Paranormale intuïties

Kunnen bijgelovigen niet goed denken?

door Rob Nanninga

Mensen die sterk in het paranormale geloven, hebben vaker dan sceptici een verkeerde voorstelling van wat toeval betekent. Ze zien ook sneller verbanden en patronen die er niet werkelijk zijn en maken graag gebruik van intuïties die hun verstand buitenspel zetten.

Psychologen meten het geloof in paranormale verschijnselen gewoonlijk met de Paranormal Belief Scale van Jerome Tobacyk. De PBS bestaat uit 26 beweringen. De ondervraagden moeten op een schaal van 1 tot 7 aangeven in hoeverre ze het ermee eens zijn. De beweringen kunnen worden ingedeeld in zeven categorieën: 4 beweringen over psi (psychokinese en telepathie), 4 over precognitie (het voorspellen van de toekomst), 4 over spiritisme (inclusief reïncarnatie), 4 over hekserij en zwarte krachten, 3 over dingen die ongeluk brengen, 3 over buitengewone levensvormen (zoals het monster van Loch Ness) en 4 over religie (God, ziel, duivel en hemel).

Sinds 1988 bestaat er een herziene (revised) PBS, want de eerste versie was soms wat onduidelijk (Tobacyk, 2004). Zo luidde een van de uitspraken: ‘Het is dwaas om te denken dat mensen de toekomst kunnen voorspellen.’ Daar waren weersvoorspellers het niet mee eens. Het was niet duidelijk over wat voor soort voorspellingen het ging. In de nieuwe versie wordt gesproken over astrologie, horoscopen en helderzienden.

Sommigen beperken het begrip ‘paranormaal’ tot de eerste drie of vier dimensies van de PBS: psi, precognitie, spiritisme en hekserij. Daarbij gaat het om buitengewone vermogens (zoals communicatie met overledenen) die natuurwetenschappelijk gezien onmogelijk lijken. Het monster van Loch Ness hoort daar niet bij, want er is geen natuurwet die het monster belet om te bestaan. Tobacyk (1995) is echter van mening dat zulke theoretische beschouwingen in de praktijk geen rol spelen. Hij pleit ervoor de monsters te handhaven, omdat ze populair zijn in paranormale kringen. Ook bovennatuurlijke wezens (God en de duivel) wil hij niet uitsluiten.

Psychologen hebben onderzocht of de PBS-scores samenhangen met cognitieve factoren. Zo zou het mogelijk kunnen zijn dat mensen sterker in paranormale verschijnselen geloven naarmate ze minder goed kunnen redeneren. Dit is onderzocht door proefpersonen een aantal syllogismen voor te leggen, zoals: ‘Alle giftige stoffen smaken bitter. Strychnine smaakt bitter. Dus strychnine is een giftige stof.’ Strychnine is inderdaad giftig, maar dat volgt niet uit het voorgaande, wat blijkt wanneer we de strychnine door koffie vervangen. Dit syllogisme klopt dus niet.

Een ander type syllogismen bevat conditionele regels. Zo’n regel kan bijvoorbeeld luiden: ‘Als er een aardstraal loopt, dan slaat zijn wichelroede uit.’ Het eerste deel van de regel wordt de antecedent genoemd en het tweede deel de consequent. De antecedent kan worden bevestigd of ontkend, evenals de consequent. Dit leidt tot vier mogelijke conclusies:

1. Er loopt een aardstraal, dus zal zijn wichelroede uitslaan.

2. Er loopt geen aardstraal, dus zal zijn roede niet uitslaan.

3. Zijn wichelroede slaat uit, dus er loopt een aardstraal.

4. Zijn roede slaat niet uit, dus er loopt geen aardstraal.

Twee conclusies zijn valide: 1 (bevestiging van de antecedent) en 4 (ontkenning van de consequent). De andere twee kloppen niet. Ze zouden wel kloppen als de wichelroede uitsluitend reageert op aardstralen, maar dat staat er niet. De conditionele regel sluit uit dat er een aardstraal loopt zonder dat de wichelroede beweegt. Daarom kun je er zeker van zijn dat er geen aardstraal loopt wanneer de roede niet uitslaat (4). Maar de regel verbiedt de roede niet om zonder aardstraal uit te slaan, waardoor redenering 2 en 3 fout zijn. De proefpersonen krijgen bij elk syllogisme een van de vier mogelijkheden te zien. Ze moeten aangeven of de redenering klopt. Het gaat er niet om of de uitspraak volgens hen waar is. Dat moet van tevoren goed duidelijk worden gemaakt.

