bicom

Meetrillen met de Bicom

Bioresonantietherapie gewogen

door Frans Bijlsma

Wie zou niet graag meetrillen met de harmonie der sferen? Of, wat dat betreft, met de harmonie in hem- of haarzelf?

Want om trillingen gaat het in essentie bij de theorie en praktijk van de bioresonantietherapie, ook wel iets ruimer gedefinieerd als bioinformatietherapie. In het boek van Reinhold D. Will (1) wordt vrij uitvoerig ingegaan op die theoretische achtergrond en de praktische toepassingen.

Na een algemene inleiding over fysische en chemische principes die aan het menselijk leven ten grondslag liggen, waarin zo ongeveer alles met alles wordt verbonden, wordt een praktijkgeval beschreven. Het betreft een 18-jarige jongeman met een ‘ongeneeslijke huidziekte’, bij wie met behulp van het Bicomapparaat (zie verderop) maar liefst 22 allergieën plus een schimmelinfectie werden ontdekt en behandeld – met gunstig gevolg uiteraard. In deze casuïstiek komt voorts een litteken van een blindedarmoperatie ter sprake dat als ‘stoorveld’ werkt, en de aanmaning een ziekte holistisch te behandelen.

De inleiding meldt ook: ‘Bij bloedproeven in het laboratorium kan worden aangetoond dat een bepaalde stof in het lichaam aanwezig is, terwijl de klachten van de patiënt passen bij een tekort aan die stof. De inzichten vanuit de bioresonantie bieden de oplossing. Als de energetische kracht van die stof zo zwak is, zal ondanks de aanwezigheid ervan geen of slechts een verminderde reactie plaatsvinden.’ Dat zet de hele biochemie op zijn kop. We zijn op onze hoede. Door het hele boek wordt trouwens behoorlijk kwistig gestrooid met schimpscheuten op de kortzichtige reguliere geneeskunde.

Succesvolle behandelingen resoneren met de trillingen van de patiënt, is de titel van een volgend hoofdstuk. De wisselwerking tussen het algemene trillingspatroon van een mens of dier, de ‘algehele energetische toestand’, en de trillingen van afzonderlijke lichamelijke functiestoornissen en organen en van talrijke storende factoren die later uitvoerig aan de orde komen, wordt echter nergens duidelijk. De nieuwe geneeskunde is er een die berust op materie, energie en informatie. Gelukkig worden naast milieufactoren ook subjectieve en psychische aspecten van ziekte en gezondheid genoemd.

Dan komt de theoretische basis ter sprake. Dat materie op te vatten is als verdichte energie zal iedereen beamen; het is sinds Albert Einstein en Max Planck fundamentele fysica. Dit inzicht op atomair niveau wordt evenwel doorgetrokken naar de hele mens als elektromagnetisch veld, maar het geldt ook voor orgaansystemen en afzonderlijke stoffen: hieruit resulteert dan als iets volkomen nieuws de energetische geneeskunde, waarvan de bioresonantietherapie een onderdeel is. Zij werkt met de elektromagnetische trillingen van patiënten en van stoffen.

Het overzetten van verschijnselen op atomair en subatomair niveau naar een heel organisme is mijns inziens volstrekt ongeoorloofd. Dat is net zoiets als beweren dat wanneer twee jongelieden in de kelder van een groot gebouw aan het tafeltennissen zijn, het hele gebouw staat te schudden. Let wel: het gaat hier niet om elektrische activiteit van bepaalde organen, als gevolg van fysiologische (en pathologische) processen, waarvan men dankbaar gebruik maakt bij diagnostisch onderzoek: hart (ECG), hersenen (EEG), retina (ERG), spieren (EMG) en andere. Deze energetische activiteit wordt weliswaar ook met huidelektroden gemeten, maar kan altijd experimenteel en in vitro in het orgaan zelf worden aangetoond. Dan hebben we het over iets heel anders dan over orgaanactiviteit die via ‘meridianen’ bepaald wordt.

