Meester-arrogant

Arrogante darwinisten

Hoe een wiskundige ze de les leest

door Gerdien de Jong

Ronald Meester schreef Arrogant: Waarom wetenschappers vaak minder weten dan ze denken. In feite benoemt hij zichzelf tot scheidsrechter over de evolutietheorie. Helaas blijkt hij daar niet zoveel van te weten.

Meester is een oude bekende voor lezers van Skepter. In zijn intreerede als hoogleraar kansrekening aan de VU betoogde hij al: ‘Op populair niveau is Darwin vandaag de dag nog springlevend, op academisch niveau zijn er inmiddels veel twijfels over gerezen’ – dit op grond van bijzonder onacademische lectuur, namelijk ID-propaganda. (1, zie ook Skepter 13.3, 2000).

Nadat Marcel Hulspas (Skepter 15.1, 2002) de ID had afgeserveerd, pleitten Meester en Cees Dekker (ook al geen bioloog) in Skepter 15.4 voor een open houding, waarbij darwinisten en atheïsten wat minder hoog van de toren moesten blazen. Ze wezen erop dat het darwinisme vol zat met gelovige dogma’s en niets zinnigs te berde kon brengen over onder meer de oorsprong van seks en van bewustzijn. Er ontstond een discussie die u in zijn geheel op de website van Skepsis kunt nalezen.

De ID-beweging stierf in Nederland een stille dood, zeker nadat de KNAW de Skepter-discussie in 2006 dunnetjes had overgedaan in de Beurs van Berlage. Meer recent (Skepter 26.1) noemde Piet Borst ‘een laatste stuiptrekking’, namelijk het VU-proefschrift van ene Joris van Rossum, die parmantig had geconcludeerd dat de evolutietheorie seks niet kan verklaren en dus gefalsificeerd is. Ronald Meester was een der promotoren. Elders heb ik in detail uitgelegd wat er niet klopt aan dat proefschrift. Kort gezegd weet Van Rossum niet waar hij het over heeft. (2) Het boekje Arrogant is deels een verdediging van dat proefschrift; de seks en het bewustzijn uit zijn Skepter-stuk fascineren Meester nog steeds.

Men moet niet denken dat Meester een echte ID-aanhanger is. Voor zover hij ‘Ontwerp’ wel een interessant idee vindt, meent hij dat het mogelijk is zonder ontwerper. Hij twijfelt niet aan de geschiedenis van het leven, maar wel aan het belang van mutatie en selectie. In religieus opzicht ziet hij niets in een persoonlijk opperwezen, al beschouwt hij de Bijbel wel als een fantastisch en diepzinnig zij het metaforisch boek, en is religie – waaronder zondagse kerkgang – voor hem een essentieel onderdeel van het leven. Hij is hier heel open over, maar eerlijk gezegd word ik er niet erg veel wijzer van. Een dergelijke levensbeschouwing (er is iets, maar ik weet niet wat) is door Plasterk met ietsisme betiteld, maar dat vindt Meester een vreselijk woord. Sinds 2003 was Meester als auteur of redacteur betrokken bij de publicatie van een half dozijn boeken met ‘God’, ‘evolutie’ of ‘geloven’ in de titel.

Sneeuwpoppen

In Arrogant voert Ronald Meester een aantal betogen door elkaar, zonder het onderscheid te maken, en zonder te vertellen waarom hij de koppeling tussen zeer verschillende zaken legt. Zijn eerste stelling is: ‘De wetenschap geeft op lang niet al onze vragen antwoord’. Natuurlijk. Met zingevingsvragen kun je bij de natuurwetenschap niet terecht. Je hoeft ook niet aan de wetenschap te vragen waarom muziek of de zonsondergang mooi is en hoe een vleermuis zich voelt. Zijn tweede stelling is: ‘De wetenschap geeft op lang niet alle wetenschappelijke vragen antwoord.’ Natuurlijk. Vanzelfsprekend. Wetenschap levert vaak evenveel vragen op als zij beantwoordt. En veel dingen zijn zo ingewikkeld – het weer bijvoorbeeld – dat we er tamelijk zeker van zijn dat we nooit alles te weten kunnen komen. Zijn derde betoog gaat over de relatie tussen geloof en wetenschap. Ook daar heeft Meester volkomen gelijk: God, geloof, religie en spiritualiteit laten zich niet vangen door wetenschap of logica. Daarom hebben de eerste twee lijnen van zijn betoog geen relevantie voor de derde. Daarom heeft de hoofdmoot van Arrogant geen relevantie voor het voorafje en toetje over geloof.

