Atland, Texland, Frya’s Land

Het raadselachtige Oera Linda Boek

door G.C. Molewijk

Oera Linda BoekNederland is arm aan geschiedvervalsingen, maar het zogeheten Oera Linda Boek maakt veel goed. Dit kort na 1870 in druk verschenen werk is volgens de voorrede een uit 1256 daterende kopie van een Oudfries manuscript betreffende het begin van de wereld en haar geschiedenis van het verzinken van Atlantis tot de komst van de Romeinen in ons land. Ofschoon het boek algemeen als een vervalsing wordt beschouwd, is het nog altijd door een waas van geheimzinnigheid omgeven en trekt het nog steeds veel aandacht.

Eerst wat namen. Cornelis over de Linden, werkzaam op de rijksmarinewerf te Den Helder, was volgens eigen zeggen in het bezit van een met vreemde letters geschreven, oud Fries manuscript dat hij niet kon lezen en wilde laten vertalen. Via een hoofdonderwijzer in Harlingen kwam hij in contact met Eelco Verwijs, destijds provinciaal bibliothecaris en rijksarchivaris in Friesland. Verwijs kreeg vanaf midden 1867 met enige regelmaat katernen van het manuscript toegezonden en toonde zich aanvankelijk nieuwsgierig, maar het plan voor een vertaling dreigde te verzanden doordat hij steeds meer aan de echtheid twijfelde en in 1868 naar Leiden verhuisde om daar aan het Middelnederlandsch Woordenboek en het Woordenboek der Nederlandsche Taal mee te werken.

Op Verwijs’ aanraden nam Johan Winkler, bestuurslid van het Fries Genootschap voor Geschied-, Oudheid en Taalkunde te Leeuwarden, de bemoeienissen over. Winkler bracht echter in 1870 tijdens een vergadering naar voren dat het manuscript onmogelijk oud kon zijn en dat hij het nut van een vertaling niet inzag. Doch alles raakte in een stroomversnelling toen een ander Genootschapslid, de Leeuwarder conrector J.G. Ottema, het manuscript voor echt verklaarde en de vertaling op zich nam. Ottema gaf in 1871 Cornelis over de Linden zijn voorlopige Der Friezen herkomst volgens het boek van Adela uit. Men sprak ook wel van Thet Bok thêra Adela follistar of Het boek van Adela’s aanhangers. Adela zou in de 6de eeuw v.C. het eerste deel van het manuscript hebben opgesteld.

In 1872 volgde de uitgave van de volledige tekst met vertaling (herdrukt in 1876 en 1971). Ottema had de naam toen gewijzigd in Thet Oera Linda Bok – naar een handschrift uit de dertiende eeuw. Deze naam betekent `Over de Linden-boek’ en was gekozen omdat de familie Over de Linden er een aantal malen als Overa Linda, Ovira Linda of Oera Linda in voorkomt. Overigens is ook de afkorting OLB in zwang geraakt.

Het verschijnen van het Oera Linda Boek, zoals de naam in het Nederlands luidt, bracht al meteen veel pennen in beweging. Momenteel zijn er ruim duizend publicaties over verschenen. Aanvankelijk werd er vooral over de echtheid gestreden, waarbij de felle verdediging door Ottema niet heeft kunnen verhinderen dat verreweg de meeste historici en taalkundigen het OLB van meet af aan als een vervalsing hebben beschouwd. Alleen al de inhoud was zeer ongeloofwaardig.

Fries boeddhisme

Het opperwezen Wralda (lees ‘Oeralda’, dat is ‘Overoude’ naar het Friese wrâld, ‘wereld’, en âld, ‘oud’) schiep drie oermoeders die op hun beurt weer drie rassen voortbrachten. Lyda’s kinderen woonden in Afrika en hadden verstand noch moraal. Finda’s kinderen woonden in Azië en Aldland of Atland (‘Oudland’, Atlantis) en bezaten wel verstand, maar geen moraal. Frya’s kinderen ten slotte bewoonden Europa en hadden, men raadt het al, zowel een goed verstand als een hoge moraal.

De Lyda’s en Finda’s voerden eindeloze oorlogen en werden despotisch geregeerd. Het uitdenken en opleggen van godsdienstige doctrines en het aanstellen van priesters zorgde ervoor dat iedere hang naar geestelijke vrijheid effectief werd gesmoord. Hoe anders was dit bij de Frya’s. Dezen leefden in vrede en bezaten een hoge beschaving zonder priesters en kerken. De Frya’s blonken uit in zelfbeheersing en liefde tot de deugd en beseften dat leven zonder vrijheid zinloos is. Deze goede gang van zaken werd bewaakt door ‘volksmoeders’ die in speciale burchten de lamp van de wijsheid brandend hielden. De belangrijkste volksmoeder, de ‘eremoeder’, zetelde in de hoofdburcht op Texland (Texel), genoemd naar ‘Frya’s tex’, een soort grondwet, die daar op de wanden gebeiteld was. De inrichting van deze samenleving roept sterke associaties met een antiklerikale vorm van de 19de-eeuwse vrijmetselarij op.