Watt en Wiseman (2002) lieten 60 studenten een lijst met 24 syllogismen beoordelen. Over het geheel genomen werden er significant meer fouten gemaakt door studenten die hoog scoorden op de herziene Paranormal Belief Scale. Het onderzoek was zo opgezet dat de helft van de studenten werd begeleid door Richard Wiseman, een bekende scepticus, terwijl de rest alleen contact had met de parapsycholoog Caroline Watt. Dat leek verschil te maken, want de meest gelovige helft van de studenten deed het slechter wanneer Watt de syllogismen uitdeelde. Bij Wiseman hadden ze 52% procent van de vragen goed (bijna evenveel als de minder gelovigen), maar bij Watt slechts 43%. De onderzoeker leek invloed te hebben op de uitslag, maar het is niet bekend of dit effect herhaalbaar is.

Andere onderzoekers rapporteerden eveneens dat geloof in het paranormale samenhangt met een lagere score op een syllogismentest (Wierzbicki, 1985; Roberts & Seager, 1999; Merla-Ramos, 2000). Zo’n verband was vooral te vinden bij syllogismen die betrekking hadden op paranormale zaken, al werden die niet door Watt en Wiseman gebruikt. Het is mogelijk dat de gelovigen eerder geneigd waren de paranormale uitspraken op hun waarheidsgehalte te beoordelen, zonder te kijken of de redenering klopte. Roberts en Seager (1999) werkten dit in de hand door te vragen of de conclusies ‘waar’ of ‘onwaar’ waren. Niet alle onderzoekers konden de resultaten bevestigen (Irwin, 1991; Joyce, 2006). Het bewijsmateriaal is nog niet zo overtuigend als soms wordt beweerd (French & Wilson, 2007). De verschillen tussen sceptici en gelovigen waren bovendien klein.

Sommige onderzoekers gebruikten de Watson-Glaser Kritisch Denken Test. Deze beperkt zich niet tot deductief redeneren, maar test ook andere vaardigheden, waaronder het herkennen van ongefundeerde veronderstellingen, irrelevante argumenten en ongegronde generalisaties. Waren paranormaal gelovigen minder goed in staat om kritisch na te denken? Dat bleek niet uit een onderzoek van Hergovich en Arendasy (2004), waaraan 180 studenten meewerkten. Joyce (2006) vond daarentegen wel een negatieve correlatie (p<0,01) bij een groep van 124 studenten. Andere pro-en contraresultaten zal ik hier achterwege laten. Voorlopig staat het nog niet vast dat studenten minder paranormale dingen geloven naarmate ze kritischer kunnen denken (al doen ze dat lang niet altijd).

Onberekenbaar toeval

Mensen die in paranormale verschijnselen geloven, hebben vaker het idee dat ze in hun leven opmerkelijke coïncidenties tegenkomen. Ze zien bijvoorbeeld toevallig iets waarnaar ze op zoek waren, waaraan ze eerder moesten denken of dat in een droom voorkwam. Misschien onderschatten ze de kans dat zulke overeenkomsten zich toevallig voordoen. Dit kan ertoe leiden dat ze naar een verklaring gaan zoeken. En omdat er geen normale verklaring te vinden is, schrijven ze het toe aan paranormale invloeden.

Psychologen hebben onderzocht of mensen meer moeite hebben om waarschijnlijkheden in te schatten naarmate ze sterker geloven in paranormale krachten. Meestal legt men de proefpersonen enkele problemen voor die met kansrekening te maken hebben. Aansluitend moeten ze de Paranormal Belief Scale of iets dergelijks invullen.

Meerdere onderzoekers gebruikten het zogenaamde verjaardagsprobleem. Hoeveel personen moet je willekeurig uit een telefoonboek kiezen om 50 procent kans te hebben dat twee daarvan op dezelfde dag jarig zijn: 22, 43 of 98? Musch en Ehrenberg (2002) legden deze vraag voor aan 123 studenten van de Universiteit van Bonn. Slechts acht kozen het beste antwoord (bij 23 personen is de kans 50,7%). Een soortgelijke vraag was: stel dat er op een feest 48 personen aanwezig zijn, hoe groot is dan de kans dat twee daarvan op dezelfde dag jarig zijn? Ongeveer 18 procent, dachten de studenten, terwijl het juiste antwoord 96 procent is. Gelovigen in het paranormale deden het niet slechter dan de rest.

Ook Bressan (2002) gebruikte een paar problemen die voor bijna iedereen te moeilijk waren, waaronder het ‘kraamafdelingprobleem’. Stel dat er in een ziekenhuis gemiddeld 15 baby’s per dag worden geboren en in een groter ziekenhuis 45. Men gaat in beide ziekenhuizen een jaar lang alle dagen tellen waarop er meer dan 60 procent jongetjes ter wereld kwamen. Welk ziekenhuis zal de meeste van zulke dagen tellen? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet je weten dat de procentuele afwijking van het gemiddelde kleiner zal worden naarmate de steekproef groter is. Slechts 13 ondervraagden (12%) wisten dat misschien, want zij kozen het kleinste ziekenhuis (68% vond beide mogelijkheden even waarschijnlijk).

