Karma en reïncarnatie

Een nieuwe geloofsbelijdenis

door Erik Hoogcarspel en Jan Willem Nienhuys

karmavogelHoe ver kan een serieuze poging komen om wedergeboorte en wat je uit vorige levens meeneemt zo naturalistisch mogelijk te geloven?

Boekbespreking: Karma & reïncarnatie. Een filosofische analyse. Hugo S. Verbrugh

Op vrijdag 1 december zond Veronica een aflevering van Lois & Clark uit, waarin het thema reïncarnatie aan de orde kwam. Tijdreiziger H.G. Wells vertelde daarin dat iemands wezenskern zich door de tijden heen telkens opnieuw realiseert, ook die van Superman, maar dat die wezenskern niet zulke onbelangrijke dingen omvat als onkwetsbaarheid en de planeet waarop je geboren bent, maar wel bijvoorbeeld liefde voor Lois. Hoewel het hier fictie betreft, is de interpretatie van reïncarnatie en karma kristalhelder.

Toevallig vond juist op die dag in Rotterdam de aanbieding plaats van een boekje over dit onderwerp. De auteur heeft zijn best gedaan om over het onderwerp na te denken. Hij heeft de beschikbare kritische literatuur onder ogen gehad, en verwerpt veel fantasieën op dit gebied en probeert tot een zo naturalistisch mogelijke interpretatie te komen. Dat maakt het interessant na te gaan hoe ver je zo kunt komen.

Helaas wordt nergens in het boek duidelijk verteld waar het om gaat. De auteur zegt onomwonden dat hij aanneemt dat zijn r&k (reïncarnatie en karma) geloof (1) klopt. Hij redeneert: ofwel er is r&k ofwel er is ‘niets’ en ‘niets’ is onacceptabel. ‘Ik benoem deze optie als meta-transcendente filosofie.’ (p. 29).

Dit lijkt ons een in dure woorden verpakte platvloerse en egocentrische gedachte die gelukkig niet gedeeld werd door de atheïstische socialisten van weleer.

De pretentie van de ondertitel Een filosofische analyse (2) verhult een meanderende monologue intérieur, waarbij de lezer zich bij voortduring vertwijfeld afvraagt of de auteur soms de draad kwijt is. De 13-regelige definitie (3) van karma op pagina 23 komt neer op verantwoordelijkheidsgevoel plus de bereidheid oorzaken van wat je overkomt in een vorig leven te zoeken. Ruim honderd pagina’s verderop blijkt de polariteitsfilosofie (alles heeft twee kanten) van groot belang te zijn voor het r&k geloof, maar waarom blijft in het vage. De diverse Indiase stromingen die de karma hebben uitgevonden hadden geen behoefte aan polariteit, en de Chinezen die veel ophadden met yin en yang gaven niets om r&k. Maar die blijven onbesproken, evenals de esoterische tradities waar de auteur mee schermt.

In de hindoeïstische en boeddhistische gedachte is karma een verklaring voor het noodlot. Je hebt er hoofdzakelijk last van zolang je je niet van het wereldse afkeert. Ook in de moderne Westerse cultuur zijn er vele versies van het r&k geloof. Het geloof van Verbrugh onderscheidt zich niet door consistentie, morele kracht of diepgang. Het is wel veel verwarder dan het geloof van anderen.

Spirituele bijtjes

Verbrugh denkt dat elke mens als maar één mens wordt wedergeboren. Dat klopt niet met de aantallen mensen. Verbrugh begrijpt dit bevolkingsargument echter niet. Het gaat zo.

Lang geleden waren er nul mensen en nu zes miljard. Spijkerharde conclusie: in de loop van de menselijke evolutie zijn er ten minste zes miljard zielen bijgekomen, dat zijn evenzovele karmaloze geboorten. Op een totaal van zo’n 50 miljard geboorten sinds het ontstaan van de mensheid is dat nogal wat. We weten niet wanneer die (minstens) zes miljard karmaloze kindertjes ter wereld kwamen, alleen dat er nu of vroeger behoorlijk veel mensen zonder tweedehandsziel zijn of zijn geweest. Verbrughs zorgen dat klonen of reageerbuisbaby’s karmaloos zullen zijn (p. 110), lijken daarom wat overdreven.

