Bert Hellinger

Ordnung muss sein

De familieopstellingen van Bert Hellinger

door Rob Nanninga

Een familiesysteem dat uit balans is geraakt, kan kwalijke gevolgen hebben. De omstreden Duitse psychotherapeut Bert Hellinger lost de problemen op door met helderziende blik alle familieleden weer op de juiste plaats te zetten.

In 1993 verscheen Zweierlei Glück, het eerste boek over de familieopstellingen van Bert Hellinger. Er verschenen 14 drukken en 13 vertalingen. Daar bleef het niet bij. Duitse boekhandels hebben tegenwoordig een aparte plank nodig om alle literatuur over Hellingers ‘systemische opstellingen’ nog te kunnen bergen. Zelf heeft de meester al meer dan veertig titels op zijn naam staan, die voor het merendeel uitgeschreven therapiesessies bevatten. Sinds 1994 werkt hij bij voorkeur op een podium voor een grote zaal met publiek. Er worden vaak opnamen van gemaakt, die hij op video verkoopt.

Hellinger heeft er geen bezwaar tegen als anderen zijn methoden overnemen. In Duitsland zijn al meer dan 2000 therapeuten in zijn voetsporen getreden. De meeste van hen hebben evenals hun leermeester geen psychologische opleiding afgerond. De familieopstellingen zijn vooral populair in esoterische en alternatieve kringen. Academische psychologen moeten er niets van hebben. Een uitzondering is prof. dr. Franz Ruppert, verbonden aan een kleine katholieke hogeschool in München, die er al drie boeken over schreef.

Duitsland is inmiddels te klein geworden voor Bert Hellinger. Hoewel hij in december tachtig wordt, reist hij onvermoeibaar de wereld rond om overal workshops te geven. Vorig jaar bezocht hij 16 landen, waaronder China, Japan, Canada, Mexico en Columbia. Voor het eerst trad hij ook op in Nederland, waar al twee dozijn boeken over het ‘opstellingenwerk’ zijn uitgekomen. Sinds kort bestaat er ook een Nederlandse vereniging voor systeemopstellers (SONT), die zo’n tweehonderd leden telt.

Aanvankelijk had Hellinger een andere missie in het leven. In aansluiting op de lagere school ging hij naar een seminarium van de Missionarissen van Mariannhill. Tijdens de oorlog moest hij als jonge soldaat naar het Westfront. Nadat hij uit krijgsgevangenschap was teruggekeerd, trad hij als broeder Suitbert bij de missieorde in. Hij werd in 1952 tot priester gewijd en vertrok een jaar later als missionaris naar de Zoeloes in Zuid-Afrika. Daar werkte hij zich op tot rector van het St. Francis College in Mariannhill. In dit gehucht (in de buurt van Durban) stond ook het eerste klooster van de orde, dat in 1882 door de Oostenrijkse Trappist Franz Pfanner was gesticht.

In 1968 keerde Hellinger terug naar Duitsland, waar hij in Würzburg een priesterseminarium mocht gaan leiden. Inmiddels was hij echter via een anglicaanse collega uit de VS in contact gekomen met groepsdynamische technieken. Hij begon zelf ook groepstrainingen te geven en ging in psychoanalyse. In 1971 besloot hij de missieorde te verlaten en zich in Wenen om te scholen tot psychoanalyticus. Hij trouwde al spoedig met Herta, een sociaal werkster.

Hellingers belangstelling voor klinische psychologie bleef niet beperkt tot de werken van Freud. Nadat hij een boek over de oerschreeuwtherapie van Arthur Janov had gelezen, ging hij enkele maanden naar de VS om er meer over te leren. De nieuwe lichaamsgerichte techniek leek hem een goede aanvulling op de psychoanalyse. Maar in Wenen dacht men daar anders over, waardoor Hellinger zijn opleiding niet kon voltooien.

Hij zette zijn ontdekkingstocht voort en maakte onder meer kennis met gestalttherapie, transactionele analyse, hypnotherapie, psychodrama en de gezinstherapie van Virginia Satir. In het begin van de jaren 1980 vestigde hij zich als therapeut in München, waar hij zijn eigen ideeën en methoden ontwikkelde. Voordat hij bij het grote publiek bekend werd, waren zijn cursussen al zeer geliefd.

