Dirk Koppenaal vult de flesjes met Vitalisator

Geen paniek

Satanisch ritueel misbruik in Nederland

door Tjalling A. Beetstra

Nadat er in de Verenigde Staten morele paniek uitbrak over satanisch ritueel misbruik (zoals in de vorige Skepter werd beschreven), kwam er ook in Nederland een discussie over dit onderwerp op gang. Deze was echter al weer vrij snel over het hoogtepunt heen. De media lieten zich niet zo makkelijk meeslepen en er waren genoeg deskundigen die de nodige kritiek leverden.

In 1984 houdt de psychiater Bennett Braun op uitnodiging van de klinisch psycholoog Onno van der Hart een workshop voor Nederlandse psychotherapeuten. Braun staat bekend als een deskundige op het gebied van de meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS) en is een grondlegger van de Amerikaanse MPS-beweging. Hij behandelt onder meer vrouwen die zich herinneren dat ze in hun jeugd jarenlang ritueel werden misbruikt door satanisten. Zij lijden volgens hem allemaal aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Na de workshops van Braun en enkele andere Amerikaanse MPS-therapeuten ontstaat er rond Onno van der Hart een kleine groep psychotherapeuten die met behulp van de nieuw verworven inzichten met grote regelmaat de diagnose MPS stelt bij slachtoffers van seksueel misbruik.

Een van deze deze therapeuten is Nel Draijer, die op dat moment voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek doet naar de aard en de omvang van seksueel misbruik van kinderen en naar de mogelijke gevolgen daarvan op hun latere leven. Uit haar onderzoek blijkt dat ruim een derde van de ondervraagde vrouwen in hun jeugd seksueel is misbruikt. Ruim 15 procent van de vrouwen rapporteert dat ze zijn misbruikt door verwanten. Van deze groep heeft 40 procent gebruik gemaakt van het afweermechanisme dissociatie. Mede door dit laatste percentage wordt de positie van de MPS-therapeuten in de discussie over seksueel misbruik aanzienlijk versterkt.

Draijer lijkt te bewijzen wat MPS-therapeuten al lang beweren: slachtoffers kunnen pas jaren later in volle omvang met de gevolgen van hun traumatische ervaringen worden geconfronteerd. MPS-therapeuten gaan ervan uit dat herinneringen aan een trauma naast het normale bewustzijn worden geplaatst en dat daardoor bepaalde functies, die normaliter zijn geïntegreerd met andere functies, apart en op een automatische manier gaan werken. Als slachtoffers regelmatig traumatische ervaringen hebben, zou dit volgens hen uiteindelijk kunnen leiden tot identiteitsfragmentatie oftewel een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

Onno van der Hart en zijn protegee Suzette Boon werpen zich op als de belangrijkste Nederlandse deskundigen op het gebied van de meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Zij geven workshops en cursussen en publiceren ook regelmatig over het onderwerp. Hun inspanningen leiden ertoe dat MPS-therapeuten begin jaren negentig al ruim vierhonderd vrouwen onder behandeling hebben. De MPS-behandelingen vinden niet alleen plaats in privépraktijken, maar ook in enkele psychiatrische instellingen. Psychiatrisch Centrum Bloemendaal in Den Haag opent zelfs een speciale kliniek voor de intensieve behandeling van patiënten met een dissociatieve stoornis (KIB Atlantis). Van der Hart en Boon zijn zelf actief in het ‘Trauma en dissociatie team’ van een Riagg in Amsterdam.

Ook in de ons omringende landen is een toename van het aantal gevallen van MPS waarneembaar. Hierdoor ontstaat bij veel MPS-therapeuten de behoefte aan een platform waarop zij met buitenlandse collega’s ervaringen en gedachten kunnen uitwisselen. Van der Hart, Boon en Draijer organiseren het eerste Europese congres over MPS, dat in mei 1992 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam plaatsvindt. Maggie Lamping-Goos, hoofdinspecteur Geestelijke Volksgezondheid op het Ministerie van WVC, meldt op dit congres dat er een Werkgroep Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis wordt ingesteld, waarin Boon en Van der Hart zitting hebben. Deze werkgroep zal richtlijnen opstellen ten aanzien van de behandeling en de diagnostiek. Van der Hart wordt enkele maanden later ook aangesteld als bijzonder hoogleraar in Utrecht. Bovendien organiseert het NIP, de vakorganisatie van psychologen, in maart 1993 een congres over dissociatieve stoornissen. Blijkbaar is het draagvlak voor de visie van de MPS-beweging dan al behoorlijk groot.

