Dirk Koppenaal vult de flesjes met Vitalisator
Het religieuze brein

door Ronald Kaptein

Het overgrote deel van de wereldbevolking gelooft in God of goden. Hoewel religie door veel mensen als een cultureel verschijnsel wordt gezien, zijn er steeds meer aanwijzingen dat de neiging tot geloven van nature in de mens aanwezig is.

Voordat de moderne medische wetenschap zijn intrede deed, werd aan epilepsie vaak een religieuze of goddelijke betekenis gegeven. De oude Grieken zagen het als een heilige ziekte, terwijl men in de middeleeuwen dacht dat epileptici door de duivel waren bezeten. Het Oudgriekse woord epilepsia betekent zelfs zoiets als ‘bezit nemen van’. In de 19de eeuw begon het psychiaters op te vallen dat veel epilepsiepatiënten erg religieus waren. Later werd ontdekt dat dit met name het geval was bij temporaalkwabepilepsie. Men dacht in die tijd echter niet direct aan een neurologische oorzaak voor die religiositeit, maar zocht de reden eerder in het feit dat epileptici vaak sociaal afgezonderd waren en een sterke behoefte aan troost hadden.

Door sommigen is zelfs geopperd dat veel (christelijke) heiligen ook epilepsie hadden (Dewhurst en Beard 1970). Het opmerkelijkste verhaal is dat van de apostel Paulus, die volgeling van Jezus zou zijn geworden na een visioen tijdens een epileptische aanval. Ook Mohammed wordt er vaak mee in verband gebracht. Sinds de jaren vijftig zijn er experimenten gedaan waarbij de temporaalkwab, onderdeel van de hersenschors, van patiënten werd gestimuleerd tijdens hersenoperaties, waarop de patiënten soms begonnen te vertellen over een ‘kosmisch bewustzijn’, een spirituele aanwezigheid of andere anomale ervaringen.

In de jaren 1980 ontwikkelde de neurowetenschapper Michael Persinger een soort bromfietshelm (de ‘god helmet’) die met behulp van magnetische velden de temporaalkwab prikkelde en zo dezelfde gevoelens zou oproepen. Persinger beweerde dat dit bij tachtig procent van zijn proefpersonen het geval was. Zweedse onderzoekers (Granqvist et al., 2005) konden zijn resultaten niet bevestigen, maar ontdekten wel dat de suggestibiliteit van proefpersonen een grote rol speelde. Voorlopig staat het dus nog niet vast dat de helm echt werkt.

De temporaalkwab is vaak als het centrum van religiositeit aangewezen. Het is echter de vraag of de ervaringen in de kern al religieus waren. Waarschijnlijk is er slechts sprake van een reeks complexe gewaarwordingen, die vervolgens worden geïnterpreteerd als een religieuze of mystieke ervaring. Volgens Dewhurst en Beard (1970) is Joseph Smith, de stichter van de mormonen, hier een voorbeeld van. Hij zou als 14-jarige jongen een epileptische aanval hebben gekregen, waarbij hij het gevoel kreeg dat hij werd overmand door een vreemde macht. Alles om hem heen werd donker. Daarna verscheen er boven zijn hoofd een pilaar van licht die langzaam op hem neerdaalde. Hij zag twee lichtende personen, die hem vertelden dat geen enkele kerk of sekte de waarheid predikte. Smith beweerde dat hij God en Christus had ontmoet. Maar hij vertelde het verhaal pas 18 jaar later en er bestaan verschillende versies. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij zijn visioen had verzonnen (zie www.irr.org/mit/first-vision.html).

Spreken in tongen

Recentelijk is er met moderne apparatuur onderzoek gedaan naar mystieke ervaringen van gezonde mensen. Zo keek men met behulp van fmri wat er gebeurde in de hersenen van karmelietessen wanneer ze zich in een staat van eenheid met God bevonden (Beauregard en Paquette, 2006). Een hele reeks gebieden bleek geactiveerd te worden. Veel daarvan hadden direct of indirect met sterke gevoelens van liefde en geluk te maken. Ook delen van de temporaalkwab waren actief, alsmede gebieden die te maken hebben met de gewaarwording van ons eigen lichaam.