Daarna komt de aap uit de mouw. Het begin van dit alles wordt gesitueerd in 1977, toen de Duitse arts en elektroacupuncturist Franz Morell op het idee kwam de ‘lichaamseigen trillingen’ van patiënten via elektroden op te nemen en weer aan hen terug te geven. De ingenieur Rasche ontwierp voor dat doel een apparaat en zo ontstond de MORA-therapie, later omgedoopt in bioresonantietherapie, die thans voornamelijk met het Bicomapparaat wordt beoefend (zie noot 2). Cellen, weefsels en organen hebben elk hun specifieke elektromagnetische trillingen. Deze staan met elkaar in verbinding en beïnvloeden elkaar, resulterend in een totaal dat het individuele trillingenbeeld wordt genoemd. Bij een gezond mens is dit harmonisch, bij ziekten (zieke organen, vreemde en schadelijke stoffen) ontstaan disharmonische trillingen. Men zou van fysiologische en pathogene of pathologische trillingen kunnen spreken. Deze kunnen door middel van een separator in het Bicomapparaat van elkaar gescheiden worden. Vervolgens kwam Morell op het idee disharmonische trillingen op te heffen door ze de patiënt weer ‘in spiegelbeeld’ (ondersteboven dus) toe te dienen, waardoor ze verzwakt of zelfs geheel uitgewist worden, volgens hetzelfde beginsel waarmee geluid met antigeluid bestreden kan worden (zie echter noot 3). In de Bicomtechnologie kunnen dan therapeutische impulsen naar gelang de individuele gevoeligheid van de patiënt versterkt of afgezwakt worden. De theorie gaat ervan uit dat de elektromagnetische trillingen therapeutische informatie bezitten die biochemische processen in werking kan zetten en aldus genezing tot stand brengen. Dit is in tegenspraak met verschillende plaatsen in het boek waar de biochemie niet zo belangrijk wordt geacht, zie bijvoorbeeld het eerdere citaat. Een stof bezit bepaalde (biochemische) eigenschappen of bezit die niet. Om daar dan ook nog een ‘energetische kracht’ aan toe te schrijven gaat wat ver, tenzij men die kan aantonen. Dat wordt nergens gedaan. Het werken met de testampullen (zie hierna) kan niet als zodanig worden opgevat.

Het Bicombehandelapparaat kent een behandeldeel met LCD-scherm en frequentieband, een printer en een testdeel. Voor het stellen van de energetische diagnose krijgt de patiënt een ronde elektrode in de hand, waarna de therapeut met een teststift de huidweerstand meet van bepaalde punten aan handen en voeten, vingers en tenen. Dit zijn acupunctuurpunten! De energetische toestand van de gemeten meridianen kan dan op de ronde schaalverdeling (1-100) van het testdeel worden afgelezen. Men kan er ook een medicijn of allergeen mee testen dat in een aluminium of messing beker zit die opgenomen is in het circuit van de meetstroom. Dit deel van het proces is vrijwel identiek met de praktijk van de elektroacupunctuur volgens Voll (EAV), de Vegatest, enzovoorts (zie ook Skepter, juni 1997).

Naar gelang de bevindingen wordt dan een behandelprogramma opgesteld met betrekking tot de therapiesoort (harmonische of disharmonische trillingen), versterking of verzwakking en de duur van de therapie (zie noot 1). Het programma wordt met cijfertoetsen ingetoetst, opgeslagen en zo nodig later aangepast. Na bewerking, bijvoorbeeld inverteren, worden de trillingen via dezelfde elektrodenkabels naar de patiënt teruggeleid in de hoop op resultaat. Het programma, de instellingen en testresultaten kunnen worden geprint en bewaard bij de patiëntendocumentatie. Gelukkig wordt in één alinea op bladzijde 25 in het kader van een holistische diagnose ook het belang van anamnese van de patiënt genoemd, evenals lichamelijk onderzoek, laboratoriumuitslagen en zelfs eventueel huisbezoek, dit laatste dan wel met het oog op een eventuele ‘geopathische belasting’ (aardstralen, zie hierna). Het gaat ook wat ver om te stellen dat wanneer bijvoorbeeld de schimmel Candida albicans in een faecesmonster niet kan worden aangetoond, er nog wel een Candidatrilling in dat monster kan zitten, dus toch positiviteit.