Hoewel Nederlandse MPS-therapeuten kort na de eerste workshop van Bennett Braun al vrouwen in therapie hebben gekregen die zich gaan herinneren hoe ze door satanisten zijn misbruikt, schrijven ze daar aanvankelijk niets over in hun wetenschappelijke publicaties. Ook in het bekende standaardwerk Trauma, dissociatie en hypnose onder redactie van Van der Hart (1991) komen nog geen satanisten voor. Toch staat het vast dat Nederlandse MPS-therapeuten in de tweede helft van de jaren tachtig al vermeende slachtoffers van satanisch ritueel misbruik hebben behandeld. Dat blijkt onder meer uit twee van de vier uitzendingen die Tijdsein, de actualiteitenrubriek van de Evangelische Omroep, in 1989 aan dit onderwerp wijdt.

Evangelisch Tijdsein

In haar eerste reportage doet Tijdsein verslag van de situatie in de VS. De presentator kondigt aan dat daar een geheim satanisch genootschap bestaat, dat rituelen uitvoert waarbij onder meer bloed wordt gedronken en mensenoffers worden gebracht. In de reportage komen enkele cult survivors, een MPS-therapeute en een cult cop aan het woord. Zij beschrijven de monsterlijke praktijken van de satanisten en hun veronderstelde motieven. Ze proberen ook te verklaren waarom harde bewijzen niet te vinden zijn. Aan het slot van de reportage beweert één van de survivors dat satanisch ritueel misbruik in de hele wereld voorkomt. De presentator voegt daaraan toe dat Tijdsein uit kringen binnen de Riaggs heeft vernomen dat het inderdaad ook in Nederland schijnt plaats te vinden.

De redactie krijgt na deze uitzending niet alleen reacties van ongeloof, maar ook brieven van mensen die geloven dat ze zelf een slachtoffer zijn en die daar wel over willen praten. Tijdsein stuurt meteen twee redacteuren op pad om deze Nederlandse cult survivors te ondervragen. Het resultaat is twee maanden later te zien. Zo vertelt een zekere Ans dat ze er aanvankelijk nog rekening mee hield dat haar gruwelijke herinneringen slechts fantasieën waren, maar na de EO-reportage kon ze niet langer ontkennen dat ze door satanisten was misbruikt. Er komen ook enkele ouders van jonge kinderen aan het woord, waaronder een moeder die vertelt dat haar dochtertje op school zag hoe een baby tussen twee platen werd geplet, tot het bloed eruit spoot. Dit verhaal lijkt verdacht veel op het relaas van de cult survivor June Covington, die in de eerste uitzending beweerde dat ze er op driejarige leeftijd getuige van was hoe een baby in een soort bankschroef werd fijngeknepen.

De verhalen van ouders en slachtoffers worden ondersteund door twee Amerikaanse MPS-therapeuten. Hun Nederlandse collega’s willen niet in beeld verschijnen, al hebben ze de redactie wel informatie verstrekt en adressen van slachtoffers. Ze zijn bang dat ze veel kritiek zouden krijgen van andere psychotherapeuten en hebben de indruk dat Nederland nog niet kan accepteren dat er echt zulke vreselijke dingen gebeuren.

In de tweede reportage komt ook het ontuchtschandaal in Oude Pekela aan bod, dat Nederland sinds de eerste aangifte in mei 1987 bijna anderhalf jaar heeft beziggehouden. Er zouden in totaal zeventig meldingen van ontucht met kinderen bij de politie zijn binnengekomen. De gepensioneerde psychiater Gerrit Mik, die door het Openbaar Ministerie was ingeschakeld, meende dat 30 à 35 kinderen daadwerkelijk seksueel waren misbruikt. Hij had er 25 ondervraagd volgens een methode die door zijn vrouw was bedacht, want hij had zelf geen ervaring met jonge kinderen.

Hoewel er van de daders nooit een spoor is gevonden, beweert moeder Daniëlle in Tijdsein dat er niet alleen ontucht werd gepleegd door mensen die zich als clowns, tijgers en krokodillen hadden vermomd, maar dat er ook rituelen plaatsvonden. Daarbij werd een misvormd bruin meisje gedood, evenals een opa en een oma met een hondje en een paard. Volgens Tijdsein hadden zowel de ouders als de psychiater tegenover het onderzoeksteam verklaringen over rituele moorden afgelegd, maar de justitiële autoriteiten in Oude Pekela zouden dit hebben ontkend.

In deze zaak spelen de huisartsen Fred Jonker en Ietje Jonker-Bakker een bijzondere rol. Zij waren er al snel van overtuigd geraakt dat de kinderen door ontuchtplegers waren misbruikt. In eerste instantie zochten ze er niet meer achter, maar dit verandert wanneer ze anonieme telefoontjes krijgen van enkele slachtoffers van satanisch ritueel misbruik, die beweren dat er in Oude Pekela satanisten actief zijn. Vanaf dat moment neemt het huisartsenechtpaar ook de meest bizarre kinderverhalen serieus.

