Hoop doet leven

De wankele argumenten voor reïncarnatie

door Jan Willem Nienhuys

Reïncarnatie is een geleerd woord voor opnieuw geboren worden. In het Westen vindt ongeveer een kwart van de volwassenen wedergeboorte een aannemelijk idee. Welke verschillende opvattingen zijn er eigenlijk over reïncarnatie, wat zijn de argumenten en bezwaren, en wat voor bewijs is er eigenlijk?

Voor hindoes en boeddhisten is reïncarnatie een naar gevolg van zelfzucht, waar men aan moet ontkomen, desnoods in stappen. Voor antroposofen en theosofen is het juist iets fijns, een evolutie naar het hogere. Voor boeddhisten is het ‘ik’ één van de vele illusies van deze wereld, voor antroposofen is het juist de wezenskern die in vele levens naar ware goddelijke vrijheid moet groeien. In genoemde visies speelt karma een rol, dat is een soort schuld of lotsbestemming die voortvloeit uit alles wat je doet op aarde, en die veroorzaakt dat je opnieuw geboren wordt, of beinvloedt wat je in een volgend leven overkomt.

Veel van wat je gedaan of nagelaten hebt, kan lang na je dood doorwerken, dat spreekt vanzelf. Bij reïncarnatie gaat het om meer, namelijk het voortbestaan van de persoon in een nieuw lichaam of althans (in het boeddhisme) om de koppeling van het opgebouwde karma aan een nieuw menselijk of dierlijk leven. In het moderne westerse reïncarnatiegeloof is een element aanwezig dat in de klassieke opvattingen ontbreekt, namelijk dat men zich onder bepaalde omstandigheden zijn vorige bestaan zou kunnen herinneren. In het moderne geloof ontbreekt ook een uiteindelijk doel van reïncarnatie.

Brein naar brein

In Oost en West is gepoogd reïncarnatie te beredeneren, in het Westen deden dat de theosofen. De redeneringen van oosterse geleerden zijn voor ons moeilijk te volgen door het verschil in cultuur, en daar ga ik verder niet op in. De theosofische verdediging van wedergeboorte is nogal zwak. Ze bestaat eruit dat men wensen (onrecht goedmaken, voldoende tijd van leven hebben, niet naar de hel hoeven) als feiten voorstelt. In elk geval, als ik die pleidooien voor reïncarnatie lees, kan ik niet nalaten te denken: ‘Tja, ik kan me wel voorstellen dat je graag zou willen dat het zo was, maar dat is toch geen bewijs dat het ook werkelijk zo is.’ Een ander argument dat men wel hoort is dat reïncarnatie verklaart dat kinderen zo snel kunnen leren.

Algemene bezwaren tegen reïncarnatie zijn zo oud als de wereld. Het argument van Tertullianus (3de eeuw): als reïncarnatie waar zou zijn, waarom zijn baby’s dan niet als oude mensen, namelijk wijs en ervaren, en tegelijkertijd traag met leren? Het argument van Lucretius (1ste eeuw v.C.): alles wat we weten zit in ons hoofd. Hoe kunnen de herinneringen van een stervende in een ongeboren kind terecht komen, speciaal als die stervende dement was?

Deze argumenten kunnen we tezamen het breinargument noemen. In een modern jasje luidt het als volgt: alles wat we weten en kunnen, al onze herinneringen, zitten in ons hoofd. De afzonderlijke herinneringen vormen samen een zeer grote hoeveelheid informatie. Zelfs al zou een onstoffelijke ziel deze herinneringen ook hebben, dan nog correspondeert met elke afzonderlijke herinnering en elke vorm van gedrag een bepaalde toestand in de hersenen. Stel dat reïncarnatie een feit zou zijn, en dat bovendien herinneringen aan een vorig leven mogelijk zouden zijn. Dan zou ongeacht hoe het met die onstoffelijke ziel gesteld was, een enorme hoeveelheid informatie van het ene tastbare systeem (het brein van een stervende) overgedragen moeten worden op een ander tastbaar systeem (het brein van een foetus), mogelijk via een onstoffelijk tussenstadium. Toch is nooit in de hersenen maar het geringste spoor gevonden van iets dat zo’n massaal gegevenstransport zou kunnen verzorgen. Bovendien is om een tastbaar systeem in een andere toestand te brengen, fysische energie nodig. En dan hebben we nog niet eens gesproken over het wonderlijke vermogen van onstoffelijke zielen om foetussen op te sporen en er zich in te nestelen. De slotsom lijkt onontkoombaar: reïncarnatie met behoud van herinnering betekent dat er een onzichtbare wereld bestaat die de tastbare wereld kan beïnvloeden zonder sporen achter te laten. Modern reïncarnatiegeloof is geloof in het occulte.