Wat onderzoekt men met de bioresonantietests eigenlijk? Ten eerste de algehele energetische toestand van de patiënt, voorts de energetische toestand van zijn of haar meridianen, wat op informatie uit organen en functiesystemen zou neerkomen, de invloed van trillingen van (talrijke) stoorfactoren op de patiënt, de werking van en tolerantie voor medicijnen en ten slotte de optimale instelling van het behandelapparaat. Het is goed hier extra aandacht te geven aan de zeer uitgebreide groep van storende en belastende factoren. Ze kunnen volgens de auteur met de methoden van de conventionele geneeskunde meestal niet worden opgespoord. Het zijn achtereenvolgens:

1. Straling.
a. Geopathische stoorzones ofwel aardstralen. De auteur is zo eerlijk te vermelden dat het bestaan ervan tegenwoordig door de wetenschap wordt betwijfeld;
b. elektromagnetische straling, uit tal van bronnen;
c. radioactieve / ioniserende straling.
Dit lijkt mij, wat betreft b en c, een van de gemakkelijkste onderdelen: zulke straling is eenvoudig door meting vast te stellen, ze is er of ze is er niet. Over exacte metingen wordt geen enkele mededeling gedaan.

2. Toxinen.
Er zijn summatieve en cumulatieve aspecten en risicogroepen. Onder die laatste vallen ook patiënten wier (voor)ouders geslachtsziekten, tuberculose en andere aandoeningen hebben gehad, want dan kan het gaan om ‘overgeërfde gifstoffen’. Dan zijn er werkplek en beroep, milieu, huis-, tuin- en keukengifstoffen, zware metalen (hierbij ook weer het kwikamalgaamverhaal uit de tandheelkunde, zie Skepter, september 1996), pesticiden, medicijnen en zelfs inentingen, die naast een acute overreactie tot chronische, sluipende schade in de vorm van ‘regulatiestoornissen’ zouden kunnen leiden.

3. Allergenen.
Deze worden in het boek zeer uitvoerig apart besproken.

4. Belasting door micro-organismen: bacteriën, virussen, schimmels. Parasieten worden niet genoemd.

5. Darmstoornissen. Het lymfesysteem van de darmwand zorgt voor 75 percent van onze lichaamseigen afweer; meestal moet bioresonantietherapie deze herstellen na dysbacteriose of mycose ten gevolge van verkeerde voeding, medicamenten (onder andere antibiotica) of infecties.

6. Beschadigingen van het lichaam. Littekens kunnen ‘stoorvelden’ vormen, evenals chronische ontstekingen en kiesvullingen (amalgaam, maar ook goud). Andere afwijkingen in mond en gebit en metalen verhemelteplaten kunnen eveneens een rol spelen. Over elders in het lichaam ingebrachte prothesen wordt niets vermeld, hoewel dat wel in de lijn zou liggen.

Ter uitbreiding van het diagnostisch arsenaal om een of meer van al deze stoorfactoren op te sporen worden dan nog genoemd de elektroacupunctuurdiagnose (gebaseerd op de traditionele Chinese acupunctuur), de kinesiologie (met behulp van ‘indicatorspieren’, de biotensortest (staafvormig instrument waarvan het bovenste, beweeglijke deel reageert op elektromagnetische trillingen), de Nogierreflextest, die polsveranderingen als reflex op een bepaalde stof of stoftrillingen bestudeert en de Bicomdraaiingstester (draaiing van gepolariseerd licht, voor geopathische belasting en stoffen).

Ten slotte zijn er de talrijke testampullen voor allergeendiagnostiek, voorts die met bacteriën, virussen, schimmels, erfelijke en andere toxinen, zware metalen, pesticiden, milieugiffen, lichaamseigen organen en producten. Ook de meridianen en ‘elementen’ van de Chinese acupunctuur kunnen getest worden. De testampullen worden eenvoudigweg in een houder geplaatst die in de stroomkring is opgenomen. In feite is de theorie hierachter niets anders dan de magische wet van het contact: de elektrische stroom is in contact met een glazen buisje met een ‘erfelijke toxine’ of wat dan ook, en verbreidt zo de invloed van de ampulinhoud door het lichaam. De bioresonantietherapeut is kennelijk niet voor één gat te vangen.

De therapie in het algemeen beoogt het herstel van het zelfregulerend vermogen van het lichaam en bestaat meestal uit een basistherapie en een vervolgbehandeling, die meer specifiek is. Principes als uitschakeling van stoorfactoren en het individualiseren van medicijnen zijn al besproken. Er zijn dan nog aanvullende therapieën en zelfs een afsluitende therapie mogelijk: een zogenaamde constitutietherapie die volgens de regels van de klassieke homeopathie geschiedt. Hoewel de behandeling pijnloos is, kunnen zich beginreacties, overdreven reacties, genezingsreacties en reactivering van chronische ziekten voordoen. Gelukkig worden ook grenzen van de bioresonantietherapie genoemd (vier categorieën). De paragraaf met wetenschappelijke bewijzen is uitgesproken mager. Zo wordt een vergelijking getrokken met de al meer dan 200 jaar miskende homeopathie!

