Ufonauten in de doofpot

De ontmaskering van de MJ-12 documenten

door Werner Eeman – Skepter 3.3 (1990)

Veel Amerikaanse ufologen zijn ervan overtuigd dat de Amerikaanse overheid hoogst belangrijke informatie over het ufo-fenomeen achterhoudt. Hun grote droom is het boven tafel krijgen van geheime documenten die dat bevestigen. In 1987 leek het zo ver, maar kundig speurwerk van skepticus Philip Klass maakte duidelijk dat de TOP SECRET MJ-12 documenten vervalsingen waren. De handtekening van president Truman deed de ufologen de das om.

Toen Kenneth Arnold in 1947 als eerste melding maakte van ‘vliegende schotels’ zullen weinigen hebben vermoed dat zijn verhaal een sneeuwbaleffect zou veroorzaken. Na korte tijd werden overal ter wereld ufo’s gezien en het was niet meer dan logisch dat ook militaire instanties geïnteresseerd raakten. Het feit dat de ufo’s met alle wetten van de fysica leken te spotten, scheen erop te wijzen dat ‘de vijand’ een grote technologische voorsprong had verworven. Al snel werd echter duidelijk dat de hypothese dat de ‘vliegende schotels’ spionagevliegtuigen waren, geen steek hield en dat, als de getuigenverklaringen met de werkelijkheid overeenstemden, ufo’s het transportmiddel moesten zijn van buitenaardse, technisch superieure wezens.

Verscheidene commissies werden opgericht met als taak voor alle betrouwbare ufo-meldingen vast te stellen welke de meest logische verklaring was, waarbij het principe van ‘Occam’s scheermes’ strikt werd toegepast (pas wanneer alle natuurlijke verklaringsmodellen konden worden geëlimineerd, kon men een beroep doen op de hypothese van buitenaardse ruimtetuigen). Al deze commissies kwamen tot dezelfde conclusie: het overgrote deel der ufo-waarnemingen was het gevolg van het verkeerd interpreteren van natuurlijke verschijnselen en van ordinair bedrog.

Toen in 1968 het Condon-rapport duidelijk maakte dat het hele ufo-gedoe een kluif was voor psychologen en sociologen, was het al te laat. Bij velen leefde de overtuiging dat een buitenaardse beschaving contact zocht met de mens en de regeringsleiders van alle landen waar ufo’s werden gesignaleerd betrokken waren in een reusachtig complot om de hele zaak in de doofpot te stoppen, met de bedoeling paniek onder de bevolking te voorkomen. Een nieuwe pseudowetenschap was geboren.

Als je alle ufo-meldingen bij elkaar telt, kom je ongetwijfeld tot een totaal van vele tienduizenden. Toch zijn de ufologen er zich goed van bewust dat dit ontzagwekkende aantal waarnemingen voor de skepticus geen bewijskracht heeft, precies omdat er zoveel alternatieve (en dus te prefereren) verklaringen zijn. Het spreekt dan ook vanzelf dat enkel een materieel bewijsstuk, bijvoorbeeld de brokstukken van een verongelukte ufo, de skepticus de mond zou kunnen snoeren.

Als er inderdaad zoveel ufo’s rondcirkelen, zou er toch in de loop van veertig jaar een moeten zijn neergestort. En aangezien de waargenomen ufo’s zoveel verschillende vormen vertonen, is het mogelijk dat niet één maar meerdere buitenaardse beschavingen de aarde een bezoek waard achten. Misschien zijn ze elkaar niet vriendelijk gezind en zijn we er ooit getuige van hoe de ene ufo de andere uit de lucht schiet.

Uiterst geheim

In 1980 publiceerden William Moore en Charles Berlitz (de man die de Bermudadriehoekmythe creëerde en dus een uiterst bedenkelijke reputatie geniet) ‘The Roswell incident’. In dit boek beweren zij dat in 1947 een ufo boven de Verenigde Staten verongelukte en dat de toenmalige regering erop toezag dat de wrakstukken in het grootste geheim geborgen werden. Bovendien zouden ook de slachtoffers van de ramp ‘geïdentificeerd’ en veilig weggeborgen zijn. Naar de oorzaak van het ongeluk konden ze slechts gissen: misschien was er een mechanisch defect of misschien waren ze ergens tegenaan gebotst. De aarde was voor de eerste ruimtereizigers die in haar atmosfeer doordrongen immers nog ‘terra incognita’..

