Het plagiaat van Lord Francis Bacon

Francis Bacon wordt vaak gezien als de grondlegger van de moderne wetenschap. Hij stal van zijn voorgangers, plagieerde zijn tijdgenoten, en hij had in wezen geen idee hoe wetenschap echt werkt.

door Eric-Jan Wagenmakers – Skepter 32.2 (2019)

Francis Bacon, door een onbekende kunstenaar (National Portrait Gallery)

ZELDEN in de geschiedenis van de wetenschap is een enkeling zoveel lof toegezwaaid als de Engelse politicus en filosoof Francis Bacon (1561–1626). De negentiende-eeuwse wetenschapper-historicus William Whewell schreef over hem: ‘Als we een enkele filosoof moeten uitverkiezen tot Held van de revolutie in de wetenschappelijke methode, dan moet deze eer zonder enige twijfel ten deel vallen aan Francis Bacon.’ De Engelse dichter Alexander Pope verklaarde: ‘Lord Bacon was het grootste genie dat Engeland, of misschien welk ander land ook, ooit heeft voortgebracht,’ en de Franse wiskundige Jean-Baptiste d’Alembert vond Bacon ‘de grootste, de meest universele, en de meest welbespraakte filosoof’.

In het boeiende nawoord van de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van Bacons Novum organum wordt aangehaald hoe Bacon zelfs is vergeleken met Mozes. Hoewel het nawoord overloopt van loftuitingen — en Bacons corruptie wordt vergoelijkt — zijn er toch wat losse fragmenten die onze wenkbrauwen omhoog deden gaan. Tussen neus en lippen door wordt gesteld dat Bacon claimde zelf geen wetenschapper te zijn, maar eerder een heraut van de nieuwe wetenschappelijke methode; vervolgens blijkt dat latere wetenschappers zoals Boyle en Newton ‘misschien niet precies’ de baconiaanse methode volgden, en ten slotte wordt vermeld dat eerdere onderzoekers als Galilei en Kep ler al grote vooruitgang hadden geboekt zonder voordeel te hebben kunnen trekken van Bacons baanbrekende inzichten.

Met andere woorden: in de periode voor Bacon werd al moderne wetenschap bedreven, Bacon was zelf geen wetenschapper, en de baconiaanse methode werd later niet toegepast in de wetenschappelijke praktijk. Wat is hier aan de hand?

Tweestrijd

De kritische lezer zal bij het doornemen van Novum organum in tweestrijd vervallen. Het boek is geweldig geschreven, en Bacon slaat de spijker op zijn kop als het gaat om de voordelen van systematisch experimenteren, de gevaren van voorbarige conclusies, de dubieuze status van inzichten uit de klassieke oudheid, en het belang van wetenschappelijke scepsis.
Bacon is op zijn best wanneer hij bespreekt hoe gemakkelijk het menselijk vernuft ten prooi valt aan allerhande vooroordelen. Een beroemd fragment:

Toen men iemand een in een tempel hangende lijst liet zien van mensen die een gelofte hadden gedaan omdat ze aan een schipbreuk waren ontsnapt, dwong men hem de vraag te beantwoorden of hij nu ook de kracht der goden erkende. Zijn reactie was volkomen terecht: Maar waar zijn degenen genoteerd die na hun gelofte zijn verdronken? *

Aan de andere kant valt er op Novum organum ook wel wat af te dingen. Allereerst steekt Bacon voor een heraut de loftrompet wel erg nadrukkelijk over zichzelf, terwijl onderzoekers uit het verleden het bij hem nogal vaak moeten ontgelden. Vooral Aristoteles is kop van jut — de filosoof wordt zelfs neergezet als de antichrist. Daarnaast blijft het lang onduidelijk wat die nieuwe methode van Bacon nu precies inhoudt. Wellicht komt de lezer er uiteindelijk achter dat het gaat om het verzamelen van feiten, om daarmee op mechanische wijze één voor één hypotheses verwerpen totdat enkel de waarheid overblijft — was de wetenschap maar zo eenvoudig.

Justus von Liebig (Trautschold, 1845 | Wellcome Collection)

Gehakt

In de lente van 1863 maakte de Duitse scheikundige en wetenschapshistoricus Justus Freiherr von Liebig in een redevoering voor de Academie van Wetenschappen in München het werk van Bacon als eerste met de grond gelijk. De stijl van Liebig doet denken aan de stilistische hoogstandjes van Bacon zelf:

Een ieder die Novum organum of welk van zijn andere werken dan ook bestudeert, ijverig en te goeder trouw, en die met geduld en doorzettingsvermogen een van zijn gedachten volgt door al zijn omkeringen, en in al zijn hoeken, zal ontdekken dat zij, in haar oorsprong, lijkt op een sprankelende bron die ontspringt aan de grond. Zij geeft reden om te hopen dat we door haar geleid worden, door groene en bloemrijke weilanden, via koele schaduwrijke bossen, tot een beekje met molens ernaast en, uiteindelijk, naar een rivier die schepen op haar wateren draagt; maar, in plaats hiervan, wordt de wandelaar meegevoerd naar een woestijn, waar geen enkel leven is te bekennen, en waar het stroompje verdwijnt temidden van het droge zand.

