21-12-2012 / 13.0.0.0.0

Het einde van de Mayakalender

door Rob Nanninga

Talloze occulte zieners en religieuze rekenaars voorzagen hoe bovennatuurlijke krachten onze verdorven wereld totaal zullen transformeren. Helaas kwamen hun voorspellingen niet uit, zodat men nu alle hoop heeft gevestigd op de oude Maya’s. In een lange rij bestsellers wordt betoogd dat hun geheimzinnige kalender aangeeft dat er grote veranderingen op komst zijn.

Professionele ‘mayalogen’ zijn geneigd om de opwinding over het jaar 2012 compleet te negeren. Ze schrijven in de eerste plaats voor andere deskundigen en zelden of nooit voor leken die in hun vakgebied geïnteresseerd zijn geraakt omdat ze waarde hechten aan oude profetieën. Wie meent dat New Agers niet van rekenen houden, zal moeite hebben om te verklaren waarom ze tegenwoordig zo graag boeken lezen waarin wordt uitgelegd hoe de tzolkin, de haab en de Lange Telling in elkaar zitten. Of zouden ze het grootste deel daarvan ongelezen laten?

Wie veronderstelt dat de Maya’s geloofden dat de wereld in 2012 ten onder zal gaan, heeft nog geen reden om dit geloof over te nemen. Naar hedendaagse maatstaven waren de oude Maya’s niet zo wijs: ze geloofden onder meer dat er regelmatig mensenoffers nodig waren en dat de stand van Venus aangaf wanneer ze tegen elkaar ten strijde moesten trekken, wat ze regelmatig deden. Er zijn ook enkele hedendaagse Maya’s die over het jaar 2012 profeteren, maar zij stemmen zich af op het westerse new-agepubliek en hebben zich ver verwijderd van hun culturele erfgoed (Sitler, 2006).

De populariteit van de Mayakalender is vooral te danken aan de Amerikaanse kunsthistoricus en spirituele schilder José Arguëlles (1939). Via het boek Lord of the Dawn van Tony Shearer (1971) raakte hij geïnteresseerd in een profetie van de Azteken over de wederkomst van de god Quetzalcoatl, die vaak wordt voorgesteld als een gevederde slang. Nadat de Spanjaard Hernán Cortéz in 1519 in Mexico arriveerde, zou het negen kalenderrondes duren tot er een nieuw tijdperk kon aanbreken. Arguëlles organiseerde op 16 en 17 augustus 1987 de Harmonic Convergence Global Meditation om dit tijdperk in te luiden. Het was de bedoeling dat er wereldwijd op diverse heilige plaatsen zou worden gemediteerd door 144.000 spirituele personen, maar dit aantal werd lang niet gehaald.

Volgens Arguëlles was de Harmonische Convergentie desondanks een groot succes, zoals onder meer bleek uit de val van de Berlijnse muur. Hij had inmiddels ook veel belangstelling gekregen voor de Maya’s en het jaar 2012. De juistheid van dit jaartal werd volgens hem bevestigd door de gebroeders McKenna, die in het Amazonegebied op zoek waren gegaan naar hallucinogene planten. Onder invloed van zulke middelen hadden ze ontdekt dat de I Tjing eigenlijk een oude maankalender was waaraan je de wereldgeschiedenis kon aflezen, tot het eindpunt in 2012. (Defesche, 2007)

Arguëlles publiceerde in 1987 de bestseller The Mayan Factor en ontwierp Dreamspell, een eigen Mayakalender met dertien maanden van 28 dagen. Deze kalender stemt naar verluidt overeen met de natuurlijke tijdsfrequentie en is niets minder dan de ‘redding voor de mensheid’. Alle ellende komt voort uit de kunstmatige 12:60-tijdsfrequentie (12 maanden, 60 minuten) van de ‘koloniale’ gregoriaanse kalender. We moeten ons dringend aanpassen bij de galactische ordening en de Wet van Tijd. Dat is de enige manier om te overleven.

Om zijn boodschap kracht bij de zetten, spreekt Arguëlles sinds 1993 in naam van de oude Mayakoning Pacal Votan. Hij noemt zichzelf Valum Votan (‘Closer of Cycles’), is een kanaal geworden voor nieuwe openbaringen uit de kosmos en verkondigt de Universele Religie, die de hemel op aarde zal brengen. In 2012 zal het menselijke vermogen tot telepathie worden hersteld. Dat zorgt voor eenheid, zodat er geen regering meer nodig is. Ook commerciële ondernemingen en industrieën worden afgeschaft. Alles wordt ecologisch verantwoord gedaan met behulp van occulte technologieën.