Ronald Meester
Ronald Meester

Deze drie opvattingen zijn ook onder wetenschappers gangbaar. Voor Meester zijn ze echter een kapstok om te betogen dat het wetenschappelijk denken doorgeschoten is en veel te veel pretenties heeft. Kritiek op Joris van Rossum acht Meester zo’n pretentie; de kritiek is kennelijk hard aangekomen. Meester beweert dat ‘de theorie van Darwin’ mensen er van overtuigt dat ze God niet nodig hebben. Dat is een beetje overdreven, want die ‘theorie van Darwin’ geeft aan dat we God in de biologie als verklaring kunnen missen, net zo goed als de hemelmechanica buiten God kan als bewaker van de vermeende stabiliteit van het zonnestelsel. Over het belang van God buiten de wetenschap zegt dat niets. Vervolgens zouden evolutiebiologen beweren dat Darwins theorie een theorie van alles is. Wanneer Meester in detail treedt over ‘alles’, blijkt dit een komisch stelletje menselijke gedragingen te zijn waarvoor sommige evolutionaire psychologen ooit speculatieve verklaringen bedacht hebben, variërende van sneeuwpoppen maken tot wat vrouwen trekt in mannen. Darwinisten zouden niet tegen kritiek kunnen omdat darwinisme een geloof is. Het is allemaal een vertrouwd geluid voor wie Meester gevolgd heeft sinds zijn intreerede.

Op welke vragen heeft de natuurwetenschap dan bijvoorbeeld geen antwoord? Meester noemt seksuele voortplanting en bewustzijn. Aan dit tweetal uit zijn Skepter-stuk voegt hij nu simulatie toe. Hij heeft namelijk nog een appeltje te schillen met lieden waarmee hij op dit punt sinds kort overhoop ligt. De lezer hoopt nu te vernemen waarom er geen antwoord is en wat die arrogante wetenschappers fout doen. En wat dan wel de relatie is met wereldbeschouwing of geloof of spiritualiteit of hoe Meester dat belieft te noemen.

Berkenspanners

Meester heeft het steeds over darwinisme waar een deskundige evolutietheorie zou zeggen. Hij maakt niet goed duidelijk wat hij er eigenlijk mee bedoelt, maar wel dat het volgens hem van geen kanten deugt. Een eerste probleem is dat Meester evolutie en natuurlijke selectie niet goed weet te onderscheiden. Bondig geformuleerd is natuurlijke selectie het idee: ‘als er variatie is met betrekking tot een bepaalde eigenschap, én een verband tussen die eigenschap en aantal nakomelingen, én als dat kenmerk erfelijk is, zal het kenmerk geleidelijk veranderen.’ Meester geeft een enigszins verwarde uiteenzetting, waarbij hij twee filosofen aanhaalt, maar het komt neer op bovenstaande.

Meester betoogt dat het bij bekende, goed onderzochte, voorbeelden van natuurlijke selectie zoals de kleur van de berkenspanner in Engeland (zie Skepter 16.2) nooit gaat om het ontstaan van iets nieuws. Daar heeft hij gelijk in: dat gaat over veranderingen in verhoudingen, hier zwarte kleur versus peper-en-zout. Dat geldt voor álle gevallen van selectie altijd: het gaat altijd over veranderingen in de mate van voorkomen van typen.

Natuurlijke selectie is echter niet hetzelfde als evolutie. Natuurlijke selectie is één van de mechanismen van evolutie. Zonder mutaties die nieuwe variatie inbrengen kan selectie niet werken. Mutaties zijn er in vele soorten: genoomverdubbeling, genverdubbeling of chromosoomfusie, invangen van DNA van andere organismen, puntmutaties die leiden tot een ander eiwit of tot andere genregulatie of tot een nieuw gen, en allemaal hogelijk interessant voor biologen. Oppervlakkig gezien gaat het om kleine stapjes en het basisidee van Darwin was dat vele kleine stapjes een grote maken, net zoals vele cellen een organisme maken, en geleidelijke veranderingen in het landschap samen een grote geologische verandering. (Dat alle materie uit atomen bestaat was in Darwins tijd slechts een plausibel idee en dat zowel erfelijkheid als licht uit pakketjes bestaan, was nog volslagen onbekend.)

