De twijg slaat weer uit

door Rob van den Berg

Altijd al moeite gehad om beslissingen te nemen? Dat is niet meer nodig. Volgens het Smithsonian Magazine ligt de oplossing in een klein touwtje met een balletje eraan. Het tijdschrift van de eerbiedwaardige Smithsonian Institution, bekend van de schitterende natuurwetenschappelijke musea in Washington, bevatte in januari van dit jaar een opmerkelijk artikel. In niet minder dan zeven pagina’s werden onder de titel ‘Urban New Agers Have Taken Over the Art of Dowsing’ de wonderen van het wichelroedelopen breed uitgemeten. En echt niet alleen om water te vinden, maar ook om (schadelijke) aardstralen te detecteren of om de meest veelbelovende contactadvertentie of de juiste vitaminen uit te kiezen.

In het artikel wordt een advocate uit New York ten tonele gevoerd, die in de videotheek met behulp van een slinger bepaalt ‘in hoeverre haar dochtertje profijt zal hebben [van de film], of deze haar sociaal bewuster zal maken, haar chakra’s zal verhelderen en haar chi-energie zal vergroten’. En dat alles wordt volkomen serieus en vooral zonder enige kritische zin opgeschreven.

De American Physical Society reageerde bijna op de dag van verschijnen met een fel protest, maar kreeg van de redactie te horen dat de meeste lezers het artikel toch niet serieus zouden nemen. En dat is nu juist niet waar, vindt James Randi, de goochelaar en fervent strijder tegen ‘paranormale’ pseudo-wetenschap, beroemd om zijn ontmaskering van Uri Geller. Hij is er zeker van dat dit artikel in een populair-wetenschappelijk tijdschrift tot in lengte van dagen door de vereniging van wichelroedelopers zal worden misbruikt als legitimering van hun kunsten. Randi was furieus en riep via het World Wide Web iedereen op om bij het Smithsonian Magazine te protesteren. Want al was het kwaad dan al geschied, ‘No retraction will ever serve to neutralize this irresponsible attack on rationality.’

De wichelroede is blijkbaar in. In augustus vorig jaar wijdde Science News, een wekelijks verschijnend overzicht van nieuwe ontwikkelingen op natuurwetenschappelijk gebied, er een artikel aan. Dat was weliswaar wat kritischer van toon, maar besprak het hele fenomeen toch als was het onderwerp van een serieuze wetenschappelijke controverse.

Nog nooit is echter overtuigend aangetoond dat de wichelroede zou werken. Een groot onderzoek van het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Zaken van 500 artikelen over wichelroedelopers kwam al in 1917 tot de conclusie dat ‘verdere tests van de US Geological Survey van dit zogenaamde witching naar water, olie of mineralen een misbruik van publieke fondsen [zouden] betekenen.’

Er zijn echter landen waar men daar heel anders over denkt. Zo bestaat er in Duitsland al sinds Gustav Freiherr von Pohl er in 1932 een boek over schreef een brede interesse voor Erdstrahlen. Dat zou een soort straling zijn die zou worden uitgezonden (of weerkaatst) door ondergrondse ‘wateraders’, die de uitslag van de wichelroede veroorzaakt, en die tal van gezondheidsproblemen waaronder kanker zou veroorzaken. (Zie Aardstralen zijn op uw portemonnee gericht! en Een stralende toekomst.) In 1986 stelde het Bondsministerie voor Onderzoek en Technologie (BMFT) 400.000 mark ter beschikking aan een aantal wetenschappers van de universiteit van München ten behoeve van een (definitieve?) experimentele analyse van dit fenomeen. Het project maakte deel uit van een veel groter onderzoek op het gebied van onconventionele methoden bij het voorkomen van kanker. Door met een wichelroede de posities van krachtige bronnen van aardstraling vast te stellen en daar geen huizen te bouwen, zouden bewoners gevrijwaard kunnen worden van de potentieel kankerverwekkende effecten.