Psychogoeroe in Hitlers Reichskanzlei

De familiewaarden die de ex-missionaris propageert, zijn van de oude stempel. De man moet zorgen voor de basisbehoeften van het gezin en neemt de eerste plaats in. Vrouwen kunnen hun grootste vervulling vinden in een kinderrijk gezin. Zulke vrouwen hebben volgens Hellinger vaak een ‘grote sereniteit op hun gezicht’. Hij beweert dat de seksuele gemeenschap tussen man en vrouw ‘meer diepgang’ heeft als er geen voorbehoedmiddelen worden gebruikt. Uiteraard geeft hij de voorkeur aan de missionarispositie: ‘Het zou de grootste cultivering van seksualiteit zijn als man en vrouw elkaar daarbij in de ogen kijken.’ Alleenstaande moeders gaan tegen de ‘natuurlijke ordening’ in en hun kinderen zullen zich later op hen wreken. Ook adoptie kan louter tot ellende leiden.

De kameraadschappelijke wijze waarop veel ouders tegenwoordig met hun kinderen omgaan, is volgens Hellinger schadelijk. Kinderen moeten hun ouders nemen zoals ze zijn, hen achten en hen altijd blijven eren. Wie zijn ouders afwijst, gaat onvermijdelijk op hen lijken. Ouders hoeven zich voor hun kinderen nooit te rechtvaardigen en kinderen kunnen hun ouders ook niets vergeven, want dat zou aanmatigend zijn. De kinderen mogen zich niet mengen in de zaken of geheimen van hun ouders. Een vrouw met MS die belangstelling had getoond voor het oorlogsverleden van haar vader, kreeg van Hellinger te horen: ‘Het kan zijn dat een deel van je lijden boetedoening is voor je inmenging.’

Hoewel Hellinger niet meer katholiek is, klinken zijn woorden vaak religieus. Hij benadrukt dat we moeten instemmen met de wereld zoals zij is, zonder daar iets aan te willen veranderen. Dat noemt hij deemoed. Alles wat er gebeurt, is onderdeel van het grote geheel, waarin goede en kwade invloeden op hoger niveau samenwerken. We hebben allemaal onze eigen plaats in deze ordening en zijn gebonden aan een bepaalde lotsbestemming, die we moeten aanvaarden. ‘Soms is het iemands lot om te falen. Daar stem ik mee in’, zegt hij monter. ‘Als men zich voegt in het grote geheel, ervaart men zoiets als een dragende kracht.’

Hellinger stijgt zo ver uit boven goed en kwaad, dat hij zich over de nazi’s geen oordeel wil aanmatigen. Ook zij droegen immers bij aan het grote geheel en werden in dienst genomen door krachten waarover zij geen controle hadden. Hij noemde de soldaten die in de oorlog voor Duitsland vochten ‘helden’, want de groep waartoe men behoort, bepaalt wat gewetensvol is. De nazibeweging was naar zijn oordeel onvermijdelijk en had ‘uiteindelijk een goede werking’, getuige de huidige Duitse democratie. Hij toont minder waardering voor mensen die zich niet lieten meezuigen in de lotsbestemming van hun volk. Verzetshelden die tegen de stroom ingingen, waren volgens Hellinger ‘net zo gewelddadig gestemd’. Als Hitler de oorlog had gewonnen, dan zou men ze nu criminelen noemen, merkt hij relativerend op.

Daders en slachtoffers moeten met elkaar verzoend worden, want ze horen er allemaal bij. Zelfs Adolf Hitler. In Gottesgedanken (2004), een van zijn laatste boeken, richt Hellinger zich rechtstreeks tot de Führer: ‘Velen noemen je een onmens, alsof er ooit iemand is geweest die men zo noemen mag (…) Wanneer ik jou acht, dan acht ik ook mezelf. Wanneer ik jou verafschuw, dan verafschuw ik ook mezelf. Mag ik je dan liefhebben? Moet ik je misschien niet liefhebben, omdat ik anders ook mezelf niet mag liefhebben?’