In 2194 v.C. vond er een catastrofe plaats waardoor alles anders zou worden. Aardbevingen en vloedgolven teisterden de aarde, Aldland verzonk en de ondoordringbare wouden die in Twiskland (Tussenland, Duitsland) een natuurlijke barrière tegen Azië hadden gevormd, brandden af. Vele volkeren raakten op drift en de Frya’s werden door Lyda- en Finda-volkeren bedreigd: in het oosten de Finnen en de Magyaren (Hongaren), in het zuiden de Golen (Galliërs). Door list en geweld slaagden deze volkeren erin om de Frya’s in de loop der eeuwen te verbasteren en terug te drijven. Het resultaat: Fryasland, dat zich van Scandinavië tot Spanje en van Groot-Brittannië tot Polen en Griekenland had uitgestrekt, kromp ineen tot de huidige provincie Friesland.

De Friezen hebben de wereld tijdens hun deemstering nog wel ingrijpend veranderd. Een paar voorbeelden. De goden Wodan en Neptunus zijn naar Friezen genoemd. In Griekenland stichtten ze Athene en introduceerden de democratie. De Griekse en Latijnse alfabetten zijn van het Friese afgeleid. Het Incarijk is waarschijnlijk ook van Friese oorsprong. Het boeddhisme steunt op Frya’s leer. Dit is mogelijk geweest doordat een aantal uitgeweken Friezen in de periode 1500-300 v.C. in India heeft gewoond. Zij zijn onder leiding van Friso naar het moederland teruggekeerd, nadat zij door Alexander de Grote gedwongen werden om zijn naar Europa terugtrekkende Macedonische leger bijstand te verlenen. Interessant is ook dat Odysseus een aantal jaren in een Friese burcht op Walcheren zou hebben verbleven.

Priestervreters

De inhoud bestaat dus uit flarden geschiedenis, fragmenten van oude sagen (het verhaal dat de Friezen o.l.v. Friso uit India komen, is heel bekend) en verzinsels. Dit alles is doordrenkt met een sentiment dat veel Friezen aanspreekt: een diepe afkeer van gezagsdragers die de persoonlijke vrijheid aantasten. Behalve de ongeloofwaardige inhoud, zijn er nog meer redenen om aan te nemen dat het OLB een vervalsing is. De taal is een mengsel van quasi-oude en moderne constructies en het papier lijkt verdacht veel op 19de-eeuws papier. Er staan opmerkingen in over paalwoningen in Zwitserland en longziekte onder het vee, terwijl resten van die woningen pas in 1854 zijn ontdekt en longziekte pas in de 19de eeuw als een afzonderlijke ziekte is herkend.

Alles aan het OLB is verdacht. Zelfs Ottema’s uitgave is een vervalsing. In het OLB staat dat het zesspakige ‘juulrad’ (zonnewiel) het eerste zinnebeeld van Wralda is en dat Frya dit belangrijke symbool heeft gebruikt om een letterschrift te ontwerpen: het op runen lijkende ‘standschrift’ (staand schrift) waarin ook het OLB is geschreven. Later zouden Festa (de eerste eremoeder) en de zeekoning Godfried het ‘runschrift’ (lopend schrift; geen runen) respectievelijk de cijfers hebben bedacht. Het OLB bevat een pagina waarop beide schriften zijn afgebeeld. Maar in Ottema’s facsimile is het runschrift verdwenen; Ottema’s runschrift is een op schrijfletters lijkende variant van het standschrift!

Hij zal hebben gemeend dat het originele runschrift er te modern uitzag en een argument tegen de echtheid kon worden. Dit zou ook verklaren waarom hij in 1877 verhinderd heeft dat enkele bladen van het manuscript werden geëxposeerd, iets waarvoor men beslist het interessante letterblad zou hebben uitgekozen.