Er waren geen noemenswaardige verschillen tussen gelovigen en sceptici. Bressan noemde hen de schapen en de bokken. Ze maakte een indeling in drie groepen: het meest gelovige kwart van de deelnemers (schapen), het minst gelovige kwart (bokken) en de 50 procent die daar tussenin zat. Evenals Musch en Ehrenberg gebruikte ze een eigen paranormale vragenlijst (zonder monsters en bovennatuurlijke wezens).

Een ander probleem, waarbij dezelfde statistische wet van belang is, leverde wel een verschil op tussen de schapen en de bokken. De proefpersonen moesten zich voorstellen dat ze twee munten hadden waarmee ze konden tossen. Een van beide munten was onzuiver, maar ze wisten niet welke. Ze kregen de resultaten van een aantal worpen te zien en moesten aangeven hoe zeker ze ervan waren dat er al of niet met een zuivere munt was gegooid. Een van de uitkomsten was: 2 keer kop uit 4 worpen. Een andere uitkomst was: 200 keer kop uit 400 worpen. Het was opmerkelijk dat 43 procent van de schapen (en slechts 4 procent van de bokken) de indruk had dat de eerste uitslag meer op toeval leek dan de tweede. Ze vonden het verdacht dat men na 400 keer gooien precies op 50 procent uitkwam. Dat was te perfect.

Wat is waarschijnlijker: tien keer achtereen met een dobbelsteen een zes gooien, of tien zessen tegelijk gooien? Of maakt het niet uit? Mensen die in het paranormale geloofden, gaven vaker de voorkeur aan de eerste optie. Het werd voor hun gevoel extra wonderbaarlijk wanneer de tien zessen op hetzelfde moment verschijnen in plaats van na elkaar. Misschien hielden ze rekening met het gebruik van paranormale krachten, die mogelijk beter werken wanneer je ze op één dobbelsteen tegelijk richt.

Stel dat iemand achtereenvolgens 2-5-2-6-1-3 gooit. Met een tweede dobbelsteen gooit men de reeks 3-3-3-3-3-3. Welk van beide reeksen kan het snelste opnieuw worden gegooid? Welke heeft de grootste kans om zich te herhalen? Bressan rapporteerde dat slechts 22 procent van haar proefpersonen inzag dat het geen verschil maakt. Iedere specifieke reeks van zes worpen is even waarschijnlijk. Het maakt niet uit of de reeks er geordend of ongeordend uitziet. De gelovigen hadden daar meer moeite mee dan de sceptici, zoals ook Musch en Ehrenberg rapporteerden.

Bij de laatste opdracht moesten de deelnemers een reeks van 66 denkbeeldige dobbelsteenworpen opschrijven. Het moest eruit zien alsof ze echt met een dobbelsteen hadden gegooid. De kans dat een dobbelsteen twee keer achtereen op dezelfde zijde valt, is 1 op 6. Dus als je 66 keer gooit, dan mag je verwachten dat je ongeveer 11 doubletten vindt (65/6). De bokken produceerden reeksen waarin gemiddeld 9 doubletten voorkwamen. Maar bij de schapen herhaalde de uitkomst van een worp zich gemiddeld slechts 4 keer. Dit resultaat was gebaseerd op twee experimenten met in totaal ruim 200 personen. De Zwitserse neuroloog Peter Brugger (1990) boekte eerder vergelijkbare resultaten.

Bressan liet de proefpersonen nog een keer hetzelfde doen, maar ditmaal moesten ze elk getal dat ze opschreven meteen bedekken met een stuk karton. Onder deze omstandigheden deden de bokken het iets minder goed (8 doubletten), terwijl de schapen iets beter presteerden (5 doubletten). De mogelijkheid om de toevalsreeks te overzien, had op beide groepen dus een tegengesteld effect. Het zette de schapen ertoe aan om herhalingen nog sterker te vermijden, terwijl de bokken inzagen dat het toeval geen moeite doet om doubletten te voorkomen. Roulettespelers maken een soortgelijke fout wanneer ze aannemen dat de kans op een rood nummer groter wordt na een reeks zwarte nummers – alsof het toeval wat in te halen heeft en de uitkomst wordt beïnvloed door de voorgaande resultaten.

Hierbij moet worden aangetekend dat aan het onderzoek van Bressan niet louter universitaire studenten meewerkten. Bijna de helft was werknemer en had geen hogere opleiding gedaan. Het grote verschil tussen de bokken en de schapen was uitsluitend en heel duidelijk zichtbaar in deze lager opgeleide groep. Universitaire schapen noteerden daarentegen niet minder doubletten dan hun sceptische collega’s.

Heeft u een kat?

De oorspronkelijke hypothese was dat mensen vaker de indruk hebben dat ze in hun leven opmerkelijke coïncidenties tegenkomen naarmate ze de kans op toevallige overeenkomsten onderschatten.

Bressan gaf haar proefpersonen een vragenlijst om te peilen hoe vaak ze diverse soorten coïncidenties hadden ervaren. De schapen rapporteerden beduidend meer coïncidenties dan de bokken, onafhankelijk van hun opleidingsniveau. Maar het aantal coïncidenties was niet groter naarmate ze minder verstand hadden van toeval. De hypothese kon dus niet worden bevestigd.

