De UFO-fascisten

UFO’s en de grote samenzwering

door Marcel Hulspas

Ufologen beweren al tientallen jaren dat ze het slachtoffer zijn van een samenzwering. De Amerikaanse luchtmacht zou veel meer van UFO’s weten dan ze wil toegeven. Sinds enige jaren duiken er in het UFO-wereldje nog veel wildere samenzweringstheorieën op, gebaseerd op rechts-extreme ideologieën. UFO’s en samenzweringen horen bij elkaar.

De eerste UFO’s dateren van 1947, en al een paar jaar later stond het wereldje van de ufologen bol van de samenzweringsgeruchten. Een belangrijke stimulator begin jaren ’50 was de invloedrijke UFO-onderzoeker Donald Keyhoe. Hij lanceerde de theorie dat de Amerikaanse luchtmacht veel meer over UFO’s zou weten dan zij loslaat. Luchtmacht en regering wisten wat UFO’s waren en dat ze een gevaar voor de Amerikaanse veiligheid vormden, maar in de hoogste kringen zou er sprake zijn van een machtige silence group, die de UFO-doofpot goed gesloten hield.

Andere auteurs breidden Keyhoes samenzweringstheorie verder uit. In 1956 schiep Gray Barker, in zijn boek They Knew too much about Flying Saucers, de zogenoemde Men in Black. Deze sinistere, in zwarte hoeden en jassen gehulde types zouden getuigen en onderzoekers bedreigen. Barker laat in het midden of het hier gaat om agenten van de silence group of om de buitenaardsen zélf zou gaan.

Keyhoe zelf wordt voorzitter van de UFO-organisatie NICAP (National Investigation Committee for Aereal Phenomena), en begint aan een lange, vruchteloze strijd met de autoriteiten. In 1969 wordt hij door het bestuur aan de kant gezet. Men is zijn gezwoeg beu. In datzelfde jaar verschijnt het Condon-rapport, waarin verder onderzoek naar UFO’s als zinloos wordt afgedaan. De Amerikaanse luchtmacht staakt haar UFO-onderzoek. Even lijkt het erop dat het hele UFO-verschijnsel ten dode is opgeschreven. Maar dat is maar even. Een paar jaar later zijn ze weer helemaal terug in de belangstelling – en de samenzweringstheorieën ook.

Die wederopleving is te danken aan enkele spectaculaire ‘UFO-ontvoeringen’ en (voor wat betreft de samenzwering) aan Robert Carr, de southern director van NICAP. Carr beweert tijdens een persconferentie in oktober 1974 dat de Amerikaanse luchtmacht twaalf ingevroren buitenaardsen en twee crashed saucers (neergestorte schotels) verborgen houdt. Die mededeling slaat in als een bom – ook al was het oud en volkomen achterhaald nieuws.

Carrs onthulling gaat terug op een komisch bedoeld krantenstukje over neergestorte schotels van George Bawra uit Aztec, New Mexico, in 1948, in de Aztec Independent Review. Bawra’s verhaal wordt echter niet als humor herkend en wordt in andere kranten als nieuws afgedrukt. Spoedig duiken er ‘getuigen’ op, zoals George Koehler (die het had over twee crashed saucers, met in totaal vier inzittenden) en Silas Newton, die tijdens een lezing in maart 1950 onthulde dat er drie schotels waren neergekomen, twee grote en een kleintje. Newton vertelde dat zijn vriend ‘dr. Gee’ de schotels (en in totaal achtendertig dode buitenaardsen) had gezien, en dat deze geconstateerd had dat de schotels voor de voortstuwing gebruik maakten van magnetische veldlijnen.