Mutaties zijn ‘toevallig’. De kanstheoreticus associeert toeval met het werpen van een munt of dobbelsteen, met thermische beweging en het meten van de polarisatierichting van fotonen. Dan is precies bekend wat de mogelijke uitkomsten zijn en wat de kans op elke uitkomst is. Maar dat is niet wat de bioloog hier met toevallig bedoelt. Voor de bioloog houdt ‘toevallig’ in dat de noden van het individu, het voortbestaan of de levenswijze van de soort geen invloed hebben en dat er ook niets anders is dat bepaalde mutaties waarschijnlijker maakt. Mutaties van duiven trekken zich ook niets aan van de wensen van duivenmelkers. Mutaties zijn ongericht. Naast mutaties is er nog een andere rol van toeval in de biologie, namelijk de wet van de kleine getallen: speciaal bij kleine groepen kunnen er toevallig behoorlijke afwijkingen zijn van ‘gemiddelde’ verdelingen. Dat geeft genetic drift. Ook dit is van belang bij evolutie.

Meester verwijt de ‘darwinisten’ dat ze helemaal niet vertellen hoe het allemaal begonnen is, noch waar die variatie eigenlijk vandaan komt. Om te beginnen is het ontstaan van het leven een totaal ander vakgebied; iets dat met scheikunde, niet met biologie te maken heeft. En als Meester niet beseft waar de variatie vandaan komt, let hij niet op. Meester lijkt een probleem te hebben met het idee dat evolutie geen richting heeft. Helaas voor Meester maken mutaties en de invloed van de niet-levende natuur dat er vaak in de evolutie geen doel te zien is. Een meteorietinslag die alle beesten zwaarder dan 20 kilo om zeep hielp, is wat de biologie betreft toeval, maar dat pakte voor ons zoogdieren heel voordelig uit. Uiteengaan van Australië en Antarctica mag tot rijke zeeën geleid hebben, met als gevolg een uitbarsting van soortvorming bij de walvissen, maar biologisch is het uiteengaan van de continenten toeval.

Meester acht deze richtingloosheid van ‘de evolutie’ moeilijk te rijmen met de duidelijke doelgerichtheid van veel van de levende natuur, in het bijzonder het gedrag van dieren. Toch verklaart natuurlijke selectie aanpassing en daarmee doelgericht gedrag, en doelgericht functioneren van eigenschappen. Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat een eigenschap zich in een bepaalde richting ontwikkelt, afhankelijk van de omgeving, van het beest en van de bestaande variatie in de eigenschap. Er is bijvoorbeeld selectie voor snaveldiepte in de Darwinvinken: gegeven het verband tussen snaveldiepte en het vermogen zaden te kraken om ze op te eten krijgen we gerichte selectie voor goed werkende snavels. Bij ‘de evolutie’ van sociaal gedrag kunnen we nagaan wat de biologische voorwaarden zijn voor ontstaan en handhaving van zulk gedrag, veelal door vergelijkend onderzoek tussen soorten. Maar ‘de evolutie’, als in ‘de evolutie van de insecten als groep binnen de geleedpotigen’ is totaal iets anders. Niemand heeft enige grond te beweren dat evolutie gericht was op het ontstaan van insecten.

Natuurlijke selectie werkt met het aantal kinderen van een individu. Meester denkt – met filosofen uit vervlogen tijden – dat dit begrip tot een cirkelredenering leidt en dat ‘survival of the fittest’ een tautologie is. Maar zo werkt biologisch onderzoek niet. Als berkenspanners met een betere schutkleur minder vaak door vogels worden opgegeten, krijgen ze meer nakomelingen, dat spreekt, maar als biologen denken dat er daarom meer zwarte berkenspanners in industriegebieden zijn, gaan ze heus wel na of de donkere beestjes minder vaak worden opgegeten, en als het een beetje wil zoeken ze een maat voor schutkleur, hoe sterk de berkenspanner afsteekt tegen de boom. Geen cirkel. Biologen zijn heus niet zo dom als sommige filosofen denken.

Genen hebben geen seks

Meesters eerste voorbeeld is, u raadt het al, seks. Hij volgt zijn promovendus op de voet. Meester vraagt zich af of seksuele voortplanting te zien is als product van darwiniaanse evolutie. Zijn eerste vraag daarbij is waarop dan geselecteerd zou moeten worden. Op het individu? Op het gen? Hier raakt de gewone lezer het spoor bijster en de deskundige doet een facepalm.