Het onderzoek van Musch en Ehrenberg (2002) leverde evenmin het verwachte resultaat op. Ze vonden weliswaar een verband tussen paranormaal geloof en een gebrek aan statistisch inzicht, maar de eindexamencijfers van de studenten bleken meer invloed te hebben. Naarmate hun schoolprestaties beter waren, hechtten de studenten minder geloof aan paranormale zaken en gaven ze tevens slimmere antwoorden.

Ook Blagrove, French en Jones (2006) vonden een verband met het opleidingsniveau. Zij interviewden 386 voorbijgangers in een winkelcentrum. De geïnterviewden moesten vertellen hoe vaak ze dromen hadden die de toekomst leken te voorspellen. Ruim de helft (54%) had naar eigen zeggen nooit zo’n droom gehad, terwijl 20 procent zich meer dan drie voorspellende dromen herinnerde. Men vroeg de deelnemers hoe ze zulke dromen verklaren. Bijna de helft (48%) dacht dat voorspellende dromen altijd of meestal kunnen worden toegeschreven aan toeval of een andere natuurlijke verklaring. Een kwart (24%) noemde ze bij voorkeur paranormaal, en de rest vond beide mogelijkheden even waarschijnlijk (14%) of wist het niet.

Degenen met minstens vier voorspellende dromen toonden een afwijkend beeld: driekwart van hen prefereerde een paranormale verklaring. Ze hadden ook vaker het idee dat de kans om een prijs in de loterij te winnen kleiner (of groter) wordt wanneer iemand anders je lotnummer kiest. Driekwart van de personen zonder voorspellende dromen nam aan dat het geen verschil maakt, terwijl dit slechts voor de helft van de frequente dromers gold. Het antwoord op de loterijvraag hing eveneens samen met de mate van geloof in paranormale verklaringen. Significante verschillen werden echter alleen gevonden bij de bij lager opgeleiden en niet bij de 115 universitaire studenten die aan het onderzoek deelnamen.

Een deel van de geïnterviewden moest nog drie persoonlijke vragen beantwoorden: Heeft u een litteken op uw linkerknie? (ja: 23%) Heeft u momenteel last van rugpijn? (ja: 34%) Heeft u een kat? (ja: 43%) Het was opmerkelijk dat deze vragen vaker bevestigend werden beantwoord naarmate men meer voorspellende dromen had. Zo had ruim 60 procent van de frequente dromers naar eigen zeggen een kat!

Susan Blackmore (1997) had deze (en soortgelijke) vragen al eerder gesteld in een groot enquête-onderzoek onder dagbladlezers. Zij constateerde dat mensen die in telepathie en helderziendheid geloven vaker bevestigend antwoorden. In beide onderzoeken liet men de proefpersonen ook raden hoe groot de kans was dat anderen de vragen bevestigend zouden beantwoorden. De veronderstelling was dat gelovigen deze kans te laag inschatten. Dit zou ertoe kunnen leiden dat ze meer onder de indruk raken wanneer een paragnost hun iets vertelt dat bij veel mensen voorkomt. Deze hypothese kon echter niet worden bevestigd.

Misschien hebben paragelovigen inderdaad meer katten, rugpijn en littekens. Een andere verklaring is dat ze de vraag minder strikt opvatten. Een litteken onder de rechterknie, pijn in de schouder of de overleden kat van hun ouders geeft hen misschien al voldoende reden voor instemming. Dit sluit aan bij de uitkomsten van twee experimenten van Wiseman en Smith (2002). Zij lieten studenten beoordelen hoe goed de duiding van hun eigen horoscoop klopte. Zoals verwacht mocht worden, zagen de gelovige schapen meer juiste uitspraken dan de ongelovige bokken. Je zou kunnen veronderstellen dat ze graag bevestiging wilden vinden voor hun overtuiging. Dat kon echter niet verklaren waarom de schapen ook hogere beoordelingen gaven aan zogenoemde controlehoroscopen, terwijl ze wisten dat die niet waren gebaseerd op hun geboortegegevens.

Het tweede experiment van Wiseman en Smith leverde een vergelijkbaar resultaat op. De proefpersonen kregen te horen dat een helderziende had geprobeerd een tekening te maken van een afbeelding die zich in een verzegelde envelop bevond. Ze moesten beoordelen hoe goed deze tekening met het doel overeenstemde. Sceptici zagen minder overeenkomsten dan gelovigen. Maar dat gold ook wanneer men de proefpersonen vroeg de tekening te vergelijken met een ‘controle-afbeelding’, die de helderziende niet hoefde te raden. Ze zagen dus sowieso meer overeenkomsten, niet alleen wanneer die hun geloof ondersteunden.