Frank Scully, journalist voor het blad Variety, gebruikt Newtons verhaal voor zijn boek Behind the Flying Saucers. Het wordt een bestseller (ook al omschrijft het weekblad Time het als ‘below the comic books’). Tot een ontmaskering van Newtons verhaal komt het pas twee jaar later, dankzij journalist J.P. Cahn. Hij wil Newton overhalen bewijzen te tonen, maar het enige wat Newton doet is praten en zwaaien met wat foto’s en zogenaamde stukjes schotel. Cahn weet echter een van die stukjes te bemachtigen en laat het analyseren. Het blijkt om zeer ordinair aluminium te gaan. Cahn is ook in staat dr. Gee op te sporen. Zijn ware naam is Leo Gebauer, handelaar in radio- en tv-onderdelen. Newton en Gebauer hadden consequent gelogen over hun opleiding en functies. Ze hadden, zo bleek later, ook daarvoor al regelmatig mensen opgelicht met valse aandelen en schijnapparatuur.

De ondergang van het Aztec-verhaal (en Scully’s boek) is daarmee volkomen. Het duurt ruim twintig jaar voordat het idee van de crashed saucers weer populair wordt. En dat is dan te danken aan Carr. Hij doet niet meer dan de Aztec-zaak oprakelen, maar de ontmaskering daarvan was al vrijwel vergeten, dus zijn verhaal maakt grote indruk. De geruchtenmolen komt weer op gang. In 1977 verschijnt Situation Red: The UFO Siege van Leonard Stringfield, met in totaal negentien verhalen over neergestorte schotels. Voor vrijwel al deze verhalen geldt dat er geen enkele serieus bewijsmateriaal bestaat. Het draait allemaal om ‘verhalen’ of herinneringen. (De enige uitzondering daarop vormt de Roswell-zaak, in 1980 voor het voetlicht gebracht door Charles Berlitz en William Moore in hun boek The Roswell Incident. Duidelijk is dat daar, in 1947, inderdaad ‘iets’ uit de lucht is gevallen. (Voor de Roswell-zaak, zie Roswell, Korff en Klass.)

In de loop van de jaren ’80 groeien en bloeien de geruchten over neergestorte schotels als nooit tevoren. Maar het is geen 1950 meer. Ufologen kunnen dergelijke verhalen nauwelijks rijmen met de officiële gang der Amerikaanse geschiedenis. Als de Amerikaanse overheid in het geheim over de resten beschikte van een superieure technologie, waarom vloog de luchtmacht dan nog steeds met van die achterlijke straalmotoren? Of was dat een afleidingsmanoeuvre? Waren de UFO’s die overal gezien werden soms van aardse makelij? Maar als men over de stille en schone UFO-motoren beschikte, waarom was men dan naar de maan gegaan met zo’n brandstof verslindende raket? Ook afleiding? Moest al die buitenaardse kennis dan volstrekt geheim worden gehouden?

Het was van tweeën één: of al die verhalen over buitgemaakte buitenaardse technologie waren onzin, of de aarde was het slachtoffer van een samenzwering van waarlijk astronomische proporties. Die laatste mogelijkheid lijkt volstrekte waanzin. Maar ondertussen is ze de afgelopen jaren steeds populairder geworden.

De basis voor de theorie van de Grote UFO-samenzwering wordt gelegd door UFO-onderzoeker Paul Bennewitz. Aanvankelijk is hij een van die vele eenzame UFO-onderzoekers die plotseling denken een doorbraak te hebben bereikt. Eind 1979 laat hij weten radiosignalen van UFO’s te ontvangen en te kunnen ontcijferen. Wat hij op die manier te weten komt, is zacht gezegd opmerkelijk: er zijn twee soorten buitenaardsen: de kleine, kwaadaardige greys en de veel vriendelijker lange, blonde highs of nordics. En juist met die kwaadaardige greys had de Amerikaanse regering kennis gemaakt en een verdrag gesloten. De regering zou de beschikking krijgen over superieure buitenaardse technologie, en in ruil daarvoor mochten de greys mensen ontvoeren en gebruiken als slaven of voor experimenten. Ze hadden ook toestemming voor de bouw van een ondergrondse basis in de staat New Mexico. Volgens Bennewitz echter was inmiddels gebleken dat de greys zich niet aan de afspraken houden, maar het was te laat. Nu stonden ze op het punt de aarde te onderwerpen.