Verbrugh gelooft dat nog niet wedergeboren zielen instinctief een incarnatie zoeken (p. 32, 109), mogelijk geholpen door Hogere Machten (p. 100, 104); misschien krijgen de zielen nog een preconceptioneel visioen van hun aanstaande leven (p. 118). Hoe die zielen dat allemaal voor elkaar krijgen blijft vaag. Zou hun instinct ze vertellen of een aanstaande conceptie ‘bezet’ is, of zouden ze staan te dringen bij elke paring? Lucretius maakte zich al vrolijk over dit soort bespiegelingen.

Kortom, het geloof in reïncarnatie veronderstelt hoe dan ook een gecompliceerde bovennatuurlijke organisatie, en Verbrughs poging om r&k naturalistisch voor te stellen is mislukt.

Een uitweg voor het bevolkingsprobleem geeft Verbrugh niet. Die is er ook niet voor de these ‘elk mens was eerder een mens en elk mens wordt later ten hoogste een mens tegelijk’. Volgens Verbrugh kunnen zielen zich niet splitsen (p. 96), maar hij laat de mogelijkheid open dat zielen zich geslachtelijk kunnen vermenigvuldigen. Met spirituele geslachtsorganen, moeten we veronderstellen, eventueel geholpen door spirituele bijtjes. Of zouden de zielen net als vissen grote aantallen gameten afsplitsen en in het hiertussenmaals uitstrooien?

Maar hij is er duidelijk over: het getalsargument is niet te weerleggen (p. 95). Je zou zeggen dat een opvatting die tot een keiharde contradictie komt in de prullenbak moet, maar nee hoor. We weten het niet, maar dat wil niet zeggen dat we het nooit te weten komen (p. 97). Dat is de drogreden ‘ad ignorantiam’, zoals zo vaak gekoppeld aan de belofte dat we er later wel achter zullen komen. Die drogreden en belofte komen nog vele keren in het boek terug. (4)

Onzichtbare diertjes

De opmerkelijkste constructie in Verbrughs geloof is de ‘perifere identiteit’ (PI). Dat is het ‘geheel dat gevormd wordt door het beeld dat leeft in het bewustzijn van alle andere mensen die op de een of andere manier weet van mij hebben’ (p. 38). Dit is een oude gedachte, die we ook terugvinden bij Plato, Rabelais en Sartre en die een van ons nog onlangs bij een (christelijke) begrafenis hoorde verkondigen. Het is heel gewoon dat mensen een goede herinnering willen achterlaten. Maar dat geheel van gedachten die anderen over ons hebben is geen identiteit. De PI is zo verspreid en gevuld met misvattingen dat deze helemaal niet als een stabiele, denkende, voelende en causaal samenhangende voortzetting van de persoon is op te vatten. Ze bestaat al tijdens iemands leven, al van de geboorte af natuurlijk, en zelfs als wedergeboorte een feit zou zijn, zou de PI toch gewoon blijven bestaan. Bij alle aanvechtbare herinneringen aan een vorig bestaan of een tussenbestaan is er bovendien geen enkele herinnering aan de PI. Zelfs díé schim van ondersteuning ontbreekt voor de PI.

Verbrugh heeft weinig oog voor de moeilijkheden van zijn PI. ‘De legitimering van een eerste fase van een voortleven in een hierná in de perifere identiteit [is] wel keihard. Er is geen speld tussen te krijgen … men kan het denkbeeld van perifere identiteit op zichzelf niet ontzenuwen als onjuist.’ (p. 40)

Het boek wemelt van de metaforen, verdedigd met de opmerking (p. 48) dat sommige mensen de beeldentaal intuïtief begrijpen.

Verbrughs metaforen zijn vage analogieën, maar ze gaan meestal ernstig mank of slaan nergens op. De microbenmetafoor behelst bijvoorbeeld dat de Romeinse auteur Varro besmetting toeschreef aan kleine onzichtbare diertjes, een variant van het atomisme van Lucretius. Daar waren toen geen bewijzen voor, die kwamen pas later. Zo is het ook met r&k, lijkt Verbrugh te willen zeggen. Maar besmetting was een bekend verschijnsel, evenals ziekten door dieren (wormen) veroorzaakt. Bij r&k zijn er geen verschijnselen, en evenmin eenvoudige verklaringen. De metafoor is gewoon een verpakking van de genoemde drogreden plus belofte.