De opvatting dat elke mens de reïncarnatie is van een vorige mens wordt onderuitgehaald door het bevolkingsargument: hoe kan de wereldbevolking toenemen van een handjevol (een paar miljoen jaar geleden) tot 5 miljard nu? Als je veronderstelt dat er zielen zijn van nog niet herboren overledenen, moet je die nog optellen bij die 5 miljard.

Herinneringen

Het moderne reïncarnatiegeloof gaat uit van verhalen over vorige levens. Nu kunnen we allemaal wel zeggen dat we droomden dat we priester van Poseidon waren in Atlantis, maar als we ons beperken tot verhalen die nog een kans maken op verificatie, dan zijn er drie soorten: verhalen die onder hypnose of in trance verteld worden, verhalen van peuters die spontaan over een vorig bestaan beginnen te babbelen (dit komt vooral voor in landen waar velen wedergeboorte vanzelfsprekend vinden) en de uitlatingen van mensen die een vreemde taal spreken die ze nooit geleerd hebben. Over hypnose hangt een geheimzinnig waas, en doordat genezers het met kennelijk succes gebruiken, krijgt het een wetenschappelijk tintje. Er is echter geen reden om te denken dat hypnoseverhalen betrouwbaarder zijn dan legenden, sprookjes en dromen. Pogingen tot controle achteraf hebben geen enkel hypnoseverhaal opgeleverd dat alleen maar door echte herinneringen uit een vorig leven verklaard kan worden.

Als iemand onder hypnose hoort dat hij of zij teruggaat naar een tijd lang geleden, voor de geboorte, dan gaat zo iemand vaak in op een dergelijke suggestie. Dit is met name het geval bij personen die een regressietherapeut bezoeken (teruglopen in de tijd wordt ‘regressie’ genoemd). Onder hypnose worden fantasie en herinnering sterk geprikkeld, en de herinnering wordt niet meer geremd door twijfel aan de juistheid. De moeilijkheid is dan ook te onderscheiden wat iemand onder hypnose zich van een vorig leven herinnert, en wat van schijnbaar lang vervlogen flarden van boeken, films en gesprekken.

Bij regressie naar de kindertijd, dus niet eens een vorig leven, komt al veel fantasie om de hoek kijken. Onder hypnose kan men verhalen die uit boeken komen in geuren en kleuren en met veel emotie vertellen, als ging het om eigen ervaringen. Soms leent een hypnoseverhaal zich ervoor om nauwkeurig te worden nagetrokken. Helaas, als er bronnen zijn waarmee de juistheid van het verhaal kan worden aangetoond, is het weer moeilijk om te bewijzen dat de betrokkene die bronnen niet onder ogen heeft gehad. Als de gehypnotiseerde wordt gevraagd waar het verhaal vandaan komt, is de bron vaak makkelijk te vinden. Als de gehypnotiseerde niet wil of kan meewerken, is dat natrekken een hele klus. Proeven op dit gebied werden al in de 19de eeuw gedaan.

Het geval Jane Evans (bekend van een Britse tv-documentaire) werd opgehelderd door Melvin Harris, 30 jaar na de bewuste hypnosezittingen. Voor drie van de meest gedetailleerde levens van Jane kon Harris de romans vinden waaraan ze ontleend waren. Voor een van de andere vond hij in de oorspronkelijke bandopnamen ernstige onjuistheden. Die waren in de uitzending maar weggelaten.

In 1986 was er op de Nederlandse tv een documentaire te zien over een paar Australische dames die zich onder hypnose een vorig leven in Europa herinnerden. Ze spraken Schots en Duits, en konden delen van hun vorige leven ter plekke herkennen. Die documentaire kwam nogal geënsceneerd over. De cameraman bleek telkens van tevoren te weten waar de dames heen zouden gaan. Volgens een verhaal in Privé werden de kijkers zelfs gewoon bedot. [Inmiddels is duidelijk geworden dat er niets klopt van de tv-documentaire.]

Peutergebabbel

De Amerikaanse psychiater Ian Stevenson heeft zijn leven lang kinderen bestudeerd die over een vorig bestaan konden vertellen. De gang van zaken is in dat soort gevallen meestal als volgt. Het kind begint met een jaar of twee, drie te vertellen over een vorig leven. Na geruime tijd volgen pogingen van ouders of anderen om na te gaan wat er van klopt. Als Stevenson ervan hoort, meestal via de krant, gaat hij er op af en ondervraagt de betrokkenen. Hij probeert contact te houden, en later blijkt vaak dat de herinneringen van het kind vervagen met het ouder worden.

