Illusies voor gevorderden

Interview met filosoof Maarten Boudry

door Pepijn van Erp  – Skepter 30.1 (2017)

Maarten Boudry (foto: Bas Uterwijk)

De Belgische filosoof Maarten Boudry was een van de sprekers op het laatste Skepsiscongres. Zijn voordracht was voor een belangrijk deel gebaseerd op zijn boek Illusies voor gevorderden, of waarom de waarheid altijd beter is, dat eind 2015 verscheen. Dat er veel schadelijk bijgeloof is, waar we maar beter vanaf komen, is niet zo schokkend. Boudry vindt dat we ook niets te verwachten hebben van illusies die misschien nuttig zouden kunnen zijn.

Kun je de titel van je boek uitleggen? Heb ik een Illusies voor beginners gemist?

Je zou De Ongelovige Thomas heeft een punt kunnen zien als zo’n ‘illusies voor beginners’. In dat boek prikken Johan Braeckman en ik allerlei vormen van irrationeel geloof door, maar we stellen ons niet de vraag of die illusies misschien wel heilzaam kunnen zijn. Worden mensen er beter van? Bij flagrante waanbeelden is het natuurlijk duidelijk: het gevaar van een geloof te kunnen vliegen is makkelijk in te zien, en degene die het gelooft zal ook snel geconfronteerd worden met de realiteit. Maar hoe zit het met meer uitgekiende, zorgvuldig gekozen illusies? In dit boek gaat het om die ‘gevorderde’ illusies.

Is een leven zonder illusies wel goed mogelijk? Je schrijft dat veel mensen wie je dat vroeg dat betwijfelen. Welke illusies noemen zij dan zoal waar je moeilijk buiten zou kunnen?

Ik vraag vaak voor lezingen over mijn boek aan het publiek hoe ze er tegenaan kijken. En vrij vaak wordt dan opgemerkt dat een leven zonder illusies te saai zou zijn. Maar welke illusies dan? Het is lastig om illusies bij jezelf aan te wijzen zonder ze te doorprikken. Ik herinner me bijvoorbeeld iemand die beweerde dat hij de illusie koestert dat zijn relatie sterker was geworden nadat zijn vriendin hem bedrogen had. Maar als je dat zo uitspreekt, erken je eigenlijk dat je niet echt in dat verhaaltje gelooft.
Mensen hebben daarnaast wel vaak het idee dat een wereldbeeld dat volledig door wetenschappelijke inzichten bepaald zou zijn, nogal troosteloos zou zijn. Denk aan Woody Allen die zich in de film Annie Hall in een depressie stort nadat hij hoort dat het universum uitdijt. Maar kun je zomaar beslissen om iets anders te geloven? Al snel in het boek kom je met een logische afleiding die daarop lijkt en die laat zien dat er eigenlijk geen heilzame illusies mogelijk zijn, of in ieder geval niet op een verantwoorde manier vol te houden. Je noemt het een paradox, een soort Catch-22. Om te kunnen uitmaken of een illusie gunstig is, moet je de voor- en nadelen van het geloof in die illusie onderzoeken en kunnen afwegen. Maar als je die afweging maakt, weet je dus dat het om een illusie gaat. Zelfs als je dan zou hebben vastgesteld dat het om een nuttige illusie gaat, zal het je niet meer lukken om er oprecht in te geloven. Je kunt namelijk niet zomaar beslissen om ergens in te geloven.

Het lijkt me voor die paradox belangrijk dat er wel sprake moet zijn van een mogelijke rationele afweging van voor- en nadelen.

Je bedoelt dat er vragen zijn die niet beantwoord kunnen worden op een rationele manier?

Ja, of nog niet beantwoord kunnen worden. Als je bijvoorbeeld twee eeuwen terugdenkt, was het geloof in newtoniaanse zwaartekracht dan een nadelige illusie? We weten nu dat die niet helemaal klopte. Misschien is een beter voorbeeld het deïsme. Je kunt niet bewijzen of een goddelijk wezen onze werkelijkheid heeft gecreëerd, maar zich er verder nooit mee bemoeit.