Uiteraard werden de ophefmakende onthullingen van Moore en Berlitz alleen in ufo-kringen ernstig genomen. Zij konden hun beweringen namelijk onmogelijk met harde bewijzen staven.

Tot 29 mei 1987 – toen gaven Moore en zijn medewerkers Stanton Friedman en Jamie Shandera ‘Top Secret’ documenten vrij voor publikatie. Deze bevestigden de inhoud van ‘The Roswell incident’. Bovendien werd erin vermeld dat op 24 september 1947 president Truman aan de minister van Defensie, James Forrestal, de opdracht had gegeven om een uiterst geheime commissie te vormen van wetenschappers, militairen en veiligheidsambtenaren, die moest opereren onder de codenaam ‘Majestic-12’ (MJ-12).

De twaalf veronderstelde leden van Majestic-12: 1. Roscoe H. Hillenkoetter, 2. Vannevar Bush, 3. James Forrestal, 4. Nathan F. Twining, 5. Hoyt Vandenberg, 6. Detlev Bronk, 7. Jerome Clarke Hunsaker, 9. Gordon Gray, 10. Donald H. Menzel, 11. Robert M. Montague, 12. Lloyd Berkner

De bedoeling was de schotel en de lijken van de ufonauten aan een minutieus onderzoek te onderwerpen. Als mocht blijken dat de ufo inderdaad een buitenaards ruimtetuig was, diende de commissie na te gaan of een afdoend antwoord kon gevonden worden op mogelijk vijandige intenties van de buitenaardsen.

De door Moore, Friedman en Shandera vrijgegeven documenten bevatten het Top Secret memorandum van Truman aan Forrestal, een M J-12 document van zeven pagina’s gedateerd op 18 november 1952, waarin president Eisenhower van het bestaan van de commissie op de hoogte werd gebracht, en een Top Secret memorandum van Robert Cutler, de speciale assistent van Eisenhower, aan de stafchef van de US Air Force, generaal Twining, gedateerd op 14 juli 1954. Als de authenticiteit van de MJ-12 documenten onomstotelijk kon worden vastgesteld, kon zonder meer worden gewaagd van een sensationele ommekeer in het ufo-onderzoek. Dan zou immers blijken dat de ufologen het al die tijd bij het rechte eind hadden gehad.

Philip J. Klass, 1919-2005 (foto: R. Sheaffer | Wikimedia Commons)

Zoals te verwachten was aanvaardden de skeptici deze ‘bewijzen’ voor het bestaan van ufo’s niet zonder slag of stoot. Philip J. Klass, de voorzitter van CSICOP’s UFO subcommittee en auteur van meerdere kritische werken over ufo’s, zette er de tanden in. Als een moderne Sherlock Holmes begon hij de MJ-12 documenten uit te pluizen.

Inconsequenties

Al in een vroeg stadium van zijn onderzoek begon het bij Klass te dagen dat er iets niet klopte: volgens Moore was het Shandera die in december 1984 een onontwikkelde 35mm filmrol ontving, welke de MJ-12 documenten (behalve het memorandum van Cutler aan Twining) bevatte. Klass stelde zich de vraag waarom de film niet verzonden was naar Moore zelf of naar Friedman, die beide in ufo-kringen nationale beroemdheden zijn. Shandera was een in Los Angeles wonend tv-producer die nooit iets over ufo’s gepubliceerd had en van wie de anonieme documentenbezorger moeilijk had kunnen weten dat hij met Moore en/of Friedman bevriend was.

Er was nog iets vreemds: Friedman hoorde in het voorjaar van 1985 dat meer dan honderd dozen met Top Secret documenten van de USAF uit de periode tussen 1946 en 1955 in het Nationaal Archief in Washington vrijgegeven werden. Hij lichtte Moore in en deze ging onverwijld naar de hoofdstad, vergezeld door Shandera. Geloof het of niet, zij legden de hand op een stuk papier dat de authenticiteit van de MJ-12 documenten bevestigde, het memorandum van Cutler aan Twining! Dit bewijs kon Moore in één klap wereldberoemd maken en je zou verwachten dat hij de MJ-12 documenten als de bliksem voor publikatie vrijgaf. In plaats daarvan wachtte hij nog twee jaar. Verdacht, vindt Klass terecht.