Twee maanden na de reportage van Tijdsein houden ze op de universiteit van Londen een lezing over het grootschalige satanisch ritueel misbruik in Oude Pekela. De enigszins aangepaste tekst wordt in 1991 in het International Journal on Child Abuse and Neglect geplaatst. Hoewel critici het betreuren dat dergelijke ‘opruiende artikelen’ in vaktijdschriften kunnen verschijnen, krijgen de Jonkers bijval van Amerikaanse satanistenbestrijders, die hen voortaan beschouwen als gezaghebbende deskundigen op het gebied van satanisch ritueel misbruik.

De ontwikkelingen binnen de hulpverleningspraktijk en de alarmerende reportages van Tijdsein maken duidelijk dat er in Nederland al verscheidene vrouwen zijn die in therapie herinneringen aan satanisch ritueel misbruik hebben hervonden. Het eerste rapport over ‘rituele kindermishandeling’ verschijnt in mei 1991. Het is in opdracht van de jeugd- en zedenpolitie in Nijmegen door een orthopedagoge opgesteld. Zij gaat echter alleen in op de situatie in de VS, die voor de politie kennelijk zo verontrustend was dat men zich beter wilde informeren over het fenomeen.

Het is niet verwonderlijk dat de overheid het probleem niet meteen structureel aanpakt, want zij weet formeel nog van niets. Pas wanneer een gezinsvoogdijvereniging in de loop van 1991 contact opneemt met de Afdeling Jeugdbescherming en Reclassering van het Ministerie van Justitie en met de Geneeskundige Hoofdinspectie Geestelijke Volksgezondheid over een zaak waarbij sprake zou zijn van satanisch ritueel misbruik van kinderen, is de eerste officiële melding een feit. In een signalement van 17 september 1992 informeert de Inspectie Jeugdhulpverlening de ministeries van WVC en Justitie over elf andere meldingen die bij hulpverleningsinstellingen zijn binnengekomen. Deze hebben betrekking op jeugdigen in de provincies Noord-Holland en Utrecht. Naar aanleiding hiervan wordt in overleg met Justitie besloten dat de Inspectie de aard en omvang van het satanisch ritueel misbruik zal inventariseren.

Nova in de ban van de MPS-beweging

In 1993 publiceren Suzette Boon en Nel Draijer een onderzoek naar de diagnostiek en symptomen van de meervoudige persoonlijkheidsstoornis, waarop Boon dat jaar aan de Vrije Universiteit promoveert. De onderzoekers hebben 82 vrouwen met een dissociatieve stoornis vergeleken met een controlegroep. In de eerste groep vinden ze 27 patiëntes (32,9 procent) met herinneringen aan satanisch ritueel misbruik. De vrouwen waren onder behandeling bij 19 Nederlandse MPS-therapeuten. Het percentage ritueel misbruikten ligt zowaar nog hoger dan een eerdere Amerikaanse schatting van Bennett Braun.

Boon en Draijer verstrekken in hun studie geen details over de ervaringen van de slachtoffers. Ze noemen alleen enkele algemene kenmerken van ritueel misbruik. Slachtoffers vertellen onder meer dat ze werden meegenomen naar afgelegen oorden waar ze getuige waren van erediensten voor Satan, het verminken en doden van dieren, het martelen van kinderen en offeren van baby’s. Ze kregen vaak drugs, werden soms levend begraven in een doodskist, werden seksueel misbruikt en zo mogelijk ook bevrucht.

Hoewel de onderzoekers er slechts een paar alinea’s aan wijden, die verstopt zitten tussen tweehonderd pagina’s vol wetenschappelijke termen, is het aan hun studie te danken dat satanisch ritueel misbruik in Nederland definitief op de kaart wordt gezet. Hierbij moet men bedenken dat wetenschapsbeoefenaren voor de media per definitie een betrouwbare bron zijn, totdat het tegendeel is bewezen. Dit is goed te zien aan de manier waarop de media zich door de MPS-beweging in het algemeen en Boon in het bijzonder op het verkeerde been laten zetten.

Na de Tijdsein-reportages hadden de media nauwelijks meer aandacht besteed aan het onderwerp. Enkelen waren er achter de schermen nog wel mee bezig. Het weekblad Panorama en het tv-programma CrimeTime stelden er vragen over aan de ministeries van Justitie en WVC, maar die hielden de boot af omdat ze bang waren voor sensationele berichtgeving. Om de media toch naar behoren te kunnen informeren, zoekt het ministerie van Justitie in april 1993 telefonisch contact met Tom Kamlag, de hoofdredacteur van de actualiteitenrubriek Nova. Hij wordt ingelicht over ‘een delicate kwestie, waar wellicht een televisieuitzending over gemaakt zou kunnen worden. Het heeft iets te maken met gruwelijke verhalen over kindermishandeling en rituelen. De materie is te ernstig om door de telefoon te bespreken en geheimhouding is vereist.’