Creatieve hersenhelft

Er zijn veel aanwijzingen dat gelovigen in het paranormale meer overeenkomsten, verbanden en patronen zien. De algemeen menselijke neiging om orde en regelmaat te bespeuren in toevallige configuraties, is bij hen versterkt aanwezig. Ze trekken ook sneller conclusies uit de beschikbare feiten en kunnen zich moeilijker voorstellen dat toevallige uitkomsten er niet altijd ongeordend uitzien. Sceptici verlangen sterkere bewijzen voordat ze aannemen dat een schijnbaar betekenisvol verband meer is dan toeval.

Blackmore en Moore (1994) toonden hun proefpersonen afbeeldingen van alledaagse objecten waaraan met een computerprogramma betekenisloze ruis was toegevoegd (maximaal 70% ruis). Gelovigen in het paranormale hadden vaker dan sceptici het idee dat ze nog konden zien wat het voorstelde, al was dat niet het geval. Ze zagen ook meer verbanden en overeenkomsten tussen twee willekeurig gekozen woorden of lijntekeningen.

Volgens de neuroloog Peter Brugger heeft het te maken met een sterkere activering van de rechterhersenhelft. Deze speelt naar verluidt een belangrijke rol bij het verwerken van informatie die slechts indirect of in de verte met iets anders verband houdt. EEG-metingen bij personen die rustig met gesloten ogen zaten, schenen erop te wijzen dat de rechterhersenhelft van bijgelovigen actiever was dan die van sceptici. Dit zou onder meer verklaren waarom gelovigen die men geblinddoekt over een lange rechte lijn laat lopen, iets vaker een beetje naar links afwijken (Brugger, 2007). Ze zijn wat sterker gericht op de linkerkant van de ruimte, die correspondeert met de rechterhersenhelft. Dit zou ook blijken uit experimenten waarbij proefpersonen op de tast het midden van een staaf moesten aanwijzen. Rechtshandigen wijzen vaker een punt aan dat iets te ver naar links ligt, maar bij de paranormaal gelovigen, was dit effect nog sterker.

Er kwamen ook verschillen aan het licht in een experiment waarbij de proefpersonen hun blik moesten richten op het midden van een beeldscherm, terwijl er aan de linker- of rechterkant gedurende 150 milliseconden een woord verscheen. Wat rechts van het fixatiepunt verschijnt, komt binnen in de linkerhersenhelft. Wat aan de linkerkant van het visuele veld verschijnt, wordt eerst rechts verwerkt. De proefpersonen moesten zo snel mogelijk op een toets drukken om aan te geven of het woord dat ze zagen werkelijk bestond. Ze reageerden sneller en maakten minder fouten wanneer het woord rechts verscheen, maar bij de paranormaal gelovigen was het verschil tussen beide hersenhelften geringer. Daaruit zou je kunnen concluderen dat de linkerhersenhelft bij hen minder dominant was dan bij sceptici.

In een experiment dat hierop aansluit (Pizzagalli et al, 2001), kregen de proefpersonen in het midden van het beeldscherm een woord te zien dat soms verband hield met een woord dat kort daarna links of rechts verscheen. Het eerste woord was bijvoorbeeld ‘leeuw’ en het tweede ‘manen’. Deze twee woorden hebben met elkaar te maken. Daardoor wisten de proefpersonen circa drietiende seconde sneller dat ‘manen’ een echt woord is. Men vermoedt dat het eerste woord een semantisch netwerk activeert van begrippen die er verband mee houden, waaronder de manen van de leeuw. Er zijn meer verbindingen naarmate de begrippen meer met elkaar te maken hebben.

Een deel van de woorden kon alleen indirect met elkaar in verband worden gebracht, zoals ‘leeuw’ en ‘strepen’. Hier moet je het woord ‘tijger’ of ‘zebra’ tussen denken om een verband te zien. Personen die sterk in het paranormale geloofden, reageerden bijna even snel op woorden die slechts indirect verband hielden met de voorgaande. Sceptici reageerden daarentegen niet sneller dan bij woorden die niets met elkaar te maken hadden. Dit effect deed zich uitsluitend voor wanneer het tweede woord aan de linkerkant van het gezichtsveld werd aangeboden, waardoor het in de rechterhersenhelft binnenkwam. Een sterkere activatie van deze hersenhelft zorgt wellicht voor een groter semantisch netwerk.

Brugger (2003) ontwierp ook een simpel computerspelletje, waarbij de deelnemers een raster met negen vakjes zagen. Linksonder bevond zich een muis en in het vakje rechtsboven lag een muizenval met een stukje kaas. Via de pijltjestoetsen moest de muis naar de kaas worden geleid. Soms kon hij de kaas ongestraft opeten, maar bij andere pogingen klapte de val dicht. De proefpersonen mochten het spel honderd keer spelen om uit te vinden wat ze moesten doen om de kaas te verkrijgen. Bijgelovige deelnemers waren er het sterkst van overtuigd dat ze hadden ontdekt welke route de muis moest volgen. Ze kwamen ook sneller tot een conclusie omdat ze minder hypothesen testten. Bijna niemand besefte dat het niet uitmaakte welke weg de muis volgde. Men moest er alleen voor zorgen dat hij minstens vier of vijf seconden onderweg was.

