waren ze wel een millimeter langer dan aan de rand. De gevonden afwijkingen waren volgens hem exact in overeenstemming met de hypothese dat ze waren veroorzaakt door een bolvormige warmtebron die zich op 4,10 meter boven het veld bevond. Hij schreef een kort artikel over zijn theorie dat werd geplaatst in de afdeling Opinions and comments van het vakblad Physiologia Plantarum (januari 2001). Deze publicatie van de BOL-theorie (Balls of Light) betekende volgens Haselhoff een doorbraak. Robberts verhaal dat de cirkels door lichtbollen werden gemaakt, was nu door de wetenschap als geloofwaardig geaccepteerd. Hij besprak de BOL-theorie ook in een nieuw boek (Haselhoff, 2002), dat in het Engels, Duits, Frans en Italiaans werd vertaald.

Onlangs verscheen er een kritiek op de theorie (Grassi et al., 2005). Volgens de auteurs waren de berekeningen misleidend en veel te simplistisch. Haselhoff had beweerd dat de door mensen gemaakte graancirkels bij Nieuwerkerk (zie Skepter, december 1999) geen statistische correlaties opleverden die in echte cirkels te vinden waren. Maar volgens de critici lag dat aan selectief rekenwerk. Ze vroegen zijn ruwe onderzoeksgegevens van de kunstmatige cirkels op en distilleerden daar in navolging van Haselhoff een hoge correlatiecoëfficiënt uit. Een elektromagnetische stralingsbron was blijkbaar niet noodzakelijk. De theorie schoot sowieso te kort als het niet louter ging om simpele cirkels maar om ingewikkelder patronen. Dan moest er een intelligente ontwerper in de bol zitten. Haselhoff (2005) bestreed de kritiek, onder meer door erop te wijzen dat hij een deel van de gegevens met recht had weggelaten omdat de graanmonsters door elkaar waren geraakt. (zie ook de noot onderaan)

Met dichte gordijnen

Nancy Talbott, de directeur van het BLT Research Team, die fulltime met graancirkels bezig was, geloofde ook in lichtbollen. Zij raakte zeer geïnteresseerd in de Dutch boy. Vanaf 1998 logeerde zij elk jaar enkele weken bij de familie Van den Broeke in de hoop spannende dingen te beleven. Haar eerste ervaringen, tijdens de tweede nacht van haar verblijf, waren erg veelbelovend. Terwijl ze nog in de woonkamer zat te praten en Robbert al naar bed was, verschenen er plotseling heldere lichten en flitsen achter het huis. De rillingen liepen Nancy over het lijf, zodat ze helaas niet in staat was om naar buiten te gaan. Bij andere gelegenheden, waarvan ze geen getuige was, lieten lichtbollen zelfs brandsporen achter op een raamkozijn en op het metalen dak van een vogelhuisje. Er werd ook een witte stof aangetroffen, die magnesiumoxide bleek te zijn, het verbrandingsproduct van magnesium.

Op 21 augustus 2001 was Nancy Talbott opnieuw getuige van een spectaculaire gebeurtenis. Ze had net urenlang met Robbert in de keuken zitten praten. Voordat ze naar bed ging, vertelde ze hem nog dat ze behoorlijk gefrustreerd raakte omdat er zo weinig gebeurde waar ze getuige van kon zijn. Omstreeks drie uur ’s nachts sloot ze de gordijnen van haar slaapkamer op de bovenverdieping. Ze trok haar nachtkleding aan en ging met het licht aan op bed liggen om nog wat te lezen. Een paar minuten later hoorde ze buiten de koeien loeien. Ze bedacht dat er misschien iets stond te gebeuren en dat ze eigenlijk de gordijnen open moest doen. Maar ze was te moe om op te staan. Om kwart over drie zag ze plotseling door de gordijnen heen een heldere en brede ‘zuil van licht’ uit de hemel neerdalen. Het duurde ongeveer een seconde. Daarna was het even donker voordat een tweede lichtzuil de grond raakte en ten slotte kwam er nog een derde. Alles vond plaats binnen enkele seconden en er was niks te horen. Robbert kwam meteen de trap op stormen. Hij beweerde dat hij vanuit het keukenraam precies had gezien hoe de zuilen van licht in een spiraal naar beneden kwamen en in een bonenveld sloegen. Nancy Talbott nam deze voorstelling van Robbert over. Zelf kon ze met de gordijnen dicht niet veel gezien hebben, misschien slechts een sterke zaklamp. In het bonenveld werd een ‘cirkel’ van 11 bij 6 meter gevonden.