Natuurlijke selectie werd voor het eerst duidelijk omschreven door Darwin. De klassieke passage staat in het begin van hoofdstuk III:

Dankzij deze strijd om het bestaan zal iedere variatie … mits zij enigermate voordelig is voor een individu van een willekeurige soort … bijdragen aan het behoud van dat individu, en zal deze in het algemeen ook worden overgeërfd door zijn nageslacht. … Ik heb dit principe, waardoor iedere geringe variatie, mits nuttig, bewaard blijft, Natuurlijke Selectie genoemd. (3)

Darwins natuurlijke selectie gaat over eigenschappen van individuen. Het grote punt is erfelijkheid van eigenschappen, zodat de kinderen min of meer op de ouders lijken. Neem een berm met paardenbloemen ergens in het noorden van Overijssel. Een beetje vochtige berm. Sommige planten brengen wat meer zaad voort omdat hun wortels een beetje beter tegen vocht kunnen. Dat betekent een wat hoger aantal aan vochtbestendige zaailingen. Er is natuurlijke selectie op de eigenschappen van individuen.

Meester schrijft: ‘[Darwin] ging sowieso uit van individuen die zich seksueel voortplanten. Als je dat doet dan neem je dus al aan dat het fenomeen seksuele voortplanting bestaat en kun je de oorsprong van seks zelf niet verklaren.’ De meeste van Darwins voorbeelden zijn inderdaad soorten die zich seksueel voortplanten, maar voor Darwins argument maakt het geen sikkepit uit of braamstruiken of wandelende takken of bananenbomen of bacteriën of sommige soorten raderdiertjes zich wel of niet seksueel voortplanten (ze doen het niet). Darwin wist trouwens heel goed dat allerlei planten aan zelfbevruchting (dus wel seks, maar geen genetische vermenging) of parthenogenese doen.

De eerste seks

Niemand was bij de allereerste seks. Het moet een eencellige geweest zijn met een celkern, de gemeenschappelijke voorouder van eencellige algen, amoeben, planten, dieren en schimmels, meer dan een miljard jaar geleden. Seks betekent een afwisseling van haploïde vormen (gameten) en diploïde vormen, en recombinatie van genen.

Bij de eerste eencelligen met seks was er geen verschil tussen de gameten. Dan is er geen nadeel van seks, en het voordeel van seks was misschien bescherming tegen ongewenste horizontale genoverdracht. In kleine groepen kunnen door seks allerlei combinaties van mutaties optreden, met misschien betere mogelijkheden voor aanpassing. Mannelijke en vrouwelijke gameten zijn een latere variatie op het thema seks. Toen meercelligen ontstonden, volgden die het stramien van hun eencellige voorgangers: gespecialiseerde mannetjes en vrouwtjes of plus en min zoals bij de schimmels en zwammen.

Bij 99% van de plantensoorten en 99,9% van de diersoorten is maagdelijke geboorte (zich klonerende vrouwtjes) onmogelijk, maar als het kan zouden die aseksuele varianten na hun ontstaan theoretisch de overhand moeten krijgen als er absoluut niets in de omgeving verandert. Inderdaad bestaan er aseksuele lijnen, maar de meeste zijn relatief jong. Dergelijke lijnen sterven misschien vlug weer uit omdat ze niet tegen veranderingen in het milieu kunnen.

Bladluizen en watervlooien klonen zich in het voorspelbare groeiseizoen maar hebben seksuele voortplanting tegen de winter, voor eitjes die in het onvoorspelbare volgende jaar moeten leven. Kijk, dat vinden biologen nou interessant.

Hoe seks lang geleden ontstaan is, en wat het eigenlijk is, daar wist Darwin natuurlijk niets van (zie kader). Seks te verklaren met selectie is uiteraard logisch onmogelijk als seks essentieel onderdeel zou zijn van natuurlijke selectie. Maar noch Darwin, noch enig andere bioloog heeft ooit zoiets mals als ‘geen selectie zonder seks’ gezegd. Seksuele voortplanting wordt nergens in The Origin of Species als voorwaarde voor natuurlijke selectie genoemd. Logisch vereist is alleen voortplanting, de methode (seks of klonen) is irrelevant. Daarom werkt de evolutietheorie ook voor bacteriën. En als u niet van bacteriën houdt: ten noorden van de Rijn en de Lek zijn alle paardenbloemen in Nederland parthenogenetisch: ze planten zich aseksueel voort. Aan geen van de pluisjes die ze maken is een bij of stuifmeel te pas gekomen en toch kan uit elk zaadje een nieuwe paardenbloem groeien. Darwins omschrijving van natuurlijke selectie werkt ook voor paardenbloemen.