Hoewel niemand de invloed van Arguëlles kan ontkennen, nemen de meeste 2012-gelovigen hem tegenwoordig niet meer zo serieus. Er zijn bovendien veel concurrenten bijgekomen, die hun eigen visies verkondigen. Het jaar 2012 kan met van alles en nog wat in verband worden gebracht (Stray, 2008): ufo’s en contacten met buitenaardse wezens, de komst van de planeet Nibiru (Niburu), gechannelde boodschappen uit hogere werelden, diverse oude profetieën van natuurvolken, Nostradamus, de bijbelcode, sjamanistische visioenen, veranderde bewustzijnstoestanden, psychedelica, pseudowetenschappelijke rampscenario’s, esoterische natuurwetenschappen, alternatieve archeologie, graancirkels, nieuwetijdskinderen, complottheorieën, et cetera. Wie een new-ageboek schrijft, doet er verstandig aan het jaartal 2012 op de cover te zetten, want dat verhoogt gegarandeerd de verkoopcijfers.

De new-agebeweging dankt haar naam aan de hoop of verwachting dat er spoedig een nieuw tijdperk in de menselijke evolutie zal aanbreken. Onze corrupte wereld loopt op haar laatste benen. In de toekomst zullen er geen tegenstellingen meer bestaan. Dit geloof was wat op de achtergrond geraakt doordat de nieuwetijdsaanhangers zich aanpasten bij het commerciële marktdenken en onder meer cursussen organiseerden waar je kon leren om met behulp van hogere energieën zoveel mogelijk te verdienen. Maar de onzekere tijden waarin we tegenwoordig leven, hebben een deel van de aanhang vermoedelijk weer rijp gemaakt voor millennaristische en apocalyptische eindtijdverwachtingen.

De galactische evenaar

Op 21 december 2012 zijn er naar verluidt 13 periodes van 144.000 dagen verstreken sinds het begin van de Mayakalender. Er wordt beweerd dat de Maya’s geloofden dat er hierna een nieuw tijdperk zal aanbreken. Volgens velen is het geen toeval dat de laatste dag van het huidige tijdperk samenvalt met de jaarlijkse winterwende. Dat hadden de oude Maya’s blijkbaar al uitgerekend. Ze zouden ook hebben geweten dat de zon op deze dag precies op de galactische evenaar staat, bijna op één lijn met het centrum van het Melkwegstelsel.

Vanaf de aarde gezien, bevindt de zon zich ergens tussen de sterren. Het lijkt alsof hij zich verplaatst ten opzichte van de achterliggende sterrenhemel en in een jaar tijd door alle sterrenbeelden van de dierenriem loopt. Deze illusie wordt veroorzaakt door het feit dat we zelf om de zon draaien. Wanneer de zon bij het aanbreken van de lente in het sterrenbeeld Vissen staat, dan zal hij daar opnieuw staan wanneer de volgende lente aanbreekt. Maar op de lange termijn schuift het lentepunt heel langzaam door de dierenriem. Na ruim tweeduizend jaar, is het ongeveer één sterrenbeeld opgeschoven. Dit komt doordat de scheefstaande aardas in iets minder dan 26.000 jaar een cirkel beschrijft. (Lees Astronomie voor dummies voor meer informatie.)

De bovenstaande afbeelding toont hoe de hemel er op 21 december 2012 boven Amsterdam uitziet, wanneer de zon in het zuiden op het hoogste punt staat. De afbeelding is gemaakt met RedShift, een planetariumprogramma voor de pc. Ik heb het zonlicht even gedoofd, want anders zou de sterrenhemel niet zichtbaar zijn. Aan weerszijden van de zon loopt een soort lichtgevend nevel- of wolkenspoor, dat de hemelsfeer omspant. Dit is de Melkweg, die vooral in de buurt van het sterrenbeeld Sagittarius goed zichtbaar is. Wie er met een eenvoudige telescoop naar kijkt, kan zien dat de wolken in werkelijkheid bestaan uit ontelbaar veel zwakke sterren.

