Pseudowetenschap

door Piet Borst

‘Niemand afficheert zichzelf als pseudowetenschapper. Ik ga niet ’s ochtends naar het lab om pseudowetenschappelijke proeven te doen in mijn pseudowetenschappelijke project. Pseudowetenschap doen de anderen.’

Met deze passage begint het boek van Michael Gordin (2012), The pseudoscience wars. Historicus Gordin hangt zijn verhaal op aan de kleurige would-be astronoom Immanuel Velikovsky, maar behandelt en passant de vele vermommingen waarin de pseudowetenschap zich toegang verschaft tot het wetenschappelijke toneel. Dominant zijn de creation science, pogingen om de juistheid van het Bijbelse scheppingsverhaal wetenschappelijk te onderbouwen, en de caleidoscoop van alternatieve behandelwijzen. Tot diep in de twintigste eeuw waren er echter pseudowetenschappelijke stromingen binnen de serieuze wetenschap, zoals het lysenkoïsme in Rusland en Velikovsky in de VS, die prominent in de schijnwerper wisten te komen.

Lang was het onderscheid tussen pseudowetenschap en echte wetenschap beperkt tot het makkelijk meetbare. Aan de natuurkundige wetten van Isaac Newton viel door serieuze geleerden niet te tornen, maar of de alchemie die Newton als hobby bedreef iets voorstelde, wisten ook zijn maten in de Royal Society niet. De scheikunde was nog geen wetenschap en dus was er geen onderscheid met pseudowetenschap. Merkwaardigerwijs schenkt historicus Gordin geen aandacht aan dit historische proces, waarin de wetenschap zich ontworsteld heeft aan de pseudowetenschap. Hij begint gewoon na de Tweede Wereldoorlog, toen de wetenschap zich inmiddels over de hele linie had verschanst in een eigen vesting, waar de pseudowetenschap geen toegang toe heeft.

Parmantig Intelligent Design

Creation science is vooral Amerikaanse folklore en geënt op het feit dat Amerika eigenlijk één grote Bijbelgordel is. Ook in de laatste opiniepeilingen blijken de Amerikanen de evolutie volgens de Bijbel te prefereren boven Darwin. Door Henry Morris werd vanaf 1972 gepoogd in het Institute for Creation Science het Bijbelverhaal wetenschappelijk te onderbouwen. Geld was er in overvloed, maar het was uiteraard een mission impossible. Ook met fossielenfraude bleek die missie niet tot een goed einde te brengen.

Het creationisme kreeg in Nederland nooit een voet aan de grond. Des te succesvoller was een nazaat ervan, de Intelligent Design (ID) beweging, die eind twintigste eeuw in de VS ontstond. Kernthema van ID was dat sommige processen in de natuur zo complex zijn dat ze nooit stapsgewijs ontstaan kunnen zijn. Dit thema van deze zogeheten niet-herleidbare complexiteit werd met enthousiasme geadopteerd door een aantal VU-hoogleraren. Zij kregen zoveel bijval dat ze twee dikke boeken wisten te produceren en zelfs OCW-minister Van der Hoeven even bij de neus namen.

Zelden is een pseudowetenschappelijk kaartenhuis zo snel in elkaar gestort als de ID-beweging. Al die voorbeelden van niet-herleidbare complexiteit, zoals bacteriële zweepstaarten of menselijke bloedstolling, bleken in deskundige handen zonder moeite te kunnen ontstaan in een stapsgewijze evolutie. ID had ook geen alternatief voor stapsgewijze evolutie. Niemand kon aangeven waar God de evolutie een zetje had gegeven en hoe dat dan precies gegaan zou zijn.

Ik zou de stille dood van ID niet hebben aangehaald, als er niet recent nog een laatste stuiptrekking was geweest. Aan de VU promoveerde op 11 december 2012 de bioloog Joris van Rossum op een filosofisch proefschrift, waarin hij claimt dat seksuele voortplanting onverklaarbaar is op basis van de evolutietheorie. Parmantig concludeert de jonge doctor dat hij dus Darwins evolutietheorie heeft gefalsificeerd. Nu is er altijd wel gesteggeld over de precieze evolutionaire voordelen van seks, maar anno 2012 is er geen enkele serieuze evolutiebioloog die denkt dat seks wringt met Darwin.