Een andere studie richtte zich op glossolalie, het vloeiend voortbrengen van betekenisloze, taalachtige klanken, ook bekend als spreken in tongen (Newberg et al., 2006). De onderzoekers lieten vijf vrouwelijke leden van een pinksterbeweging ruim een kwartier in tongen spreken. Aansluitend werden er SPECT-scans van hun hersenen gemaakt. Het belangrijkste resultaat was dat de prefrontale cortex een daling van de activiteit liet zien bij glossolalie. Dit hersengebied is belangrijk bij de bewuste controle van gedrag, en het resultaat is dus in overeenstemming met het gevoel van de proefpersonen dat ze geen controle hebben over de glossolalie.

De onderzoekers hadden ook verwacht een hoge activiteit te vinden in de emotionele hersendelen, maar die bleek niet of nauwelijks aanwezig. Dat is misschien niet verrassend omdat glossolalie niet noodzakelijk een emotionele of extatische ervaring is. Het is eerder een vorm van automatisch gedrag, die de meeste mensen met wat oefening kunnen leren en die men van elkaar overneemt. Het lijkt mysterieus zolang je het zelf niet hebt geprobeerd.

Bepaalde meditatieve toestanden passen beter in het rijtje van mystieke ervaringen. De prefrontale cortex is een hersengebied dat in onderzoek naar meditatie vaak naar voren komt, maar er is dan juist sprake van een toename van activiteit, in overeenstemming met een toename van zelfcontrole tijdens meditatie. Ook de anterior cingulate cortex, die een belangrijke emotionele en cognitieve rol speelt, is vaak actiever. Maar mede door de enorme diversiteit in soorten meditatie is het erg moeilijk om een consistent beeld te schetsen (zie Cahn en Polich 2006 voor een overzicht).

De verscheidenheid aan mystieke en religieuze ervaringen is enorm, maar er zijn toch wel gemeenschappelijke eigenschappen aan te wijzen. Vaak zeggen mensen dat ze de kern van de werkelijkheid hebben ervaren, maar dat ze die onmogelijk in woorden kunnen uitleggen. Daarnaast wordt er vaak een gevoel van eenheid, een gevoel van ruimte- en tijdloosheid en een gevoel van liefde gemeld. Het limbisch systeem is een belangrijke hersenstructuur die heel goed aan de basis van al deze gevoelens zou kunnen liggen, al zouden andere gebieden ook mee kunnen spelen. Belangrijke delen van het limbisch systeem liggen in de temporaalkwab, wat de verschijnselen bij epileptici zou kunnen verklaren. Daarnaast is een ander deel van temporaalkwab in verband gebracht met uittredingservaringen.

Verstoringen in hersengebieden kunnen leiden tot rare gewaarwordingen, die vervolgens als iets mystieks worden geïnterpreteerd. Abnormale activiteit in gebieden die te maken hebben met de vorming van ons zelfbeeld en de gewaarwording van ons lichaam kan bijvoorbeeld leiden tot de illusie van een andere aanwezigheid of het gevoel op te gaan in een groter geheel. In de taal- en spraakgebieden, die zich ook in de temporale cortex bevinden, leiden verstoringen wellicht tot het horen van stemmen, en in de visuele gebieden tot het zien van een licht. Mystieke ervaringen van normale mensen zijn moeilijker te doorgronden dan de ervaringen van epileptici. Al is normaal een rekbaar begrip: er zijn normale mensen die van nature een hoge activiteit in bepaalde hersengebieden hebben en daardoor soms bijzondere sensaties ondervinden.

Groepsselectie of bijproduct?