Goedgelovig

Het onderzoek was het grootste ooit op dit gebied uitgevoerd. Niet minder dan 500 kandidaten werden op hun vermeende kwaliteiten beproefd in meer dan tienduizend tests. De meest succesvolle hiervan werden uitgevoerd in een voormalige boerenschuur, en deze werden dan ook al snel de Scheunenexperimenten genoemd. In deze schuur werd op de begane grond een waterleiding geplaatst, die in één richting over een afstand van tien meter kon worden verplaatst. De wichelroedeloper bevond zich op de verdieping erboven en moest aangeven waar hij voelde dat de waterpijp lag. Hierbij werd ervoor gezorgd dat hij geen geluiden kon horen wanneer de pijp verplaatst werd en dat er altijd evenveel tijd tussen twee opeenvolgende tests zat. Het belangrijkste was wel dat ook de wetenschappers die de wichelroedeloper begeleidden niet wisten waar de pijp lag en dus ook geen uitsluitsel konden geven over het resultaat. Er was dus sprake van dubbelblind onderzoek. Tijdens een vooronderzoek werden de vijftig ‘beste’ wichelroelopers geselecteerd om deel te nemen aan de definitieve tests.

Alles bij elkaar namen de experimenten uiteindelijk niet minder dan vier jaar in beslag, maar zij leverden tot verbazing van velen een nogal onverwachte uitkomst op. Hoewel de gemiddelde wichelroedeloper er namelijk slecht af kwam, en niet beter presteerde dan op grond van het toeval te verwachten was, bleek een klein aantal proefpersonen met name bij de Scheunenexperimenten significant betere resultaten te behalen. Zij vertoonden – volgens het rapport dat in 1990 verscheen – een ‘sterk plaatsafhankelijke respons met een goede tot uitzonderlijk goede reproduceerbaarheid.’ Vreemd genoeg gebeurde er vervolgens niets en werd er niet uitgebreid ruchtbaarheid aan de resultaten van het onderzoek gegeven. Alleen James Randi sprak in april 1992 in Time zijn verontwaardiging uit over de goedgelovigheid van de Duitse overheid, die wichelroedelopers in dienst nam om kantoren en ziekenhuizen te af te lopen opdat bureaus en bedden uit de richting van de gevaarlijke Erdstrahlen konden worden geplaatst.

Eind vorig jaar echter schreef een Amerikaanse bioloog van het beroemde Scripps Institution of Oceanography in La Jolla, James T. Enright, een vernietigend artikel in Naturwissenschaften (het blad van het eerbiedwaardige Max-Planck-Gesellschaft), waarin hij de vloer aanveegde met de statistische analyse van de Scheunenexperimenten. Zo publiceerde hij onder andere een grafiek met de resultaten van de zes beste deelnemers, die een heel ander licht werpt op hun (vermeende) talenten. Op de horizontale as is weergegeven wat de werkelijke locatie was van de waterleidingbuis (een waarde tussen 0 en 10 meter), en op de verticale wat de wichelroede ervan maakte. In het geval de wichelroede echt iets oppikt zouden de punten zich rond een lijn met een hoek van 45 graden moeten groeperen – de diagonaal van linksonder naar rechtsboven – maar in werkelijkheid werd een bijna willekeurige verdeling over het vlak verkregen! Een veelheid van standaard statistische analyses leverde evenmin een overtuigend bewijs op.

dowsing

Wedden na de race

Enright betoogde dat de onderzoekers ten onrechte achteraf voor een nogal obscure en ondoorzichtige statistische analysetechniek (1) hadden gekozen, een keuze die normaal gesproken al moet worden gedaan vóórdat het onderzoek heeft plaatsgevonden: statisticians who search through data, armed with various fancy test rather than divining rods, can also lose their bearings (statistici die grote datasets doorzoeken gewapend met een veelheid aan vernuftige tests in plaats van wichelroedes, raken al gauw de kluts kwijt). Bovendien liet hij zien dat de drie beste proefpersonen in eerdere testseries helemaal niet zo goed hadden gepresteerd. Ten slotte bleek een strategie die consequent het midden van de kamer als de juiste positie van de waterpijp aangaf tot significant betere resultaten te leiden dan vijf van de zes beste proefpersonen wisten te behalen! De conclusies van het onderzoek, zo concludeerde Enright, rustten ‘on very flimsy ground’.