Stevensons verslagen zijn indrukwekkend. Ze overdonderen de lezer met een grote hoeveelheid details. Voor een kritische lezer mankeert er toch wat aan. Stevenson komt pas ter plaatse als alle betrokkenen al overtuigd zijn van de echtheid van het geval. Tijdens het onderzoek ondervraagt hij binnen twee of drie dagen enige tientallen personen. Hoe kun je in zo korte tijd er nu achter komen welke ingewikkelde reeks gebeurtenissen zich weken tot jaren geleden heeft afgespeeld? In veel gevallen verlopen de ondervragingen via tolken die, evenals Stevenson, geloven in reïncarnatie. Hoeveel tactvolle kritische vragen worden er dan gesteld?

Stevenson onderzoekt wel of er nog andere verklaringen mogelijk zijn, maar neemt alleen bot bedrog, helderziendheid en telepathie in aanmerking. Pogingen tot bedrog is hij wel tegengekomen, maar meestal kan hij zoiets uitsluiten. Wat met reïncarnatie verklaard kan worden, leent zich vaak ook voor andere paranormale verklaringen. Daarom kan Stevenson paranormale verklaringen niet uitsluiten. Zijn boeken en artikelen gaan dan ook over ‘vermoedelijke reïncarnatie’. Hij beoordeelt gevallen telkens vanuit het gezichtspunt: kan dit met reïncarnatie verklaard worden?

Stevenson lijkt nogal lichtgelovig te zijn: hij gelooft getuigen tenzij ontwijfelbaar vastgesteld is dat ze erop los fantaseren. Hij schrijft: ‘verscheidene zegslieden beweerden dat zij (mevrouw Chotkin, JWN) de neiging had geschiedenissen uit haar duim te zuigen’, en even verderop: ‘ik accepteer dus mevrouw Chotkins versie als betrouwbaar.’ Dit vanwege het feit dat mevrouw Chotkin volgens hem de meeste controleerbare feiten wel zo ongeveer vertelde als Stevenson ze van anderen had gehoord. Getuigen op hun woord geloven is heel begrijpelijk als je met patiënten of verdachten te maken hebt, maar verkrijg je zo wel zekerheid?

Stevenson onderzoekt natuurlijke verklaringen niet ernstig genoeg. Zijn die er dan? In de eerste plaats denk je dat zo’n peuter misschien iets heeft opgevangen van gesprekken van volwassenen. Jaren later kan die bron best vergeten zijn. In veel gevallen blijkt uit het verhaal van Stevenson dat zo’n bron er best geweest kan zijn. De vorige levens van die peuters eindigden vaak onder bijzondere omstandigheden. De overledene was rijk of kwam op een bijzondere, vaak gewelddadige manier aan zijn eind, soms beide. Zo’n verhaal met grote roddelwaarde kan gemakkelijk in wijde kring bekend raken. Stevenson besteedt geen aandacht aan dit aspect. In elk afzonderlijk geval beweert hij dat het zo onwaarschijnlijk is dat er juist in dát geval een natuurlijke informatiebron is geweest. Maar als je naar verklaringen voor zeldzame verschijnselen zoekt, mag je toch niet uitsluiten dat ze zeldzame oorzaken hebben?

Een andere mogelijke verklaring is dat het verschijnsel ontstaat doordat iedereen hoopt dat het waar is. Een familie treurt om een dierbare overledene, en is blij als ze kunnen geloven dat hij of zij is weergekeerd. In deze verklaring zou het kind maar wat praten, terwijl ouders en omstanders blijven zoeken naar een geval dat er op lijkt (dit zou ook begrijpelijk maken waarom gevallen met grote roddelwaarde zo vaak voorkomen). Met terugwerkende kracht wordt het kind dan van alles in de mond gelegd. Als de treurende familie er eenmaal overtuigd is dat ze in het kind het familielid hebben teruggevonden, onderhoudt ze vaak hartelijke betrekkingen met het kind.

Uit Stevensons beschrijvingen krijg je de indruk dat het vaak de getroffen familie is die contact zoekt. Helaas is Stevenson een beetje vaag op dat punt. Een onderzoeker, David Barker, heeft meegewerkt aan een duplicatie van Stevensons onderzoek. Barker denkt dat het om een maatschappelijk verschijnsel gaat. Hoe gaat dat herkennen bijvoorbeeld? Het kind wordt voorgesteld aan een vrouw met de woorden: ‘kijk eens, dit is je vorige moeder, herken je haar niet?’ Het kind zegt iets van ‘Uh, ja’. Later beweren de omstanders dat het kind spontaan zijn moeder aanwees midden in een menigte, en de moeder zelf heeft geen zin om daarover te gaan zeuren.

Kortom, Stevensons ‘spontane’ gevallen zijn zonder twijfel voer voor zielkundigen, pedagogen en cultureel antropologen. Zij hebben echter alleen bewijskracht voor lichtgelovigen. Zelfs al was reïncarnatie een feit, dan nog zou Stevensons materiaal niet deugen als bewijs.