Gelovigen zijn geneigd om verbanden te zien waar die niet werkelijk bestaan, een zogenoemde type I fout, waarbij de nulhypothese ten onrechte wordt verworpen. Dit zou te wijten zijn aan een sterkere activatie van de rechterhersenhelft. Sceptici zijn daarentegen geneigd om zulke strikte criteria te gebruiken, dat ze soms echte verbanden over het hoofd zien, een type II fout. De correlatie tussen paranormaal geloof en het vermogen om verbanden en overeenkomsten te vinden, sluit aan bij onderzoek waaruit blijkt dat gelovigen creatiever en fantasierijker zijn dan sceptici. Zo geven ze bij een woordassociatietest minder voor de hand liggende antwoorden dan sceptici. Peter Brugger spreekt over hypercreativiteit wanneer men betekenisvolle patronen en vergezochte associaties ziet die niet werkelijk bestaan. Een extreme vorm daarvan zijn psychotische ervaringen, waarbij men overal verbanden ziet en aan alle gebeurtenissen een persoonlijke betekenis toeschrijft.

Magische waanideeën en paranormale overtuigingen worden in de psychiatrie genoemd als een kenmerk van de schizotypische persoonlijkheid. Enkele andere kenmerken zijn sociale angsten, vreemd gedrag en het onjuiste idee dat mensen op je letten of dingen doen die speciaal voor jou bedoeld zijn. Het is een milde vorm van schizofrenie, waarbij men nog normaal kan functioneren. De kans op een psychose is groter dan gemiddeld, maar waarschijnlijk niet groter dan 10 procent. Uit een recent onderzoek (Hergovich et al., 2008) onder 571 pubers bleek dat er een duidelijk verband bestaat tussen een neiging tot schizotypie en geloof in paranormale vermogens. Het lijkt een factor te zijn die aan het geloof kan bijdragen, waarmee echter niet is gezegd dat dit geloof een psychische stoornis is.

Intuïtieve gedachten in Helsinki

Twee psychologen aan de Universiteit van Helsinki, Marjaana Lindeman en Kia Aarnio (2006), rekruteerden bijna 3.300 studenten van universiteiten en beroepsopleidingen voor een onderzoek naar paranormale overtuigingen. De studenten vulden via een besloten website een extra uitvoerige Paranormal Belief Scale in. Daarnaast vulden ze ook enkele psychologische vragenlijsten in. Het onderzoek was grootschaliger dan eerdere studies.

De onderzoekers stelden vast dat alle geloofsovertuigingen significant met elkaar correleren. Wie in het ene gelooft, is dus vaker geneigd om tevens in andere buitengewone dingen te geloven. De studenten hadden ook meer paranormale overtuigingen naarmate ze religieuzer waren, al gold dat niet voor de meest religieuze groep, die vermoedelijk geen heil zag in buitenkerkelijke wonderen. Gelovigen hadden meer vrienden en familieleden die eveneens in het paranormale geloofden. Ze waren minder emotioneel stabiel en hadden in hun leven meer onaangename dingen meegemaakt. Maar het ging hierbij in alle gevallen om zwakke correlaties, die maar weinig konden verklaren.

De onderzoekers hadden meer succes met de Rational-Experiential Inventory (REI). Dit is een lijst met uitspraken om te bepalen in hoeverre iemand gebruik maakt van een analytische of een intuïtieve denkstijl (zie kader). Gelovigen in het paranormale waren wat minder analytisch en rationeel ingesteld en hadden vooral meer vertrouwen in hun spontane gevoelens, instinctieve reacties en intuïtieve oordelen. Een voorliefde voor intuïtief denken was de meest onderscheidende eigenschap van de gelovigen.

1. I have a logical mind.
2. Knowing the answer without having to understand the reasoning behind it is good enough for me.
3. When it comes to trusting people, I can usually rely on my gut feelings.
4. I don’t think it is a good idea to rely on one’s intuition for important decisions.
5. I am not a very analytical thinker.
6. I prefer complex to simple problems.
7. I suspect my hunches are often inaccurate.
8. I often go by my instincts when deciding on a course of action.
9. I am much better at figuring things out logically than most people.
10. I trust my initial feelings about people.
11. I generally don’t depend on my feelings to help me make decisions.
12. If I were to rely on my “gut feelings,” I would often make mistakes
13. I am not very good at solving problems that require careful logical analysis
14. I like to rely on my intuitive impressions.
15. I enjoy problems that require hard thinking
16. I believe in trusting my hunches.
17. I don’t like situations in which I have to rely on intuition.
18. I don’t like to have to do a lot of thinking.
19. Using logic usually works well for me in figuring out problems in my life.
20. I don’t have a very good sense of intuition.
21. I think there are times when one should rely on one’s intuition.
22. I enjoy intellectual challenges.
23. Reasoning things out carefully is not one of my strong points
24. I try to avoid situations that require thinking in depth about something