Bennewitz valt zoveel mogelijk UFO-onderzoekers lastig met zijn hypothese, en alhoewel hij uiteindelijk opgenomen werd in een inrichting, slaagt hij er wél in hen die geloven in de UFO-samenzwering in een compleet andere richting te duwen. Een tweede belangrijke bijdrage aan de geruchten komt van Richard Doty.

Begin 1981 bezorgt Doty aan William Moore (dan de gevierde auteur van The Roswell Incident) een document waaruit zou blijken dat de Amerikaanse regering uitgebreide UFO-onderzoeken heeft lopen, waaronder ‘Project Aquarius’ voor contact met buitenaardsen en een geheime vergadering genaamd ‘MJ-12’. Twee jaar later laat hij UFO-onderzoeker Linda Howe een ‘briefing’ zien, bestemd voor de Amerikaanse president, met de namen van andere UFO-projecten en informatie over neergestorte schotels en geheime ontmoetingen met buitenaardsen. Eén buitenaardse, aangetroffen in een neergestorte schotel, zou nog enige tijd in leven zijn gebleven en informatie hebben verschaft over zijn thuisplaneet.

Drie jaar later, in 1986, komt Moore met foto’s van een ‘Top secret briefing’ op de proppen. De onthullingen krijgen opeens, een religieuze ondertoon. Het buitenaardse wezen, zo is in de briefing te lezen, ‘reported that 2000 years ago his ancestors planted a human creature on earth to assist the inhabitants of earth in developing a civilization (…) background information on this homo sapiens was not obtained. Doubtless, if this information was released to the public, it would cause a world wide panic.’ (Vertaling: zei dat zijn voorouders 2000 geleden een mens op aarde hadden gezet om de aardbewoners te helpen een beschaving te ontwikkelen. (… ) meer gegevens over deze homo sapiens werden niet verkregen. Ongetwijfeld zou deze informatie, als ze voor het publiek werd vrijgegeven, paniek over de hele wereld veroorzaken.)

Weer een jaar later komen Moore, Jaime Shandera en Stanton Friedman met het inmiddels beruchte ‘Briefing document: Operation Majestic 12′. Foto’s van dit document (dat uit november 1952 zou dateren en waaraan een brief vastzit die afkomstig zou zijn van president Truman) waren door een onbekende aan Shandera gestuurd. Om de echtheid te bewijzen komen ze ook met een document opgespoord in de National Archives, waaruit het bestaan van een geheime club zou moeten blijken. De ‘MJ-12 documenten’ veroorzaken een ware storm in UFO-land. Drie jaar later echter wordt duidelijk dat het om vervalsingen gaat. De vervalser was hoogstwaarschijnlijk Moore zélf. (zie Skepter, september 1990)

Moores reputatie heeft dan al een dieptepunt bereikt. Hij beroept zich geregeld op geheime informanten, en als twee van hen in oktober 1988 (onherkenbaar) op televisie verschijnen, maken ze zichzelf onsterfelijk belachelijk met hun onthullingen over de muzikale en culinaire voorkeuren van buitenaardsen. Moore zelf beleeft in ’89 een forse afgang als hij tijdens de UFO-conferentie van de organisatie MUFON (Mutual UFO Network) een volstrekt chaotische lezing houdt waarin hij vertelt willens en wetens door de regering te zijn gebruikt voor het verspreiden van desinformatie.

Spoedig daarna krijgt hij te maken met felle concurrentie op Roswell-gebied. In 1991 komen Kevin Randle en Donald Schmitt met hun boek UFO Crash at Roswell en het jaar daarna verschijnt Crash at Corona van Stanton Friedman en Don Berliner. Het aantal mensen met ‘herinneringen’ aan deze gebeurtenis is dan gegroeid tot in de honderden.