In het boek van Robbert worden de lichtzuilen niet genoemd, maar er staat wel een ander interessant verhaal in, dat zich afspeelde in de zomer van 2000, toen Robberts ouders een weekje op vakantie waren. Madelon was een avond stappen en werd pas om half drie thuisgebracht. Ze liep de slaapkamer van Robbert binnen op zoek naar haar mobiele telefoon. Maar toen ze hem wakker wilde maken, bleek er niemand onder het dekbed te liggen. Robbert dook pas om vier ’s nachts in verwarde toestand weer op. Zijn broek was nat en modderig en er zat een groot brandgat in. Robbert kon niet verklaren wat er was gebeurd. De volgende dag vond hij vijf cirkels in een naburig graanveld.

Papiertjes voor de lens

Robberts gaven beperkten zich niet tot het opwekken van lichtverschijnselen en graancirkels. Hij werd door witte wezens uit zijn huis geteleporteerd, terwijl alle deuren en ramen gesloten waren, en hij onderhield goede contacten met Doya, een buitenruimtelijke gids met witblond haar, amandelvormige ogen en een blauw gewaad. Zij was afkomstig van de planeet Bovisa, op de vierde kosmische graad, waaraan Robbert een bezoekje mocht brengen. Robbert ontwikkelde ook genezende gaven en bleek te kunnen communiceren met de geesten van overleden zielen. Hij vertelde dat hij altijd al geesten had gezien, maar daar had hij eerder over gezwegen om niet voor gek te worden verklaard. Zijn ouders herinnerden zich dat hij als kleuter al bang was voor ‘boeboes’ bij zijn bed. Robbert kreeg beneden in het huis een kamer die hij als praktijkruimte mocht gebruiken voor zijn paranormale behandelingen, waarmee Rens Hendriks hem op weg hielp.

Nog niet alles ging goed in Robberts leven. In 2000 had hij ernstige depressieverschijnselen. Zijn psychiater schreef hem twee keer een antidepressivum voor. Maar in beide gevallen werden de strips met tabletten geheel verbrand in het medicijnkastje teruggevonden. Ook andere medicijnen verkoolden. Dit was een teken dat Robbert alleen nog maar Bach Bloesem Remedies mocht gebruiken. Een nog betere remedie was een nieuwe graancirkel, want dat gaf hem altijd veel energie.

In 2004 ontdekte Robbert een nieuwe gave: hij kon aliens en geesten op de foto zetten. Eerder slaagde hij er al regelmatig in kleine lichtbollen (orbs) te fotograferen. Robbert brak ook door in televisieland. Hij werd een populaire gast in het RTL4-programma Life & Cooking van Irene Moors en Carlo Boszhard. Zijn zelfbewustzijn leek behoorlijk te zijn toegenomen. In het programma RTL-Boulevard verklaarde hij: ‘Als ik naar Amerika zou gaan, dan zit ik zo in zestig programma’s hiermee.’ Met een wegwerpcamera die de filmploeg had meegenomen, maakte Robbert onder niet nader omschreven omstandigheden enkele foto’s van aliens. Zoals gewoonlijk zwoer hij dat het allemaal echt was.

In De Telegraaf verscheen omstreeks dezelfde tijd een minder gunstig verhaal (Roosendaal, 2004). Fotograaf Rein Geleijnse had Robbert zijn eigen camera geleend, maar het lukte niet om in het bijzijn van anderen iets bijzonders op de foto te krijgen. ‘Alleen verdwijnt Robbert van den Broeke in zijn praktijkkamer, waaruit hij minuten later met een grote glimlach terugkeert. “Gelukt.” De goden zijn hem goed gezind, op een aantal digitale beeldjes staan hoofd en schouders van een wit wezen. Papiertje voor de lens gehouden?’

De alienfoto’s waren ook voor Eltjo Haselhoff een brug te ver. Hij kon ze zelf gemakkelijk namaken door een alienhoofdje van enkele millimeters te tekenen en het uitgeknipte papiertje vlak voor de lens te houden. De ogen van zijn aliens waren net zo blauw als op de foto’s van Robbert, want hij had ze met een blauwe ballpoint ingekleurd. Het was kenmerkend voor deze methode dat de alien nooit compleet in beeld verscheen, want hij moest ergens worden vastgehouden, meestal onder zijn dunne nek. De beelden konden nog wat vager worden gemaakt door het papiertje te bewegen.