Universitaire studenten waren wat analytischer ingesteld dan studenten van een beroepsopleiding. Ze waren ook wat minder bijgelovig. Maar hun geloof nam vrijwel niet af naarmate ze langer op de universiteit zaten. Vrouwelijke studenten hadden vaker een voorkeur voor intuïtief denken, wat deels kon verklaren waarom ze wat hoger scoorden op de paranormale geloofsschaal. (Aarnio & Lindeman, 2005)

De Finse psychologen verwijzen naar onderzoek waaruit zou blijken dat mensen beschikken over twee denksystemen om informatie te verwerken. Deze systemen functioneren onafhankelijk van elkaar (een dual process theory). Het rationele en analytische systeem is vrij traag en werkt met regels die expliciet worden geleerd. Het intuïtieve systeem werkt daarentegen associatief, snel, woordeloos, onbewust en automatisch. Het is gebaseerd op persoonlijke ervaringen en gevoelens. Het intuïtieve denken kan volgens de onderzoekers tot bijgeloof leiden, zonder dat het analytische denkvermogen noodzakelijk gebreken vertoont.

Ze definiëren paranormale geloofsovertuigingen als ‘categoriemisvattingen’, waarbij de verschillende basiseigenschappen van mentale, fysische en biologische entiteiten en processen met elkaar worden verward. In de paranormale wereld kunnen gedachten letterlijk tegen iets aanduwen (psychokinese) of zelfstandig naar een andere persoon reizen (telepathie). Geesten kunnen zich zonder biologisch lichaam door de ruimte verplaatsen en waarnemingen doen. Dode stoffen en objecten zoals water en stenen kunnen emoties, herinneringen of een ziel bezitten.

De ontologische verwarring komt vooral sterk tot uitdrukking in het begrip ‘energie’, dat door de gelovigen vaak wordt gezien als een levende, doelgerichte en onzichtbare substantie. Hoewel het lijkt alsof het over een fysisch begrip gaat, kan het in de beleving van de gelovigen allerlei mentale en biologische eigenschappen hebben. Energie kan onder meer goede of slechte intenties hebben, groeien of sterven, en spiritueel zijn. (Lindeman & Saher, 2007).

Lindeman en Aarnio (2007) selecteerden uit de deelnemers aan hun eerdere onderzoek een groep sceptici en een groep gelovigen. Deze kregen een lijst met uitspraken waarbij eigenschappen van de ene ontologische categorie (mentaal, fysisch of biologisch) werden toegeschreven aan een andere categorie. Enkele voorbeelden:

– Oude meubels weten dingen over het verleden.
– Sommige oude gebouwen hebben een ziel.
– Bloemen willen bloeien wanneer het in de zomer warm is.
– We groeien omdat onze botten dat willen.
– Een gedachte kan soms dingen aanraken.
– Kwade gedachten zijn besmet.

De studenten moesten aangeven in hoeverre ze deze uitspraken letterlijk namen. Ter controle stonden er ook uitspraken tussen die overduidelijk metaforisch of letterlijk waren bedoeld. Bij een tweede opdracht werd gevraagd of bepaalde gebeurtenissen al of niet een doel of bedoeling hadden. Stel dat je remkabel breekt waardoor je op de fiets een onbekende omver rijdt, met wie je later trouwt. Zat daar dan een bedoeling achter of brak de kabel toevallig?

De antwoorden op deze vragen verklapten vrij goed tot welke groep iemand behoorde. Zo werd het idee dat gedachten dingen kunnen aanraken, door de gelovigen letterlijker genomen dan door de sceptici. Gelovigen waren vooral sterk geneigd om doelen toe te schrijven aan toevallige of natuurlijke gebeurtenissen. Achter een computercrash of zware mist zagen ze een bedoeling wanneer de gevolgen voor hen van belang waren. Ze hadden ook vaker een holistisch wereldbeeld, waarin alles met elkaar samenhangt en een zinvolle eenheid vormt. Erg verrassend is dat niet, want we kennen allemaal wel gelovigen die graag verkondigen dat ‘toeval niet bestaat’. Dat vinden ze heel diepzinnig.

Volgens de Finse psychologen is bijgeloof gebaseerd op intuïties uit de kindertijd. Jonge kinderen hebben geleerd om intenties toe te schrijven aan de handelingen van anderen, maar ze overgeneraliseren nog. Ze zijn ook geneigd om alles een doel te geven. Zo bestaan bergen om op te klimmen en leeuwen om in de dierentuin rond te lopen. De rationele kennis en analytische vaardigheden die we later verwerven, kunnen volgens deze theorie niet voorkomen dat vroege intuïties soms de kop opsteken. Het magische denken uit de kindertijd wordt niet automatisch vervangen door rationeel denken. Het blijft bestaan en kan gedijen bij mensen die op hun intuïties vertrouwen.

