Een therapeutische rechtszaak

door Rob Nanninga

Een jaar geleden publiceerde ik een onthullend artikel over Wies Moget en haar Instituut voor Video-Gestalttherapie (IVG) in Groningen (zie De sekte en de sociale dienst, Skepter maart 1995). Niet lang daarna ontving ik een gerechtelijk schrijven waaruit bleek dat het IVG mij op verkorte termijn had gedagvaard. Deze procedure vergde meer tijd dan ik had verwacht. Pas op 15 december jl. kwam de rechter tot een uitspraak, die gelukkig niets te wensen overliet.

De geschiedenis begon in december 1994, toen ik werd gebeld door een vrouw uit Utrecht. Zij had in een weekblad gelezen dat ik kritisch stond tegenover het geloof in satanisch ritueel misbruik en vroeg of ik belangstelling had voor een zaak die in Groningen speelde. Daar kende zij een zekere Marloes, die binnen het IVG het nodige had meegemaakt. In januari bracht ik Marloes een bezoek. Zij was achtereenvolgens cliënt, cursist en therapeut bij het IVG geweest, totdat zij in september 1994 door Wies Moget werd ontslagen omdat ze te veel kritiek had.

Marloes vertelde hoe haar werkgeefster in toenemende mate werd beheerst door paranoïde wanen, die zij op anderen overdroeg. Cursisten en medewerkers kregen van haar te horen dat ze werden belaagd door een misdadige satansbende die in staat was om hen met behulp van drugs en elektroshocks te hersenspoelen. Medewerkers van het IVG, waaronder de beide dochters van Moget, werden aangespoord om onder hypnose gruwelijke pseudo-herinneringen naar boven te halen. Verscheidene cliënten kregen hier eveneens mee te maken. Met paranormale hulpmiddelen identificeerde Moget steeds meer vermeende daders en samen met haar vertrouwelingen sloeg ze ook enkele malen voor de imaginaire satanisten op de vlucht.

Via Marloes kwam ik in contact met twee cursisten die al eerder waren afgehaakt. Zij kenden op hun beurt weer anderen, zodat ik na enig speurwerk in korte tijd een twaalftal mensen sprak die dezelfde ervaringen hadden als Marloes. Inmiddels was het mij duidelijk geworden dat de therapieën van Moget op grote schaal werden vergoed door de gemeentelijke sociale dienst en dat verscheidene hulpverlenende instellingen (waaronder de riagg) regelmatig cliënten naar haar doorverwezen. Hoewel Moget geen erkende opleiding had genoten, haar eigen cliënten tot therapeuten omschoolde en door niemand werd gecontroleerd, had haar instituut een bijzondere status verworven.

Publiciteitsdruk

Eind januari stuurde ik een rapport over mijn bevindingen naar de directeur van de sociale dienst en naar de hoofdinspecteur voor de Gezondheidszorg. Ik had verwacht dat de gemeente meteen stappen zou ondernemen, maar men schoof het probleem door naar een arts van de GGD, die de aanvragen voor IVG-therapieën behandelde. Deze arts had geen enkele behoefte om zijn beleid te wijzigen. Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg kwam niet in actie. Men toonde zich weliswaar geïnteresseerd in alle klachten over het IVG, maar kon daar niets mee doen omdat het Instituut nergens geregistreerd stond.

Op 5 februari kwam een tiental slachtoffers van Moget bijeen om zich over de situatie te beraden. De meesten hadden elkaar niet meer gesproken sinds ze het IVG hadden verlaten. Dit gold onder meer voor een ex-therapeut die er valselijk van werd beschuldigd dat hij Mogets dochters had verkracht. Nadat hij de laan uit was gestuurd, verbood Moget haar cursisten om contact met hem op te nemen.

De aanwezigen waren het erover eens dat alle instellingen die cliënten naar Moget doorverwezen op de hoogte moesten worden gebracht van de kwalijke ontwikkelingen in haar praktijk. Met dit doel stelde ik een brief op, die op 10 februari werd verspreid. Nadat ik nog meer betrokkenen had gesproken, publiceerde ik in maart twee artikelen over het IVG, de eerste in het weekblad Intermediair (3 maart) en de tweede in het dagblad Trouw (18 maart). Ook het Nieuwsblad van het Noorden besteedde uitgebreid aandacht aan de zaak en de actualiteitenrubriek NOVA maakte er een item over.