In dat geval gaat het om illusies die op zich geen gevaar inhouden, maar anderzijds ook geen voordeel opleveren. Deïsme is zo’n voorbeeld. Die opvatting is zo ontworpen dat ze geen enkele praktische relevantie heeft voor ons leven. God bestaat, maar hij heeft zich volledig teruggetrokken. Precies daarom wordt het natuurlijk gezien als een verkapte vorm van atheïsme: er is geen waarneembaar verschil tussen beide theorieën. De illusie van deïsme is niet gevaarlijk, maar veel troost zal je er ook niet uit putten: geen hiernamaals, geen mirakels, geen openbaringen en verhoorde gebeden… Het gaat er bij de interessante illusies om dat het overtuigingen zijn die een verschil maken, en die ook je gedrag beïnvloeden.

Het enige wat overblijft aan illusies waar je een heilzame werking aan kunt toedichten, is een beetje zelfoverschatting. Maar dat noem je dan weer geen volwaardige illusie.

Bij sport bijvoorbeeld kan het je motiveren, maar ook daar ligt het vrij subtiel. Als je gelooft dat je een gouden medaille kan halen, loop je misschien wat harder. Maar als je werkelijk goud haalt, dan was je geloof geen echte illusie. Je was echt de beste. Dan was je geloof zelfvervullend, zoals bij Peter Pan, die kan vliegen omdat hij rotsvast gelooft dat hij kan vliegen. Maar het kan ook subtieler. Als de eerste plaats onhaalbaar is, kan het geloof dat goud er toch in zit wel positief uitpakken: zonder dat geloof zou je misschien minder gemotiveerd zijn en zelfs het zilver missen.

Als je met zelfoverschatting te ver gaat, kan het wel nadelige gevolgen voor me hebben, bijvoorbeeld als ik van mezelf denk dat ik goed genoeg piano speel om concertpianist te worden. Als ik dat namelijk oprecht geloof, zou ik misschien mijn huidige baan opzeggen en me volledig storten op het nastreven van die illusie. Nu kan ik wel aardig piano spelen, maar zeker niet genoeg om daar een bestaan in op te bouwen.
Ik zou vrij snel geconfronteerd worden met de negatieve gevolgen van mijn geloof. Hier komen we aan bij wat Roy Baumeister de optimale marge van de illusie noemt, een soort veilige marge waar je beter niet buiten treedt. Maar hoe vind je die precies? Ook hier stuit je op die paradox: je kunt niet zeggen: ‘oké, dan ga ik mezelf een beetje overschatten, maar niet te veel’.

De afweging of een illusie nuttig of niet nuttig is, doe je meestal op individueel niveau. Maar je zou ook op andere niveaus kunnen kijken. Iets wat voor een individu nadelig uitpakt, kan voor de gemeenschap waar hij deel van uitmaakt wel gunstig zijn. Is het niet goed als er een paar durfallen rondlopen die weliswaar vaak falen, maar af en toe in hun overmoed verder springen dan je met alleen rationele afwegers zou komen?

Je kunt je inderdaad voorstellen dat het voor de samenleving gunstig is dat er een aantal mensen rondlopen die aan bovenmatige zelfoverschatting leiden. Ik bespreek in mijn boek bijvoorbeeld venture capitalists, mensen die in riskante ondernemingen investeren. Maar als je goed kijkt naar de zogenaamde succesverhalen, zie je dat die risiconemers zeker geen betere deals sluiten dan meer voorzichtige personen.

Of een ongeleid projectiel wordt opeens president van de Verenigde Staten …

Precies, het kan ook de negatieve kant opschieten. Uiteindelijk is een samenleving waarschijnlijk toch beter af met mensen die rationele afwegingen maken. Ook daarmee kun je nog steeds riskante stappen zetten, maar dan wel op een berekende en doordachte manier. Om te wagen, hoef je niet te noodzakelijk te geloven dat je zal winnen. Ook de lotto heeft bijvoorbeeld veel deelnemers terwijl de meeste van die deelnemers hun kansen op een grote prijs niet heel hoog inschatten. Nu ja, niet dat lottospelers zo rationeel zijn. Maar in ieder geval: als samenleving heb je die durfallen niet per se nodig.

Als mogelijke uitweg uit jouw paradox bestudeer je het paternalisme — je laat iemand anders de rationele afwegingen maken van voor- en nadelen. En die persoon laat jou dan in de positieve waan of redt je juist van een gevaarlijke gedachte. Hoezo is dat toch gevaarlijk?