Iets anders is de handhaving van seks heden ten dage. Meester vraagt zich af hoe seksuele voortplanting te verklaren valt. Hij bedoelt waarschijnlijk: waarom volgen niet alle dieren en planten en zwammen het voorbeeld van de Utrechtse paardenbloem? Of van bepaalde soorten bladluizen die zich in het voorjaar en zomer pijlsnel kloneren en in het najaar aan seks doen, zelfs zonder enige mutatie of selectie. Of van malariaparasieten die ‘het’ alleen doen in muggendarmen? Diverse soorten gewervelde dieren (sommige hagedissensoorten, slangen, walvissen) hebben hun poten verloren, waarom raken niet veel meer soorten die omslachtige seks ook niet kwijt?

Op dit punt wordt Meester onbegrijpelijk, omdat hij zich afvraagt wat de eenheid van selectie is. ‘De entiteit op wie [sic] de selectiedruk werkt wordt in de literatuur wel de “eenheid van selectie” genoemd’, schrijft hij. Zou het gen de eenheid van selectie zijn? Het moet de niet-geschoolde lezer dan al duizelen. Mensen kunnen niet zomaar overstappen op maagdelijke geboorte, zelfs al zou dat reuze praktisch zijn – geen gedoe met mannen –, net zo min als mensen hout kunnen gaan eten, wat trouwens ook erg handig zou zijn. Niemand kan nagaan wat bij mensen de voor- en nadelen van maagdelijke versus gewone geboorte zijn. Waar heeft hij het over?

Wat is die mysterieuze ‘eenheid van selectie’? Selectie werkt altijd op individuen. Die krijgen veel of weinig nakomelingen, gaan eerder of later dood. Als een nieuwe virusziekte een hele soort uitroeit, zijn het toch individuen die dood gaan. Er is dan een zeer sterk verband tussen de genetisch bepaalde ‘kwetsbaarheid door dat virus’ en het aantal nakomelingen. Maar de selectie werkt op de individuen. Een soort kan zich wellicht handhaven doordat het genetisch materiaal zo in elkaar zit dat het vrijwel onvermijdelijke uitsterven van de soort langer wordt uitgesteld. Maar dan zijn het toch verre nakomelingen die al dan niet kunnen overleven.

Bij de wiskundig-theoretische beschrijving van evolutionaire processen wil men een getalsmaat voor voortplanting koppelen aan specifieke genetische eigenschappen. Eén manier om dat te doen, is dat men die getalsmaat aan genen koppelt – in de beschrijving van de theorie. Een flauw grapje zegt dat een kip slechts een truc is van eieren om meer eieren te maken. Zo kan men organismen opvatten als vermenigvuldigingstoestellen voor genen. De genen worden dan vrijwel onsterfelijk en de organismen slechts vergankelijke dragers, maar natuurlijk wel degenen die bepalen of zo’n gen van het toneel verdwijnt dan wel dat er meer kopieën van in de gene pool komen.

Jacobsladder

De jacobsladder Polemonium viscosum heeft een gen voor grootte van de bloembladen, met allelen A en a. AA-planten hebben grote bloembladen, aa-planten kleine, en Aa’s zitten er tussenin. Ze worden bestoven door hommels, die van grote bloemen houden. De eerste grafiek geeft het verband tussen de grootte van de bloembladen in moederplanten en kinderplanten.

jacobsladder-evolutie1

De tweede grafiek geeft het aantal kindplanten uit zaad per moederplant, als er alleen door hommels bestoven wordt. De twee grafieken rechts geven de verdeling van de grootte van de bloembladen in de kinderplanten, als er met de hand zonder keuze bestoven wordt en als er door de hommels met keuze voor bloembladgrootte bestoven wordt.

jacobsladder-evolutie2

De gemiddelde grootte van de bloembladen is toegenomen in de kinderplanten. Op basis van deze gegevens kan aan A en aan a een getalsmatige fitness worden toegekend.