De Duitse psycholoog Colin Goldner – een fervent bestrijder van rechtse occultisten en sektarische therapeuten – vindt het kwalijk dat Hellinger de misdaden van de nazi’s bagatelliseert. Hij verdenkt hem van fascistische sympathieën. Zijn ergste vermoedens werden bevestigd toen de ‘psychogoeroe’ in 2004 zijn intrek nam in Hitlers voormalige Reichskanzlei in het Beierse Berchtesgaden. Die had de Führer speciaal laten bouwen in de buurt van zijn buitenverblijf op de Obersalzberg. Na de oorlog was het gebouw jarenlang in gebruik bij het Amerikaanse leger. Een tv-ploeg filmde Hellinger terwijl hij zijn nieuwe onderkomen betrad. Boven de voordeur prijkte een naziadelaar.

De grote ophef over deze zaak lijkt echter wat overdreven, want Hellinger gebruikte de Reichskanzlei alleen als tijdelijk onderkomen. Na zijn scheiding van Herta zat hij zonder woning. Samen met zijn nieuwe vrouw Marie-Sophie Erdödy, een van zijn leerlingen, wilde hij een huis in Berchtesgaden betrekken, maar dat kwam pas over tien maanden vrij. Daarom had de makelaar hem tijdelijke woonruimte in de Reichskanzlei aangeboden.

Hellinger neemt het niet alleen op voor de nazi’s, maar ook voor de stasi’s en voor incestdaders. Hij vindt dat de slachtoffers hen niet moeten vervolgen, want ‘zodra iemand zijn lijden benut om zich tegenover anderen het recht aan te matigen hen kwaad te doen, dan was zijn lijden voor zijn ziel nutteloos’. Iedereen die zich beter voelt dan een ander, is voor hem ‘verdacht’. Hij pleit voor de Orde der Liefde. Daar heerst louter harmonie en heeft ieder mens zijn toegewezen en gerespecteerde plaats, met de verantwoordelijkheden die daarbij horen.

In het wetende veld

Tijdens zijn therapeutische sessies slaagt Hellinger erin om alle psychische, sociale en lichamelijke problemen van zijn cliënten in verband te brengen met gebeurtenissen in hun familiegeschiedenis. Hij volgt daarbij een vast stramien met weinig variaties. Telkens weer blijkt dat een familiesysteem verstoord is doordat er leden werden buitengesloten, doodgezwegen of vergeten. Het systeem eist dat alle leden erbij horen en het respect krijgen dat hen toekomt. Ook de doden moeten geëerd worden, want het systeem vergeet niemand.

Het buitensluiten van een familielid heeft onvermijdelijk een destructieve invloed op iemand die later in het systeem komt, meent Hellinger. Een jongere persoon moet betalen voor het onrecht door te lijden onder een soortgelijk onrecht. Hij wordt door het familiegeweten ‘in dienst genomen’ om het lot van het buitengesloten familielid op zich te nemen. Zo kan een kind bijvoorbeeld verstrikt raken in het levenslot van een homoseksuele oudoom die niemand wilde kennen. Gevoelens en gedragingen kunnen van anderen worden overgenomen en soms moet men boeten voor de schuld van een voorouder. Dit alles gebeurt volledig onbewust en zonder dat men er weerstand aan kan bieden. Men hoeft het familielid waarmee men zich onbewust identificeert niet eens te kennen!

Aan het begin van een sessie mag de cliënt in het kort aangeven wat het probleem is. Hellinger heeft geen belangstelling voor de achtergronden en voor de mogelijke verklaringen die de cliënt zelf kan aandragen. Ook karakterbeschrijvingen kapt hij onmiddellijk af met de woorden ‘Daar hebben we niets aan’. Het aanwezige publiek zou onrustig worden van zulke lange verhalen. Bovendien is het uitgesloten dat de cliënt weet wat er werkelijk aan de hand is, want dan zou het probleem volgens Hellinger al opgelost zijn. De visie van de cliënt kan de therapeut slechts belemmeren in zijn heldere blik.

Hellinger legt uit dat hij niet geïnteresseerd is in wat mensen denken of doen. Hij heeft alleen wat essentiële feiten nodig over de familie. Wie zijn er overleden, buitengesloten, uitgestoten, vergeten, gescheiden, verongelukt, aborteerd of gehandicapt? ‘Zijn er in jouw familie zulke belangrijke feiten?’, vraagt hij aan een cliënt met gezondheidsproblemen. De jongeman vertelt dat de tweelingzus van zijn moeder is gestorven. Meer heeft Hellinger niet nodig: ‘Dat is voldoende. Dat is zo zwaarwegend, dat het waarschijnlijk al het andere overschaduwt.’