Het is niet zozeer gevaarlijk, er is eerder een moreel probleem. In de geneeskunde accepteren we het tegenwoordig niet meer dat een arts een middel verstrekt en er een leugentje om bestwil bij vertelt. Of een diagnose achterhoudt. Zonder informed consent handelen kan alleen in uitzonderlijke gevallen.
Je zou je arts misschien bij voorbaat al toestemming kunnen geven om te handelen volgens diens beste inzichten. Of dat echt werkt, is vervolgens maar de vraag. Stel ik geef mijn arts een volmacht om mij als het moet beet te nemen met placebo’s. Dan ontsnap ik daarmee toch niet helemaal aan een paradox: ik weet namelijk dat mijn dokter me misschien een placebo voorschrijft — en bij elk middel dat ik van hem krijg zal die twijfel me bekruipen. Werkt het dan nog wel?

Daarnaast speelt het probleem van de controle. Als mijn arts mij voor onschuldige kwaaltjes homeopathische korrels geeft, is dat niet zo schadelijk. Als ik daardoor het idee krijg dat homeopathie ook wel voor ernstiger aandoeningen zal werken, kan ik met bijvoorbeeld met suikerkorreltjes naar de tropen vertrek in plaats van met echte medicijnen tegen malaria. Dat kan ernstige gevolgen hebben. En het is niet gegarandeerd dat mijn dokter mij op tijd kan tegenhouden.
Met personen die we toch al niet als autonoom zien, zoals kinderen, is er moreel geen probleem. Die geven we soms eens een suikerbolletje als ze zich aanstellen. Je kunt ze ook rustig in Sinterklaas laten geloven, dat zal niet snel verkeerd uitpakken.

Misschien is het juist goed om als kind een aantal illusies te hebben die later worden doorgeprikt. Stimuleert dat niet het kritisch denken? Mijn dochter vond het bijvoorbeeld een bijzondere ervaring om er uiteindelijk zelf via Wikipedia achter te komen hoe het nu zit met Sinterklaas.

Dat zou goed kunnen, maar dan is het waarschijnlijk wel van belang dat kinderen er zelf op een goede manier achter komen. Als je zo’n illusie bot doorprikt, of als je je kinderen te lang voorliegt, loop je ook weer het risico dat je de vertrouwensband tussen ouder en kind beschadigt, daar is ook wel onderzoek naar gedaan.

Van een aantal schadelijke illusies hebben we ons in de loop van de geschiedenis wel verlost. Zo kom je hier eigenlijk geen heksenvervolging meer tegen. Kunnen we daarvan iets uit leren om bijvoorbeeld van het geloof in homeopathie af te geraken?

Geloof in hekserij is veelal onder zijn eigen gewicht bezweken. Men zag te veel mensen in de eigen omgeving die opeens van hekserij werden beticht, en die keten van beschuldigingen zette zich maar steeds voort. Of mensen stelden vast dat van hekserij verdachte personen onder foltering werkelijk alles bereid waren te bekennen, of zelfs hun folteraars van hekserij beschuldigden. Dan wordt zo’n illusie voor mensen toch te inconsistent. Dorpen die eenmaal een uitbraak van heksenhysterie kenden, maakten dat vaak geen tweede keer mee. Het leek wel alsof ze geïmmuniseerd waren.

Met homeopathie zou je ook zo’n reductio ad absurdum kunnen laten zien, het tot in het absurde doorredeneren volgens de principes die achter de illusie schuilen. Het schudden en verdunnen volgens de klassieke homeopathie wordt ook wel door machines overgenomen, en middelen worden zelfs direct zonder al dat verdunnen gemaakt. Een stap verder is dat je middelen zelfs kunt downloaden. Water wordt op afstand bestraald en ‘gepotentieerd’. En waarom niet? Het placebo-effect zal altijd hetzelfde zijn. Misschien dat zoiets uiteindelijk een homeopaat ook te bont wordt. In discussies met complotdenkers probeer ik ze wel eens uit de tent te lokken door hun ideeën nog verder door te trekken. Een soort intellectuele judo, je gebruikt hun eigen paranoïde logica tegen henzelf. Zijn er überhaupt vliegtuigen in de Twin Towers gevlogen? Waren het geen hologrammen, zoals sommigen geloven. Als het echt te gek wordt, gaan ze misschien toch aan hun eigen illusies twijfelen.

Mijn ervaring is dat ze het gesprek meestal snel een andere richting insturen als je ze confronteert met die inconsistenties. Cognitieve dissonanties lijken een sterke rol te spelen.