De Melkweg is ons eigen sterrenstelsel. Hij heeft de vorm van een schijf of vliegende schotel, die in het midden het dikst is. We zitten zelf in een spiraalarm van de schijf, op ongeveer 25.000 lichtjaren van het centrum. Als we in het vlak van de Melkweg kijken, zien we daar veel meer sterren dan in andere richtingen, en dat veroorzaakt de zwak oplichtende baan aan de hemel. Stofwolken zorgen ervoor dat er in het midden van de baan veel minder lichtpuntjes te zien zijn, waardoor het lijkt alsof er een donker pad door de hemel loopt. Astronomen gebruiken een galactisch coördinatenstelsel, waarbij de galactische evenaar door het centrum loopt en de Melkwegschijf in twee helften verdeelt.

In de afbeelding is te zien waar de ecliptica (jaarlijkse zonnebaan) de galactische evenaar doorkruist. Op 21 december staat de zon vanaf de aarde gezien op het kruispunt. Hij staat echter niet precies gericht op het galactisch centrum (GC), want dat ligt er een stukje onder. Velen geloven dat deze zonnestand zo uniek is, dat er bijzondere kosmische energieën zullen binnenstromen (die zich dan vermoedelijk sneller dan het licht verplaatsen). Dat is erg overdreven, want de zon doorkruist de galactische evenaar onvermijdelijk twee keer per jaar, zonder dat we daar iets van merken. Men zou zich alleen kunnen verbazen over het feit dat dit precies ten tijde van de winterwende gebeurt.

Ondanks alle opwinding is het jaar 2012 niet zo uniek als wordt gesuggereerd. In de voorafgaande jaren stond de zon tijdens de winterwende op vrijwel dezelfde plaats tussen de sterren. Het duurt 36 jaar voordat hij van links naar rechts door de galactische evenaar is geschoven ten gevolge van de precessie van de aardas. Al in 1998 liep de evenaar tijdens de winterwende precies door het centrum van de zon. Het toegevoegde, kleinere computerplaatje toont hoe de winterwende er in 1950 uitzag. De zon stond toen nog niet op de galactische equator, maar eigenlijk is dat niet relevant, omdat de Maya’s die niet kenden. Als we hem even wegdenken, dan is er geen reden om te veronderstellen dat de oude Maya’s aan deze stand minder belang zouden hebben gehecht.

Kosmisch monster

Het is wel een feit dat de Melkweg een rol speelde in het mythologische wereldbeeld van de Maya’s. Susan Milbrath (1999), een kunsthistorica die zich heeft gespecialiseerd in de Mayacultuur, geeft verscheidene voorbeelden van symbolische voorstellingen van de Melkweg. Deze werd soms afgebeeld als een slang of als een kosmisch monster met een kop aan beide uiteinden. De achterste kop heeft de kaak van een doodshoofd en is volgens Milbreth geassocieerd met het gebied in de buurt van de sterrenbeelden Scorpius en Sagittarius. De zon doorkruist hier de zuidelijke Melkweg, die naar de onderwereld leidt.

Er bestaan afbeeldingen waarin het monster een god tussen zijn kaken heeft, wat kan betekenen dat een hemellichaam de Melkweg oversteekt. Afbeeldingen van kanoërs kunnen in verband worden gebracht met de Melkweg als een hemelse rivier. Het gebied waar de zon, de maan en de planeten de Melkweg passeren, werd volgens Milbrath vaak voorgesteld door een hemelband met symbolen, al zijn er anderen die hierin de ecliptica zien. De hemelband werd soms afgebeeld als het lichaam van het kosmische monster.

Ruim duizend jaar geleden, toen de Mayacultuur bloeide, bereikte de zon al in de tweede helft van november de Melkweg. Dat was het begin van het droge seizoen. De passage door de andere helft van de Melkweg viel ongeveer samen met het begin van de regentijd in mei. Dit sluit aan bij afbeeldingen waarin er water uit de voorste reptielenkop van het monster stroomt.

De winterwende vond destijds pas plaats wanneer de zon in Sagittarius (Boogschutter) stond, nadat hij de Melkweg was overgestoken. Op dat moment konden de oude Maya’s de Melkweg platliggend boven de horizon zien uitkomen voordat het licht werd. Het leek op een opgesperde muil. Ze konden de Melkweg beter zien dan wij omdat ze ten zuiden van de Kreeftskeerkring leefden, waar hij hoger boven de horizon uitkomt.