De cliënt mag nu zijn naaste familieleden op het podium opstellen: zijn vader, moeder en jongere zus. Hij kiest daarvoor representanten uit de eerste rij van het publiek, inclusief iemand die zijn eigen rol kan vervullen. De vier plaatsvervangers moeten zodanig in de ruimte worden opgesteld dat de cliënt intuïtief het gevoel heeft dat het klopt. Sommige cliënten hebben moeite om de juiste posities te bepalen. Een kankerpatiënte die een overleden grootvader moest opstellen, klaagde: ‘Het probleem is dat ik niet kan voelen waar ik hem neer moet zetten.’ Voor zulke problemen heeft Hellinger een verklaring die geen tegenspraak duldt: ‘Ja, je bent afgesneden van je eigen ziel. (…) Dit is vaak het geval bij mensen die kanker hebben, ze zijn niet goed bij zichzelf.’

Hellinger beweert dat hij meteen kan zien of een familie goed is opgesteld. Zonder te oordelen en in harmonie met zijn ziel stelt hij zich open voor de ordening en laat hij de complexe verbanden op zich inwerken. Hij stemt zich daarbij vooral af op degenen die buitengesloten zijn. In deze toestand kan hij naar eigen zeggen zien welke structuren mensen helpen of belemmeren. Vaak komt het inzicht over de oplossing in een flits bij hem naar boven en aanschouwt hij dingen die achter de waarneembare werkelijkheid liggen. ‘Ik zie bijvoorbeeld plotseling dat een kind vermoord is.’

Een sprekend voorbeeld van Hellingers klinische blik vinden we in de volgende korte dialoog. Onbekende vrouw: ‘Mijn zoon zet voortdurend zijn leven op het spel.’ Hellinger: ‘Doet hij dat voor jou?’ Vrouw: ‘Dat weet ik niet.’ Hellinger: ‘Hij doet het voor jou. Er glansde iets in je ogen toen je erover vertelde. De oplossing ligt in jezelf. Heeft iemand anders nog een vraag?’

Nadat een cliënt zijn familie heeft opgesteld, gebeurt er volgens Hellinger iets wonderbaarlijks. Alles wat zich in de familie afspeelt, wordt overgedragen op de opstelling in de ruimte. Hoewel de representanten de betreffende familie niet kennen, gaan ze zich precies zo voelen als de personen die zij vertegenwoordigen. De verborgen dynamiek van het familiesysteem weerspiegelt zich in hun gevoelens, emoties en gedachten. Hierdoor wordt het duidelijk hoe hun onderlinge relaties zijn en wat er in de familie aan de hand is. Het is alsof de plaatsvervangers in een krachtveld staan dat hen op magische wijze transformeert. Hellinger spreekt over ‘das wissende Feld’, waaruit men alle benodigde informatie kan halen. Het is vergelijkbaar met de morfische velden van Rupert Sheldrake.

Hellinger meent dat het ‘veilig is om af te gaan op de ervaringen van de representanten’. Volgens hem zou er vrijwel hetzelfde uitkomen wanneer de cliënt andere mensen uit het publiek had gehaald of wanneer een ander familielid de opstelling had gemaakt. Hij heeft echter geen behoefte om dit aan te tonen. Het alwetende veld is een geheim waarin hij zich niet wil mengen. Kritische vragen hierover pareert hij met spectaculaire maar onverifieerbare voorbeelden. Zo vertelt hij over een representant die plotseling symptomen had gekregen die op epilepsie leken. Later bleek dat hij een man vertegenwoordigde die epilepticus was.

‘Liever sterf ik, dan jij’

Wanneer de representanten in de opstelling staan, vraagt Hellinger wat ze ervaren. Dikwijls gaat het niet zo best met hen: hun hart bonst, ze staan op hun benen te trillen, ze hebben een knoop in hun maag, ze voelen zich gespannen, onzeker, bedreigd, eenzaam, verdrietig of verward. Zulke symptomen kunnen deels te maken hebben met het feit dat ze niet gewend zijn om voor een groot publiek op te treden. Er zijn ook representanten die vertellen dat ze een andere positie in de ruimte zouden willen innemen: met hun gezicht een andere kant op, dichter bij een bepaalde persoon of juist verder van deze persoon vandaan. Een deel van de representanten zegt dat ze niets ervaren, maar ook dat is betekenisvol.