Redactiechef Ad van Liempt en redacteur Oscar van der Kroon laten zich uitnodigen op het ministerie en spreken daar met een zeven personen sterke delegatie, waaronder mevrouw Lamping-Goos en enkele directeuren-generaal. Nova zegt niet meteen toe dat het onderwerp geschikt is voor een uitzending. Men wil eerst meer eigen onderzoek doen. De knoop wordt pas doorgehakt nadat Het Parool op 12 juni een artikel publiceert onder de titel ‘Ritueel misbruik van kinderen door satan’. Hierin vertelt Suzette Boon voor het eerst openlijk dat er in Nederland satanische cults actief zijn. Zij heeft van slachtoffers gehoord dat de rituelen onder meer plaatsvinden in afgelegen boerderijen, in verlaten fabrieken en in de duinen. Volgens Boon gaat het om intergenerationele organisaties, waar ouders hun kinderen van jongs af aan bij betrekken.

Op 28 juni 1993 is Boon samen met de hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Theo Compernolle te gast in een uitzending van Nova, waar beiden worden geïnterviewd door Paul Witteman. Een dag later besteedt Nova opnieuw een complete uitzending aan de gevreesde satanisten, waarbij Winnie Sorgdrager, procureur-generaal van het Gerechtshof te Arnhem, als studiogast aanwezig is. In beide uitzendingen zijn gesprekken te zien die de redactie in de weken daarvoor met hulpverleners, overheidsfunctionarissen, wetenschapsbeoefenaren en slachtoffers heeft gevoerd.

De redactie heeft ook met een paar sceptici gesproken, maar zij komen niet in beeld. Men beperkt zich tot deskundigen die erkennen dat ze zich moeilijk kunnen voorstellen dat de verhalen van de slachtoffers louter op fantasie berusten. Sorgdrager zegt dat ze dezelfde principiële houding wil innemen als ze eerder deed ten aanzien van incest: geloven tot het tegendeel is bewezen. Door de eenzijdige benadering van Nova lijkt het alsof satanisch ritueel misbruik een ernstig en wijdverspreid probleem is.

Daags na de eerste uitzending zijn er zes Tweede Kamerleden die er meteen vragen over stellen aan Hedy d’Ancona, de minister van WVC. Zij laat drie weken later weten dat bij een aantal politiekorpsen wel signalen van ritueel misbruik zijn binnengekomen, maar dat er nog nooit harde bewijzen zijn gevonden. Desondanks acht de minister het noodzakelijk dat er zo snel mogelijk een Werkgroep Ritueel Misbruik wordt ingesteld. Deze werkgroep moet de problematiek definiëren en in kaart brengen. Men zal ook onderzoeken welke problemen zich bij de aangifte van rituele misdaden kunnen voordoen. Zo nodig zullen er voorstellen worden gedaan voor nader onderzoek of zal er een meldingsprocedure worden geformuleerd.

De Werkgroep Ritueel Misbruik

De Nova-uitzendingen veroorzaken geen stroom van sensatieartikelen in de pers. Er verschijnen wel een paar artikelen over de kwestie in opiniebladen, maar daarin worden de gruwelverhalen over satanssekten niet serieus genomen. Dit is mede te danken aan het feit dat er in de VS al de nodige kritische literatuur over is verschenen. Mr. Joost Hulsenbek, de voorzitter van de Werkgroep Ritueel Misbruik, verschijnt aan het eind van het jaar nog wel in Nova om slachtoffers op te roepen hun ervaringen te melden. Hij stelt dat er in Nederland sprake is van zeer ernstige georganiseerde mishandeling. Het zou gaan om tientallen gevallen. Maar daar is niets meer van terug te vinden in het rapport dat de Werkgroep op 21 april 1994 uitbrengt. Het is tot op heden het enige overheidsrapport dat over ritueel misbruik is verschenen.

De Werkgroep definieert satanisch ritueel misbruik als: ‘met rituelen omgeven en in groepsverband uitgevoerd seksueel sadisme jegens meerdere kinderen in combinatie met extreme vormen van fysiek geweld en bedreiging’. Men wijst erop dat het onjuist zou zijn om de verhalen van de slachtoffers louter vanwege het ongehoord gruwelijke karakter als ongeloofwaardig af te doen. Hoewel er geen aantoonbare gevallen zijn gevonden, kan niet worden vastgesteld dat satanisch ritueel misbruik niet voorkomt. Volgens het rapport is het alleszins mogelijk dat er zeer ernstige gevallen van seksueel misbruik bestaan, waarbij de vraag of die onderdeel zijn van een satanisch ritueel van minder belang wordt geacht.

