Klaar voor klagers

Alternatieve genezers hebben een eigen klachtencommissie

door C.P. van der Smagt

Eind vorig jaar maakten enkele Nederlandse organisaties voor alternatieve geneeskunst bekend dat zij een commissie hadden voor de behandeling van klachten. De alternatieven gaan zich steeds meer als hun reguliere collega’s gedragen – of betreft het hier een armzalige imitatie?

Hoewel Nederlanders van oudsher doorgaan voor een nuchter volkje, tieren alternatieve geneeswijzen in ons land bepaald niet minder welig dan in de rest van de wereld. Jaarlijks maken bijna 2,5 miljoen landgenoten gebruik van de diensten van alternatieve genezers tijdens naar schatting een kleine 15 miljoen consulten (ter vergelijking: de ongeveer 7000 huisartsen in Nederland worden per jaar rond 60 miljoen maal geconsulteerd). Je kunt het zo gek niet bedenken of er is wel iemand te vinden die belooft dat hiermee nu juist die problemen oplosbaar zijn die in het verleden aan de traditionele artsen zoveel hoofdbrekens hebben gekost. Met geuren, kleuren, bloemen, muziek, hypnose, dieet, prikken, steken, wrijven, knijpen, strijken, branden, licht, elektriciteit, magneten, thee, water, kruiden, voedingssupplementen, homeopathische en antroposofische middelen, ja zelfs met urine en fecaliën en, niet te vergeten natuurlijk, met meditatie en gebed moet het mogelijk zijn voor elke kwaal genezing te vinden.

Dit is niet altijd zo geweest. Hoewel kwakzalvers al sinds onheuglijke tijden op een beperkte vaste clientèle hebben kunnen rekenen, kon men voor 1960 de alternatieve geneeswijzen in Nederland op de vingers van één hand tellen. Enkele excentriekelingen hielden zich bezig met homeopathie of de natuurgeneeswijze en verder waren er een paar lieden die op paranormale wijze de gezondheid meenden te kunnen bevorderen, de magnetiseurs, gebedsgenezers en andere paranormaal begaafden. Dit was de tijd dat een enkele keer nog wel eens een ‘onbevoegde’ voor de rechter moest verschijnen en de tijd dat de spaarzame alternatieve artsen in eigen kring niet voor vol werden aangezien en op z’n hoogst voor wat vrolijkheid onder collega’s zorgden.

Heftige discussies

In 1976 was de situatie al heel anders. Toen in dat jaar de Bommelse huisarts Paul van Dijk zijn Compendium voor niet-universitaire geneeskunde het licht deed zien, telde hij tot zijn eigen verrassing 98 verschillende alternatieve diagnostiek- en behandelwijzen en bij de laatste herziening van zijn boek in 1993 waren het er inmiddels meer dan 300 geworden. Waren er in 1969 naar schatting 500 ‘onbevoegde genezers’ in Nederland actief, met in totaal 100.000 patiënten (vervolging op grond van de wet op de uitoefening van de geneeskunst kwam toen al vrijwel niet meer voor), thans spreekt men al van tussen de 12.000 en 15.000 ‘alternatieve zorgverleners’ die bijna eenzesde van de bevolking tot hun klantenkring mogen rekenen.

Opvallend is ook dat zich hieronder tegenwoordig meer dan duizend artsen bevinden. Deze dokters roepen bij hun collega’s allang niet meer alleen maar een medelijdende glimlach of meewarig hoofdschudden op, maar geven vaak aanleiding tot heftige discussies.