Gewoonlijk zijn de aanwezigen goed op de hoogte van Hellingers theorieën. Bovendien is het niet moeilijk om te raden wat de meester wil horen. In de sessie met de dode tweelingzus vraagt hij het publiek: ‘Wiens plaats moet de zoon hier innemen?’ Het is een retorische vraag waarop hij zelf het voorspelbare antwoord geeft: ‘De dode tweelingzuster van de moeder. Stel je voor wat dat betekent voor een kind. Hoe gaat het met de zoon?’ De plaatsvervanger van de zoon kan nu moeilijk zeggen dat hij zich prima voelt. Hij beweert dat hij voor zijn gevoel niet op de juiste plaats staat en een sterke binding met zijn moeder heeft.

In de volgende fase geeft Hellinger de opdracht het overleden familielid binnen de opstelling te plaatsen. Meestal vertelt hij ook waar deze persoon moet staan: ‘Geef haar een plaats naast moeder, heel dichtbij.’ Het is de bedoeling dat de moeder zich hierdoor beter voelt. Desgevraagd zegt ze: ‘Beter, maar het is erg dichtbij.’ Blijkbaar zou ze liever iets minder close met haar zuster zijn, maar daar trekt Hellinger zich niets van aan: ‘Ja, dat moet ook zo zijn. Hoe gaat het met de gestorven zuster?’ Zij heeft de hint begrepen: ‘Ik vind het heel fijn zo dichtbij te staan.’

Hellinger stelt vast dat de moeder volledig gebonden is aan haar tweelingzuster, die op 7-jarige leeftijd verongelukte. Daarom moeten haar kinderen naar de vader, die van haar gescheiden leeft. Hellinger bewijst zijn gelijk door de zoon (de plaatsvervanger van de cliënt) bij de vader te zetten. De zoon geeft toe dat hij zich daar ‘meer harmonisch’ voelt. Hij moet nu heel dicht tegen de man aan gaan staan, ‘dan vloeit de mannelijke kracht van vader bij hem naar binnen’.

De cliënt, die de ontwikkelingen slechts heeft mogen gadeslaan, mag nu ook meedoen. Hij krijgt de opdracht om langzaam en met respect meermaals te buigen voor de dode tweelingzus. ‘Kijk deze tante in haar ogen. (…) Laat de pijn komen. Dat is de pijn die je tante eert.’ Helaas blijft de gewenste emotionele ontlading uit. De anticlimax is volgens Hellinger aan de cliënt te wijten: ‘Hij heeft de oplossing geweigerd. (…) Ziek zijn is makkelijker voor hem dan het aannemen van de zegen van zijn tante.’

In een interview met Gabriele ten Hövel vertelt Hellinger dat de betreffende cliënt hem later een brief schreef waaruit bleek dat de behandeling ‘in zijn ziel had doorgewerkt’. In de brief stond dat hij de zegen van zijn tante niet had kunnen aannemen omdat hij geïdentificeerd was met de overleden grootvader, die zijn dochtertje per ongeluk had doodgereden. Hellinger concludeert hieruit dat de ziekte een plaatsvervangende boetedoening kan zijn. Bovendien is er wellicht nog een andere dynamiek werkzaam, die hij zeer frequent aantreft: De moeder wil onbewust de dode zuster volgen en daarom zegt de zoon onbewust: ‘Liever sterf ik, dan jij.’ Hiermee is Hellingers repertoire aan mogelijke verklaringen zo ongeveer uitgeput.

Ook in een sessie met Irene, de eerder genoemde kankerpatiënte, houdt Hellinger de touwjes stevig in handen. ‘Hoe voelt het voor jou, nu je grootvader daar staat?’, vraagt hij aan de representant van een overleden broer. ‘Ietsje beter dan eerst’, antwoordt deze aarzelend. Hellinger ruimt zijn twijfels meteen uit de weg: ‘Ja, ik zie het aan je gezicht.’ De broer werd slechts 14 maanden oud. ‘Is hij door het gezin vergeten?’, vraagt Hellinger gretig. ‘Nee,’ zegt Irene, ‘hij is in de herinnering gebleven’. Die uitspraak kan Hellinger echter niet gebruiken. Nadat hij nog enkele mensen heeft verschoven, richt hij zich tot het publiek met de woorden: ‘Dit kind is uitgesloten van het gezin. Kunnen jullie dat zien? Zie je hoe ontroerd hij is wanneer hij toestemming krijgt om naar zijn ouders te gaan?’ Hellinger ziet het voor zijn ogen gebeuren, maar vergeet dat hij zelf de regieaanwijzingen geeft. Hij vertelt de ouders zelfs van tevoren dat ze een hand op de schouder van hun gestorven kind moeten leggen, ‘heel teder’.