Dit is puur een manier van beschrijven. Deze manier is uitgewerkt door Richard Dawkins en gepopulariseerd in zijn boek The Selfish Gene van bijna 40 jaar geleden – prehistorisch naar biologisch-wetenschappelijke maatstaven. Dat lijkt het enige werk te zijn dat Meester iets meer dan oppervlakkig gelezen heeft, maar ook dit boek heeft hij niet begrepen. De selectie werkt niet op de genen, maar op de voertuigen van de genen, dat weet Dawkins heel goed en hij ontkent het ook helemaal niet. De vos eet het konijn dat niet hard genoeg loopt, niet het hardloopgen van het konijn. Meester ziet de beschrijving aan voor realiteit. In zijn eigen vak zou hij notatiekwesties niet verwarren met wat getallen ‘echt’ zijn, dat wil zeggen hoe wiskundigen ermee redeneren. Voor biologen is de ‘eenheid van selectie’ een soort notatiekwestie in de theorie.

Meester redeneert nu ongeveer als volgt:

1. Genen hebben geen seks, individuen wel.
2. Wat werkt op genen, werkt niet op individuen.
3. De evolutietheorie gaat over hoe selectie werkt op genen.
4. Dus de evolutietheorie kan seks niet verklaren.

Stap 3 berust op een grove misvatting van de evolutietheorie, veroorzaakt door oppervlakkige lezing van een oud populair boek daarover, en stap 2 is iets dat een serieuze bioloog nooit zo zou formuleren en waarschijnlijk fout zou vinden.

Men moet zich eens voorstellen dat een bioloog zou gaan uitleggen dat computers heel anders werken dan die arrogante informatici beweren. 1. Rekenen heb ik 40 jaar geleden op school geleerd met decimale getallen. 2. Computers werken met binaire getallen. 3. Dat computers kunnen rekenen is dus een onverklaard fenomeen. Iedereen zou zich een kriek lachen. Decimaal en binair zijn slechts notatiekwesties. De hypothetische bioloog heeft een ondergeschikte notatiekwestie aangezien voor de hoogste realiteit, en zich daarbij beroepen op wat hij lang geleden heeft gesnapt van een voor kinderen bedoelde uitleg.

Gelukkig voor ons biologen zijn er geen echte biologen die hun beroepsgroep te schande maken met zulke onzin over wiskunde, maar het is wel opmerkelijk dat de symmetrische situatie (wiskundige gelooft baarlijke onzin over biologie) leidt tot een promotie en polemieken. Het is begrijpelijk dat vier biologen (de drie Nederlandse topspecialisten op het gebied van seksuele voortplanting, plus mijn persoon) en vier wetenschapsfilosofen (4) openlijk kritiek hebben gehad op de promotie, maar het is onbegrijpelijk dat er geen homerisch gelach weerklonk toen gepoogd werd deze ideeën aan de man te brengen.

Leven, universum en alles

Niemand weet wat bewustzijn eigenlijk is, laat staan hoe het tot stand komt. Bewustzijn komt voor bij levende wezens met een flinke portie hersenen, dus daar zal het wel iets mee te maken hebben. In hoeverre bewustzijn nodig is voor denken is onduidelijk. Beroemde wetenschappers en kunstenaars hebben ervan getuigd dat hun creatieve invallen als het ware vanzelf kwamen.

Met name Poincaré verhaalt hoe hij tijdens een geologische excursie, net toen hij zijn voet op de treeplank van de omnibus zette, in één flits, en volkomen onverwachts, precies zag hoe de niet-euclidische meetkunde samenhing met de analyse van een bepaald soort complexe functies. Hij dacht er verder niet over na, maar thuisgekomen schreef hij de hele theorie in één ruk op. (5) Meester verwijst impliciet naar deze anekdote, maar in plaats van te concluderen dat veel denkwerk onbewust gebeurt en het bewustzijn minder belangrijk is dan het lijkt, ziet hij ‘een doorkijkje naar de werkelijke aard van de wereld’.

(foto: G. Lee, via Wikimedia Commons)
(foto: G. Lee | Wikimedia Commons)

Er zijn filosofen die menen dat denken en bewustzijn geen materiële basis hebben. Misschien zien ze die basis niet en denken meteen: ‘wat je niet ziet, is er niet’, geheel in lijn met onzichtbaar kleine stapjes niet willen accepteren als verklaring voor zichtbare grote stappen. Misschien beseffen ze niet hoeveel honderd biljoen is: het aantal zenuwverbindingen in onze hersenen. Thomas Nagel is zo’n filosoof.