Wat de alternatieve mode in de gezondheidszorg allemaal kost is moeilijk precies te zeggen. De schattingen lopen uiteen van een tot twee miljard per jaar. Dit lijkt erg weinig op een totale volksgezondheidsbegroting van 60 miljard, maar men moet hierbij bedenken dat alternatieve genezers zich uitsluitend begeven op het terrein van de huisartsengeneeskunde, terwijl uit het hele budget ook tal van andere vormen van welzijn (ziekenhuizen, ouderenzorg, zwakzinnigenzorg, gezinszorg, preventie, revalidatie, verpleeghuisgeneeskunde enz.) moeten worden betaald. Een veel gehoord argument ten gunste van alternatieve geneesmethoden is dat ze een substitutie-effect zouden sorteren: de kosten van de alternatieve zorg zouden (meer dan) goed gemaakt worden door bezuinigingen op de reguliere zorg. Dit is nooit overtuigend aangetoond. Hoe het ook zij, erg veel gezonder lijken de consumenten van alternatieve geneeswijzen niet te worden, want uit cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek blijkt dat ze evenveel naar medisch specialisten worden verwezen als patiënten uit de reguliere zorg en dat ze zelfs meer gebruik maken van reguliere eerstelijnsvoorzieningen (huisarts, fysiotherapeut enz.) en meer medicijnen slikken dan patiënten die van alternatieve behandelmethoden niets moeten weten.

Imitatiedokters

Hoe deze enorme groei en bloei van alternatieve geneeswijzen verklaard moeten worden valt buiten het bestek van dit artikel. Hier kan worden volstaan met de vaststelling dat er kennelijk een gigantisch gat in de gezondheidszorgmarkt bestond dat gedurende de afgelopen 35 jaar in steeds sneller tempo is opgevuld. Waarbij het dan nog zeer de vraag is of dit proces al een eindstadium heeft bereikt.

Nu is het met het gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen niet anders gesteld dan met andere vormen van consumptie. Het aanbod wordt niet uitsluitend bepaald door de vraag, maar andersom wekt het aanbod ook vraag op. Het is zelfs niet uitgesloten dat het laatste mechanisme een belangrijkere rol speelt dan het eerste. Dit geldt overigens voor de reguliere zorg evenzeer als voor de alternatieve. Wie dus een deel van de markt wil veroveren moet met iets nieuws of schijnbaar nieuws komen en bovendien moet hij kans zien om bij het publiek belangstelling voor zijn product te wekken. De gevolgen van deze strategie worden in de eerste plaats zichtbaar in de waanzinnige verscheidenheid aan alternatieve therapieën en diagnostische stelsels. Het profiel van de potentiële consument is bekend. Hoewel men gebruikers aantreft in alle lagen van de bevolking, ziet men belangstelling voor alternatieve geneeswijzen significant meer bij relatief hoog opgeleide, in relatief goede welstand verkerende, relatief jonge (tussen de 30 en 60 jaar), particulier verzekerde vrouwen met klachten ten gevolge van psychosociale problematiek. De propaganda richt zich vooral op deze doelgroep, waarbij zoveel mogelijk wordt ingespeeld op vaak al bestaande chemofobie, weerstand tegen bètawetenschappen en afkeer van een al te materialistische levenshouding.

Hierbij doet zich echter het merkwaardige verschijnsel voor dat, terwijl de alternatieve behandelmethoden voorgesteld worden als duidelijk anders (en uiteraard beter) dan de reguliere geneeskunde, de alternatieve genezers zelf hun uiterste best doen om zoveel mogelijk op hun reguliere collega’s te lijken. Wellicht hoopt men zo te profiteren van het vanzelfsprekende vertrouwen en het gezag dat nog altijd is verbonden met het imago van ‘de dokter’.

Om te beginnen blijkt dit uit het feit dat men graag de indruk wekt op goede voet te staan met de natuurwetenschap. In interviews en propagandageschriften komen termen als ‘wetenschappelijk bewezen’ en ‘aangetoond’ nog al eens voor en wordt er met name melding gemaakt van het voornemen om onderzoek te gaan doen. In discussies met deskundigen moet men dit soort beweringen natuurlijk al snel terug nemen, maar niet zelden wordt het ontbreken van behoorlijke effectstudies dan toegeschreven aan tegenwerking vanuit het reguliere circuit of geldgebrek, gemakshalve vergetend dat de aanzienlijke sommen subsidie die de Nederlandse overheid ter beschikking stelt voor effectiviteitsonderzoek in de alternatieve geneeskunde bij herhaling niet volledig worden gebruikt.