Een mogelijke verklaring voor buitengewone ervaringen is dat, vooral bij zieke mensen, abnormale hersenactiviteit tot bijzondere sensaties kan leiden. Door de grote rol van religie in onze samenleving, worden de ervaringen in dat religieuze licht geïnterpreteerd. Mystieke ervaringen zijn wetenschappelijk gezien erg interessant, maar ze zijn meestal slechts een randverschijnsel. De universaliteit van religie zelf is minder makkelijk te negeren.

Ruim 85 procent van de wereldbevolking is religieus. In de VS gelooft zelfs 94 procent van de bevolking in God. Er zijn mensen die hieruit concluderen dat er daarom wel een god zal bestaan. Een logischer verklaring is dat religie zit ingebakken in onze hersenen: de meesten mensen kunnen niets anders dan geloven.

Religie heeft waarschijnlijk, net als vele andere menselijke eigenschappen, een evolutionaire oorsprong. Velen menen dat religie dit zelf in gang heeft gezet. Religie zorgt voor sociale stabiliteit in een gemeenschap, wat evolutionair voordeel geeft ten opzichte van ongelovige groepen. Hiervoor is echter groepsselectie nodig, en er is nog zeer veel twijfel onder wetenschappers of dat wel echt bestaat. Groepsselectie wil zeggen dat bepaalde genen zich verspreiden omdat ze goed zijn voor de groep, niet omdat ze goed zijn voor een individu. Onder andere Richard Dawkins is er niet van overtuigd dat zulke evolutie daadwerkelijk kan plaatsvinden. ‘Boeren hebben misschien belang bij de productiviteit van een groep, maar evolutie heeft dat niet’, schreef hij ooit.

Er zou ook nog groepsselectie op cultureel in plaats van genetisch niveau kunnen plaatsvinden, maar daar worden eveneens veel vraagtekens bij gezet. Mocht groepsselectie toch plaats hebben gevonden, op welke manier ook, dan is er misschien een rol weggelegd voor de enkelingen met sterke mystieke ervaringen. Zij zouden de kiemen geweest kunnen zijn voor het ontstaan van religie, die zich dan door groepsevolutie verder verspreidde (zie bijvoorbeeld Boyer en Bergstrom, 2008).

Er is echter nog een andere hypothese, ook gebaseerd op evolutie, die steeds meer aan populariteit wint. Hierbij is religie niet meer de drijfveer van de evolutie, maar slechts een bijproduct van een ander evolutionair proces. De hoofdgedachte is dat bepaalde hersenprocessen die zijn geëvolueerd voor met name sociaal gedrag, onbedoeld ook leiden tot de sterke neiging om in goden en andere religieuze zaken te geloven.

Gods emoties

In 2009 zijn er twee grote studies gepubliceerd die ingaan op de vraag wat de neurale basis van religie is. Kapogiannis en collega’s (2009) probeerden daarvoor eerst het abstracte begrip ‘geloof’ te reduceren tot drie psychologische dimensies: perceptie van Gods betrokkenheid (wel of niet betrokken), perceptie van Gods emoties (wel of niet emotioneel) en religieuze kennis op basis van dogma’s tegenover ervaring (abstract tegenover praktisch). De gedachte is dat idealiter met deze drie dimensies het geloof van iedere persoon op een globale manier kan worden beschreven, net zoals de drie ruimtelijke dimensies dat voor elke positie doen.

In een tweede experiment werden proefpersonen met uitspraken op basis van deze dimensies geconfronteerd (bijvoorbeeld ‘mijn zonden maken God boos’), en werd met behulp van fmri de hersenactiviteit in kaart gebracht. Op deze manier konden hersengebieden gerelateerd worden aan de gevonden dimensies. De resultaten laten dan zien welke hersengebieden betrokken zijn bij het nadenken over God en religie.