De Nederlandse evolutiebiologen vielen dan ook en bloc over het VU-proefschrift heen. Van Rossum had de recente literatuur niet gelezen en wat hij wel had gelezen, had hij niet begrepen. De grootste gram trof de beide promotoren, de filosoof Van Woudenberg en de wiskundige Meester, die een promovendus hebben begeleid bij de bestudering van een onderwerp waar ze beiden geen verstand van hebben. Ook de VU gaat niet vrijuit. Van Woudenberg en Meester zijn ID-paladijnen van het eerste uur. Die kun je niet los laten rondlopen in de serieuze biologie. Daar moet je geharnaste evolutiebiologen naast zetten om dit soort ID-oprispingen tegen te gaan. Ook de rector van de VU heeft dat inmiddels publiekelijk erkend.

Ik heb wel met promovendus Van Rossum te doen. Nu denkt hij nog dat hij Darwin een poets heeft weten te bakken, maar uiteindelijk zal het hem dagen dat elke serieuze bioloog zijn proefschrift niet zo’n meesterwerk vindt. Lang nadat de ID-strapatsen van zijn promotoren zijn vergeten, zit hij nog met dat proefschrift. Treurig.

Crackpots en tragische figuren

Pseudowetenschap is relatief jong in de geneeskunde. Lang was volstrekt onduidelijk wat werkte en wat niet. Evidence-based geneeskunde is nu de standaard, maar lang was de overtuiging van de dokter dat zijn behandeling werkte maatgevend, of die behandeling nu regulier of alternatief was. In het begin van mijn carrière hadden alternatieve therapeuten daarom ook geen behoefte aan wetenschappelijke rechtvaardiging. Moerman was ervan overtuigd dat zijn moermandieet kanker genas. Hij ging echt geen systematische prospectieve studies doen. Je ging een patiënt toch niet de zegeningen van het moermandieet onthouden?

Hoe anders ligt dat anno 2013. De evidence-based geneeskunde staat op een voetstuk en alternatieve therapeuten pogen een plekje op dat voetstuk te veroveren. Mimicry heb ik dat eerder genoemd en het vormt een rijke bron van pseudowetenschap.

Een derde vorm van pseudowetenschap is de cynische, door financiële belangen gedreven pseudowetenschap. Als jij denkt dat verbranding van mijn petroleum de aarde opwarmt, dan huur ik wel een wetenschapper in die het tegendeel bewijst. Die laat zien dat verbranding van petroleum helemaal geen CO2 oplevert, dat meer CO2 juist gezond is, dat de aarde helemaal niet opwarmt en dat die verdwijnende gletsjers socialistische propaganda zijn. Deze cynische vorm van pseudowetenschap wordt door Gordin nauwelijks behandeld in zijn boek, omdat Oreskes en Conway dat al afdoende hebben gedaan in hun boek Merchants of doubt.

Resteren de meest authentieke pseudowetenschappers, de mensen die niet pogen de Bijbel of de petroleumindustrie goed te praten, of hun Chinese kruiden aan de man te brengen, maar die menen binnen de reguliere wetenschap een nieuwe visie ontwikkeld te hebben, die superieur is aan de gangbare. Daar zitten veel crackpots tussen en een enkele tragische figuur, zoals de geniale scheikundige Linus Pauling, die op hoge leeftijd ging denken dat met megadoses vitamine C kanker voorkomen en genezen kan worden. In extreme politieke omstandigheden kunnen zulke randfiguren dominant worden in hun tak van wetenschap, zoals Lysenko. Gesteund door Stalin wist Lysenko zijn idee dat verworven eigenschappen erfelijk kunnen zijn, tot leidraad van de sovjetlandbouw te maken, daarmee niet alleen de Sovjetgenetica, maar ook de Sovjetlandbouw ruïnerend.