Het is niet eenvoudig om de symbolische afbeeldingen die de Maya’s nalieten correct te interpreteren. Er zijn meestal meerdere interpretaties mogelijk en lang niet alles is duidelijk. Milbrath geeft in haar boek aan wat bepaalde voorstellingen zouden kunnen betekenen, maar moet regelmatig toegeven dat ze zich baseert op vermoedens die nog niet goed bevestigd zijn. Hoewel je er allerlei dingen in kunt zien, zijn er volgens deskundigen geen afbeeldingen die te maken hebben met de precessie van de aardas of met het einde van het huidige tijdperk.

De algemene opinie is dat de Maya’s geen moeite deden om te berekenen in welk tempo het lentepunt door de sterrenbeelden schuift. Ze waren daar waarschijnlijk niet van op de hoogte. Mochten ze het toch hebben ontdekt, dan wil dat niet zeggen dat deze kennis in hun kalender zit verborgen, want dat zou betekenen dat de makers van de kalender er al van op de hoogte waren, voordat ze in staat waren om lange tijdsperioden te registreren.

Daar komt bij dat de Maya’s hun langlopende kalender van een vroegere cultuur overnamen. Hij is gebaseerd op een twintigdelig stelsel en staat bekend als de Lange Telling. Iedere dag kan worden aangegeven met vijf getallen. Deze werden weergeven door een aantal stippen en strepen, waarbij de strepen voor vijf stippen tellen.

LANGE TELLING: baktun . katun . tun . uinal . kin
1 KIN = 1 dag
20 KINS = 1 UINAL = 20 dagen
18 UINALS = 1 TUN = 360 dagen
20 TUNS = 1 KATUN = 7200 dagen
20 KATUNS = 1 BAKTUN = 144.000 dagen

Drie kalenders

De oudste historische datum die men heeft gevonden in het gebied waar de Maya’s leefden is 7.19.7.8.12. De eerste 7 geeft het aantal baktuns aan. Een baktun is gelijk aan 20 katuns van elk 7.200 dagen (bijna twintig jaar). In het voorbeeld zijn er 7 baktuns en 19 katuns verstreken. Iedere katun bestaat uit 20 tuns van 360 dagen. De tuns bevatten bij uitzondering geen 20 maar slechts 18 uinals van 20 dagen. Op de laatste plaats staan de resterende kins (dagen). De datum betekent dus: (7 x 144.000) + (19 x 7200) + (7 x 360) + (8 x 20) + 12 = 1147492 dagen sinds het beginpunt van de telling, ruim 3000 jaar eerder. In dit verre verleden werd er nog niet geteld. Men begon daar pas meer dan 7 baktuns later mee. De meeste inscripties vermelden 9 baktuns. In die tijd beleefde de Mayacultuur haar hoogtepunt.

Velen kijken reikhalzend of angstig uit naar de datum 13.0.0.0.0, die volgt op 12.19.19.17.19. Om te weten wanneer deze dag plaatsvindt, moet je de Lange Telling van de Maya’s naar onze eigen kalender kunnen omrekenen. Daarbij doet zich echter een probleem voor. Toen de Spaanse veroveraars in Mexico arriveerden, werd de Lange Telling al lang niet meer gebruikt. Blijkbaar hechtten de Maya’s er destijds minder belang aan dan de vele auteurs die er tegenwoordig over schrijven. Toch leek het mogelijk om de Lange Telling te reconstrueren met behulp van de Korte Telling en twee andere kalenders die de Maya’s waren blijven gebruiken.

[Hieronder volgt een taai stuk over de wijze waarop men het beginpunt van de Mayakalender probeerde vast te stellen. Wie dit niet allemaal wil weten, kan meteen doorgaan naar het laatste deel van dit artikel, waar blijkt dat hedendaagse onderzoekers het beginpunt twee eeuwen later plaatsen dan de eerdere onderzoekers, zodat de datum 13.0.0.0.0 pas over twee eeuwen zal worden bereikt.]

Hun oudste kalender staat bekend als de tzolkin. Hij bestaat uit 20 dagen, elk met een eigen naam, die worden gecombineerd met 13 getallen. Op 1 Imix volgen 2 Ik, 3 Akbal, etc. De nummering begint na 13 weer overnieuw en de dagen herhalen zich na Ahau, de 20ste dag. De cyclus omvat slechts 260 dagen (20 x 13) en iedere dag heeft een unieke betekenis.