De onderzoekers vonden een hele lijst van actieve hersengebieden, afhankelijk van naar welke van de drie dimensies werd gekeken. Gebrek aan Gods betrokkenheid activeerde een hersennetwerk dat te maken heeft met het begrijpen van handelingen van anderen, waaronder hersengebieden gerelateerd aan de momenteel zeer veel onderzochte spiegelneuronen.

Het vermogen om anderen te begrijpen, iets dat naast mensen maar zeer weinig dieren kunnen, wordt vaak aangeduid met de term Theory of Mind (ToM). Bij uitspraken over Gods emoties werden met name de emotionele delen van ToM-netwerken geactiveerd. Dogmatische stellingen leidden tot activiteit in hersengebieden die te maken hebben met het verwerken van metaforische en abstracte ideeën. Er moet wel worden opgemerkt dat bij deze analyse het geloof van de proefpersonen niet is meegenomen, dus zeggen de resultaten niets over welke hersengebieden nu juist bij gelovigen actief zijn.

Kapogiannis en collega’s zien in hun resultaten steun voor de theorie dat geloof geïntegreerd is in hersennetwerken die met name voor sociale cognitie worden gebruikt, in plaats van dat ze, om met de onderzoekers te spreken, sui generis zijn. Ze zijn dus sterke aanhangers van de bijproducthypothese. Maar omdat ze alleen maar hebben onderzocht welke gebieden actief zijn bij het denken over God, en niet bij het daadwerkelijk geloven, zijn hun conclusies nog niet vanzelfsprekend.

Een buffer tegen angst

Inzlicht en collega’s (2009) kozen voor een andere benadering. Zij richtten zich op één specifiek hersengebied: de anterior cingulate cortex (ACC). De ACC heeft onder andere te maken met het detecteren van fouten, het anticiperen op beloningen en het moduleren van emotionele reacties. Het is ook erg belangrijke bij zelfregulering. De ACC is eveneens de bron van de zogenoemde error-related negativity (ERN), een signaal dat optreedt als de hersenen detecteren dat er een fout is gemaakt of als ze onzeker zijn over hun reactie. Dit ERN-signaal was waar de onderzoekers met name in geïnteresseerd waren.

De proefpersonen werden eerst getest op hun mate van religiositeit. Vervolgens moest ze, volgeplakt met hersenelektroden, de zogenoemde Stroop-test doen. Deze test houdt in dat proefpersonen de kleur van een woord moeten opnoemen, terwijl het woord zelf ook een kleur is (bijvoorbeeld het woord ‘geel’ in een rood lettertype). Dit klinkt makkelijker dan het is, omdat we onze drang om het woord op te lezen moeilijk kunnen onderdrukken. De Stroop-test is ideaal om een sterke ERN uit te lokken, die met behulp van de elektroden werd gemeten.

Uit de resultaten bleek dat gelovige proefpersonen minder fouten maakten tijdens de Stroop-test. Ze waren echter ook trager, wat erop lijkt te duiden dat ze weloverwogen antwoorden gaven. Minder gelovige proefpersonen waren sneller, maar ook onnauwkeuriger. Minstens net zo interessant was het verschil in ERN: als er een foute reactie werd gegeven, was de ERN bij gelovige proefpersonen zwakker dan bij ongelovige. Het was zelfs zo dat hoe sterker iemand geloofde, hoe zwakker zijn of haar ERN was.

Omdat er nog veel onduidelijk is over de ERN, is het interpreteren van deze uitkomsten nog erg speculatief. De onderzoekers denken dat geloof op deze manier een soort buffer tegen angst vormt. Door vorm te geven aan hoe iemand op de wereld reageert, maar ook door de reactie op onzekere gebeurtenissen te onderdrukken. Interessant is dat uit een eerdere studie bleek dat erg conservatieve mensen een soortgelijke verzwakking van de ERN vertonen. Inzlicht en collega’s suggereren dan ook dat misschien elke ideologie eenzelfde soort ‘bescherming’ biedt, en dat dit dus niet per se aan religie is voorbehouden.