Irene voelt nog steeds weinig en zegt dat ze ook niet meer helder kan denken. Het is tijd om de waarheid te onthullen: ‘Ik veronderstel dat Irene onbewust probeert om haar broer te volgen in de dood. Dat is een van de factoren van haar ziekte; ze wil hem achterna, ze wil bij hem zijn. (Lange pauze) Ik geloof niet dat ik iets kan doen om haar daarvan te weerhouden. (Tegen Irene) Wie zou je tegen kunnen houden?’ Irene begrijpt niet welk spel hier gespeeld wordt en antwoord vragend: ‘Ikzelf?’ Nee, natuurlijk niet, domme meid! Het is de dode broer! ‘Leg je armen om hem heen. (…) Zeg tegen hem: “Ik kom ook.”‘ Dat werkt: Irene begint nu hevig te snikken. De broer wil haar troosten en mag van Hellinger zeggen: ‘Irene, blijf daar. Het is voldoende als je later komt.’ Nadat Irene is uitgehuild, vindt Hellinger het welletjes en verklaart hij de sessie voor gesloten.

De twee sessies die ik hier kort heb samengevat, zijn te vinden in Hellinger & Ten Hövel (2003) en Hellinger (1998). Het zijn typerende voorbeelden van zijn werkwijze. Regelmatig doet hij uitspraken die serieuze therapeuten nooit voor hun rekening zouden willen nemen. Zo vraagt hij Margreet, die net heeft verteld dat ze sinds 8 maanden kanker heeft, haar ogen te sluiten en in gedachten ‘ja’ te zeggen. Maar wanneer hij ziet dat ze haar hoofd schudt, merkt Hellinger (2002) medogenloos op: ‘Dat is de oorzaak van kanker. Hebben jullie het gezien, het Nee? Sterven is makkelijker.’ Hellinger houdt niet van slachtoffers, en dus concludeert hij dat ze hun eigen ongeluk bewerkstelligen. Tegen een andere kankerpatiënte zegt hij (Lakotta, 2002): ‘De dochter zal je navolgen in de dood. Ze is niet meer te redden. … Maar er is een oplossing. Wanneer er geen geheim van wordt gemaakt dat de moeder wil sterven, dan kan de dochter leven.’ Het klinkt als een godsoordeel.

‘Mama, ik deed het voor jou’

Er is vooral veel kritiek op Hellingers behandeling van incestslachtoffers. Hij hanteert daarbij een vuistregel waarop hij naar eigen zeggen nog maar zelden een uitzondering heeft gezien: als men de vader een slechterik vindt, dan moet je juist zoeken naar de destructiviteit en verstrikkingen van de moeder. Steeds opnieuw blijkt dat de moeder haar man niet voldoende liefde en waardering gaf, dikwijls omdat ze een gestorven familielid wilde volgen. Uit schuldbesef schuift ze de man onbewust de dochter toe als compensatie. Vader kan dit aanbod uiteraard moeilijk weerstaan, omdat hij veel tekortkomt. Het kind wordt opgeofferd om het evenwicht in het gezin te herstellen, en het stemt daar onbewust mee in. Niet alleen de man is schuldig, maar iedereen is verstrikt. De dochter moet de vader niet aanklagen, want dan bestraft zij zichzelf of kan haar eigen kind ook weer verstrikt raken, met alle gevolgen van dien (kanker, drugsverslaving, zelfmoord, etc.).