Daarnaast gebruikten de Maya’s een cyclus van 365 dagen, de haab. Deze bestaat uit 18 maanden van 20 dagen, plus vijf ongeluksdagen aan het slot. De eerste maand heet Pop en de dagen worden aangegeven als 1 Pop, 2 Pop, 3 Pop, etc. Hoewel de Maya’s ontdekten dat het jaar bijna een kwart dag langer duurt dan 365 dagen, voegden ze geen schrikkeldag toe. De lengte van de tzolkin en de haab stonden niet ter discussie. De Maya’s telden stug door en trokken zich er niets van aan of seizoenen en dergelijke pasten bij hun kalender. Breuken kenden ze niet. Toevallig waren de kalenders goed bruikbaar om de gemiddelde synodische omlooptijden van Venus en Mars vast te stellen (de tijdsduur tussen twee gelijke posities ten opzichte van de aarde). Vijf cycli van Venus waren vrijwel gelijk aan acht haabs, en één cyclus van Mars kwam overeen met drie tzolkins.

In de tijd dat de Maya’s de Lange Telling nog bijhielden, combineerden ze deze met de tzolkin en de haab. Op gedenkstenen werden alle gegevens vermeld, bijvoorbeeld 10.4.0.0.0 – 12 Ahau – 3 Uo. Dit is de laatste volledige inscriptie die men heeft gevonden. Als je van daaruit terugtelt naar oudere dateringen, dan blijken de tzolkin- en haabaanduidingen bijna altijd goed te kloppen. Wie terugtelt naar het begin, komt evenals de Maya’s uit bij 4 Ahau – 8 Cumku.

Het begin van de Lange Telling werd gewoonlijk geschreven als 13.0.0.0.0 – 4 Ahau – 8 Cumku. Dit was tevens de voltooiing van een voorgaande cyclus van 13 baktuns. Men heeft lang gedacht dat het een regel was om na 13 baktuns weer overnieuw te beginnen met tellen, maar dit wordt tegenwoordig betwijfeld (Kelley & Milone, 2005; Ruggles, 2005). Het is ook mogelijk om door te blijven tellen. Zo kenden de Maya’s een pictun, dat bestaat uit 20 baktuns.

Je zou verwachten dat de Lange Telling begint bij 1 Imix – 1 Pop (de eerste dag van de tzolkin en de eerste van de haab), maar deze combinatie kan nooit voorkomen. 1 Imix kan in elke maand (Pop, Uo, etc.) alleen maar vallen op dag 4, 9, 14 en 19, of op de vierde ongeluksdag. In totaal zijn er 73 mogelijkheden, in plaats van 365. Omdat 260 en 365 beide deelbaar zijn door 5, komt men al na 52 haabs weer uit bij de aanvangscombinatie. Een complete cyclus van 52 haabs (73 tzolkins) wordt een kalenderronde genoemd.

Het correlatieprobleem

Nadat de Lange Telling in onbruik was geraakt, hield men nog wel bij op welke tzolkindag een katun (20 x 360 dagen) eindigde. Dit is de zogenoemde Korte Telling. De katuns werden vernoemd naar deze laatste dag, waarop speciale rituelen plaatsvonden. Het einde van een katun (dat door 20 deelbaar is) viel automatisch altijd op de dag Ahau, maar de getallen versprongen. Op de katun 6 Ahau volgden de katuns 4 Ahau, 2 Ahau, 13 Ahau, 11 Ahau, etc. Er waren dertien getallen, zodat de Maya’s met hun Korte Telling een periode van 13 katuns konden bijhouden, circa 256 jaar. Daarna herhaalde de telling zich.

De missionaris en inquisiteur Diego de Landa, die later bisschop werd, rapporteerde dat de Spanjaarden in 1541 bij de stad Merida aankwamen. Dit was volgens hem in het eerste jaar van een katun dat de Maya’s 11 Ahau noemden. Het lijkt daarom aannemelijk dat de voorgaande katun, 13 Ahau, in 1540 of 1541 was geëindigd. De eerder genoemde inscriptie 10.4.0.0.0 – 12 Ahau – 3 Uo, is eveneens de laatste dag van een katun. Vanaf deze datum, aan het einde van het klassieke Mayatijdperk, kunnen we doortellen naar alle katuns die op 13 Ahau eindigen:

10.4.0.0.0 – 12 Ahau – 3 Uo startdatum
10.10.0.0.0 – 13 Ahau – 13 Mol 118 jaar later
11.3.0.0.0 – 13 Ahau – 13 Pax 374 jaar later
11.16.0.0.0 – 13 Ahau – 8 Xul 630 jaar later
12.9.0.0.0 – 13 Ahau – 8 Kankin 886 jaar later

Een van deze mogelijkheden zou de katun kunnen zijn die in het jaar 1540 of 1541 eindigde. Mede op basis van wat enkele Maya’s in het koloniale tijdperk over hun lange geschiedenis schreven, kon men vermoeden dat er al vele eeuwen waren verstreken sinds het klassieke tijdperk. De datum 11.16.0.0.0 – 13 Ahau – 8 Xul leek de meest aannemelijke einddatum van de katun waarover Diego de Landa schreef.