Zoals veel vaker bij hersenstudies is de richting van causaliteit niet duidelijk. Zorgt geloof ervoor dat de ACC minder reageert op fouten en onzekerheid? Of zorgt een stille ACC er juist voor dat mensen zich sneller tot een religie aangetrokken voelen? Hoewel hun resultaten hier geen uitsluitsel over geven, hebben de onderzoekers toch duidelijk een voorkeur voor de eerste verklaring. Ze verwijzen naar experimenten die erop wijzen dat het verhogen van onzekerheid vaak leidt tot een sterker geloof.

Complottheorieën

Geloof lijkt dus zelfs al te helpen om aan triviale onzekerheden het hoofd te bieden. Dat religie helpt om met fundamentele, levensbeschouwelijke onzekerheden om te gaan wordt natuurlijk al veel langer als een van de belangrijkste functies genoemd. Een geloof geeft bijna per definitie zekerheid en houvast, omdat het niet afhangt van waarnemingen en de situatie. ‘Het is de wil van God’, is een dooddoener in fundamentele/ethische discussies, vooral in de VS. Religie leidt dus tot minder onzekerheid. Maar verrassend genoeg leidt meer onzekerheid ook tot meer religie, zo blijkt uit verschillende onderzoeken.

In 2008 manipuleerden onderzoekers van de universiteit van Texas proefpersonen op zo’n manier dat ze het gevoel kregen geen controle meer te hebben (Whitson et al, 2008). Ze moesten bijvoorbeeld iets raden op basis van foutieve feedback van de experimentator, of ze moesten zich een situatie uit het verleden voor de geest halen waarin ze de controle kwijt waren. Hierna bleek uit andere experimenten dat deze proefpersonen vaker de neiging hadden om patronen te zien waar die niet waren. Ze zagen bijvoorbeeld afbeeldingen in plaatjes met alleen maar ruis, niet bestaande patronen in beurskoersen, en ze waren ook gevoeliger voor complottheorieën en voor bijgeloof. Hoewel er bij de studie van Whitson wat vraagtekens kunnen worden geplaatst (zie kader), hebben ook soortgelijke studies uitgewezen dat persoonlijke onzekerheid leidt tot het versterken van het eigen geloof, tot meer geloof in een controlerende god en tot de neiging andere religies als inferieur te zien.

Bij dit soort psychologische experimenten is het altijd nog maar de vraag of er geen onvoorzien effect is dat alle conclusies onderuit haalt. Toch lijkt het erop dat veel mensen een sterke, misschien wel aangeboren neiging hebben om in onzekere situaties terug te vallen op geloof. Misschien wel met een goede reden: het vermijden van onzekerheid en het behouden van controle is een zeer belangrijke factor voor fysieke en psychische gezondheid. Verschillende onderzoeken suggereren zelfs dat gelovige mensen langer leven. Een onderzoek van Hall (2006) spreekt zelfs van 2 tot 3 jaar langer voor mensen die wekelijks een religieuze dienst bijwonen. Flink wat, in vergelijking met de 3 tot 5 jaar die, volgens hetzelfde artikel, regelmatig sporten oplevert.

monkeyWhitson en Galinsky (2008), twee bedrijfskundigen, voerden onder meer een experiment uit waarbij 36 studenten 24 zoekplaatjes bekeken. In de helft daarvan was een tekening van een object of dier verborgen. Omdat er veel ruis was toegevoegd, was het soms heel lastig om het object te herkennen. De proefpersonen vernamen van tevoren dat in sommige plaatjes niets verborgen was. Als ze niet snel wat zagen, moesten ze ‘none’ opschrijven. Een deel van hen kreeg eerst een andere opdracht die was bedoeld om ze een onzeker en machteloos gevoel te geven.

De onderzoekers rapporteerden in Science dat de groep veronzekerde studenten gemiddeld 5 objecten herkende in plaatjes waarin niets verborgen was. De overige proefpersonen benoemden niet veel meer dan 3 plaatjes. Hoewel het verschil in dit geval niet significant was (p=0,09), ging het wel in de verwachte richting.