De ultieme ontwikkeling in het UFO-samenzweringsdenken is echter niet afkomstig van Moore of Friedman, maar van een klein clubje mensen dat begin jaren ’90 voor het eerst van zich laat horen. Zij verzamelen geen vermeende ooggetuigen maar speuren in allerlei overheidsdocumenten naar aanwijzingen voor Bennewitz’ allesomvattende, bizarre complot tegen de mensheid. Ze noemen zichzelf whistle blowers, (‘aan-de-bel-trekkers’, ‘waarschuwers’). Anderen spreken van de UFO-fascisten. Zij laten zich inspireren door rechts-extreem gedachtegoed.

De eerste waarschuwer is John Lear. In een persbericht uit december 1989 beschuldigt hij de Amerikaanse regering ervan de wereld op de rand van de afgrond te hebben gebracht door haar rampzalige verdrag met de buitenaardsen. Aanvankelijk, zo legde Lear uit, leek alles daarbij goed te gaan (mensen en dieren werden geruild tegen buitenaardse technologie), maar in 1979 ging het mis toen de buitenaardsen mensen gingen gijzelen op een geheime ondergrondse basis in Dulce, New Mexico. Bij een poging hen te ontzetten komen zesenzestig (aardse) soldaten om het leven. Sindsdien, aldus Lear, leeft de aarde op voet van interplanetaire oorlog. De Amerikaanse regering probeert zich wel te verweren (het Star Wars-programma was volgens hem niet tegen de Sovjets gericht doch tegen de buitenaardsen) maar we maken uiteraard geen kans. ‘They’re going to march us just exactly like the Holocaust’, zegt Lear in een interview.

Een vriend van Lear en de tweede whistle blower is Robert Lazar. Lazar beweert een baantje te hebben gehad op een geheime UFO-basis in Nevada en daar inzage te hebben gehad in supergeheime documenten. Lear heeft volkomen gelijk, zo weet Lazar. Hij heeft het zélf na kunnen trekken in een supergeheime bibliotheek. Lazar zegt de resten van UFO’s te hebben gezien (ze worden voortgestuwd door ‘antizwaartekracht’, opgewekt door een antimateriemotor draaiende op element 115) en dat de Amerikaanse luchtmacht met UFO’s rondvliegt.

Met de derde whistle blower komen we pas écht in troebel vaarwater. Milton W. Cooper publiceerde in mei 1989 een opstel getiteld The Secret Government, The Origin, Identity and Purpose of MJ Twelve, met daarin de meest waanzinnige samenzweringstheorie tot nog toe naar voren gebracht. Volgens Cooper zijn er vanaf januari ’47 vele schotels neergestort, waarbij tientallen buitenaardsen het leven verloren. De Roswell-crash was er maar een van. Die leverde ook maar één overlevende op, die weinig losliet en in 1952 overleed.

In de loop der tijd zijn er volgens Cooper verschillende geheime commissies opgericht om contact met de buitenaardsen te onderhouden en geheim te houden. Deelnemers zijn toppolitici, militairen en geleerden. De namen die hij hierbij noemt komen uit de klassieke Amerikaanse samenzweringsliteratuur: de Jason Society, de Trilaterale Commissie (volgens Cooper genoemd naar het driezijdige, ‘trilaterale’ insigne op buitenaardse ruimteschepen) en, voor de internationale coördinatie, de Bilderbergers, de Council of Foreign Relations. Laatstgenoemde drie vormen ‘de geheime regering’ De VN is volgens hem slechts ‘een internationale grap’. Cooper biedt in The Secret Government een geheel eigen kijk op de wereldgeschiedenis. Een samenvatting geven is niet eenvoudig, want zij is niet bepaald samenhangend. Maar ik zal een poging wagen.