Nog duidelijker dan in de behoefte om voor vertegenwoordiger van de wetenschap door te gaan manifesteert de imitatiedrift zich in de attributen van de geneesheer, zoals kleding, instrumentarium, inrichting van de spreekkamer, vakjargon en bovenal in het hanteren van het traditionele medische behandelingsmodel: ondervraging van de patiënt (anamnese), onderzoek al of niet met behulp van instrumenten, diagnose, therapie. Dat de vermomming redelijk succesvol is, wordt geïllustreerd door het door NIPO-onderzoek verkregen gegeven dat 23 procent van de alternatief behandelde patiënten niet weet of de behandelaar al of niet arts is.

Gloednieuwe wetten

De nieuwste bijdrage aan het proces van ‘imagebuilding’ is het in het leven roepen van de Klachtencommissie Alternatieve Behandelwijzen (KAB) waarvan eind vorig jaar kennis werd gegeven in een persbericht onder de titel ‘alternatieve geneeskunde klaar voor klachten’. Om duidelijk te maken wat dit instituut precies voorstelt, is het noodzakelijk om even uit te weiden over recente Nederlandse wetgeving.

De veranderingen die zich de laatste 35 jaar op alle terreinen van het maatschappelijk leven hebben voorgedaan, hebben ook aan de gezondheidszorg een nieuw gezicht gegeven. Het traditionele gezag van de dokter is sterk verminderd en hij is, soms tegen wil en dank, uit zijn ivoren toren geklommen. Onmondige patiënten zijn geëmancipeerd tot zelfbewuste, (veel)eisende consumenten van zorg, met eigen ideeën over wat men wel en niet wil op dit gebied, bereid en in staat om mede verantwoording te dragen voor het eigen welzijn. Ze hebben zich verenigd in tal van belangenorganisaties en oefenen zo invloed uit op de besluitvorming binnen de kring van overheid en zorgaanbieders.

Deze veranderingen vinden ook hun weerslag in wetgeving. De 130 jaar oude Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst, waarin geregeld werd dat geneeskunde alleen mocht worden toegepast door mensen met een speciale opleiding, wordt sinds 1970 niet meer gehandhaafd en is nu vervangen door de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG). Bij het ontwerpen stond de wetgever voor ogen dat de wet handhaafbaar zou moeten zijn en de burger de volle vrijheid zou moeten geven om bij gezondheidsproblemen dáár hulp te zoeken waar men die zelf meent te vinden.

Daarom staat het van nu af aan iedereen vrij om beroepsmatig werkzaam te zijn op het gebied van de individuele gezondheidszorg, met uitzondering van het verrichten van een dertiental risicovolle handelingen zoals chirurgische ingrepen en verloskunde, die voorbehouden zijn aan daartoe bij de wet bevoegd verklaarden. Deze bevoegden behoren tot acht verschillende beroepen (waaronder artsen en apothekers) waarvoor een stelsel van overheidsregistratie, tuchtrecht en titelbescherming bestaat. Ze zijn slechts bevoegd in zoverre ze ‘bekwaam en deskundig’ zijn, d.w.z. aan strenge eisen ten aanzien van opleiding, nascholing en toetsing hebben voldaan. Van andere beroepen zoals bijvoorbeeld logopedie of diëtetiek kunnen bij algemene maatregel van bestuur opleiding, deskundigheidsgebied en titel worden geregeld, mits ze zich zodanig hebben ontwikkeld dat er duidelijkheid bestaat over de inhoud van het beroep en er waarborgen zijn voor de kwaliteit van het geleverde product (blijkend uit een goede opleiding, een eigen registratie, een beroepscode en eventueel intern tuchtrecht).