De Werkgroep kenmerkt zich door een ambivalente houding. Terwijl men aan de ene kant inzicht probeert te geven in het fenomeen, heeft men aan de andere kant veel twijfels over de informatie die vermeende ooggetuigen kunnen bieden. Men veronderstelt dat de rituelen van satanisten waarschijnlijk niet overeenkomen met de gruweldaden die de slachtoffers beschrijven en acht de kans gering dat hun verhalen ‘in volle omvang’ op waarheid berusten. De verhalen zouden een vervanging kunnen zijn voor andere traumatische gebeurtenissen. Wellicht gebruiken slachtoffers de verhalen als een afweermechanisme, waarmee minder extreme traumatische voorvallen worden verwerkt. Men acht het ook mogelijk dat sommige patiënten door de suggestieve vragen van een therapeut abusievelijk zijn gaan denken dat ze door satanisten zijn misbruikt. Ten slotte sluit de Werkgroep niet uit dat het gaat om hedendaagse legenden, die zich als een epidemie verspreiden door een netwerk van MPS-therapeuten en slachtoffers.

De weinig consistente houding van de Werkgroep Ritueel Misbruik is een gevolg van het feit dat de leden onderling sterk van mening verschillen over de vraag of er sprake is van een reëel probleem. Blijkbaar zijn de spanningen daarbij zo hoog opgelopen dat men geen gemeenschappelijk standpunt over de aard en de omvang van het rituele misbruik heeft kunnen bereiken. Dit heeft geresulteerd in een summier en onevenwichtig rapport, waarin een helder en duidelijk beleidsadvies ontbreekt.

Kort maar krachtig debat

Nadat Boon het satanisch ritueel misbruik op de politieke agenda heeft geplaatst, is het stil rond haar geworden. Hierin komt na de publicatie van het Rapport van de Werkgroep Ritueel Misbruik geen verandering, want zij wil daarop geen commentaar geven. Ook Draijer en Van der Hart, de andere grondleggers van de Nederlandse MPS-beweging, roeren zich niet in de media. In sommige dagbladen wordt nog wel naar hen verwezen, maar bijna alleen in kritische zin. Zij worden niet meer zelf aan het woord gelaten. Doordat de media steeds meer een beroep doen op critici en sceptici, neemt de invloed van de MPS-beweging op de publieke discussie snel af. Kennelijk is bij journalisten het besef doorgedrongen dat men zich in therapeutische kring slechts baseert op vermoedens en hypothesen, die niet kunnen worden onderbouwd.

Critici en sceptici hebben in de media de overhand, waardoor de therapeuten niet in staat zijn om met hulp van vermeende slachtoffers, gelijkgestemde politiefunctionarissen en religieuze leiders een omvangrijk netwerk op te bouwen, zoals hun dat in de Verenigde Staten wel lukte. Twee maanden na de publicatie van het Rapport van de Werkgroep Ritueel Misbruik is het in de media gevoerde debat over deze kwestie al weer voorbij. De satanisten worden niet langer gezien als een maatschappelijk probleem, maar eerder als boemannen die naar alle waarschijnlijkheid tijdens therapeutische sessies zijn gecreëerd.

Terwijl de rol van de MPS-beweging en hun medestanders in de media lijkt te zijn uitgespeeld, is dit in wetenschappelijke literatuur nog niet het geval. Enkele MPS-therapeuten publiceren artikelen in vaktijdschriften en hebben daarin belangrijke posities verworven. Zo maakt Van der Hart deel uit van de redactieraad van Directieve therapie, terwijl Draijer in de redactie van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid zit. Het echtpaar Jonker krijgt in 1994 de kans om in dit laatstgenoemde blad een lang artikel te publiceren, waarin ze opnieuw betogen dat er in Oude Pekela veel kinderen door satanisten zijn misbruikt. Beide artsen worden echter in enkele kranten berispt voor hun slecht onderbouwde conclusies.

De discussie in de wetenschappelijke literatuur houdt langer aan, omdat de betrokken therapeuten daar over een bredere basis beschikken. Zij hebben ritueel misbruik naar voren geschoven als één van de traumatische gebeurtenissen die een meervoudige persoonlijkheidsstoornis kan veroorzaken. Het debat over deze vorm van misbruik is ingebed in een wetenschappelijke visie op MPS. Maar na hun echec in de media gebruiken de MPS-therapeuten het fenomeen alleen nog als opstapje naar de initiële discussie over de meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Dit laat onverlet dat de verhalen over ritueel misbruik al hun weg hebben gevonden naar de strafrechtspraktijk.