De Landa maakte ook melding van een nieuwjaarsviering op 12 Kan – 1 Pop (de eerste dag van een haab). Deze nieuwjaarsdag kwam naar verluidt overeen met 16 juli 1553. We zouden van daaruit kunnen terugtellen naar 13 Ahau – 8 Xul om te achterhalen op welke dag de voorgaande katun eindigde. Maar helaas is dit onmogelijk omdat de combinatie 12 Kan – 1 Pop in het oorspronkelijke systeem niet voorkomt. De eerste dag van een haab viel nooit op Kan, maar altijd op Akbal, Lamat, Ben of Etznab. Deze eerste dag was de zogenoemde jaardrager.

De Kroniek van Oxcutzcab, die in 1685 door een zekere Don Juan Xiu uit een een oud boek was overgeschreven, gaf een overzicht van de Spaanse veroveringen in de periode 1534 tot 1545. Uit de Kroniek blijkt dat Kan, Muluk, Ix en Kawak destijds de vier jaardragers waren. Ook De Landa noemt deze vier, hoewel ze in het klassieke tijdperk nooit op 1 Pop kunnen vallen.
In de Kroniek wordt vermeld dat er in 1540 een tun eindigde op 13 Ahau – 7 Xul. Dit zou tevens het einde van de katun kunnen zijn. Als je vanaf de nieuwjaarsviering op 16 juli 1553 terugtelt naar 13 Ahau – 7 Xul (in plaats van 8 Xul), dan kom je uit op 3 november 1539. Misschien was dit de dag 11.16.0.0.0. Het beginpunt van de Lange Telling kan dan op 12 augustus 3114 v. Chr. worden geplaatst en de datum 13.0.0.0.0 wordt bereikt op 22 december 2012.

Als het klopt, dan is er blijkbaar één dag van de haab verloren gegaan (Finley, 2002). Het is ook mogelijk dat er ergens een dag aan de tzolkin is toegevoegd en dat de katun in werkelijkheid pas op 4 november eindigde. In dat geval begon de Lange Telling een dag later, op 13 augustus. Een derde mogelijkheid is dat zowel de haab als de tzolkin iets gewijzigd waren en dat de katun op 2 november eindigde. In dit laatste geval valt 13.0.0.0.0 op 21 december 2012.

De drie mogelijke beginpunten van de Lange Telling staan bekend als de GMT-correlatie, vernoemd naar Goodman, Martínez en Thompson, drie onderzoekers die er in de eerste decennia van de vorige eeuw over publiceerden. De archeoloog Eric Thompson gaf aanvankelijk de voorkeur aan de tweede optie. Deze staat bekend als de 584285-correlatie. Het getal verwijst naar het Juliaanse Dagnummer dat overeenkomt met het beginpunt van de Lange Telling, 13 augustus 3114 v. Chr.. Dit sluit het beste aan bij de astronomische observaties die de Maya’s vastlegden.

Volgens de astronoom Victor Malmström (1997) koos men als beginpunt een dag waarop de zon loodrecht boven de aarde stond. Dat kon eenvoudig worden vastgesteld door een stok rechtop te zetten. Op het moment dat de zon in het zenit staat, heeft de stok geen schaduw meer. Malmström keek op welke breedtegraad de zon op 13 augustus in het zenit stond en kwam uit bij 14,8° noorderbreedte. Daar bevond zich in het eerste millennium voor onze jaartelling een belangrijke vestiging van de Olmeken, in de buurt van de huidige grens tussen Mexico en Guatemala. Het was volgens Malmström geen toeval dat de zon hier precies 260 dagen later opnieuw in het zenit staat, wanneer hij terugkeert van zijn ‘reis’ naar de zuiderkeerkring. Dit zou kunnen verklaren waarom de tzolkin 260 dagen telt. De Maya’s stichtten later een belangrijk centrum op dezelfde breedtegraad (Copán).