In beginsel kunnen groepen alternatieve genezers ook voor deze regeling in aanmerking komen, want de wetgever stelt geen eisen aan de werkzaamheid van een geneesmethode. De kans echter dat een van de 90 alternatieve beroepsverenigingen binnen afzienbare tijd aan bovengenoemde kwaliteitseisen zal kunnen voldoen, is uitermate klein. Terwijl de wet BIG voor bevoegden strenger is dan de oude regeling was, genieten niet bij de wet geregelde zorgverleners een bijna onbeperkte vrijheid. Wél zijn ze net als reguliere hulpverleners gebonden aan een andere nieuwe wet, de Wet op de Geneeskundige Behandelings-Overeenkomst (WGBO), die deel uitmaakt van het Burgerlijk Wetboek. Hierin worden een aantal patiëntenrechten geregeld, zoals het inzagerecht, het recht op informatie, het recht op vrije keuze van hulpverlener, het recht op geheimhouding en het toestemmingsvereiste.

Een derde gloednieuwe wet, de Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector (WKCZ), die zoals de naam zegt het recht op klagen regelt, heeft betrekking op ‘zorgaanbieders’. Deze zijn verplicht een regeling te treffen voor de behandeling van klachten over hun gedrag jegens cliënten. De regeling moet aan allerlei eisen voldoen en de cliënt kan de naleving van de wet zonodig afdwingen via de kantonrechter.

Zorgaanbieders worden in de wet gedefinieerd als instellingen of individuele hulpverleners die zorg verlenen als omschreven bij of krachtens de ziekenfondswet, de AWBZ (Algemene wet bijzondere ziektekosten) en de wet op de bejaardenoorden. In de praktijk betekent dit dat de meeste reguliere hulpverleners aan de WKCZ onderworpen zijn, maar vrijwel geen enkele alternatieve genezer.

Gebakken lucht

Er bestaan redenen om aan te nemen dat alternatieve geneeswijzen in het algemeen niet bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid (helaas ontbreekt de ruimte om hierop nader in te gaan). Toch geeft men in patiëntenkringen aan blij te zijn met de wet BIG, omdat de reguliere zorg vaak als een te benauwend kader wordt ervaren. Anderzijds maakt men zich zorgen over het feit dat zwendelaars in de gezondheidszorg voortaan nauwelijks aan te pakken zullen zijn. Pas het veroorzaken van aantoonbare schade of aanmerkelijke kans hierop kunnen aanleiding zijn tot ingrijpen.

Is een patiënt ontevreden over aan hem verleende geneeskundige hulp dan kan hij, behalve via het uiterste middel van een beroep op de civiele rechter, langs verschillende wegen genoegdoening proberen te krijgen. Om te beginnen kan hij zich wenden tot de inspecteur voor de gezondheidszorg. Deze kan klachten in behandeling nemen als er een algemeen belang in het spel is. De mogelijkheden voor toezicht en sancties door de inspectie zijn echter vrijwel nihil als het gaat om niet bij wet geregelde beroepen, dus als het alternatieve genezers betreft.

Een tweede mogelijkheid is een klacht bij een tuchtcollege. Maar voor alternatieve genezers geldt geen wettelijk tuchtrecht, tenzij ze tot een bij de wet BIG geregelde beroepsgroep horen (bijvoorbeeld alternatieve artsen of fysiotherapeuten). Aan intern tuchtrecht dat in sommige alternatieve beroepsverenigingen van de grond begint te komen, kunnen de genezers zich eenvoudig onttrekken door hun lidmaatschap op te zeggen. Hetzelfde geldt voor de alternatieve klachtregeling die is ontworpen door de Nederlandse Patiënten/Consumenten Federatie (NP/CF) samen met de Nederlandse Vereniging van Klassiek Homeopaten (NVKH), de Nederlandse Vereniging voor Acupunctuur (NVA) en de Nederlandse Werkgroep van Praktizijns in de natuurlijke geneeskunst (NWP).

De benoeming van de KAB is onderdeel van deze regeling, die geldt voor de 1500 bij genoemde organisaties aangesloten alternatieve genezers. De uiterlijke overeenkomst met de wettelijke klachtregelingen voor reguliere zorgaanbieders is groot, maar voor ingewijden verspreidt de alternatieve regeling een onmiskenbare geur van gebakken lucht.

Uit: Skepter 10.1 (1997)

C.P. van der Smagt was namens de Vereniging tegen de Kwakzalverij lid van de Medische Werkgroep van Skepsis