De Eper incestaffaire

De eerste en tegelijk meest geruchtmakende zaak waarin satanisch ritueel misbruik aan de orde wordt gesteld, is de Eper incestaffaire. In deze zaak beschuldigt Jolanda van Baak haar ouders, broer en voormalige echtgenoot ervan zes van haar kinderen te hebben gedood en haar vijftien maal te hebben geaborteerd. Ook bij haar oudere zus Evelien zouden tegen haar wil vruchtafdrijvingen hebben plaatsgevonden.

Het is niet de eerste keer dat de zussen naar de politie stappen. Ze hebben in 1990 al aangifte gedaan van seksueel misbruik. Hun ouders en Jolanda’s ex-man werden hiervoor veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. De nieuwe aangiften (in december 1992) gaan echter veel verder en leiden tot een grootscheeps opsporingsonderzoek. Meer dan tweehonderd getuigen en verdachten worden ondervraagd. De politie en het leger verrichten opgravingen naar de babylichamen, maar er wordt niets gevonden. Uiteindelijk worden de ouders, een broer, de voormalige echtgenoot en drie kennissen veroordeeld voor zware mishandeling en meerdere abortussen.

Een uur nadat vonnis is gewezen ligt het boek Yolanda – Mijn verhaal in de winkel, met een nawoord van prof. dr. O. van der Hart. De gebeurtenissen die de auteur Bob Snoijink uit de mond van Jolanda heeft opgetekend, doen sterk denken aan de verhalen van cult survivors in de VS. Het boek staat vol extreme en perverse vormen van seksueel misbruik, abortussen, babymoorden en zelfs kannibalisme. Ook wordt er gesproken over een uitgebreid netwerk van daders (waaronder notabelen uit Epe en omstreken) en over een groot aantal slachtoffers. De overeenkomsten met ritueel misbruik zijn frappant, maar er zijn ook wezenlijke verschillen.

Cult survivors zijn in bijna alle gevallen met klachten van algemene aard bij een MPS-therapeut terechtgekomen en hebben pas in therapie herinneringen aan satanisch ritueel misbruik hervonden. Hun herinneringen hebben betrekking op ‘feiten’ waarvan ze nog niets wisten voordat ze in therapie gingen. Jolanda en Evelien zijn zich daarentegen altijd bewust geweest van het misbruik. Voor zover mij bekend zijn zij niet in therapie geweest voordat ze aangifte deden. Klasgenoten en kennissen van Jolanda waren al voor de eerste aangifte op de hoogte van het seksueel misbruik. Zij verklaarden dat ze Jolanda enkele jaren voordat haar eerste kind werd geboren, zwanger hadden gezien. Ook de autoriteiten waren op de hoogte, want Jolanda was al in 1982 door de Raad voor de Kinderbescherming uit huis geplaatst. Haar ouders bekenden dat zij hun dochters seksueel hadden misbruikt.

Het belangrijkste verschil tussen de verklaringen van Jolanda en Evelien en de verhalen van cult survivors is dat de zussen niet hebben beweerd dat hun ouders vanuit religieuze motieven handelden of dat het seksueel misbruik, de abortussen, de babymoorden en het kannibalisme een onderdeel waren van satanische rituelen. De satanische context ontbreekt, al suggereert Jolanda in het laatste hoofdstuk van haar boek dat er meer achter zit en dat er mogelijk sprake was van een ‘vieze sekte’, die opereerde vanuit het landgoed waar haar vader werkte. Daar werden volgens haar maandelijks grote feesten georganiseerd en ‘het zou me niet verbazen als die zich rond volle maan afspeelden’. Jolanda zegt dat ze zich herinnert hoe een baby tussen rijen mensen naar een groot vuur werd gebracht en ze was naar eigen zeggen getuige van tien moorden op baby’s uit Epe en omgeving. Maar daarover heeft ze de politie niet nader ingelicht: ‘Er blijven dingen die ik nooit zal vertellen.’

Tijdens de behandeling van het hoger beroep, dat na de publicatie van het Rapport van de Werkgroep Ritueel Misbruik plaatsvindt, wordt satanisch ritueel misbruik wel aan de orde gesteld. Twee rechercheurs van de Centrale Recherche Informatiedienst verklaren dat de Eper incestaffaire veel kenmerken van ritueel misbruik heeft. Advocaat-generaal Yvo van Kuijck maakt in zijn requisitoir gebruik van het werkgroeprapport, maar gaat niet in op de vraag of er bij Jolanda sprake was van ritueel misbruik. Het Gerechtshof Arnhem en de Hoge Raad doen dit in hun arresten ook niet.