In 1953, zo schrijft Cooper, vroeg president Eisenhower aan zijn vriend de bankier Nelson Rockefeller om in verband met de buitenaardse contacten een geheim orgaan op te richten. Dat werd MJ-12. (Volgens Cooper staat MJ voor ‘majority’; de Majestic 12 van Moore en Friedman was niet meer dan een rookgordijn. Mogelijk, zo schrijft hij, zijn Moore en Friedman agenten van de geheime regering.) Dat MJ-12 werd een machtige wereldregering, onder leiding van Rockefeller. (Hoe een en ander samenhangt met bovengenoemde club blijft bij Cooper volkomen onduidelijk). Het zou ‘de grootste vergissing worden die Eisenhower ooit maakte ten aanzien van de toekomst van de VS en zeer waarschijnlijk de hele mensheid’. In datzelfde jaar – aldus nog steeds Cooper – ontdekten astronomen dat er ruimteschepen op ons afkwamen en in een baan om de aarde bleven draaien. Daarop verschenen de mooie, blonde nordics, die de regering waarschuwden voor de buitenaardsen in die ruimteschepen. Er ontstond een concurrentiestrijd: beide typen buitenaardsen wilden hun technologie wel overdragen, maar de nordics eisten dat men op aarde dan wél de kernwapens afschafte. Dit voorstel werd afgewezen. Een jaar later legde de Amerikaanse regering contact met de inzittenden van die ruimteschepen, de langneuzige Grey Aliens. Zij waren bereid hun kennis af te dragen in ruil voor ondergrondse bases en menselijk proefmateriaal. Spoedig werd echter duidelijk dat ze de Amerikaanse regering bedrogen. greys ontvoerden meer mensen dan afgesproken en manipuleerden grote groepen mensen door middel van geheime genootschappen, tovenarij, magie, het occulte en religie. Ze brachten pakweg een op de veertig aardbewoners onder hun controle door middel van geïmplanteerde zendertjes. In het geheim zochten de Amerikanen contact met de Russen en werd een begin gemaakt met de ontwikkeling van wapens, geschikt om de greys te vernietigen.

The Secret Government krijgt vanaf dit punt religieuze trekken. De CIA krijgt een rapport in handen over de verschijningen in Fatima. De (nooit door de Kerk vrijgegeven) Derde Profetie van Fatima komt er volgens Cooper op neer dat er in 1992 een nieuwe Messias opstaat die in 1995 de antichrist blijkt te zijn, en dat in die tijd ook de Derde Wereldoorlog uitbreekt. Christus’ wederkomst staat gepland voor 2011. De buitenaardsen konden dit volgens hem bevestigen en ‘latere exploitatie van buitenaardse technologie voor het reizen in de tijd bevestigde de profetie’.

Terug naar de aardse politiek. In 1957, zo vertelt Cooper, werd duidelijk dat we de buitenaardsen nodig hadden. Toen werd duidelijk dat de aarde spoedig overbevolkt zou zijn, en in opdracht van Eisenhower kwam de exclusieve club Jason Society met drie oplossingen voor dit probleem: Alternative 1 is het openblazen van de atmosfeer met atoombommen om de luchtvervuiling te laten ontsnappen. Alternative 2 is het bouwen van ondergrondse steden voor een kleine elite. Alternative 3 is de bouw van steden op de maan en op Mars. In alle drie gevallen moest tijd gewonnen worden door geboortebeperking, sterilisatie, de introductie van dodelijke virussen en het opruimen van ongewenste types.