Thompson stapte in 1950 over naar de 584283-correlatie. Deze is vooral populair geworden onder antropologen, omdat hij aansluit bij de tzolkinkalender die nog steeds wordt gebruikt door de Quiché-indianen in de hooglanden van Guatemala. In de afgelopen dertig jaar waren er echter verscheidene onderzoekers die tot de conclusie kwamen dat het beginpunt van de Lange Telling later moet worden geplaatst. De archeoloog David Kelley stelde diverse criteria op waaraan de correlatie moest voldoen en gebruikte zowel astronomische, historische als archeologische dateringen. In 1983 publiceerde hij er een lang artikel over waarin hij uitkwam op de correlatie 663310. Tegenwoordig (Kelley, 2005) geeft hij echter de voorkeur aan de 660205-correlatie. Dat is precies 4 kalenderrondes (208 jaar) later dan het eerste voorstel van Thompson. Bryan Wells en Andreas Fuls (2000) kwamen onafhankelijk van elkaar uit op de correlatie 660208. Het begin van de Lange Telling valt dan op 21 juli 2906 v. Chr.

Twee eeuwen later

Andreas Fuls (2007), die verbonden is aan de Technische Universiteit van Berlijn, promoveerde onlangs op een dissertatie waarin hij de GMT-correlatie overtuigend bestreed en een overzicht gaf van het bewijsmateriaal dat zijn eigen oplossing ondersteunt. De correlatie van Thompson kan niet worden gebaseerd op de gegevens die hij gebruikte. Hij had eigenlijk moeten uitkomen op het Juliaanse Dagnummer 584649 (een jaar later). Maar dat kan niet kloppen omdat het helemaal niet overeenstemt met de maanfasen die de Maya’s optekenden. Die zouden dan een gemiddelde afwijking van ongeveer 10 dagen vertonen.

Het lijkt niet zo aannemelijk dat de Mayakalender vanaf de klassieke tijd ononderbroken doorliep. Waarschijnlijk heeft er ergens een breuk plaatsgevonden. Dit blijkt onder meer uit de verandering van mogelijke jaardragers. De gegevens uit de postklassieke en koloniale tijd spreken elkaar ook regelmatig tegen. De historische methode, waarbij men zich baseert op documenten uit het koloniale tijdperk, is niet geschikt om betrouwbaar vast te stellen hoe de Lange Telling in onze eigen jaartelling past. Volgens Andreas Fuls is het verstandiger om uit te gaan van de astronomische observaties die de Maya’s tussen 8.16.0.0.0 en 10.2.9.1.9 optekenden. In deze klassieke periode waren hun kalendergegevens, die op verschillende plaatsen werden vastgelegd, heel consistent.

Fuls maakte onder meer gebruik van ruim tweehonderd inscripties waarin werd aangegeven hoeveel dagen er waren verstreken sinds de nieuwe maan. Daar stond ook de Lange Telling bij. Zijn 660208-correlatie sloot heel goed aan bij deze gegevens: gemiddeld genomen weken de Maya-observaties niet af van de astronomische feiten.

Dit is nog geen reden om aan de nieuwe correlatie de voorkeur te geven, want de oorspronkelijke 584285-correlatie van Thompson stemt vrijwel even goed overeen met de maaninscripties. Fuls beperkte zich echter niet tot de maan. Hij keek ook naar de Venustabel in de Dresden Codex, een van de zeer weinige Mayageschriften die ontsnapten aan de boekverbrandingen van bisschop Diego de Landa. In de tabel staat aangegeven wanneer Venus als ochtend- of avondster zichtbaar werd. De GMT-correlatie past heel slecht bij deze tabel, in tegenstelling tot de nieuwe 660208-correlatie.

Fuls keek eveneens naar de maanknopen en naar diverse gegevens die betrekking hadden op de stand van de zon en de wisseling der seizoenen. In Uaxactun, een Mayastad die werd teruggevonden in het oerwoud van Guatemala, hadden de Mayapriesters naar men aanneemt een zonne-observatorium gecreëerd. Vanaf een platform op een piramide konden ze de zon tijdens de equinox zien ondergaan achter de tempel die er recht tegenover stond. Twee andere tempels waren zo geplaatst dat de zon tijdens de zomer- en winterwende achter een hoek van een gebouw verdween. Op gedenkstenen waren twee verschillende datums gegraveerd, die elk het einde van een katun aangaven. Met de correlatie van Fuls kunnen deze gedenkwaardige dagen in de buurt van de winterwende (in 564 en 702 na Chr.) worden geplaatst. Wie daarentegen de GMT-correlatie toepast, komt uit bij een dag zonder astronomische betekenis, aan het eind van januari.