De onderzoekers rapporteerden dat bijna alle proefpersonen een object zagen in de 12 plaatjes waarin werkelijk wat verborgen zat. Hun gemiddelde was 11,4. Dat is opmerkelijk hoog. Het zou betekenen dat de meeste proefpersonen dachten te zien wat er in het hiernaast afgebeelde plaatje zit verborgen. Achttien lezers van Skepter die het ook probeerden, noteerden gemiddeld bij minder dan 9 van de 12 plaatjes een object en hadden er gemiddeld 6,6 goed. In de overige 12 plaatjes, die niets voorstelden, zagen ze vrijwel niets (1,0). Betekent dit dat skeptici totaal geen last hebben van onzekerheid of is er een andere verklaring?

Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat de proefpersonen van Jennifer Whitson bij elk plaatje dat niet helemaal random leek iets probeerden in te vullen onder het motto: niet geschoten, altijd mis. Ze hadden gehoord dat de score werd bepaald door het aantal goede antwoorden te tellen. Wellicht zagen ze in feite niet meer patronen dan skeptici en hadden ze ook niet meer antwoorden goed. Alle objecten waren duidelijk te zien wanneer je wist wat er verborgen zat, behalve in plaatje 22 (hierboven). Een mailtje aan Whitson leerde dat het een ‘monkey’ is, al gaf ze toe dat ze zelf ook moeite had gehad om de aap te zien. (red.)

Met en zonder eigen wil

Een hele andere manier om te onderzoeken in welke mate religie zit ingebakken in onze hersenen, is door te kijken naar jonge kinderen. Hun hersens kunnen worden gezien als een soort basisbrein, waar cultuur en samenleving nog geen invloed op hebben gehad. Van jonge kinderen kan natuurlijk moeilijk worden nagegaan of ze bijvoorbeeld christen of moslim zijn, maar er kan wel worden gekeken of bepaalde elementaire eigenschappen van religie al aanwezig zijn.

Een essentieel aspect is bijvoorbeeld het onderscheid tussen dingen met en zonder eigen wil. Uit onderzoek blijkt dat baby’s van vijf maanden oud dat onderscheid al maken (Kuhlmeier, 2004). De baby’s kregen filmpjes te zien waarin dozen en mensen op verschillende manieren door het beeld bewogen. Dozen die op een rare manier bewogen, wekten verbazing op, maar mensen deden dat niet, waaruit de onderzoekers afleidden dat baby’s waarschijnlijk al een apart cognitief systeem voor dingen met een eigen wil hebben.

Dit onderscheid tussen geest en materie, eigenlijk niets anders dan het cartesiaanse dualisme, is ook bijna onvermijdelijk. Het is voor de mens bijna onmogelijk om dit onderscheid niet te maken. Eén van de gevolgen is dat we ons zonder problemen een geest zonder lichaam kunnen voorstellen. Het is dan nog maar een kleine stap naar het bedenken van een god of een leven na de dood.

Zelfs hele jonge kinderen doen dat al. Bering en Bjorklund (2004) lieten kinderen van 3 tot 12 jaar oud naar een poppenkast kijken waarin een krokodil een muis opat. Vervolgens werden de kinderen ondervraagd over het geestelijke en lichamelijke functioneren van de opgegeten muis. De meeste kinderen waren het er over eens dat de muis er lichamelijk gezien niet meer was. Op vragen als ‘zal hij ooit groeien totdat hij een oude muis wordt?’, ‘werken zijn oren nog?’ en ‘moet hij nog naar de wc?’ antwoordden bijna alle kinderen ontkennend. Als er echter naar de psychobiologische (‘heeft hij nog honger?’) en cognitieve toestand (‘wil hij graag naar huis?’) gevraagd werd, antwoordden vooral de jonge kinderen veel vaker positief. In een aanvullend experiment werden dezelfde vragen ook aan volwassenen voorgelegd. Verrassend genoeg waren er veel vragen, zoals ‘wil de muis nog steeds naar huis?’ en ‘houdt de muis nog steeds van zijn moeder?’, waar ook een groot deel van de volwassenen (soms wel 60%) ja op antwoordde.