De Russische en Amerikaanse regeringen besloten een begin te maken met de Alternatives 2 en 3. Dat verloopt vlotjes. Tegen de tijd dat president Kennedy bekend maakte dat men een mens op de maan zou zetten, stond daar al een geheime Amerikaans-Russisch-buitenaardse basis. (Cooper deelt en passant mee dat er gebieden op de maan zijn waar planten groeien en waar men zonder ruimtepak kan rondlopen.) Rond 1962 werd er al druk gebouwd aan Marsbases. Inmiddels zijn daar verschillende steden verrezen, voorzien van streng geselecteerde aardbewoners. U zult begrijpen dat het hele Amerikaanse ruimtevaartprogramma niet meer is dan een kostbare grap. Dat Cooper met recht een UFO-fascist mag worden genoemd, blijkt als hij het heeft over de praktische samenzweringen hier op aarde. Het ontwikkelen van eigen UFO’s en de aanleg van buitenaardse bases kosten uiteraard geld. Vandaar dat de regering in de jaren ’50 contact zocht met oliemagnaat (later president) George Bush, wiens booreilanden in de Golf van Mexico bij uitstek geschikt waren als tussenstations voor de drugssmokkel. Sindsdien voorziet de CIA de hele wereld van drugs, en alle zo verdiende gelden worden via een ‘uitgebreid netwerk van banken en holding companies’ aan het oog onttrokken. Wie, zo schrijft Cooper, het op het spoor wil komen zou eerst moeten beginnen te kijken naar de J. Henry Schroder Banking Corporation, de Schroder Trust Company, Schroder Ltd. (Londen), Helbert Wagg Holding Limited..’ En zo gaat hij nog even door.

De geheime regering MJ-12 is ondertussen overal doorgedrongen en wordt almaar machtiger. MJ-12 importeert wapens om de Amerikaanse samenleving te destabiliseren en rijp te maken voor de ontwapening van eerzame burgers (hetgeen de mondiale staatsgreep aanmerkelijk zal vergemakkelijken). Zij vermoordde Kennedy omdat deze de samenzwering bekend wilde maken. En MJ-12 dwong Richard Nixon tot aftreden, omdat er anders geheime documenten vrij zouden komen.

The Secret Government besluit met een lijst verdachtmakingen aan het adres van UFO-onderzoekers, een voorspelling van het gruwelijke einde dat de Amerikanen te wachten staat en, tot slot, een tranen trekkende belijdenis van Coopers geloof in God, Christus en de Amerikaanse grondwet.

Cooper is weinig origineel. De herkomst van zijn waanzinnige universum is betrekkelijk eenvoudig te reconstrueren. Er zitten flinke scheuten Bennewitz en Doty in, en zijn verhandelingen over planten op de maan doen denken aan de interplanetaire reisverhalen van George Adamski. Het gegeven van de drie Alternatives gaat terug op een één-aprilgrap van de BBC (die overigens door wel meer ufologen serieus werd genomen). Daarnaast echter zijn er elementen te ontwaren uit de Amerikaanse ultralinkse en ultrarechtse scene.

Opvallend is Coopers nauwelijks verhulde antisemitisme. Deze is niet alleen merkbaar in zijn verwijzing naar internationale (lees: joodse) banken en holdings maar ook in zijn beschrijving van de Nordics en de greys. Coopers tekeningen van laatstgenoemde bad guys hebben veel weg van joodse stereotypen uit nazi-propagandamateriaal. Het meest brutaal is echter wel dat hij in zijn boek Behold a Pale Horse de door de buitenaardsen overgenomen samenzwering wil aantonen met behulp van de Protocollen van de wijzen van Zion, een beruchte antisemitische vervalsing al in de jaren ’20 ontmaskerd. Cooper publiceert de integrale tekst.

In zijn meest recente versie van de Grote Samenzwering zijn alle buitenaardsen overigens van de aardbodem verdwenen. Dat soort verhalen zijn nu volgens hem allemaal desinformatie. De geheime regering is de enige die over UFO’s beschikt. Ze heeft ze ontwikkeld op basis van nazi-technologie. De bewust aangewakkerde UFO-angst is bedoeld om de aardbewoners klaar te stomen voor een mondiale staatsgreep die binnenkort plaats moet vinden.