Nagel stelt in zijn boek Mind and Cosmos: why the materialist neo-Darwinian conception of nature is almost certainly false (2012) dat het neodarwinisme tekortschiet. De ‘darwinisten’ moeten het alweer ontgelden. In het kort (6) is het argument: de wetenschap worstelt nog steeds met het mind-body-probleem, en kan het subjectieve bewustzijnsgevoel helemaal niet verklaren, terwijl dat toch wel zou moeten. Nagels oplossing: ‘mind’ is een fundamenteel aspect van de natuur. Iets uitvoeriger: denken en het correct moreel en logisch-wiskundig kunnen oordelen en het gevoel bewust te zijn, is allemaal niet-fysisch. Dus een puur fysische verklaring zoals replicatie/mutatie/selectie mist iets, te meer daar (volgens Nagel) een serieuze theorie álles hoort te verklaren.

Verklaren houdt in (nog steeds volgens Nagel) dat je de verschijnselen inclusief alle natuurwetten kunt duiden als een noodzakelijk gevolg van een oerbegin. Misschien is er toch een soort doelgerichtheid, of met een geleerd woord ‘natuurlijke teleologie’. En dat iets is mind, zegt Nagel, of bewustzijn, en dat moet de wetenschap dan maar zien te bewijzen. Meester zegt het hem na. Het is gewoon de oude god van de gaten in een nieuw jasje: bewustzijn bestuurt de evolutie, en dan geen details als Britse berkenspanners, paardenbloemen in Paterswolde en kevertjes over de hele wereld, maar de Oorzaak van het Leven, het Universum, Seks en Alles, en dat bewustzijn houdt van ingewikkeld en misschien wel van wiskunde.

Meester klaagt dat Nagel genegeerd of uitgelachen wordt, en doet kritiek af als ‘rumoer’ en ‘incidenten’. Hij citeert Brian Leiter en Jim Holt zonder bronvermelding. Maar de bron is overduidelijk een nieuwsartikel (7) op de website van de New York Times met voor elke criticus een paar oneliners. Het artikel bevat echter ook links naar diverse uitvoerige inhoudelijke kritieken. Dat zijn met name de bioloog H. Allen Orr (8) en de filosofen Leiter (9), Elliott Sober (10) en Peter Godfrey-Smith (11). Meester had met gemak de kritiek kunnen inzien. Wie negeert er nou wie?

Het is al heel mooi dat er überhaupt nog serieuze kritiek is geweest op Nagel, want redeneringen als ‘u dient alles te verklaren wat ik niet snap’ verwacht men eerder van ufogekkies. Grote nieuwe natuurwetenschappelijke ideeën, zoals de mechanica van Newton, de theorie van het elektromagnetisme van Maxwell, de evolutietheorie van Darwin, de kwantumhypothese van Planck en de speciale relativiteitstheorie van Einstein steunden indertijd op moeizaam verkregen harde experimentele feiten. Voor de rest bestaat wetenschap uit heel veel kleine brokjes kennis. Gevoelens zoals ‘grote stappen kunnen niet uit kleintjes zijn opgebouwd’ of ‘een paar miljard jaar zijn niet genoeg om zoiets als mijn bewustzijn te doen ontstaan’, lokken doorgaans schouderophalen uit, en irritatie als de auteur de natuurwetenschap eventjes de les gaat lezen.

Gentse filosofen

Er bestaat een heel onderzoeksveld binnen de informatica dat zich bezighoudt met ‘genetische algoritmen’ en ‘evolutionaire algoritmen’. De naam verwijst naar de inspiratie van de simulatietechniek: genetica en evolutie. Het gaat om programma’s die optimale oplossingen zoeken voor allerlei soorten optimalisatieproblemen. In genetische en evolutionaire algoritmen bepaalt de omgeving de samenstelling van de volgende generatie, waardoor de algoritmen zich beter en beter aanpassen. Het gaat dus niet om iets in de biologie, maar om een van de vele rekentechnieken voor ingewikkelde problemen.