Al eerder had Haselhoff (2002) er in zijn boek op gewezen dat foto’s met zogenaamde ‘plasmabollen’ meestal konden worden toegeschreven aan stofdeeltjes die het flitslicht terugkaatsten (zie ‘De invasie van de lichtbollen‘). Hij had inmiddels geen contact meer met de familie Van den Broeke. Toen hij pro forma vroeg of hij een foto van Robbert nogmaals mocht publiceren, kreeg hij onverwacht een aangetekende brief terug. Robberts vader meende dat Haselhoff louter op eigen roem uit was en een slaatje probeerde te slaan uit zijn unieke zoon, die in het boek vaak ongenoemd bleef of slechts werd aangeduid als ‘ooggetuige’. Haselhoff ontving geen nieuwe graancirkelmeldingen meer uit Hoeven en ook zijn collega-onderzoeker Bert Jansen was daar niet langer welkom. Alleen de meest esoterische en goedgelovige onderzoekers werden nog toegelaten.

Genverbrander

Al in 2005 konden de hoge ambities van Robbert en zijn vader worden gerealiseerd. Irene Moors, die net een eigen productiebedrijf was begonnen, had gemerkt dat Robbert op de televisie heel eerlijk en onbevangen overkwam. Zijn eerste optreden in Life & Cooking (op 31 oktober 2004) leverde 700 reacties op. Een paar maanden later werden het zelfs duizenden. Robbert vertelde dat hij een heel goed gevoel overhield aan de uitzendingen. Hij typeerde zichzelf als een nuchtere en rustige jongen die graag wilde laten zien dat de dingen die hij meemaakte echt waren. Hij verwachtte dat er nog grotere wonderen zouden gaan gebeuren. Tallozen wilden graag met Robbert in contact komen. Hij was het levende bewijs van de overtuiging dat er ‘meer is tussen hemel en aarde’. Daar had hij in tegenstelling tot commerciële mediums zoals Char, geen gelikte praatjes voor nodig. Robbert sprak recht uit zijn hart.

Irene Moors besloot een serie van vier programma’s te maken waarin de inmiddels 25-jarige Robbert zijn bijzondere gaven mocht etaleren. Ze verkocht haar product aan RTL4 en maakte er veel reclame voor. De serie ging in december 2005 van start onder de titel Er is zoveel meer en trok 800.000 kijkers. Gelijktijdig verscheen er ook een boek over Robbert, grotendeels geschreven door zijn vader, waarvan al snel een tweede druk uitkwam. Robbert was een hype in de paranormale wereld. Een echt natuurtalent.

Zelf keek ik op 18 december voor het eerst naar de derde aflevering. Het was meteen duidelijk dat Robbert zijn hand overspeelde. Tijdens een bezoek aan theater Carré deed hij alsof hij op mediamieke wijze allerlei historische informatie doorkreeg. Hij noemde onder meer de oud-directeur Alex Wunnink, de variétékoning Frits van Haarlem, de sterfdag van Oscar Carré en diens lievelingspaard Walzertraum. Je hoeft geen dogmatische skepticus te zijn om daar vraagtekens bij de plaatsen, want er is nog nooit een paragnost geweest die zonder voorkennis zoveel voltreffers scoorde. Alles wat Robbert vertelde was bovendien gemakkelijk te vinden op een webpagina van het theater.

Robbert hield ook een zogenaamde reading voor de vrouw van een overleden cameraman. Dat was aanvankelijk niet zo’n succes, totdat hij over het vorige leven van de vrouw begon. Hij wist precies hoe ze twee eeuwen geleden heette, waar ze woonde, met wie ze trouwde en wanneer ze had geleefd. In de uitzending werd een genealogische webpagina getoond waaruit bleek dat de persoon waarover Robbert sprak, een zekere Hillegien Roseboom, inderdaad van 1793 tot 1823 in Coevorden had geleefd. Na een discussie op Skepnet, de mailinglijst van Skepsis, besloot ik de passage nog eens te beluisteren (het stond alleen op mijn voicerecorder). Ik hoorde de naam Hillegien Rozeboom (met een Z). Zij was volgens Robbert in 1823 getrouwd met een ‘genverbrander’, al wist hij niet wat dit betekende. Toen ik Hillegien met Google opzocht, kwam ik meteen terecht op een genealogische pagina waarop alle informatie stond die Robbert noemde, inclusief het beroep ‘genverbrander’. Dit was echter een spelfout: het moest geneverbrander (jeneverbrander) zijn!