Kleine satanische erupties

De kentering in het publieke debat over satanisch ritueel misbruik, die al kort na de uitzendingen van Nova zijn beslag krijgt, leidt ertoe dat de MPS-therapeuten in het openbaar geen weerwoord meer bieden, zodat de kwestie geen nieuwswaarde meer heeft. De therapeuten ontraden ook hun patiënten om met hun ervaringen naar buiten te treden. Het meldpunt dat na het rapport van de werkgroep werd ingesteld, levert evenmin stof op. Er komt slechts één melding binnen, van een vrouw die zich bedreigd voelt door een alternatieve genezer. Er verschijnt in februari 1995 nog wel een rapport van de Werkgroep Meervoudige Persoonlijkheidsstoornissen. De minister van WVC had in 1993 aangekondigd dat daarin ook een hoofdstuk zou worden opgenomen over satanisch ritueel misbruik, maar dit onderwerp wordt in het rapport nergens genoemd.

Veronica zendt in 1996 een zesdelige documentaireserie uit onder de titel De verboden herinnering. Deze documentaire, die lang in de maak was, gaat aan de hand van verhalen van slachtoffers, praktijkervaringen van hulpverleners en rechercheurs, en de visie van wetenschapsbeoefenaren uitvoerig in op alle aspecten van satanisch ritueel misbruik en op de meervoudige persoonlijkheidsstoornis waaraan de slachtoffers zouden lijden. Hoewel vertegenwoordigers van alle betrokken partijen in de gelegenheid worden gesteld om hun verhaal te vertellen, kan men uit de onderliggende toon van de documentaire opmaken dat er grote vraagtekens moeten worden gezet bij de verklaringen van de slachtoffers.

Er verschijnen geen reacties op de documentaire, maar de zaken die daarin worden besproken hebben het satanische gevaar wel opnieuw zichtbaar en herkenbaar gemaakt voor de bevolking. Enkele dagen na de tweede aflevering bericht De Telegraaf over vermeende satanische praktijken in ’t Lichtpunt te Kollumerzwaag. Dit diaconaal opvangcentrum zou een dekmantel zijn voor een satanssekte. De leiding zou sommige bewoners tegen hun zin vasthouden en hen dwingen tot deelname aan rituelen waarbij kleine kinderen en dieren zouden worden misbruikt en geofferd. De geruchten worden wel in nationale media besproken, maar raken al snel weer in de vergetelheid. Kennelijk ziet men het als een incident en niet als een signaal van een onderliggend structureel maatschappelijk probleem. Het is geen reden om de discussie over satanisch ritueel misbruik nieuw leven in te blazen.

Hervonden herinneringen ter discussie

Nadat critici en sceptici de maatschappelijke beroering over de imaginaire satanssekten succesvol hebben bestreden, richten zij zich op het fenomeen hervonden herinneringen. Relatief veel patiënten van MPS-therapeuten hebben zich immers pas in therapie gerealiseerd dat zij in hun jeugd door familieleden zwaar werden mishandeld of seksueel misbruikt. Voordien waren ze zich daar nog niet van bewust geweest.

De psychologen Hans Crombag en Harald Merckelbach noemen in hun boek Hervonden herinneringen en andere misverstanden verschillende factoren die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van hervonden herinneringen. Volgens hen hebben patiënten vaak behoefte aan een psychotherapeutische verklaring voor hun problemen. Hervonden herinneringen kunnen zo’n verklaring bieden, zonder de oorzaak van de problemen bij de patiënt zelf te leggen. Daar komt bij dat de betreffende patiënten vaak moeite hebben om de herkomst van een herinnering vast te stellen. Zij kunnen echte gebeurtenissen niet goed van hun eigen fantasieën onderscheiden.

Crombag en Merckelbach achten het aannemelijk dat de diagnose MPS dikwijls ten onrechte wordt gesteld. Dat vinden ze niet verwonderlijk omdat de betrokken psychotherapeuten naar hun oordeel weinig kennis hebben over de werking van het geheugen. Mede daardoor kunnen ze over het hoofd zien dat leemten in het geheugen niet altijd het gevolg zijn van dissociatie of verdringing, maar ook een organische oorsprong kunnen hebben.

Naar aanleiding van het debat over hervonden herinneringen worden twee adviezen over de gevolgen van hervonden herinneringen op de strafrechtspleging uitgebracht aan de minister van Justitie en het College van Procureurs-Generaal. Op basis van beide adviezen stelt het College een aanwijzing op, die praktijkjuristen een handvat moet bieden in de door de toenemende psychologisering steeds complexer wordende zedenzaken. Wanneer er sprake is van hervonden herinneringen, van herinneringen voor het vierde levensjaar of van ritueel misbruik, dan zijn opsporingsambtenaren in het vervolg verplicht om in een vroeg stadium van de opsporing de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken in te schakelen. Deze Expertisegroep heeft tot taak de geloofwaardigheid van de aangiften te beoordelen en kan ook in andere zedenzaken om advies worden gevraagd.