Er volgden een aantal furieuze reacties, maar Enrights argumenten bleven stevig overeind staan. Het meest vermakelijk was wel de psycholoog Suitbert Ertel uit Göttingen, wiens analyse aangaf dat de aardstralen tegen het schuine schuurdak waren gereflecteerd, waardoor de resultaten niet optimaal waren. Ook probeerde Ertel het tegenovergestelde aan te tonen van de oorspronkelijke eindconclusie. In plaats van dat er enkele begaafden zijn te midden van een grote groep die er niets van kan, ging Ertel ervan uit dat alle wichelaars er een klein beetje van kunnen. In een onlangs verschenen laatste reactie beklemtoont Enright nogmaals dat statistische analyses achteraf neer komen op wedden na de race, en dat met name Ertel het wel heel erg bont maakte. Enright spreekt dan ook de hoop uit dat ‘het gezond verstand nu mag zegevieren’, maar helemaal zeker kan hij tot zijn spijt niet zijn. (2)

En ook Randi kan tevreden zijn. Er zal zich nu in elk geval geen wichelroedeloper meer bij hem melden voor de prijs van een miljoen dollar die hij ter beschikking stelt aan degene die meent over bovennatuurlijke of paranormale krachten te beschikken en die bovendien in staat is om zijn of haar kunsten onder door hem persoonlijk streng gecontroleerde omstandigheden te vertonen. Wichelroedelopers die beweren water op te kunnen sporen zouden het bij hem toch al moeilijk hebben gehad. Omdat onder 94 procent van het aardoppervlak water te vinden is zonder daarvoor al te diep te hoeven boren, vraagt hij hen altijd een plekje te vinden waar géén water zit. Dan wordt het pas echt moeilijk.

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in NRC Handelsblad van 18 januari 1997.

Noten

1. De bedoelde analysetechniek werkte als volgt. De wichelaar krijgt meer of minder punten naarmate hij dichterbij of verderaf van de ware locatie van de pijp raadt. Op een afstand van:
15/14 tot 21/14 meter: 0.0295 punt;
15/14 tot 9/14 meter: 0.1854 punt;
9/14 tot 3/14 meter: 0.5580 punt;
minder dan 3/14 meter: 0.7875 punt.
Op deze manier werd het bereik van 3 meter waarbinnen gescoord kon worden, in zeven even brede zones verdeeld.
Van de totale score na 10 maal raden werd berekend hoe groot de toevalskans is om minstens zo’n score te halen. In de buurt van de rand heeft de wichelaar minder kans om punten te halen, daar werd op een volstrekt onduidelijke manier voor gecorrigeerd. Terug.

2. De artikelen waarom het gaat zijn:
J.T. Enright, Water Dowsing: the Scheunen Experiments. Naturwissenschaften 82 (1995), p.360-369.
S. Ertel, The Dowsing Data Defy Enright’s Unfavorable Verdict. Naturwissenschaften 83 (1996), p.232-235.
H.-D. Betz, R. Kulzer, H.L. König, J. Tritschler, H. Wagner, Dowsing Reviewed – the Effect Persists. Naturwissenschaften 83 (1996), p.272-275.
J.T. Enright, Dowsers Lost in a Barn. Naturwissenschaften 83 (1996), p.275-277.
In het wichelroedeloperstijdschrift Wetter-Boden-Mensch: Zeitschrift für Geobiologie nr. 5, 1997, p.55-97 schreef Betz een artikel waarin hij verklaarde dat Enright uiteindelijk had toegegeven dat zijn eigen analyse fout was, en die van Betz en Ertel correct. Enright ontkende dit ten stelligste. (zie ook Skeptiker 2/98, p.72).
Betz verdedigde zich door te verwijzen naar email-correspondentie tussen Enright en Ertel in maart 1996; het artikel in WBM zou geschreven zijn in de zomer van 1996, vóór publicatie van ‘Dowsers Lost in a Barn’. Enright ontkende ten stelligste dat hij iets dergelijks aan Ertel ge-emailed had. (zie Skeptiker 4/98, p.169-170.
Enright sprak in de zomer van 1998 op de Skeptische Conferentie in Heidelberg over deze affaire (Betz wilde niet komen) en vatte een en ander nog eens samen in:
J.T. Enright, Testing Dowsing – the failure of the Munich experiments. Skeptical Inquirer 23 (1999) nr. 1, p.39-46. Daarop reageerde Betz door ongeveer te herhalen wat hij in Skeptiker had geschreven, waarop Enright alweer ontkennend op antwoorde: Skeptical Inquirer, 23 (1999) nr. 5, p. 59-61.
(Noot toegevoegd voor de Skepsis-site.) Terug

Uit: Skepter 10.1 (1997)