De eerste keer doen we dit af als een toevallige gebeurtenis, en denken we dat, in een tweede of derde poging, we in andere richtingen geleid zullen worden die meer bevredigend zijn; maar ten slotte dringt de overtuiging zich aan ons op dat het geheel niet meer was dan een beschilderde decoratie. Ten langen leste ontdekken we de bedoeling, en voelen ons beschaamd dat we om de tuin zijn geleid door zo’n grove misleiding.

Niet alleen heeft Liebig kritiek op de baconiaanse methode, hij suggereert ook dat Bacons werk aan elkaar hangt van jatwerk en plagiaat. ‘De hele santenkraam aan kennis die hij in zijn boek uithangt, is spul van anderen, en dat verheelt hijzelf niet.’ Dat zou nog niet eens zo erg zijn, zegt Liebig, als Bacon netjes had gezegd waar hij zijn spullen en zijn — uitgebreide, meestal letterlijke — citaten vandaan had.

Nooit vermeldt hij de auteur van het werk dat hij heeft buitgemaakt, of geeft hij hem een aardig woord voor wat hij van hem heeft gekregen. In onze tijd, met de gevoeligheid die wij voor dit soort zaken hebben, zouden wij Bacons werkwijze stellig als schaamteloos plagiaat aanduiden; maar het beroven van de kleinen door de groten was destijds aan de orde van de dag, en het begrip van eigendom en diefstal was nog niet zo scherp omlijnd als nu het geval is.

Dit harde oordeel sluit aan bij mijn eigen ervaring. Zo heb ik zelf in Skepter de anekdote van de schipbreukelingen ook eens gebruikt, maar toen toegeschreven aan Cicero. Die noteerde in de eerste eeuw voor het begin van onze jaartelling in De natura deorum:

Toen Diagoras de Atheïst een bezoek bracht aan Samothraki zei een vriend tegen hem: ‘Jij die denkt dat de goden geen aandacht schenken aan menselijke bezigheden, zie jij niet al de votiefplaten die aantonen hoevelen zijn ontsnapt aan het geweld van de storm, en veilig in de haven zijn teruggekeerd, vanwege hun geloftes aan de goden?’ ‘Dat is,’ antwoordde Diagoras, ‘omdat er nergens votiefplaten zijn van hen die schipbreuk hebben geleden en verdronken zijn in zee.

Wellicht was deze anekdote in de klassieke oudheid algemeen bekend, maar het is ook goed mogelijk dat Cicero hem heeft overgenomen van Clitomachus, een scepticus uit Carthago. Clitomachus heeft vierhonderd boeken geschreven, maar vrijwel niets is bewaard gebleven; zijn werk en dat van zijn leermeester Carneades kennen we vooral dankzij Cicero — die, weten we, ook niet vies was van knip-en-plakwerk.

We zullen er waarschijnlijk nooit meer achter komen wie de anekdote van de tempel nu echt heeft bedacht. De eerste beschrijving vinden we in ieder geval in Cicero. Zo’n drie eeuwen later geeft Diogenes Laërtius hetzelfde verhaal (zonder te verwijzen naar Cicero), 1650 jaar later wordt hij dus ingezet door Francis Bacon, en in 1829 komt hij zelfs nog voor in het werk van de astronoom Pierre-Simon de Laplace, die weliswaar niet direct verwijst naar de bron, maar later wel Cicero uitgebreid en expliciet citeert.

Actueel

Terugkomend op Francis Bacon: Liebigs beschuldigde hem terecht van plagiaat, maar de rest van zijn kritiek — over Bacons onwetendheid en de onvolkomenheden van zijn methode — is eigenlijk veel vernietigender, en nog steeds actueel:

Een experiment dat niet voorafgegaan wordt door een theorie — dat wil zeggen, door een idee — verhoudt zich tot een fysische studie als de rammelaar van een kind tot muziek.

Het was naar mijn mening gepast geweest als de mooie Nederlandse vertaling van Novum organum vergezeld was gegaan niet alleen van een nawoord dat zijn werk verheerlijkt, maar ook van een nawoord dat zijn werk verguist: een Nederlandse vertaling van de onversneden kritiek van Liebig.

Francis Bacon: Novum organum sive indicia vera de interpretatione naturae. Vertaling en annotatie door Willem Visser, met een nawoord van Herman de Regt en Hans Dooremalen. Amsterdam: Boom; 2016.

Justus von Liebig: Über Francis Bacon von Verulam und die Methode der Naturforschung. München; 1863, origineel en vertaling op skepsis.nl/liebig/

* Tegenwoordig zou men een twee-bij-tweetabel eisen en ook willen weten wie zijn gered zonder te hebben gebeden en wie niet zijn gered en ook niet hebben gebeden.

Uit: Skepter 32.2 (2019)

Eric-Jan Wagenmakers is hoogleraar psychologische methodenleer aan de Universiteit van Amsterdam