In het laatste deel van een therapeutische sessie moet de cliënt meestal zelf in de opstelling gaan staan en de plaats van de representant innemen. Hellinger beschikt over een reeks ‘verlossende’ zinnen die hij de cliënt kan laten uitspreken. Voorbeelden zijn: ‘Ik geef je de eer’, ‘Ik neem je als mijn vader’ of ‘Ik geef je een plaats in mijn hart’. Incestslachtoffers (al of niet imaginair) moeten tegen hun moeder zeggen: ‘Mama, ik stem erin toe dit voor jou te doen.’ En tegen hun vader: ‘Papa, ik heb het gedaan voor mama.’ Als dit inzicht bij de cliënt is doorgebroken, dan is het probleem opgelost. De vader voelt zich nu ook niet meer tot de dochter aangetrokken. De dochter moet voor hem knielen, dan komt er diep in de ziel iets in orde.

Aan het slot van de voorstelling wordt de familie zo mogelijk in de ideale opstelling geplaatst. Daarbij staat vader rechts naast zijn vrouw, dan voelt zij zich beschermd en ondersteund. De grootouders staan achter de ouders en de kinderen staan er tegenover, naast elkaar in het gelid, op volgorde van geboorte. Zo is het goed. Alle representanten voelen zich nu opgelucht en de liefde kan onbelemmerd stromen. Er zijn grote veranderingen mogelijk als de orde is hersteld, al kan het nog wel enkele jaren duren voordat het genezingsproces is voltooid.

Hellinger beweert dat hij aan de gezichtuitdrukking van de cliënt kan zien of zijn interpretatie correct was: ‘Zodra het gezicht oplicht, weet ik dat ik iets aangeraakt heb. Dat effect volstaat voor mij.’ De onbewuste identificatie met een familielid wordt opgeheven als het slachtoffer zich realiseert waar het probleem zit. De oplossing werkt volgens Hellinger door in de werkelijke familie. Ook familieleden die niet bij de opstelling aanwezig waren, kunnen erdoor veranderen. Hellinger kan daar wel een paar anekdotes over vertellen. Onderzoek heeft hij niet gedaan, want ‘je kunt niet informeren naar de gevolgen van een interventie zonder het effect te schaden’. Het is ook niet gewenst dat cliënten na afloop over hun ervaringen spreken. Dat zou slechts afbreuk doen aan het resultaat en mogelijk ook duidelijk maken dat het probleem meer aspecten heeft dan Hellinger wil zien.

Een sessie duurt meestal niet langer dan een half uur en er wordt geen nazorg geboden. Dat kan verkeerd uitpakken. In 1997 hield Hellinger een groot seminar in Leipzig voor paren met relatieproblemen. Een paar dat sinds kort was gescheiden, wilde weten naar welke ouder de kinderen moesten. Hellinger liet de man het plaatsvervangende gezin opstellen. Zoals gebruikelijk constateerde hij dat de kinderen zich veel beter voelden als ze bij de vader stonden. Hij zag dat de vrouw een hart van steen had. Haar representant liet weten dat ze de behoefte voelde de opstelling te verlaten. Hellinger gaf hiervoor toestemming en merkte op: ‘De vrouw vertrekt, niemand kan haar meer tegenhouden (…) Dat kan ook sterven betekenen.’ Wie de familiebanden verbreekt, is in Hellingers visie rijp voor zelfmoord. De betreffende cliënte vertrok niet lang daarna zonder nog iets te zeggen. Een dag later pleegde ze zelfmoord. In een afscheidsbriefje schreef ze: ‘Misschien zijn er mensen die zoveel schuld op zich laden, dat ze geen recht meer hebben hier te blijven. En wanneer het voor de kinderen de ordening herstelt, wil ik mijn deel daaraan bijdragen, ook al is het niet wat ik zou wensen.’

Het zou niet redelijk zijn te beweren dat Hellinger deze zelfmoord heeft veroorzaakt, maar zijn harteloze optreden lijkt wel een bijdrage te hebben geleverd. In een interview (Goldner, 2003) over deze zaak probeerde hij de verantwoordelijkheid af te schuiven op de representanten van de kinderen: zij reageerden negatief op de moeder en voelden zich alle drie opgelucht toen ze naar vader mochten. Hellinger ziet zichzelf het liefst als iemand die louter waarneemt wat de opstelling aan het licht brengt, zodat hij zich niet hoeft te rechtvaardigen. Bovendien had hij van tevoren even met het paar gesproken en de indruk gekregen dat de vrouw onvoldoende respect voor de man had. ‘Wie zich in het recht voelt staan, draagt meestal schuld.’ De man maakte een veel betere indruk op hem: hij was ‘zeer geroerd, heeft gehuild, was tot een oplossing bereid’.