De meeste publicaties over het OLB gaan niet over de echtheid, maar over de vragen wie de schrijver was en wat hij heeft beoogd. Het is nooit gelukt om deze vragen te beantwoorden. Er kan van meerdere personen worden ‘bewezen’ dat zij het OLB geschreven hebben. Zo is ‘bewezen’ dat Over de Linden de auteur was. Hij bezat boeken waarvan sporen in het OLB terug te vinden zijn, was een papenvreter, schreef over een zelfbedachte geestelijke orde waarvan de leer aan ‘Frya’s tex’ doet denken en hij hing een pan-Friese ideologie aan. Maar er is ook ‘bewezen’ dat Verwijs de auteur was. Hij bezat de benodigde kennis en was een grappenmaker die al eerder zelfgemaakte ‘Middeleeuwse’ gedichten in een bloemlezing had opgenomen. Hij zou de aan Frisiomanie lijdende leden van het Friesch Genootschap een kool hebben willen stoven. En net als Over de Linden was ook Verwijs een priestervreter die katholieke kerken ‘kille, vunzige holen’ en ‘graven der vrije gedachte’ had genoemd.

Een andere kandidaat is François Haverschmidt, alias Piet Paaltjens. Deze modernistische predikant en dichter had in Den Helder en het Friese Foudgum gewoond en kende Verwijs. Hij zou het OLB hebben geschreven om het gezag van de bijbel aan te tasten. Opvallend genoeg lijkt de plattegrond van Foudgum en omgeving op het zesspakige juulrad. Voorts is ‘bewezen’ dat de taalkundige en schrijver J.H. Halbertsma de auteur is. Halbertsma kende Verwijs goed en we vinden zijn gedachtegoed in het OLB terug. Er bestaat ook een rapport waarin de grafoloog C.J. Böttcher – die in de jaren ’50 deze pseudo-wetenschap in Leiden doceerde, zie ook deze Skepter – Halbertsma als de auteur aanwijst.

Er zijn nog meer auteurs genoemd, maar alle vaak vernuftig geconstrueerde ‘bewijzen’ sluiten elkaar uit en het blijft een raadsel hoe het OLB van Verwijs, Haverschmidt of Halbertsma bij Over de Linden terecht kan zijn gekomen. Onoplosbaar blijft ook dat al deze potentiële vervalsers het OLB in de jaren ’60 moeten hebben geschreven, terwijl een betrouwbaar lijkende getuigenis leert dat Over de Linden het OLB al vóór 1854 bezat. We weten voorts nog steeds niet met welk doel het OLB is geschreven. Als de vervalser echter het oogmerk heeft gehad om de geschiedwetenschap op een dwaalspoor te brengen, dan is zijn poging mislukt.

‘Onbewust zielsgebied’

Het OLB heeft ook de pennen van speculatieve wetenschappers en occultisten in beweging gebracht. Dit heeft meestal slechts onbewijsbare vermoedens of bewezen nonsens opgeleverd. Zo bracht de op theosofische wijze redenerende S.J. Meijer het OLB in 1918 in verband met de kabbala, India en de Maya’s, en in de jaren ’20 verklaarde H.F. Wirth, een Duitser van Nederlandse komaf, de kern van het OLB voor echt. Met behulp van het OLB en uilenborden – houten dakversieringen op Friese boerderijen – verzon hij een ‘oeroude’ anti-joodse en anti-christelijke ‘Arische’ religie.

Wirth gaf – met behulp van de toverlantaarn – lezingen over het geestelijk leven van tien- à dertigduizend jaar geleden. In 1933 en 1934 gaf hij een Duitse vertaling uit, maar zijn nationalistische en Germaanse ideeën riepen bij veel nazi’s irritatie op. Nazi-ideoloog Alfred Rosenberg had geen behoefte aan mythen waarin de beschaving van Friezen uitging. De nazi’s moeten zelfs hebben overwogen om het OLB te verbieden.

In 1941 kwam J.F. Overwijn met een nieuwe vertaling onder de naam That VVra Linda Bok (herdrukt in 1951). Volgens Overwijn gaat het OLB over de strijd tussen de ‘Atlantide Wereldgedachte’ (Maya’s, Egypte, jodendom, katholicisme, islam) en de ‘Indide Wereldgedachte’ (Frya’s leer, boeddhisme, hindoeïsme, vrijmetselarij, protestantisme). Deze strijd zou universele inzichten voortbrengen en daarom eeuwig moeten voortduren. Uit zijn in 1940 verschenen Onze Huis- en Grafteekens bleek trouwens al dat hij het OLB als een historische bron beschouwde.

Occultisten beweren werkelijk de gekste dingen en fantaseren maar raak. In Mellie Uylderts Van harte uit 1983 bijvoorbeeld lezen we dat de schrijfster een autoriteit op het gebied van kruiden, natuurgeneeswijze, moderne voeding, astrologie, levensritme en sprookjes is. Dat laatste is juist: zo stelt zij dat de in 1880 gestorven Verwijs het OLB in 1930 heeft uitgegeven, terwijl ‘Over de Linde’ (sic) in Leeuwarden zou hebben gewoond. Uyldert vindt dat het boek ook echt kan zijn als Verwijs de schrijver is: ‘Als het uit diens eigen onbewuste zielsgebied is opgerezen, kan het even goed een herinnering zijn aan de voortijd.’