Velikovsky’s bestseller

VelikovskyDe protagonist van de respectabele pseudowetenschappers is volgens Gordin echter Immanuel Velikovsky. In 1950 publiceerde Velikovsky zijn Worlds in Collision, waarin hij een spectaculaire nieuwe theorie poneerde voor de recente geschiedenis van de aarde. Velikovsky beweerde dat een gigantische komeet van de planeet Jupiter was gerukt en richting aarde was gegaan. Na catastrofes op aarde te hebben aangericht, was de komeet uiteindelijk tot rust gekomen als de nieuwe planeet Venus. Velikovsky poneerde dat deze catastrofale botsing in het recente verleden heeft plaats gevonden, circa 1500 v.C., en dat de gruwelijke gevolgen zijn overgeleverd in de sagen van de mensheid. Mozes die de Rode Zee even drooglegde om zijn volk doorgang te verschaffen, was niet bij wijze van spreken, maar echt gebeurd door de bijna-botsing van de aarde met een komeet.

Velikovsky was arts-psychiater-psychoanalyticus, zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van het Joodse volk en hij had zich verdiept in de sagen van andere volken, Chinezen, Indiërs, Maya’s, Inca’s, enz. Hij had daaruit de overtuiging gedestilleerd dat de catastrofen die in al deze sagen beschreven worden, ook echt gebeurd moeten zijn. Vanuit die rotsvaste overtuiging paste Velikovsky de geologische geschiedenis van de aarde aan, ongehinderd door hedendaagse astronomische kennis. Die kennis had hij namelijk ontleend aan een boek uit 1696 dat Velikovsky niet goed had begrepen, zoals de Nederlandse wiskundige Hans Freudenthal in een gedetailleerd artikel heeft laten zien.

De astronomen waren ontzet over dit absurde verhaal van Velikovsky, maar vooral dat zijn schertstheorie was gepubliceerd door een serieuze uitgever van wetenschappelijke literatuur, MacMillan. Dit verklaart wellicht waarom een aantal wetenschapsredacteuren van serieuze kranten als de New York Herald Tribune erin liepen. Hoewel Velikovsky’s boek geweldig verkocht, kreeg MacMillan al gauw spijt. MacMillan had een lucratieve afdeling voor wetenschappelijke leerboeken en die dreigde in de verdrukking te komen, toen leerboekschrijvers MacMillan lieten weten dat ze niet geassocieerd wilden worden met Velikovsky. Uiteindelijk schoof MacMillan de hete Velikovsky-aardappel door op het bord van uitgeverij Doubleday, die deze melkkoe nog lang heeft weten uit te melken.

Historicus Gordin doet zijn best om te reconstrueren hoe MacMillan er toe is gekomen om een wetenschappelijk prul te publiceren dat al door acht uitgevers was afgewezen. Uit deze reconstructie blijkt dat MacMillan het boek wel degelijk heeft laten beoordelen door redelijk competente mensen, en dat die vrij positief hadden gereageerd. Weliswaar had niemand een goed woord over voor de astronomie, maar de interpretatie van de catastrofes uit wereldsagen als historische gebeurtenissen vonden de reviewers toch intrigerend. Ook als de astronomie van Velikovsky niet deugde, kwam er misschien nog wel eens een verklaring die beter paste bij de vaststaande geologische feiten.

Deze onderschatting van het effect van pseudowetenschap zie je vaak. Mensen willen niet scherpslijpen, moet toch kunnen, het is zo aardig geschreven, het kan toch geen kwaad, die man bedoelt het goed. Door dit soort begripvolle zachtheid slipt er van allerlei softe nonsens via serieuze kanalen het publieke domein binnen. Ik herinner me nog het rapport-Muntendam over alternatieve behandelmethoden in Nederland. In een doorgeschoten vlaag van consensus zoeken, liet een aantal serieuze dokters zich meeslepen door de tijdgeest om ‘alternatief’ een serieuze plek te geven in de Nederlandse geneeskunde. Er was maar één commissielid dat de rug recht hield. In een vlijmscherp minderheidsstandpunt toonde psycholoog Frits van Dam aan waarom het rapport-Muntendam niet deugde en de deur openzette voor een leger aan dubieuze pseudowetenschappelijke medische praktijken.