Nog zoiets: Cutler kon het memorandum onmogelijk op 14 juli 1954 geschreven hebben omdat hij die dag niet in Washington was. Op 3 juli was hij naar Europa en Noord-Afrika vertrokken voor een bezoek aan de militaire installaties aldaar en keerde pas op 15 juli terug.

Enkele voorbeelden van de schrijfwijzen van datums zoals die door Klass werden gevonden

Een ander bewijs tegen de authenticiteit van de MJ-12 documenten kreeg Klass van een Britse kennis. Deze had opgemerkt dat er iets mis was met de manier waarop de data op de documenten waren vermeld. Normaal wordt in de VS de datum als volgt vermeld: November 18,1952. In het leger gebruikt men de volgende schrijfwijze: 18 November 1952. Het document waarin admiraal Hillenkoetter president Eisenhouwer van het bestaan van de M J-12 documenten op de hoogte bracht is als volgt gedateerd: 18 November, 1952. De komma is hier dus overbodig. Klass merkte op dat elke datum die in het document voorkwam deze overbodige komma vertoonde zodat van een eenmalige, toevallige vergissing geen sprake kon zijn.

Om helemaal zeker te zijn vroeg hij de Truman Library om brieven die Hillenkoetter aan de president had geschreven. In de vier brieven die hem werden bezorgd (geschreven tussen 1948 en 1950) had Hillenkoetter steeds van de traditionele militaire schrijfwijze, dus zonder de komma, gebruik gemaakt. Klass kwam eveneens tot de conclusie dat Moore in de datums van zijn correspondentie (die hij vanaf 1982 met Klass voerde) steeds de overbodige komma plaatste. Toeval?

Er is nog iets mis met de datums in het Hillenkoetter-document. Van de eerste tot de tiende van de maand werd in de jaren vijftig de datum aangegeven als bv. 1 August 1950. Klass verifieerde talrijke CIA-documenten uit de jaren vijftig, zestig en zeventig en vond geen enkele afwijking van de regel. Pas de laatste jaren werd er een extra nul toegevoegd, bijvoorbeeld: 01 August 1985. Deze schrijfwijze is echter verre van algemeen. Wat bleek? Het Hillenkoetter-document bevat meerdere data die volgens deze nieuwe schrijfwijze waren opgetekend. Bij het nazien van zijn correspondentie met Moore kwam Klass tot de vaststelling dat tot eind 1983 Moore de nul niet gebruikte. Vanaf dat tijdstip (dus ongeveer een jaar voor Shandera de film met de MJ-12 documenten ontving) ging Moore op de nieuwe dateringswijze over. Ook toeval?

Nog een ander, op het eerste gezicht onbeduidend detail kan van significante betekenis zijn ter staving van de vervalsingshypothese. In zestien brieven en memoranda die Hillenkoetter tussen 1947 en 1950 had geschreven, had hij zonder uitzondering zijn naam als ‘R.H. Hillenkoetter’ vermeld; in de M J-12 documenten wordt zijn naam aangegeven als ‘Roscoe H. Hillenkoetter’.

En ten slotte: Het juli 1985 nummer van het MUFON UFO Journal bevat een openbaar gemaakt Top Secret document dat op 10 december 1948 was opgesteld met als titel ‘Analysis of Flying Object Incidents in the US’. Het bevatte de volgende woorden: ‘en conclusies te trekken met betrekking tot het MOGELIJK BESTAAN (van vliegende schotels)’. Indirect werd dus al in 1985 het bewijs geleverd dat de MJ-12 documenten vals zijn. Immers, waarom zou een dergelijke zin in een geheim rapport, opgesteld door topambtenaren van de USAF staan, als meer dan een jaar daarvoor een ufo geborgen en de MJ-12 commissie in het leven geroepen was?

Twee is teveel

Moore en zijn medewerkers konden de bewering van Klass dat de MJ-12 documenten vervalsingen waren, niet erg appreciëren. In plaats van tot een eindeloze en tot niets leidende polemiek te vervallen, besloten zij zich tot een neutraal en onbevooroordeeld expert te wenden. Zij bezorgden de documenten aan de taalkundige Roger Wescott met de vraag een wetenschappelijke analyse ervan te maken en zijn bevindingen omtrent de authenticiteit te rapporteren. Wescott constateerde dat niets erop wees dat de documenten vervalsingen waren en dat ze dus authentiek moesten zijn.