Men zou hopen dat een wiskundige rekentechnieken wel begrijpt. Meester gebruikt dit voorbeeld echter alweer om aan te tonen dat evolutiewetenschappers het bij het verkeerde eind hebben. Speciaal het algoritme AVIDA van Richard Lenski en medewerkers heeft zijn misnoegen opgewekt. Wat is er mis met AVIDA? De clou is dat AVIDA laat zien hoe complexiteit (in de computersimulatie) door evolutie kan toenemen. Aangezien ‘complexiteit’ essentieel is voor bewustzijn in Meesters ID-achtige optiek, en bewustzijn een onverklaarbaar religieus mysterie moet blijven, mag dat natuurlijk niet. Volgens Meester (13) hebben Lenski en collega’s die complexiteit als streefdoel er zelf in gestopt.

Een jaartje later vertelden Gentse filosofen hem waarom hij het mis had. (14) Gevolg: alweer een klaagzang van Meester dat hij door ideologisch bevooroordeelde personen wordt weggezet als sympathisant van Intelligent Design. Waarom, oh waarom? Meester heeft zichzelf met een onbezonnen opmerking in zijn intreerede in een kuil laten vallen, en sindsdien is hij niet opgehouden met graven om die kuil dieper te maken. Met ‘geloof en wetenschap’ heeft het niets te maken: Meester slaagt er niet in zijn verhaal over ‘die arrogante wetenschappers’ die het niet met hem eens zijn ook maar enigszins te koppelen aan een samenhangende verhandeling over geloof.

Samenvattend, de titel van het boek klopt wel, maar de inhoud is behalve gezeur over miskenning slechts een demonstratie van de redeneertrant van één wetenschapper die minder weet dan hij denkt, namelijk de auteur zelf.

Noten

1. Ronald Meester, Zin en onzin van de waarschijnlijkheidrekening. Oratie 24 maart 2000.  De geciteerde zin staat niet in de Skepter-versie.

2. Gerdien de Jong, Volledige reactie Gerdien de Jong naar aanleiding van interview prof. Meester. Reformatorisch Dagblad, 18 december 2013 www.refdag.nl/nieuws/binnenland/volledige_reactie_gerdien_de_jong_ naar_aanleiding_van_interview_prof_meester_1_792435

3. Charles Darwin (1859), Over het ontstaan van soorten. Nederlandse vertaling uitgegeven door Nieuwezijds B.V., 2000.

4. Henk de Regt, Arno Wouters, Bas Jongeling, Bart Voorzanger, zie: advalvas.vu.nl/achtergrond/evolutieproefschrift-kritiek-van-wetenschapsfilosoof-henk-de-regt [kopie] – korthof.blogspot.nl/2013/02/van-rossums-rode-haring.html – www.geloofenwetenschap.nl/index.php/opinie/item/372-de-moeder-vanalle-evolutionaire-problemen.html – www.voorzanger.nl/vanrossum.pdf

5. Umberto Bottazini (2013). Poincaré: wiskundige en filosoof. Amsterdam: Veen Media.

6. Thomas Nagel, The Core of ‘Mind and Cosmos, The Stone, 18 augustus 2013.

7. Jennifer Schuessler, An Author Attracts Unlikely Allies. The New York Times, 6 februari 2013.

8. H. Allen Orr, Awaiting a New DarwinThe New York Review of Books, 7 februari 2013.

9. Brian Leiter en Michael Weisberg, Do You Only Have a Brain? On Thomas Nagel. The Nation, 22 oktober 2012.

10. Elliott Sober, Remarkable facts, Boston Review, 7 november 2012.

11. Peter Godfrey-Smith, Not Sufficiently Reassuring, London Review of Books, 24 januari 2013.

12. Thomas Nagel, Mind and Cosmos, reviewed by John Dupré, Notre Dame Philosophical Reviews, 29 oktober 2012.

13. Meester, R. (2009). Simulation of biological evolution and the NFL theorems. Biology & Philosophy, 24, 461–472.

14. Blancke, S., M. Boudry , J. Braeckman (2011). Simulation of biological evolution under attack,but not really: a response to Meester. Biology & Philosophy, 26, 113–11. [pdf via UGent]

Met dank aan Bart Voorzanger voor het mogen raadplegen van zijn aantekeningen en voor commentaar op conceptversies.

Uit: Skepter 26.2 (2014)

Gerdien de Jong is evolutiebioloog en verbonden aan de Universiteit Utrecht.