Het boek van Velikovsky ging meteen naar de top van de bestsellerlijst. Het was meeslepend geschreven, de gemiddelde lezer kon niet weten dat die Venus-toestand astronomisch volstrekte flauwekul was – het was immers een MacMillan-boek – en veel mensen die zijn opgegroeid met het Oude Testament vonden het wel mooi dat iemand nu liet zien dat al die fantastische verhalen over een droogvallende Rode Zee een historische basis hadden. Uiteraard werd Velikovsky omarmd door de christelijke fundamentalisten, ook al moest hij daar zelf niets van hebben. Creationisme was pseudoscience, vond Velikovsky, zijn eigen werk was echte wetenschap, alleen nog niet door iedereen als echt herkend.

Een vruchteloos debat

Velikovsky was in alles het prototype van een pseudowetenschapper. Rotsvast overtuigd van eigen gelijk, charismatisch, meeslepend, erudiet, intransigent. Meestal verdwijnen zulke mensen weer snel uit beeld. Ze zijn zo onmogelijk dat ze geen stabiele achterban kweken. Velikovsky wist echter een comeback te maken in de jaren 1960, toen de antiautoritaire hippiejeugd op zoek ging naar iconen. Toen kwam Velikovsky als geroepen met zijn fantastische catastrofetheorie, verguisd door alle officiële wetenschappers. Uiteraard konden de hippies de krakkemikkige astronomische onderbouwing van Velikovsky’s theorieën niet doorzien, maar dat hij geen officiële wetenschap vertegenwoordigde, was buiten kijf en genoeg. Voor Doubleday was de hernieuwde belangstelling een mooie meevaller. Hoewel Velikovsky niets moest hebben van de counterculture, kon hij de hernieuwde belangstelling voor zijn theorieën waarderen.

De piek in deze Velikovsky-revival kwam toen de American Association for the Advancement of Science (AAAS) in 1974 een symposium over Velikovsky organiseerde. De AAAS liet er geen misverstand over staan wat het doel was van het symposium: de ontmaskering van Velikovsky’s ideeën, niet een debat met Velikovsky, omdat zo’n debat niet thuis hoorde in een serieuze wetenschappelijke bijeenkomst. Uiteindelijk werd het wel een debat, waarin de 79-jarige met zijn gebruikelijk verbale vaardigheid zijn ideeën verdedigde. Inmiddels karakteriseerde hij die ideeën niet meer als theorie, maar als een onweerlegbare reconstructie van historische feiten.

Tegen Velikovsky had AAAS erkende kanonnen in stelling gebracht, zoals de charismatische astronoom en publiekslieveling Carl Sagan. Het symposium liep geheel uit de hand en nam drie uur langer dan het plan was. Na afloop waren beide partijen volstrekt overtuigd dat zij een doorslaggevende overwinning hadden behaald. Het doel van de AAAS om de populariteit van Velikovsky’s absurditeiten onder studenten eens en vooral te ondergraven, was faliekant mislukt.

Brosrepen

Verbazingwekkend is dat niet. Pseudowetenschap heeft vaak het karakter van een religieuze sekte en dan helpt het niet om daar een openbaar debat over te organiseren. De sekteleden laten zich niet overtuigen, en het grote publiek wordt op het verkeerde been gezet: als het de moeite waard is om een symposium over Velikovsky, astrologie, homeopathie, intelligent design, u roept maar, te organiseren, dan zit daar misschien toch iets in. Die aandacht werkt vaak averechts en ik doe er dus niet aan mee.

Ik herinner me dat de Kindergeneeskunde in het AMC in een moment van onbezonnenheid een symposium over complementaire geneeskunde organiseerde waarin een aantal prominente alternatieve therapeuten zou spreken. In een laat stadium kwam de Raad van Bestuur daar achter, waarna ik het verzoek kreeg om in een ingelaste voordracht aan het eind van de bijeenkomst tegenwicht te bieden. Per kerende post liet ik weten dat ik vereerd was, maar paste. Het heeft weinig zin om de duivel uit te komen bannen als het kwaad eenmaal is geschied. Een echt symposium in het AMC, daar zou alternatief Nederland nog jarenlang propaganda mee maken en mijn banvloek zou daar niets aan afdoen. Gelukkig had toen de Raad van Bestuur van het AMC het verstand en de kracht om het hele symposium op het laatste moment af te blazen.