De in kringen van Veronica’s Het Zwarte Gat beroemde helderziende Jelle Veeman maakte het nóg bonter. In 1982 probeerde bij de lezers van Frieslandpost wijs te maken dat het OLB de strijd tussen heidense Friezen en oprukkende ‘christelijke horden’ beschrijft. Veeman had het OLB overduidelijk niet gelezen, terwijl hij zich de inhoud ook niet op paranormale wijze eigen had gemaakt: het OLB handelt immers over over de tijd vóór Christus’ geboorte.

Het Oera Linda Boek laat ons verder prachtig zien hoe velen klakkeloos van elkaar overschrijven. Zo staat in het OLB dat Atland door verdorven Finda’s werd bewoond. Onze associatie van Atlantis met een hoge beschaving dateert namelijk pas van na 1882, toen Ignatius Donelly Atlantis: The Antediluvian World publiceerde. Iemand die graag meepraat over boeken die hij niet gelezen heeft, zal daardoor per abuis kunnen beweren dat Atlantis in het OLB door de beschaafde Frya’s werd bewoond. We treffen die misvatting bij velen aan, natuurlijk bij Veeman, maar bijvoorbeeld ook bij Wim en Elli Rinsma in het theosofische blad Sunrise in 1980, en zelfs bij een man als Wim Zaal in De verlakkers uit 1991.

Grappig is ook de vergissing met de tijdrekening. In het OLB wordt een jaartelling gehanteerd die met het verzinken van Atland begint. Gelukkig onthult Hiddo oera Linda in de voorrede dat 3449 ‘nêi âtland sunken is’ overeenkomt met 1256 ‘nei kersten rêknong’.

Ottema’s rekensom 1256 – 3449 = -2193 leerde dat Atlantis in 2193 v.C. verzonken moest zijn en hij constateerde verheugd dat dat klopte met de op de zondvloed geënte jaartelling in almanakken van zijn tijd. Maar Ottema vergat iets: aangezien het jaar 0 niet heeft bestaan, geldt bij de kalender de rekensom 1256 – 3449 = -2194. Alle door Ottema berekende jaartallen zijn hierdoor verkeerd, maar worden nu al langer dan een eeuw door alle latere schrijvers gebruikt.

De discussie over het OLB zal wel nooit eindigen. Het boek is zelfs een deel van de Friese cultuur geworden. In 1934 nam J.P. Wiersma er nog fragmenten van op in zijn serieuze overzichtswerk Friesche sagen, en pogingen om de naam van de schrijver te achterhalen, krijgen nog altijd veel aandacht. Het OLB blijft fascineren en de klank ‘Oera Linda Boek’ kan nog steeds een mystieke huiver opwekken. Bovendien heeft de tekst literaire waarde; sommige passages zijn heel geestig en andere beslist diepzinnig. Wie het OLB leest, verknoeit zijn tijd niet.

Beknopte literatuurlijst

Huussen Jr, A.H., Het Oera Linda Boek: mystificatie of falsificatie? In: Z.R. Dittrich, B. Naarden, H. Renner, (red.) Knoeien met het verleden. Utrecht/Antwerpen, 1984.

Jensma, Goffe, Lees, leer en Waak. Het Oera Linda Bok: een rondleiding. De Vrije Fries, LXXII (1992) p.8-52.

Jong Hzn, M. de, Het geheim van het Oera-Linda-Boek. Bolsward, 1927. [Over Verwijs’ auteurschap]

Meij, G.J. van der, Kanttekeningen bij het Oera Linda Boek. Een afspiegeling van de taalgeleerdheid, denkbeelden en schrijfstijl van dr. J.H. Halbertsma, enz. Leeuwarden, 1978. Met een grafologisch rapport van C.J. Böttcher.

Rieth, Adolf, Vorzeit gefälscht. Tübingen, 1967.

Naschrift

De historicus Goffe Jensma promoveerde in december 2004 op een dissertatie waarin hij concludeert dat François Haverschmidt de geestelijke vader van het Oera Linda Boek was.

Veel meer informatie over het Oera Linda Boek is te vinden op www.oeralindaboek.nl, een fraaie website van het Fries Historisch en Letterkundig Centrum.

Uit: Skepter 6.4 (1993)

G.C. Molewijk is historicus