Oud-Egyptisch

Soms blijkt iemand een vreemde taal te kunnen spreken die hij of zij nooit geleerd heeft. Dat gebeurt onder hypnose of in trance, en ook in sommige van de gevallen die Stevenson onderzocht heeft. Het verschijnsel wordt ‘xenoglossie’ genoemd. Helaas zijn degenen die beweren zo’n vreemde taal te herkennen meestal niet erg vertrouwd met die taal. Een Pool kan namaak-Slavisch aanzien voor het een of andere Zuid-Slavische dialect, iemand die wat Frans heeft geleerd denkt al gauw dat hij of zij een Frans dialect hoort. Bekend is het geval van Rosemary die Oud-Egyptisch zou spreken. Daarvan zijn alleen de medeklinkers bekend, en degene die beweerde het te herkennen in Rosemary’s trance-klanken, was een amateur met een woordenboek. Later werd dit geval afgekraakt door een echte egyptoloog, maar het wordt nog steeds aangehaald in minder kritische literatuur.

Er zijn geen gevallen van xenoglossie bekend die een taalkundige konden overtuigen. Integendeel, in de paar gevallen waar een taalkundige bij is gehaald, bleek een eenvoudige verklaring mogelijk. Namaaktalen ontstaan vaak door herhaling van klanken en klankpatronen met kleine variaties, in echte talen zit een systeem. Daardoor kun je namaaktalen van echte onderscheiden, zelfs als je de taal niet kent.

Xenoglossie onder hypnose geeft nog een probleem: de gehypnotiseerde persoon kan best wel eens een paar flarden van de betrokken taal hebben gelezen of gehoord. Met die flarden (en de algemeen bekende uitdrukkingen voor ja, nee, weetniks, watte, kannieverstaan enzovoorts) kun je een conversatie verrassend lang op gang houden. Als de onderzoeker dan bovendien elke keer vragen vertaalt als de gehypnotiseerde het niet begrijpt, komt er een natuurlijke kennisbron bij!

De al genoemde Australische dames vormen een goede illustratie: mogelijk kan een kenner het verschil horen tussen echt Schots en fantasie-Schots, maar kan een leek dat ook? Biedt de Australische samenleving geen gelegenheden om met Schots kennis te maken? Het Duits van een van de andere dames was heel pover, alhoewel het voor een Engelstalige heel wat geleken kan hebben.

Reïncarnatie houdt meestal in dat iets (de ziel, de persoonlijkheid, het ik, de opgebouwde schuld) van de mens na diens dood voortbestaat en opnieuw geboren wordt. Er zijn veel levensbeschouwingen waarin reïncarnatie een plaats heeft. Het moderne westerse reïncarnatiegeloof steunt op vermeende herinneringen aan een vorig leven. Daarom brengt het geloof aan een onzichtbare werkelijkheid met zich mee, een werkelijkheid die diep ingrijpt in het menselijk lichaam, en waar de natuurwetenschap niets van kan vinden. De belangrijkste herinneringen aan vorige levens zijn de verhalen van mensen die onder hypnose zijn, peuterverhalen over een vorig bestaan, en de vreemde talen die sommige mensen kunnen spreken, alhowel ze die niet geleerd hebben.

Hypnoseverhalen hebben de betrouwbaarheid van dromen; ze zijn een mengeling van fantasie en al dan niet begraven herinneringen. Voor zover hypnoseverhalen goed gecontroleerd zijn en klopten, kon een natuurlijke bron gevonden worden of althans niet uit worden gesloten. De kinderverhalen van Stevenson ontstaan in een gelovige cultuur en worden gerapporteerd door een gelovige. Stevensons onderzoek is niet onafhankelijk herhaald, en hij laat stelselmatig na de zaak van een kritische kant te bekijken. Mogelijk ontstaat het verschijnsel doordat mensen gebruik willen maken van de gelegenheid om hun geloof te bevestigen. Vreemde talen die onder hypnose gesproken worden, worden gewoonlijk ‘herkend’ door personen die zo’n taal zelf niet goed kennen. Wanneer taalkundigen er naar luisterden, bleek de vreemde taal te bestaan uit hetzij zinloos gebrabbel, hetzij flarden van eerder opgepikte fragmenten.

jwn-reincarnatie-kleinDe bovenstaande tekst in gebaseerd op het hiernaast afgebeelde boekje. Hiervan is in 2012 een digitale heruitgave verschenen. Bezoek de downloadpagina om dit e-boek gratis op te halen.

Andere artikelen over reïncarnatie
De Australische tv-documentaire van Peter Ramster (2008) / Fantasierijke cliënten in reïncarnatietherapie (2003) / Karma en reïncarnatie – boekbespreking (2001) / Wedergeboorte in Nederland (2000)

Uit: Skepter 2.4 (1989)

Jan Willem Nienhuys is redacteur van Skepter en secretaris van Skepsis