Haha, nee, erg veel goede ervaringen heb ik er inderdaad ook nog niet mee…

Maarten Boudry op het Skepsis congres 2016 (foto: Bas Uterwijk)

Een groot deel van het boek gaat over religieuze illusies. Is het toch niet een enigszins vermomd atheïstisch betoog? Ik kreeg ook de indruk dat de stukken die over religie gaan met meer vuur geschreven zijn.

Dat klopt wel een beetje. Ik ben veel met religie bezig en ik schrijf er regelmatig artikelen over. In dit boek heb ik de hoofdstukken over religie wel bewust wat naar achter geschoven. Enerzijds om de religieuzen niet meteen voor het hoofd te stoten. Hopelijk neem ik ze zo eerst mee in mijn gedachten over andere illusies, zodat ze daarna mijn analyse van religie niet meteen verwerpen.
Anderzijds ook om de atheïsten en skeptici aan het denken te zetten over de illusies die ze mogelijk zelf hebben. Ik zie vaak dat skeptici te snel het idee hebben dat ze zelf immuun zijn voor illusies. Maar ik wil dat het boek ook onder de huid kruipt van niet-gelovigen.
Het klopt dat ik stevig tegen religie in ga en dan natuurlijk vooral tegen de extreme kanten daarvan. In het laatste hoofdstuk neem ik het op tegen de apologeten, mensen die menen dat je vooral naar de positieve kanten van religie moet kijken, en dat religie nooit de echte drijfveer is voor geweld en terreur. Daar mocht ik van mezelf even stevig van leer trekken. Het is natuurlijk ook een onderwerp dat nu heel actueel is.

Je schrijft bijvoorbeeld dat het eigenlijk raar is om te veronderstellen dat terroristische zelfmoordaanslagen niet worden gepleegd vanuit een extremistische geloofsopvatting maar eerder vanuit andere, meer rationele motieven. Ik vroeg me bij het lezen af hoe het dan zit met bekeerlingen, die ook wel tot dergelijke daden zijn gekomen. Kunnen we iets zeggen of hun geloof wel oprecht kan zijn?

Je ziet bij bekeerlingen vaak dat ze nog fanatieker zijn dan de gelovigen die opgegroeid zijn in het geloof. Dat ze zich in een nieuwe sociale context duidelijk willen laten zien, zich bewijzen als ware gelovigen.

Ik bedoel meer het volgende: bekeerlingen zijn opgegroeid buiten dat geloof en hebben dus kennis van andere denkbeelden, mogelijk waren ze zelfs atheïstisch. Volgens jouw paradox zou het dan niet goed mogelijk zijn om nog volwaardig en oprecht in de illusie te geloven. Of gaat het ongeveer als bij de opvoeding van kinderen?

Interessant punt. Ik heb daar nog niet heel diep bij stilgestaan. Bij kinderen die opgroeien in een geloof is er inderdaad geen probleem om te zien hoe ze gaan geloven, die hebben niet anders geleerd. Bij bekeerlingen is het vaak zo dat het ofwel plotseling komt, een openbaring zoals bij Paulus, ofwel dat er toch al iets van geloof aanwezig is dat langzaam uitgroeit. Maar voor geloofsafvalligen, die van een geloof naar atheïsme gaan, is het achteraf ook heel lastig aan te geven wanneer nu de switch echt plaatsvond. Wat de Catch-22 wel uitsluit, is dat het om een bewuste beslissing gaat. Je kunt wel kiezen om lid te worden van een groep, maar geloof is iets dat je overvalt.

Hoe is het boek ontvangen door gelovigen? Het is nu een ruim een jaar uit, dus er zullen er toch ook wel een aantal van je opponenten in de debatten over religie iets over hebben laten weten. Of niet?

Sommige gelovigen zoals de rector van Leuven Rik Torfs vinden dat ik een enge waarheidsopvatting heb en dat ik een soort sciëntist ben. Andere gaan ook tegenwerpen dat religie toch echt wel maatschappelijk nut heeft, maar dat is een riskante zet. Door die discussie aan te gaan over de nutsvraag van religie, ondergraaf je je geloof op een indirecte manier. Een christelijke recensent schreef onlangs dat hij het boek goed geschreven vond, maar dat hij als gelovige met een ‘groot gevoel van leegte’ achterbleef. Dat lijkt me een goed teken…

Maarten Boudry, Illusies voor gevorderden: of waarom waarheid altijd beter is. Uitgeverij Polis, 2015, 364 pagina’s. € 22,50.

Uit: Skepter 30.1 (2017)

Pepijn van Erp is wiskundige en bestuurslid van Skepsis.