Terug naar Velikovsky wiens pseudowetenschap ook na 1974 nog een tijdje kon doorsudderen met behulp van tegendraadse hippies. Zijn boek Worlds in Collision zag al meer dan 70 Engelse edities tijdens Velikovsky’s leven en het werd in veel talen vertaald, waaronder Nederlands. Historicus Gordin is niet verbaasd. Het onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap is nu eenmaal lastig. Sterker, Gordin vindt dat er geen objectief criterium is dat het onderscheid kan maken. Zelfs het criterium van Karl Popper dat een echte wetenschappelijke theorie falsifieerbaar, weerlegbaar en toetsbaar moet zijn, verwijst hij naar de prullenmand, want wie besluit wanneer een theorie falsifieerbaar is, toetsbaar, of weerlegd is? Allemaal subjectief en daar kan een strenge filosoof niet mee werken.

Gordin geeft toe dat de gemiddelde onderzoeker geen moeite heeft met het onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap. Ik kan dat beamen. Ook echte paradigmawisselingen in mijn vak, niet door iedereen meteen omarmd, roken nooit naar pseudo. Laat ik één voorbeeld geven: het prionconcept. Prionen zijn abnormaal gevouwen eiwitten die hun normale soortgenoten kunnen overhalen om ook abnormaal te vouwen, zodat grote eiwitklonten ontstaan. Als dat in de hersenen gebeurt krijg je ‘gekkekoeienziekte’ of een variant daarvan en ga je dood.

Toen Stan Prusiner in 1993 postuleerde dat prionen geen virussen waren maar infectieuze eiwitten, was dat een echte paradigmashift. Niet veel vakgenoten geloofden Prusiner. Toch kwam niemand op het idee om dit pseudowetenschap te noemen. Er waren al heel oude proeven die lieten zien dat prionen zo ongevoelig waren voor röntgenstraling dat ze nauwelijks DNA of RNA konden bevatten. Prusiners concept kwam dus niet uit de lucht vallen; je kunt zelfs vraagtekens zetten bij zijn Nobelprijs. Daar kwam bij dat Prusiners prionconcept gebaseerd was op solide proeven en uiterst toetsbaar en weerlegbaar was. Het idee van een infectieus eiwit was bizar, maar niet onmogelijk, en goed te testen, zoals later onderzoek heeft laten zien.

In de praktijk zijn er ook veel kenmerken van de pseudowetenschapper die diagnostisch zijn. Een echte onderzoeker weet dat verregaande claims, verregaande experimentele bewijsvoering vereisen. Ik herinner me nog goed hoe Tom Cech zijn ontdekking dat sommige RNA-moleculen een chemische reactie kunnen katalyseren in het tijdschrift Science publiceerde. Cech realiseerde zich dat wij biochemici allemaal zouden denken dat hij iets over het hoofd had gezien en een artefact had geproduceerd. Driekwart van zijn stuk bestaat dan ook uit het minutieus analyseren van alle mogelijk denkbare artefacten. Het stuk is één lange controleproef en daarom werd de vondst van Cech meteen vakbreed geaccepteerd.

Echte onderzoekers bouwen argwaan in. Ik heb in mijn lab altijd Bros-repen uitgeloofd aan studenten die mijn meest geliefde hypothese met welgemikte proeven onderuit wisten te halen. Die Bros-repen zijn ook uitgereikt. Ook onderzoekers die zo overtuigd zijn van eigen gelijk dat ze geen Bros-repen uitloven, blijven meestal toch in discussie over de feiten en hun interpretatie. Wie op de vraag: ‘Wat zou je theorie kunnen weerleggen?’ geen lijst met uitvoerbare proeven weet op te hoesten, plaatst zichzelf buiten de serieuze wetenschap.