In Yaxchilán, een andere Mayastad, zijn afbeeldingen en kalenderdata te vinden die betrekking hebben op een ceremonieel waarbij een speciale staaf werd gebruikt. Dat gebeurde steeds ongeveer op hetzelfde tijdstip van het jaar. De holle staaf was waarschijnlijk voorzien van een soort schietlood en kon worden gebruikt om vast te stellen dat de zon in het zenit stond. De 660208-correlatie strookt met deze interpretatie.

Naast astronomische gegevens zijn er ook andere onderzoeksgegevens die bevestigen dat er tussen de klassieke periode en de komst van de Spanjaarden minder tijd was verstreken dan Thompson aannam. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de ontwikkeling van de schrifttekens. Zo bleef het teken voor Ahau niet onveranderd. Gemiddeld duurde het een jaar of dertig of wat korter voordat er een nieuwe variant optrad. Het schrift ontwikkelde zich zowel in het klassieke als in het postklassieke tijdperk. Maar daar tussen zit een gat van ongeveer tweehonderd jaar. Geofysische dateringsmethoden en onderzoek naar aardewerk kloppen eveneens beter als de Maya-chronologie twee eeuwen vooruit wordt geschoven.

Fuls ging niet uit van een favoriete datering waarvoor hij bevestiging probeerde te vinden, maar zocht systematisch naar de correlatie die het beste overeenkwam met alle beschikbare gegevens. Hoewel de discussie al een eeuw duurt en voorlopig nog wel even door zal gaan, heeft hij goede argumenten om zijn oplossing te verkiezen boven die van Thompson. Het zou betekenen dat we nog tot het jaar 2220 moeten wachten voordat er 13 baktuns zijn verstreken sinds het begin van de Lange Telling.

Literatuur

Defesche, Sacha (2007). The 2012 phenomenon: a historical and typological approach to a modern apocalyptic mythology. Universiteit van Amsterdam: M.A. Thesis.
Finley, Michael John (2002). The correlation question.
http://members.shaw.ca/mjfinley/corr.html
Fuls, Andreas (2007). Die astronomische Datierung der klassischen Mayakultur (500 – 1100 n. Chr.): Implikationen einer um 208 Jahre verschobenen Mayachronologie. Universiteit Hamburg: dissertatie.
Kelley, David H. en Eugene F. Milone (2005). Exploring ancient skies. (Mesoamerica, p. 353-410). Seracausus, NJ: Springer.
Malmström, Vincent H. (1997). Cycles of the sun, mysteries of the moon: The calendar of the Mesoamarican civilization. Austin: University of Texas Press.
Milbrath, Susan (1999). Star Gods of the Maya: Astronomy in Art, Folklore, and Calendars. Austin: University of Texas Press.
Ruggles, Clive (2005). Ancient astronomy: an encyclopedia of cosmologies and myth. Santa Barbara, Ca.: ABC-CLIO.
Sitler, Robert K. (2006). The 2012 phenomenon. New age appropriation of an ancient Mayan Calendar. Nova Religio, 9(3), 24-38.
Stray, Geoff (2008). Voorbij 2012. Deventer: Ankh-Hermes.
Wells, Bryan en Andreas Fuls (2000). Correlating the modern western and ancient Maya calendars. Berlijn: ERS (West) Monograph 5.

Meer informatie over de precessie van de aardas en de stand van de zon is te vinden in het aanvullende artikel Astronomie voor dummies.

Naschrift

Eind oktober 2009 verscheen in vele kranten het bericht dat onderzoek van Andreas Fuls had uitgewezen dat de Mayakalender pas in 2220 ten einde loopt. Het nieuws was gebaseerd op een artikel van Maarten Keulemans in het tijdschrift Natuurwetenschap en Techniek. Daarbij werd het bovenstaande artikel uit Skepter als bron gebruikt, maar (aanvankelijk) zonder dit te vermelden. Het nieuws stond dus al een jaar eerder in Skepter.

Uit: Skepter 21.1 (2008)

 

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014