Verbrugh wijst vaak naar intuïtie en impliciete kennis die hij voor een belangrijke en betrouwbare kennisbron houdt. ‘Op een bepaalde manier herinneren we ons in feite zeer veel uit vorige levens, alleen onbewust’ (p. 98). Het ‘bewijs’ bestaat uit de analogie met taal. Die gaat alweer mank, want het is bekend hoe we aan onze moedertaal komen. Het woord zegt het al. Verbrugh geeft geen voorbeeld van dat zeer vele onbewuste. De unfinished business (p. 35, 100) speelt zich ook in het onbewuste af, en wordt evenzeer in het vage gehouden. Op pagina 144 heet het dat de mens in diepste wezen vrij moet zijn, maar dat de dood en de lichamelijkheid roet in het eten gooit, en dat er dus kennelijk een wezenskern moet zijn die de dood overleeft.

Ook hier lijkt de logica zoek. Vrijheid houdt in dat je kunt doen wat wilt, zonder je iets van vorige of volgende levens aan te trekken – uiteraard met de normale beperkingen waaraan het menselijke bestaan onderhevig is. Je kunt net zo goed zeggen dat wat we doen juist zin kan hebben door het definitieve karakter van de dood.

Karma-en-reincarnatie-coverOpvallend is de denigrerende toon die de auteur aanslaat over het geloof van de meeste anderen. (5) Met name moet Glen Hoddle (‘aangeboren handicaps zijn een straf voor zonden in een vorig leven’, zie ook Skepter, maart 1999) het ontgelden. Op pagina 125 worden geloofsgemeenschappen vergeleken met ‘de perverse Volksgemeinschaft van de nazi’s.’ Dat niet meer mensen het r&k geloof omhelzen zit hem in fanatisme (p. 31). Veel weet hij niet van andermans geloof, want hij denkt – ten onrechte – dat de Dalai Lama geacht wordt meteen na overlijden te reïncarneren (p. 101).

Het antwoord op de vraag waar we mee begonnen moet luiden: niet ver. Misschien mogen we deze bundel wollige vaagheden helemaal niet opvatten als serieuze poging. Hoe dan ook, voorlopig lijkt reïncarnatie als non-fictie een dood spoor. (6)

Hugo S. Verbrugh (2000), Karma & reïncarnatie. Een filosofische analyse. Met een voorwoord van Marten Toonder. Kampen: Agora. ƒ 36,75

Noten

(Toegevoegd voor deze site.)

1. Auteur Verbrugh stelt nergens zelf dat het om zijn geloof gaat. Hij beweert dat karma en reïncarnatie juist niet meer als geloof horen te worden opgevat.

2. Volgens auteur Verbrugh zijn de woorden ‘een filosofische analyse’ deel van de titel van het boek en geen ondertitel.

3. Preciezer, een ‘voorlopige werkdefinitie’. Volgens auteur Verbrugh is dat in een filosofische analyse iets heel anders dan een definitie.

4. Verwijzingen naar hypothetische toekomstige kennis al dan niet in combinatie met huidige onkunde staan op p. 28, 36, 51, 54-55, 65, 71.

5. Auteur Verbrugh gebruikt in dit verband onder andere de volgende termen: Nepgoeroes, bedriegers, louche handeltjes, pseudo-kennis, dubieus astrologisch gebladerte, nep-profeten, kletskoek, banale prietpraat, charlatannerie, steriele napraterij, zwendel, halfbakken flarden, nitwit, geneuzel.

6. Auteur Verbrugh heeft een brochure aangekondigd met de voor zich sprekende titel Karma en reïncarnatie in skeptisch perspectief. Kanttekeningen bij de skeptische bejegening van een filosofische benadering van karma en reïncarnatie met bijzondere aandacht voor een boekbespreking in Skepter – kwartaalblad van de Stichting Skepsis, uitgegeven door de Stichting Kairos k*r te Rotterdam, en aldaar te bekomen voor 20 gulden.

Uit: Skepter 14.1 (2001)

Erik Hoogcarspel is filosoof
Jan Willem Nienhuys is redacteur van Skepter en secretaris van Skepsis