Fatale fascinatie

In de praktijk is het voor vakmensen zelden een probleem om pseudowetenschap te herkennen, waar het opduikt, ook al vertellen filosofen ons dat het onderscheid met echte wetenschap niet te maken valt. De meeste pseudowetenschap is absurd en totaal niet te rijmen met wat we zeker weten. Als astrologen beweren dat de stand van de sterren mijn leven bepaalt, hoef ik daar niet over na te denken. Dat kan niet. Als homeopaten willen dat ik de werking van oneindig verdunde geneesmiddelen ga onderzoeken, begin ik daar niet aan. We weten iets van scheikunde en dat zet ik niet overboord voor een idiote theorie, die nergens op gebaseerd is. Het helpt dat pseudowetenschappers de neiging hebben zichzelf buiten spel te zetten door fanatisme, onredelijkheid, knullige experimentele resultaten en door de humorloosheid van de echte gelovigen.

Velikovsky, de meest gerespecteerde pseudowetenschapper ooit, laat trouwens zien, dat in de praktijk de demarcatie werkt. Van meet af aan zag het gros van de vakmensen dat Velikovsky astronomische en geologische onzin had geproduceerd. Omdat de wetenschap ingewikkeld was en Velikovsky een charismatisch, erudiet en verbaal begaafd man was, kon hij een groot publiek enthousiast maken voor zijn ‘historische reconstructie’. Maar in de leerboeken vind je Velikovsky niet terug.

Dit alles neemt niet weg dat pseudowetenschap in bredere zin het meest klemmende probleem is geworden van onze tijd. Wij kunnen in onze westerse, academische leunstoel wel meewarig neerkijken op al die domme mensen die in goden en hun profeten geloven, in ayurvedische geneeskunde, of ufo’s, maar het bittere feit is dat we een kleine minderheid van sceptici vormen, die geloven dat alle problemen op te lossen zijn met echte wetenschap. Urgenter dan een preciezere definiëring van pseudowetenschap, is daarom het onderzoek naar de neiging van mensen om malle dingen te geloven. Het is juist dat de resultaten van echte wetenschap vaak contra-intuïtief zijn, zoals Lewis Wolpert heeft betoogd in zijn The unnatural nature of science, maar veel pseudowetenschap is dat ook. Daarbij komt dat pseudowetenschap meestal saai en voorspelbaar is, terwijl echte wetenschap laat zien hoe ingenieus, onvoorspelbaar en elegant onze wereld en wij zelf in elkaar steken. Waarom dan toch die fatale fascinatie voor pseudowetenschap?

Dat is een vraag, waar Gordin niet aan toe komt en waar ik ook nog geen volledig bevredigend antwoord op heb gevonden. Pogingen tot een antwoord zijn door antropologen, psychologen en wetenschapsfilosofen gedaan en ik heb er columns over geschreven (Borst, 2010). Irrationele overtuigingen waren kennelijk van evolutionair voordeel in de tijd dat de mens ontstond, maar nu zitten we opgescheept met dat brein, dat niet optimaal is toegesneden op de problemen van een steeds vollere, warmere wereld.

Literatuur

Borst, P. (2010). Gezonde twijfel. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
Freudenthal, H. (1963). Botsende werelden (Worlds in collision). Rekenschap, 10, 162-182.
Gordin, Michael D. (2012). The pseudoscience wars: Immanuel Velikovsky and the Birth of the Modern Fringe. Chicago: University of Chicago Press.
Muntendam, P. et al. (1981). Alternatieve Geneeswijzen in Nederland. Rapport van de Commissie Alternatieve geneeswijzen. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Oreskes, N. en E.M. Conway (2010). Merchants of Doubt. New York: Bloomsbury Press.
Wolpert, L. (1993) The unnatural nature of science. Londen: Faber & Faber.

Uit: Skepter 26.1 (2013)

Piet Borst is arts en emeritus-hoogleraar biochemie. Tevens lid van het Comité van Advies van Skepsis.