Het mag waar zijn dat gelovigen zoeken naar verborgen verbanden en bedoelingen, betekenisvolle patronen of een voorspelbare en zinvolle ordening – maar dat onderscheidt hen volgens Aarnio en Lindeman onvoldoende van vele anderen. Beide psychologen nemen aan dat de paranormale overtuigingen voortkomen uit onjuiste intuïtieve ideeën, waarbij basiseigenschappen van de ene ontologische categorie met de andere worden verward. Dit zou verklaren waarom rationele kennis en educatie er weinig aan kunnen veranderen. We mogen hopen dat ze ongelijk hebben en de intuïtieve ideeën niet zo dwingend zijn dat er geen kruid meer tegen gewassen is.

Literatuur

Aarnio, K. (2007). Paranormal, superstitious, magical, and religious beliefs. University of Helsinki, Department of Psychology: dissertation.

Aarnio, K. & M. Lindeman (2005). Paranormal beliefs, education, and thinking styles. Personality and Individual Differences, 39(7), 1227-1236.

Blackmore, S. & R. Moore (1994). Seeing things: visual recognition and belief in the paranormal. European Journal of Parapsychology, 10, 91-103.

Blackmore, S. (1997). Probability misjudgement and belief in the paranormal: a newspaper survey. British Journal of Psychology, 88, 683-689.

Blagrove, M., C.C. French & G. Jones (2006). Probabilistic reasoning, affirmative bias and belief in precognitive dreams. Applied Cognitive Psychology, 20(1), 65-83.

Bressan, P. (2002). The connection between random sequences, everyday coincidences, and belief in the paranormal. Applied Cognitive Psychology, 16, 17-34.

Brugger, P., T. Landis & M. Regard (1990). A ‘sheep-goat effect’ in repetition avoidance: Extra-sensory perception as an effect of subjective probability? British Journal of Psychology, 76, 459-468.

Brugger, P. & K.I. Taylor (2003). ESP: Extrasensory perception or effect of subjective probability? Journal of Consciousness Studies, 10, 221-246.

Brugger, P. (2007). Wo glauben Sie hin? Gehirn & Geist, 3, 38-43. (zie ook: Tracking a finer madness. Scientific American Mind, 10, 76-79.)

French, C.C. & K. Wilson (2007). Cognitive factors underlying paranormal beliefs and experiences. In Sergio Della Sala (ed.), Tall tales about the mind & brain, p. 3-22. Oxford: Oxford University Press.

Hergovich, A. & M. Arendasy (2004). Critical thinking ability and belief in the paranormal. Personality and Individual Differences, 38, 1605-1612.

Hergovich, A., R. Schott en M. Arendasy (2008). On the relationship between paranormal belief and schizotypy among adolescents. Personality and Individual Differences, 45, 119-125.

Irwin, H.J. (1991). Reasoning skills of paranormal believers. Journal of Parapsychology, 55, 281-300.

Joyce, R. (2006). Ghosts, witches, and goblins: re-examination of the relationship between reasoning ability and level of paranormal belief. Simon Frazer University, thesis.

Lindeman, M. & K. Aarnio (2006). Paranormal beliefs: Their dimensionality and correlates. European Journal of Personality, 20(7), 585-602.

Lindeman, M. & K. Aarnio (2007). Superstitious, magical, and paranormal beliefs: An integrative model. Journal of Research in Personality, 41(4), 731-744.

Lindeman, M. & M. Saher (2007). Vitalism, purpose and superstition. British Journal of Psychology, 98, 33-44.

Merla-Ramos, M. (2000). Belief and reasoning: the effects of belief on syllogistic reasoning. Dissertatie.

Musch, J. & K. Ehrenberg (2002). Probability misjudgement, cognitive ability, and belief in the paranormal. British Journal of Psychology, 93, 169-177.

Pizzagalli, D., D. Lehman & P. Brugger (2001). Lateralized direct and indirect semantic priming effects in subjects with paranormal experiences and beliefs. Psychopathology, 34, 75-80.

Roberts, M.J. & P.B. Seager (1999). Predicting belief in paranormal phenomena: a comparison of conditional and probabilistic reasoning. Applied Cognitive Psychology, 13, 443-450.

Tobacyk, J.J. (1995). What is de correct dimensionality of paranormal beliefs? The Journal of Parapsychology, 59, 27-46.

Tobacyk, J.J. (2004). A revised paranormal belief scale. The International of Transpersonal Psychology Studies, 23, 94-99.

Wiseman, R. & M.D. Smith (2002). Assessing the role of cognitive and motivational biases in belief in the paranormal. Journal of the Society for Psychical Research, 66, 17-34.

Wiseman, R. & Caroline Watt (2006). Belief in psychic ability and the misattribution hypothesis: a qualitative review. British Journal of Psychology, 97, 323-338.

Uit: Skepter 21.1 (2008)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014