De UFO-fascisten hebben in het toch al van geruchten en verdachtmakingen levende Amerikaanse UFO-wereldje heel wat verwarring veroorzaakt. Veel ufologen moeten niets van ze hebben, maar ondertussen staan de UFO-planken in de boekhandels vol met samenzweringsliteratuur, en zijn Cooper en zijn volgelingen graag geziene sprekers op UFO-congresjes en bijeenkomsten. Het publiek, tot nog toe gewend aan tamme samenzweringen à la Keyhoe, luistert met open monden naar hun vreselijke onthullingen. Als ze uitgesproken zijn, staat werkelijk niets meer vast: iedere tegenstrijdigheid is een bewijs voor de samenzwering, iedere lastige onderzoeker wordt door de Grote Samenzwering bedrogen of maakt er zélf deel van uit.

Sinds enige jaren kent ons land een UFO-organisatie die deze sprekers hierheen haalt: de stichting Contact Network International, volgens haar eigen foldermateriaal een onafhankelijke organisatie die onderzoek doet naar het fenomeen UFO en de relatie met het dagelijkse wereldgebeuren. Tijdens een door hen in november 1992 georganiseerd ‘UFO-congres’ was het vooral de toenmalige (uit Australië afkomstige) voorzitter, David Summers die de onthullingen over de Wereldregering en de dreigende Nieuwe Wereldorde voor zijn rekening nam, maar er werd ook een film vertoond waarin Bob Lazar vertelde over zijn werkzaamheden op een geheime UFO-basis in Nevada (zie Skepter, maart 1993).

Voor de tweede door CNI georganiseerde conferentie, in oktober vorig jaar waren de Cooperianen George Wingfield en David Hatcher Childress uitgenodigd. Laatstgenoemde, met zijn terloopse opmerkingen over nazi-UFO’s en de holle maan, putte regelrecht uit het werk van de UFO-fascisten (zie Skepter, december 1994).

Anne Frank Stichting

De opkomst van het UFO-fascisme illustreert de diepe crisis waarin de ufologie verzeild is geraakt. Bijna vijftig jaar na de beroemde vlucht van Kenneth Arnold en de eerste waarneming van een vliegende schotel, beschikken ufologen nog steeds niet over zelfs maar het kleinste stukje hard bewijsmateriaal. Al het onderzoek naar de duizenden meldingen van ‘dingen in de lucht’ hebben niets tastbaars opgeleverd, en sinds het Condon-rapport zijn de kansen op ook maar een bescheiden politieke of academische erkenning kleiner en kleiner geworden.

Teleurstelling, woede en frustratie waren het gevolg – en dat veroorzaakte op zijn beurt het uitdoven van dat kleine sprankje kritisch-wetenschappelijk gevoel waarover de ufologen tot dan toe beschikten. De grenzen tussen de ufologie en andere randwetenschappelijke verschijnselen (geesten, paranormale ervaringen) werden steeds vager. UFO-organisaties gingen verhalen over ontvoeringen door UFO’s serieus nemen, en begin jaren ’80 stort men zich en masse op de onder hypnose ‘herinnerde’ gruwelijke ontvoeringen door ufonauten. De whistle blowers, met hun ondergronds voortwroetende ufonauten en bovengrondse samenzweerders, zij niet meer dan het volgende clubje dat met steeds spectaculairdere verhalen aandacht probeert te trekken, en geld weet te slaan uit de onuitroeibare behoefte aan buitenaards nieuws.

Ook zij zullen eens gaan vervelen. Het enige blijvende effect is dat het UFO-onderzoek zich niet alleen steeds meer vervreemdt van de gevestigde wetenschap maar ook nog de aandacht trekt van organisaties die waken tegen de wederopleving van het fascisme. Dat is nu al het geval. Het (inmiddels weer opgeheven) CNI werd door medewerkers van de Anne Frank Stichting en het Fascisme Onderzoeks Kollektief met argusogen gevolgd. De tijd dat UFO’s niet meer dan onschuldige lichten in de lucht waren is voorbij.

Uit: Skepter 8.1 (1995)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002