Het aantal ziekten dat met deze therapie kan worden behandeld is nagenoeg eindeloos. Zo staat op bladzijde 73: ‘Bijna alle ziekten gaan gepaard met disharmonische trillingen of worden hierdoor veroorzaakt of uitgelokt. Daarom kunnen bijna alle ziekten met goede genezingskansen met de bioresonantietherapie worden behandeld.’ Achtereenvolgens passeren de revue:

a. Allergische aandoeningen. Een derde van de bevolking zou eraan lijden! De provocerende allergeeninformatie zou in het lichaam opgeslagen zijn als engram (zie noot 4).

Tot de groep van allergische aandoeningen worden behalve neurodermitis en astma merkwaardigerwijze ook darmontstekingen als de ziekte van Crohn (enteritis regionalis) en colitis ulcerosa gerekend, alsmede bepaalde vormen van reuma. Bijna elk symptoom kan volgens de auteur van allergische oorsprong zijn. Ook de reeds genoemde stoorfactoren spelen hier een rol. Doel van de therapie is uitwissen van het engram. De bioresonantietherapie kan hierbij aangevuld worden met neuraaltherapie, chiropractie, colonhydrotherapie (de dikke darm met water spoelen), Bachbloesemtherapie en gesprekstherapie.

b. Aandoeningen van reumatische aard.

c. Huidaandoeningen. Deze zouden voor 80 percent op inwendige ziekten berusten.

d. Hart- en vaatziekten. In de beschreven casus uit de praktijk wordt naast een Bicomhartprogramma ook leverontgifting en toxinenafdrijving toegepast, alsmede inwrijven van de hartstreek met sint-janskruidolie.

e. Longaandoeningen.

f. Lever- en galaandoeningen.

g. Maag- en darmaandoeningen.

h. Nier- en blaasaandoeningen.

i. Migraine.

j. Kinderziekten.

k. Het hyperactieve kind, hyperkinetisch syndroom (HKS), met maximaal 15 symptomen. Ongeveer alle eerder genoemde stoorfactoren kunnen hier een rol spelen. De lezer vraagt zich onwillekeurig af waarom niet ieder kind hyperactief is. Een holistische aanpak is uiteraard noodzakelijk.

l. Gynaecologische aandoeningen. Besproken wordt een praktijkvoorbeeld van een vrouw die na een Bicomprogramma met onder andere haar eigen menstruatiebloed geen acute menstruatiepijn meer had.

m. Tumoren. Bestrijding van de disharmonische trillingen bij kanker zou ‘op zijn minst een verlichting’ kunnen brengen. Over het onderscheid tussen goedaardige en kwaadaardige tumoren, iets wat de reguliere geneeskunde uiterst belangrijk vindt, wordt niet gerept. In een tweede praktijkvoorbeeld (een 34-jarige man met de ziekte van Hodgkin, klinisch met chemotherapie behandeld) wordt de bioresonantietherapie uitgebreid met natuurgeneeskundige medicijnen en voetzonereflexmassage.

n. Aandoeningen van het gebit.

Kortom, wat niet? Al deze categorieën worden gelardeerd met praktijkvoorbeelden. Nu moet men met individuele gevallen altijd oppassen. Er kunnen verschillende verklaringen voor de genezing zijn, zoals placebo-effecten, spontane genezing (die vaker voorkomt dan men denkt), een onjuiste diagnose, en bovendien ontbreekt meestal een (langdurige) follow-up. In de wetenschappelijke geneeskunde wordt casuïstiek (gevalsbeschrijving) vrijwel nooit voor bewijsvoering toegelaten. Een ‘bewijs’ door opsomming van een groot aantal successen is in de geneeskunde een sterke aanwijzing dat het om kwakzalverij gaat; als dan bovendien de behandeling voor een groot aantal kwalen heet te werken en de uitleg een groot aantal natuurwetenschappelijke en medische ongerijmdheden bevat is de conclusie dat het om charlatanerie gaat vrijwel onontkoombaar.

Bioresonantie bestaat uit twee delen: diagnose en therapie. Voor de beoordeling van een therapie is altijd een dubbelblind, liefst gerandomiseerd en placebogecontroleerd onderzoek van voldoende veel patiënten nodig. Een dergelijk onderzoek is mij wat de bioresonantietherapie betreft niet bekend (zie ook noten 5 en 6). Deze zou overigens ook voor dieren geschikt zijn. Een succesvolle behandeling bij dieren zou tegen placebo-effecten pleiten. Ook bij dieren kan een waslijst van stoorfactoren in het spel zijn.