Uit het eerste verslag van de Expertisegroep blijkt dat in elk geval tot en met 2000 niemand is veroordeeld op basis van hervonden herinneringen aan seksueel misbruik, satanisch ritueel misbruik of wat voor delict dan ook. Dat is toch een geruststellende gedachte.

Bronnen

Beetstra, Tjalling A., Massahysterie in de Verenigde Staten en Nederland: De affaire rond de McMartin Pre-School en het ontuchtschandaal in Oude Pekela, in: Peter Burger en Willem Koetsenruijter (red.), Mediahypes en moderne sagen: Sterke verhalen in het nieuws, Leiden, Stichting Neerlandistiek Leiden, 2004, blz. 53-69.
Boon, Suzette en Nel Draijer, Multiple Personality Disorder in the Netherlands: A Study on Reliability and Validity of the Diagnosis, Amsterdam/Lisse, Swets en Zeitlinger, 1993.
Boon, Suzette en Onno van der Hart, Dissociëren als overlevingsstrategie bij fysiek en seksueel geweld: Trauma en dissociatie 1, in: Maandblad Geestelijke volksgezondheid, Jrg. 43, Nr. 11, 1988, blz. 1197-1207.
Boon, Suzette en Onno van der Hart, Het herkennen van dissociatieve stoornissen, in het bijzonder de multiple persoonlijkheid: Trauma en dissociatie 2, in: Maandblad Geestelijke volksgezondheid, Jrg. 43, Nr. 11, 1988, blz. 1208-1225.
Crombag, Hans F.M. en Harald L.G.J. Merckelbach, Hervonden herinneringen en andere misverstanden, Amsterdam/Antwerpen, Contact, 1996.
De verboden herinnering: over MPS en ritueel misbruik (VOO), september – oktober 1996.
Draijer, Nel, Seksuele traumatisering in de jeugd: Gevolgen op lange termijn van seksueel misbruik van meisjes door verwanten, Dissertatie Vrije Universiteit, Amsterdam, SUA, 1990.
Fauwe, Loes de, Ritueel misbruik van kinderen voor satan, in: Het Parool, 12 juni 1993.
Hart, Onno van der (red.). Trauma, dissociatie en hypnose. Amsterdam/Lisse, Swets en Zeitlinger, 1991.
Huisman, Ellen, Rituele kindermishandeling. Een literatuuronderzoek, Nijmegen, Korps Rijkspolitie, Sectie Jeugd- en Zedenzaken, 1991.
Jonker, Fred en Ietje Jonker-Bakker, Experiences with Ritualist Child Sexual Abuse: A Case Study from The Netherlands, in: International Journal on Child Abuse and Neglect, Vol. 15, Nr. 3, 1991, blz. 191-196.
Klopper, Roy, Onderzoek naar rituele moord op baby’s in opvangcentrum, in: De Telegraaf, 11 september 1996.
Klopper, Roy, Ongeloof in Friesland over rituele babymoord, in: De Telegraaf, 12 september 1996.
Kroon, Oscar van der, Sekten en rituele kindermishandeling: Het verhaal achter een Nova-uitzending, in: Peter Burger en Willem Koetsenruijter (red.), Mediahypes en moderne sagen: Sterke verhalen in het nieuws, Leiden, Stichting Neerlandistiek Leiden, 2004, blz. 117-127.
Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, De feiten beschouwd: Verslag van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken over de periode 1 oktober 1999 – 31 december 2000, juni 2001.
Nova (NOS/VARA), 28-29 juni 1993.
Tijdsein (EO), 5 april en 14 juni 1989.
Werkgroep Ritueel Misbruik, Rapport van de Werkgroep Ritueel Misbruik, Den Haag, Ministerie van Justitie, Directie Staats- en Strafrecht, april 1994.
Yolanda en Bob Snoijink, Yolanda – Mijn verhaal: De Eper incestaffaire, ’s-Gravenhage, BZZTôH, 1994.

Dit artikel is gebaseerd op mijn proefschrift Van kwaad tot erger: De sociale constructie van satanisch ritueel misbruik in de Verenigde Staten en Nederland. Het boek is in eigen beheer uitgegeven en is verkrijgbaar via het hotmailadres van ta_beetstra.

Uit: Skepter 23.2 (2010)

Tjalling A. Beetstra is criminoloog en jurist