De belangrijkste conclusie van de onderzoekers was dat jonge kinderen nog vaak geloven in de continuïteit van de geest na de dood, maar dat dit geloof langzaam afneemt met de leeftijd. Dit lijkt dus een sterk argument voor de hypothese dat mensen een aangeboren aanleg hebben om in een onsterfelijke geest en dus een leven na de dood te geloven. De onderzoekers denken dan ook dat de culturele en religieuze invloeden op latere leeftijd op een effectieve manier gebruik maken van deze van nature aanwezige cognitieve vooroordelen.

Smetvrees

Een andere aanleg die volgens veel wetenschappers een belangrijke rol speelt, is de sterk ontwikkelde drang om overal oorzaak en gevolg te ontwaren. Diverse onderzoeken tonen bijvoorbeeld aan dat kinderen vanaf een jaar of vier al de neiging hebben om overal opzet in te zien: wolken zijn er zodat het kan regenen, en sommige rotsen zijn scherp zodat dieren er zich aan kunnen krabben. Veel volwassenen hebben die sterke neiging nog steeds, getuige een veel voorkomende stelling als ‘bomen produceren zuurstof omdat dieren dat nodig hebben’. De stap naar een god die dit alles heeft geschapen is dan makkelijk gemaakt.

Het beeld dat veel mensen van God hebben is daarnaast een stuk menselijker dan ze zelf willen toegeven. Als ze bijvoorbeeld een verhaal te horen krijgen waarin God heel veel problemen tegelijk oplost, vinden ze dat niet raar omdat God almachtig is. Als ze even later het verhaal weer moeten navertellen, zeggen de meeste mensen echter toch dat God de problemen na elkaar heeft opgelost, dus steeds één tegelijk. Er is als het ware een groot verschil tussen de expliciet en impliciet veronderstelde eigenschappen van God (Boyer 2008). Hoewel religies wereldwijd sterk verschillen, blijken die impliciete, stilzwijgende aannames overal verrassend hetzelfde.

Ten slotte nog een ander belangrijk element van religies: rituelen. Een mogelijke verklaring hiervoor wordt gegeven door Boyer (2008). Mensen hebben neurale processen bedoeld om bepaalde gevaren zoals besmetting en aanvallen door roofdieren te voorkomen. De processen zorgen er bijvoorbeeld voor dat we ons goed wassen en regelmatig onze omgeving controleren. Bij stoornissen als smetvrees lopen deze processen uit de hand, maar ze zouden ook aan de basis van religieuze rituelen kunnen liggen.

Roepende in de woestijn

Veel van de besproken hypotheses op het gebied van de neurotheologie zijn natuurlijk nogal speculatief, en het is nog maar de vraag of de onderzoekers niks over het hoofd hebben gezien. Zulke moeilijkheden spelen bij veel psychologische en neurowetenschappelijke onderzoeken een rol. De werking van de menselijke geest is een van de moeilijkste en uitdagendste wetenschappelijke problemen, met momenteel nog veel meer vragen dan antwoorden. Alle hypotheses samen steunen echter toch wel de gedachte dat de menselijke neiging tot religie is aangeboren.

Blijft een belangrijke hamvraag over: wat zegt dat over het bestaan van God en de waarheid van religie? Heel strikt genomen natuurlijk niks. God valt niet te falsificeren, omdat God zich per definitie aan alle wetenschappelijke criteria onttrekt. Veel van de aangehaalde onderzoekers dekken zich in hun artikelen zelfs al in tegen mensen die beweren dat hun resultaten zouden suggereren dat God niet bestaat. Waarschijnlijk een verstandige zet, want als ze die discussie wel zouden aangaan, zou dat hun geloofwaardigheid wel eens kunnen ondermijnen, zeker in Amerika. Daarnaast behoren vast niet alle Amerikaanse neurowetenschappers tot de 6% van de bevolking die niet in God gelooft.