Maar aan therapie gaat diagnose vooraf. De diagnose is op veel manieren te testen, zonder dat je zieken hoeft te suggereren dat ze misschien wel beter kunnen worden als ze meedoen aan een proef. Ze kan vergeleken worden met reguliere diagnose, en de prestaties van verschillende diagnosten kunnen met elkaar vergeleken worden. Wat betreft de vergelijking met reguliere diagnose heeft de resonantietherapie zich al ingedekt. Als het lab niets vindt, kan er toch wel iets zijn. Maar kan men met bioresonantie ook maar één diagnose die regulier is vastgesteld dupliceren? De propaganda voor bioresonantie zwijgt hierover.

Een methode die veel niet bestaande ziekten opspoort, jaagt de klanten angst aan en kan alleen maar dienen om ze aan een onzinnige therapie te krijgen.

Ten slotte presenteert Will nog aanbevelingen waarop de patiënt kan letten en wat hij of zij kan doen om het effect van de bioresonantietherapie te vergroten. De opgegeven redenen om geraffineerde suiker en varkensvlees in de voeding te vermijden (ze zouden ‘therapieblokkades’ kunnen vormen door respectievelijk remming van de activiteit van Escherichia coli in de darm en doordat varkensvlees op menselijk eiwit lijkt en vaak toxinen bevat) lijken mij onzinnig. De raad om een goed slaapritme en voldoende beweging na te streven is natuurlijk wel in orde.

Het nawoord maakt gewag van duizenden gevallen waarin de bioresonantietherapie genezing heeft gebracht nadat de conventionele geneeskunde geen resultaat had opgeleverd. Zoiets is zonder goede literatuuropgaven volstrekt oncontroleerbaar. En juist die (bladzijde 108) stellen teleur. Alle 19 referenties betreffen (merendeels in Duitsland uitgegeven) boeken. De drukpers is geduldig. Artikelen in erkende medische tijdschriften ontbreken, om maar te zwijgen van renommeerde periodieken, vermoedelijk omdat een deugdelijk onderzoek naar de waarde van diagnose of therapie nooit heeft plaatsgehad.

Zoeken op internet levert berichten op die wat de theorie betreft geen nieuws bieden. Aangaande de werkzaamheid worden weer een aantal casussen opgevoerd, die voornamelijk afkomstig zijn uit de praktijk van de heer J. van Twillert, klassiek homeopaat en directeur van Regumed Benelux, de firma die de Bicomapparaten levert. Onder ‘Scientific Research’ worden vijf onderzoeken vermeld, alle zonder publicatie maar wel met instituutsnamen, terwijl elders onder ‘wetenschappelijk onderzoek naar de bioresonantietherapie’ eveneens vijf referenties worden gegeven waarbij het tweemaal boeken betreft en tweemaal publicaties respectievelijk (2,3) en (4,5) uit het Institut für regulative Medizin in Gräfelfing, Duitsland, gelieerd aan de fabrikant Regumed in dezelfde Duitse stad. Over onpartijdigheid gesproken …

Mijn conclusie is dat de bioresonantietherapie een alternatieve geneeswijze is, zonder zelfs maar een suggestie van werkzaamheid. Ze pretendeert wel van nieuwe wetenschappelijke inzichten gebruik te maken, maar dit is onversneden pseudo-wetenschap in de beste traditie van kwakzalverij met indrukwekkende apparaten. Dat ook uit zeer recent speurwerk op internet geen publicatie in een erkend, onafhankelijk wetenschappelijk medium naar voren komt zegt genoeg.

Noten

1. Met harmonische trilling wordt in de natuurkunde algemeen bedoeld een trilling zoals van een massa aan een veer of slinger, die in grafiek gebracht door een zuivere sinuskromme wordt voorgesteld. Maar in de bioresonantie betekent het slechts ‘met een positieve werking op het lichaam’. Hoe het Bicomapparaat weet wat goed en wat verkeerd is, is onduidelijk. Een onderzoeker vond binnen in zo’n ding slechts een eenvoudige weerstandsmeter en wat elektronica voor de randapparatuur, en geen spoor van elektronica voor signaalanalyse.