Hellinger gunt zijn cliënten bijzonder weinig ruimte. Ze mogen alleen informatie geven die hij kan gebruiken voor zijn rigide interpretatieschema’s. Het is niet mogelijk om Hellinger tegen te spreken, want dan breekt hij de sessie meteen af. Er mag ook niets over de opstelling worden gezegd. Dat recht is voorbehouden aan de therapeut, die ter ondersteuning de microfoon in zijn bezit heeft. Hij stuurt de uitspraken van de representanten in de gewenste richting, geeft er betekenis aan en brengt ze met elkaar in verband. De plaatsvervangers zijn het best bruikbaar wanneer hun uitspraken vooral in het begin niet al te specifiek zijn, zodat de therapeut er nog van alles van kan maken. Als hij niet weet waar het probleem zit, dan kan hij als noodgreep een zogenaamd Familiegeheim opstellen. Want één ding is zeker: het zit in de familie!

Onder regie van de therapeut wordt er voor de cliënt een familiedrama opgevoerd dat het probleem radicaal omvormt en in een nieuw licht plaatst. Meestal blijkt dat de moeilijkheden niet thuishoren bij de cliënt, maar bij een ander familielid, dat over het hoofd werd gezien. De cliënt wordt aangemoedigd deze nieuwe interpretatie over te nemen door in de opstelling te gaan staan. Alles wat hij daar zegt en doet, wordt voorgeschreven. Zo kan hij deelnemen aan het verlossingsritueel dat de therapeut in petto heeft. Als een echte priester bemiddelt Hellinger tussen de mens en de grote ordening. De emoties mogen daarbij rijkelijk stromen, want daar zit het publiek op te wachten. Het is duidelijk dat Hellinger alle therapeutische regels aan zijn laars lapt. Hij manipuleert mensen en dringt zijn wereldbeeld aan hen op. Velen laten zich echter maar al te graag op hun plaats zetten door een alwetende goeroe die hen met het lot kan verzoenen.

Noot

Hellingers methoden worden ook toegepast binnen bedrijven en instellingen, want daar is het meeste geld te verdienen. Men spreekt dan van organisatieopstellingen. Daarbij kan men representanten opstellen die een hele groep, een bepaald aspect of abstract begrip vertegenwoordigen: de directie, een afdeling, een product, de klanten, de doelen, blokkades, een campagne, het bedrijfsimago, etc. Zo kan men bijvoorbeeld vaststellen waarom doelen niet worden bereikt, welke beleidskeuzes er moeten worden gemaakt of welke sollicitant het beste in het team past. De plaatsvervangers krijgen alle benodigde informatie rechtstreeks uit het wetende veld, zonder dat ze iets over het betreffende bedrijf hoeven te weten.

De onzekerheid van de markt leidt ertoe dat veel managers behoefte hebben aan orakels. Ze zijn vaak ontvankelijk voor pseudowetenschappelijke praatjes en men kan hen gemakkelijk imponeren met een paar moeilijke woorden (systemische ordening, morfische velden, resonantie, chaostheorie). Ze zijn niet in staat om daar doorheen te prikken en weten dikwijls niets van wetenschappelijke onderzoeksmethoden.

Zie ook Magische Merkopstellingen, Skepter 19 (4).

Literatuur

Goldner, Colin, red. (2003). Der Wille zum Schicksal. Die Heilslehre des Bert Hellingers. Wenen: Verlag Carl Ueberreuter. (Een bundel kritische artikelen van diverse auteurs.)

Hellinger, Bert & Gabriele ten Hövel (2003). Erkennen wat er is. Uitgeverij Het Noorderlicht. (Verhelderende gesprekken met Hellinger.)

Hellinger, Bert (1998). De verborgen dynamiek van familiebanden. Haarlem: Almira-Becht, 2001. (Een bewerkte vertaling van Zweierlei Glück, zevende druk 2003.)

Hellinger, Bert (1999). De maat van het hart. Uitgeverij Het Noorderlicht, 2002.

Lakotta, Bea (2002). ‘Danke lieber Papi’. Der Spiegel, 7, 200-2002. (Een artikel dat veel stof deed opwaaien.)

Uit: Skepter 17.4 (2004)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014