Een triomf voor Moore? Klass besloot de expert persoonlijk aan de tand te voelen. Hij bleek helemaal niet onbevooroordeeld te zijn, hij geloofde wel degelijk in het bestaan van ufo’s maar was van oordeel dat ufonauten geen buitenaardse wezens hoefden te zijn; met evenveel reden kon worden gesteld dat het hier om bezoekers uit een andere dimensie ging. Misschien was er wel een direct verband tussen ufo’s en andere mysterieuze zaken als elfen en kabouters, aldus Wescott. Geleidelijk bleek dat hij geen enkele ervaring bezat in het analyseren van documenten waarvan de authenticiteit betwist werd. Klass besloot dan ook terecht dat de analyse waardeloos was en Moore met sterkere argumenten voor de dag moest komen.

Handtekening

Het laatste, en wellicht meest overtuigende bewijsstuk tegen de authenticiteit van de documenten is de handtekening van president Truman in het memorandum van 24 september 1947. Ironisch genoeg werd door de ufologen, met Friedman op kop, juist deze handtekening als ‘pièce de résistance’ ten gunste van de echtheid van de documenten naar voor geschoven: zij is namelijk nagenoeg identiek aan Trumans handtekening in een brief, geadresseerd aan Vannevar Bush, geschreven op l oktober 1947. In plaats van de bevestiging te brengen dat het memorandum aan Forrestal, waarin om de oprichting van de MJ-12 commissie wordt verzocht, eigenhandig door Truman werd ondertekend, vormt de nagenoeg perfecte overeenkomst tussen beide handtekeningen juist de weerlegging ervan.

Trumans handtekening, voorzien van meetgegevens door Klass.

Het is namelijk onmogelijk twee exact dezelfde handtekeningen te plaatsen. Het feit dat de handtekening in het MJ-12 document iets groter is dan die in de brief aan Bush doet niet te zake, de vorm ervan is precies dezelfde. De minieme vergroting is het gevolg van het meermaals fotokopiëren van de handtekening bij het maken van de vervalsing. Klass werd op het goede spoor gezet door het lezen van Alfrèd Osborns boek ‘Questioned documents’, gepubliceerd in 1978. Osborn was niet de eerste die met deze ingenieuze oplossing op de proppen kwam. In de jaren zestig publiceerde de Britse auteur Ellery Queen een detective waarin de hele intrige gebaseerd was op het gegeven dat iemand nooit tweemaal een letter of cijfer op identieke wijze kan schrijven. Een op het eerste zicht waterdicht bewijs voor het bestaan van ufo’s stortte bij nader inzien als een kaartenhuisje in elkaar.

Klass beging niet de fout die skeptici soms maken wanneer hen gevraagd wordt om een oordeel over een paranormaal fenomeen: a priori verwerpen (in dit geval: de M J-12 documenten zijn vals want ufo’s bestaan niet). In plaats daarvan nam hij de moeite het gepubliceerde verhaal haarfijn na te pluizen. Daardoor wist hij bewijsmateriaal tevoorschijn te halen dat door niemand (dus ook niet door zichzelf respecterende ufologen) genegeerd kan worden.

Literatuur

Philip Klass. The MJ-12 crashed-saucer documents. Skeptical Inquirer, winter 1987-1988, vol. 12, p. 137-146.

Philip Klass. The MJ- 12 papers: part 2. Skeptical Inquirer lente 1988, vol. 12, p. 279-289.

Philip Klass. MJ-12 papers authenticated? Skeptical Inquirer lente 1989, vol. 13, p. 305-309.

Philip Klass. New evidence of MJ-12 hoax. Skeptical Inquirer winter 1990, vol. 14, p. 135-140.

Uit: Skepter 3.3 (1990)

Naschrift bij online publicatie (2017)
In de jaren 90 van de vorige eeuw doken nog een aantal keer nieuwe documenten op die van MJ-12 afkomstig zouden zijn. Telkens weer bleek er met deze documenten te veel mis te zijn om ze als authentiek te kunnen accepteren, zie Klass. The New Bogus Majestic-12 DocumentsSkeptical Inquirer Vol. 24.3, mei /juni 2000


Werner Eeman