Er zijn mensen die beweren dat de vondst van een neurale basis van religie juist Gods positie versterkt, omdat het aan zou tonen dat God mensen zo in staat heeft gesteld om Hem te ervaren. Mensen met een onbevooroordeelde blik kunnen toch echter moeilijk ontkennen dat de neurowetenschap wel degelijk aan Gods stoelpoten zaagt. Nietzsche schreef in de 19de eeuw al: ‘Tegenwoordig laat men zien hoe het geloof dat er een god bestaat, kon ontstaan en waardoor dit geloof zijn gewicht en importantie gekregen heeft: daardoor wordt het tegenbewijs, namelijk dat er geen god bestaat, overbodig.’ Hij zou alle recente resultaten uit de neurowetenschap waarschijnlijk prachtig vinden.

Helaas kreeg Nietzsche in zijn tijd weinig bijval, en waarschijnlijk zou dat tegenwoordig niet veel beter zijn. Mensen als Richard Dawkins, ’s werelds bekendste en fanatiekste atheïst, lijken soms net als Nietzsche roependen in de woestijn en prekers voor eigen parochie. Hiermee raken we aan de tragiek van het onderzoek naar de neurale basis van religie: het laat zien waarom zoveel mensen in goden geloven, en haalt daarmee dat geloof onderuit, maar tegelijkertijd leidt het tot de onvermijdelijke conclusie dat we er waarschijnlijk nooit vanaf zullen komen. Het zit te diep in onze hersenen ingebakken.

Literatuur

Beauregard, M., and Paquette, V. Neural correlates of a mystical experience in Carmelite nuns. Neuroscience Letters 405, 3 (2006), 186–190.
Bering, J., and Bjorklund, D. The natural emergence of reasoning about the afterlife as a developmental regularity. Developmental Psychology 40, 2 (2004), 217–233.
Boyer, P., and Bergstrom, B. Evolutionary perspectives on religion. Annual Review of Anthropology 37 (2008), 111–130.
Boyer, P. Religion: Bound to believe? Nature 455, 7216 (2008), 1038–1039.
Cahn, B. R., and Polich, J. Meditation states and traits: EEG, ERP, and neuroimaging studies. Psychological Bulletin 132, 2 (Jan 2006), 180–211.
Dewhurst, K., and Beard, A. W. Sudden Religious Conversions in Temporal Lobe Epilepsy. The British Journal of Psychiatry 117, 540 (1970), 497–507.
Hall, D. Religious Attendance: More Cost-Effective Than Lipitor? Journal of the American Board of Family Medicine 19, 2 (2006), 103–109.
Inzlicht, M., McGregor, I., Hirsh, J., and Nash, K. Neural Markers of Religious Conviction. Psychological Science 20, 3 (2009), 385–392.
Kapogiannis, D., Barbey, A., Su, M., Zamboni, G., Krueger, F., and Grafman, J. Cognitive and neural foundations of religious belief. Proceedings of the National Academy of Sciences 106, 12 (2009), 4876–4881.
Kuhlmeier, V., Bloom, P., and Wynn, K. Do 5-month-old infants see humans as material objects? Cognition 94, 1 (2004), 95–103.
Newberg, A., Wintering, N., Morgan, D., and Waldman, M. The measurement of regional cerebral blood flow during glossolalia: A preliminary SPECT study. Psychiatry Research: Neuroimaging 148, 1 (2006), 67–71.
Whitson, J., and Galinsky, A. Lacking control increases illusory pattern perception. Science 322, 5898 (2008), 115–117.

Uit: Skepter 22.1 (2009)

Ronald Kaptein is wetenschapsjournalist.