Het niet-bestaande woord genverbrander was destijds slechts op één webpagina te vinden, namelijk precies op de pagina waarop ook de informatie over Hillegien Rozeboom stond. Daar kwam bij dat het correcte woord jeneverbrander heel anders wordt uitgesproken. Het leek uiterst onwaarschijnlijk dat Robbert toevallig dezelfde fout had gemaakt. Ik publiceerde er een artikel over op de website van Skepsis (Nanninga, 2005), dat werd opgepikt door de wetenschapsredactie van de Volkskrant. Daarna verscheen de ontmaskering nog in veel andere kranten, in tijdschriften en roddelbladen en in tv- en radioprogramma’s. Het woord ‘genverbrander’ is inmiddels op honderden webpagina’s te vinden (volgens Google zelfs op ruim 30.000). Vermoedelijk is het niet eerder voorgekomen dat een medium zo hard door de mand viel door slechts één letter over het hoofd te zien.

Irene Moors bagatelliseerde de fout en riep iedereen op om de laatste uitzending te bekijken, waarin Robbert overtuigende bewijzen zou leveren. We zagen hoe hij de geest van een non fotografeerde, maar nadere bestudering van de beelden maakte al snel duidelijk dat hier opnieuw sprake was van bedrog (Nanninga, 2006). Ook deze onthulling verscheen in diverse kranten. De commotie noopte Irene Moors om op de tv een verklaring voor te lezen. Ze weigerde echter om op de feiten in te gaan en vertelde dat ze zelf nog steeds geloofde in Robberts gaven. Volgens haar had ze alleen laten zien wat Robbert kon en mocht iedereen daar een eigen mening over hebben. Robbert, die er zelf helemaal het zwijgen toe deed, bleef onder contract staan bij het bedrijf van Moors. (Inmiddels is het contract beëindigd en heeft men besloten de tv-serie niet te herhalen.)

Het is nog niet duidelijk hoe het verder zal gaan met Robbert. Hoewel hij nu algemeen bekend staat als een bedrieger, zijn er ook mensen die nog wel in hem willen blijven geloven. Misschien beperkt hij zich in de toekomst tot zijn paranormale praktijk. Het is ook mogelijk dat hij zich tot een soort goeroe zal ontwikkelen. Aan het slot van zijn boek staat een stukje van Angelique Uytterhaeghe, een paranormaal begaafde vriendin, dat al sterk in die richting gaat: ‘Ik denk dat Robbert een meester is en dat hij is teruggekomen om op aarde de mensen tot een bewustwording te brengen waarbij hij een vorm van “weten” steeds opnieuw krijgt aangeboden van het “hogere” (…) Laat niemand willen zijn zoals Robbert. Hij is wie hij is en niemand kan hem evenaren.’

Noot

Theo Meder van het Meertens Instituut schreef in zijn boek In Graancirkelkringen (2006): ‘Eigenlijk fungeert Robbert als de absolute Nederlandse kroongetuige, want als Haselhoff een ooggetuige aanhaalt, blijkt het bij nader toezien bijna altijd Van den Broeke te zijn’. Meder merkte ook op dat het logisch is dat de knoopverlenging in het centrum van een cirkel het grootst is, omdat het felle zonlicht die plek het beste kan bereiken. En een boer vertelde hem dat halmen die eruit zagen of ze waren afgebrand in werkelijkheid aan het uiteinde zwart worden nadat een haas ze heeft doorgeknaagd.

Literatuur

Broeke, Robbert van den (2005). Robbert Van zorgenkind tot medium. Utrecht: Kosmos.

Grassi, Francesco et al. (2005). Balls of Light: The questionable science of crop circles. Journal for Scientific Exploration, 19(2), 159-170. Reactie van Haselhoff.

Haselhoff, Eltjo H. (1998). Het raadsel van de graancirkels. Deventer: Ankh-Hermes.

Haselhoff, Eltjo H. (2002). Geheimzinnige graancirkels. Utrecht: Het Spectrum.

Martens, Jan (2006). Oplichter of wereldwonder? BN De Stem, 21 januari.

Roosendaal, Marie-Thérèse (2004). Robbert ziet spoken. De Telegraaf, 4 september.

Nanninga, Rob (2005). Googlen met Robbert van den Broeke.

Nanninga, Rob (2006). Trucfoto’s van een non: Robbert valt opnieuw door de mand.

Uit: Skepter 18.4 (2005)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014