2. M. Hörner, Bioresonanz: Anspruch einer Methode und Ergebnis einer technischen Überprüfung, Allergologie, Jg. 18 (1995), p. 302-303, onderzocht het MORA-apparaat, en constateerde dat het toestel voornamelijk elektromagnetische omgevingsruis mat met de frequentie van het lichtnet; eventuele elektrische trillingen van het lichaam kon het apparaat door zijn bouw niet eens meten. Om zwakke elektrische signalen van het lichaam in de reguliere geneeskunde te meten, moeten de kabels worden afgeschermd, anders gaan ze als antenne werken, en om dezelfde reden zijn de elektroden klein. De Bicomkabeltjes zijn niet afgeschermd, en de grote staaf die de patiënt in de hand moet houden is ook een prima antenne.

3. De terminologie suggereert dat het om een fysisch proces gaat, maar door interferentie kan men ‘trillingen’ niet elimineren. Als de signalen van twee trillingsbronnen (in de gedachte van de bioresonantiedenkers een bepaald orgaan en het apparaat) interfereren, treedt alleen een ruimtelijke herverdeling op van de energie van beide. Er verdwijnt geen energie, ook niet in de vorm van warmte, met andere woorden als op een bepaalde plaats het signaal wegvalt, zal het op een andere plaats juist versterkt worden. Dit nog afgezien van de vraag of de grondleggers van de bioresonantie wel het onderscheid tussen wisselstroom en elektromagnetische golven begrepen. Stroom gaat namelijk prima door een geleider zoals het menselijk lichaam, maar kan niet door interferentie gemodificeerd worden, terwijl interferentie elektromagnetische golven suggereert die bij de frequenties waar het hier over gaat eigenlijk veranderlijke elektrische velden zijn die juist nauwelijks in menselijke lichaam doordringen. Zie ook F. Cap, Bemerkungen eines Physikers zur Bioresonanz, Allergologie, Jg. 18 (1995), p. 253-257.

4. Het engram is een idee uit de scientologie, waarmee bioresonantie allerlei verbanden heeft, zo waren Franz Morell en ook de grondlegger Brügemann van het Regumed-Institut actieve scientologen. Van Morell is overigens geen enkele wetenschappelijke activiteit bekend op een proefschrift uit 1944 aan de universiteit van Giessen na.

5. Twee Oostenrijkse onderzoeken uit 1993 en 1996 gingen na of met een MORA-apparaat allergieën betrouwbaar waren vast te stellen; van 1997 dateert een Zwitsers onderzoek waarbij de helft van 32 kinderen met neurodermitis behalve standaardtherapie volkomen geblindeerd ‘biofysische informatietherapie’ (een andere fantasienaam voor bioresonantietherie) ontvingen met behulp van een Bicomapparaat. Er was geen enkel onderscheid tussen beide groepen.

6. De informatie van deze noten is ontleend aan het geschrift Bioresonanz, een uiterst kritische publicatie van Ronald Ziegler (1998).

Literatuur

1. Will, Reinhold D., Bioresonantietherapie. (Uit het Duits vertaald) De Driehoek, 2001, derde druk, Amsterdam.
2. Schumacher, P., Biophysikalische Therapie der Allergien (uit het Institut für regulative Medizin, Gräfelfing). Sonntag Verlag, Stuttgart 1994. (Bij 83 % van de 164 kinderen met allergie trad volledig herstel op, bij 11 % verbetering.)
3. Brügemann, H., Diagnose und Therapieverfahren im ultrafeinen Bioenergie-Bereich. Karl Hauf Verlag, Heidelberg 1985, 2. Auflage. (Onderzoek bij hamsters, die na behandeling levendiger, actiever, sneller waren en een toename van het aantal witte bloedcellen hadden.)
4. Uhlmann, J., Ausleitung und Desensibilisierung von dentale Schwermetalle und deren Bedeutung. Heft 16 Institut für regulative Medizin, Gräfelfing, p.116-125, Kolloquium 1995.
5. Endler, P.Ch. et al., Übertragung von Molekulinformation mittels Bioresonanzgerät (BICOM) im Amphibienversuch. Acta medica empirica Band 44 Heft 3, Karl Hauf Verlag, Heidelberg 1995 (Referate Informationen 12/93 und 13/93, Institut für regulative Medizin, Gräfelfing.)

Lees ook uit dezelfde editie van Skepter: Storende frequenties – Bioresonantie in de praktijk

Uit: Skepter 16.2 (2003)

Frans Bijlsma is patholoog.