Onder druk van deze publiciteit besloot de sociale dienst van Groningen geen IVG-therapieën meer te vergoeden. Ook de sociale dienst van Leeuwarden stopte daarmee. Gelukkig waren er inmiddels bijna geen instellingen meer die nog cliënten naar het Instituut doorverwezen. Alleen de GGD-arts bleef de IVG-therapieën aanbevelen, totdat hem van hogerhand de wacht werd aangezegd.

Rookgordijnen

Het IVG was niet bereid op de kritiek te reageren. Een woordvoerder vertelde dat men mij wegens smaad zou aanklagen. Ook beweerde hij dat het IVG een ‘zelfonderzoek’ was gestart, waarvan sindsdien niemand meer iets heeft vernomen. De aanklacht had als voordeel dat mijn bewijsmateriaal door een onafhankelijke rechter werd beoordeeld. Zodoende kreeg ik de kans om aan te tonen dat mijn uitspraken goed gefundeerd waren.

In de aanklacht eiste het IVG dat ik al haar materiële en immateriële schade zou vergoeden, ‘op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet’. Ook wilde men weten aan wie ik de brief van 10 februari had gestuurd, ‘op verbeurte van een dwangsom van ƒ5.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven’. Later werd de eis nog vermeerderd en gelaste men mij een rectificatie te publiceren waarin ik zou toegeven dat ik mevrouw Moget ten onrechte in een kwaad daglicht had gesteld.

Volgens het IVG was mijn artikel in Intermediair grievend en geheel in strijd met de waarheid. Men veronderstelde dat ik mij slechts had gebaseerd op onbetrouwbare verklaringen van een labiele ex-patiënte en een rancuneuze ex-medewerkster. Het IVG beweerde ook dat ik op illegale wijze in het bezit was gekomen van haar adressenbestand en verweet mij dat ik nooit contact met het Instituut had gezocht. Voorts was het IVG van mening dat ik als bestuurslid van de Stichting Skepsis sterk bevooroordeeld was: ‘Nanninga heeft net zolang beledigingen geuit, tam-tam gemaakt en rookgordijnen opgeworpen tot de meeste instellingen besloten (voorlopig) geen personen meer door te verwijzen naar het IVG.’

Integere vakvrouw

Het IVG had er niet op gerekend dat zeventien personen bereid waren mij een schriftelijke verklaring ter beschikking te stellen. Daaronder bevond zich onder meer een psychiater die een aantal ex-cliënten onder behandeling had gekregen. Hij stelde vast dat het Instituut een groot gevaar vormde voor de geestelijke volksgezondheid. (Onlangs sprak ik een andere psychiater die eveneens enkele slachtoffers bleek te hebben behandeld.) Bovendien had ik nog een rechercheur achter de hand aan wie Moget haar complottheorieën uitvoerig uit de doeken had gedaan.

Het IVG wist niet dat ik bandopnamen had gemaakt van mijn vruchteloze pogingen om met Wies Moget in contact te komen. De bewering dat ik het Instituut nooit had benaderd, was dus aantoonbaar onjuist. En uiteraard had men geen enkele aanwijzing dat ik over een gestolen adressenbestand beschikte, want dat was evenmin waar. Het IVG probeerde een goede indruk te maken door de rechter 53 verklaringen te overleggen waarin mevrouw Moget door haar sympathisanten werd aangeprezen als een integere, respectvolle en bekwame vakvrouw. Maar daarmee werden de belastende feiten niet weerlegd.

De rechter kwam tot de volgende conclusie: ‘Gelet op de door Nanninga als productie overlegde verklaringen, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat Nanninga redelijkerwijs mocht aannemen dat de gesignaleerde klachten duidden op een ernstige misstand alsook dat de gewraakte publicatie voldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal.’ De rechter was van oordeel dat mijn uitspraken ‘niet beledigend of onnodig grievend’ waren en stelde vast dat mij geen andere wegen openstonden om de misstand aan de kaak te stellen. Het IVG werd veroordeeld in de kosten van de procedure.

De woordvoerder van het IVG vertelde aan de pers dat men overwoog in hoger beroep te gaan, maar dat plan heeft men blijkbaar weer laten varen. Wel vernam ik dat de stichting FIOM in Leeuwarden (die onder meer hulp verleent aan incestslachtoffers) een commissie van goede diensten in het leven heeft geroepen om Moget weer in het zadel te helpen. Ook haar woordvoerder (een ex-directeur van de Stichting Jeugd en Gezin) maakt daar deel van uit. Waakzaamheid blijft dus geboden.

Uit: Skepter 9.1 (1996)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014