.
Sociale media zijn zorgelijk als het gaat om misinformatie, merkt onderwijswetenschapper Eva Janssen van de Universiteit Utrecht op. Toch blijken mensen met het juiste duwtje in de rug verrassend goed in staat om misinformatie te herkennen. Janssen spreekt op het aanstaande Skepsis-congres.
Door Richard Engelfriet
Toen Stichting Skepsis u benaderde om te spreken op het congres over mis- en desinformatie, gaf u aan dat u de term desinformatie zelf niet gebruikt. Hoe zit dat?
‘De term desinformatie kom ik in mijn vakgebied amper tegen. Bij desinformatie veronderstellen we dat de maker een foute intentie heeft. Dat is heel lastig te achterhalen. Iemand kan op sociale media bijvoorbeeld nepnieuws doorsturen zonder zich daar bewust van te zijn. Je moet dus oppassen dat je anderen niet onterecht beschuldigt van desinformatie. Wat wij doen, is vooral kijken naar de kant van de ontvanger van een boodschap en niet zozeer naar de verzender.’
In uw onderzoek bekijkt u onder meer hoe mensen informatie beoordelen. Wat speelt daarbij een rol?
‘Allereerst is herhaling een belangrijke factor. Als je een boodschap vaker tegenkomt, ga je eerder denken dat deze klopt. Dat kan echter ook misinformatie in de hand werken.’ Janssen verwijst als voorbeeld naar Hillary Clinton en haar tijd als presidentskandidaat: er bleven maar berichten verschijnen die haar integriteit in twijfel trokken, zodat zelfs het bredere publiek daaraan ging twijfelen. Het meest extreme voorbeeld hiervan was de ‘pizzagate’ complottheorie.
“Nepnieuws overtuigt mensen zelden van iets totaal nieuws”
Ik kan me zo voorstellen dat het er ook toe doet wíé iets zegt. Skepter-lezers zullen feitelijke beweringen uit dit blad eerder als betrouwbaar aanvaarden dan een vaag bericht op een Russische website. Ziet u dat ook terug in uw onderzoek?
‘Zeker, in mijn onderzoek zagen we bijvoorbeeld dat mensen over het algemeen meer geneigd waren misinformatie van de politicus van hun voorkeur over te nemen, zelfs wanneer de boodschap niet strookte met hun eigen politieke opvatting.’
Dus stel dat er ergens staat dat asielzoekers een probleem zijn. Zou de achterban van Klaver daar meer ontvankelijk voor zijn als niet Baudet maar Klaver dat gezegd had? Dat klinkt toch als een gevaar. Slikken mensen dus alles maar voor zoete koek, zolang hun politieke held die maar serveert?
‘Het klopt dat de bron een grote rol speelt bij het beoorde len van informatie. Daarnaast spelen bestaande overtuigingen een rol. We zijn sneller geneigd informatie te accepteren als die in lijn is met wat we vinden’. Dat klinkt dus als een gevaar, maar Janssen plaatst hierbij wel een belangrijke nuance. ‘Het is ook weer niet zo dat iedereen alle misinformatie gaat rechtpraten zolang het maar in lijn is met hun overtuigingen. Sterker nog, we zijn zelfs iets beter in staat om nepnieuws van echt nieuws te onderscheiden als de strekking van de boodschap dichter bij onze eigen overtuiging ligt. Zo zal een klimaatactivist dus eerder een bericht dat de aarde komend jaar met 5 graden zal opwarmen herkennen als nepnieuws dan een klimaatontkenner.’
Wat kunnen we eigenlijk doen tegen misinformatie? Moeten we vaker waarschuwen?
‘Het klinkt heel verstandig om mensen bewust te maken dát er nepnieuws kan voorkomen, al past daar ook een belangrijke nuance bij, zo bleek onder andere uit ons onderzoek met deepfake-video’s. In dat onderzoek vervingen we het gezicht van bekende acteurs door andere gezichten. Ook zagen mensen echte beelden. We vroegen eerst zonder toelichting of de video echt of nep was, en hoe zeker mensen van hun zaak waren. Toen we vervolgens vertelden dát we echte en nepvideo’s lieten zien, werden mensen over de hele linie wantrouwender. Maar er gebeurde nog iets: mensen gingen vaker echte video’s als nepvideo’s aanwijzen.’
‘Dus waarschuwen tegen nepnieuws heeft twee kanten. Het is hoopvol dat je mensen alert kunt maken door te wijzen op het risico dat iets nep kan zijn. Aan de andere kant kunnen mensen hierin doorschieten en gaan ze alles in twijfel trekken. Daarom zou ik dus afraden om simpelweg te gaan roepen dat we moeten oppassen voor nepnieuws. Dan lopen we het risico dat we niks meer vertrouwen. Dat zie je in extremis bij mensen die beweren dat de NOS alleen maar nepnieuws verspreidt. Dan ben je niet meer kritisch, maar wantrouwend.’
Wat zou je dan beter kunnen doen?
‘Ik denk dat je beter waarschuwingen kunt geven op plekken waar nepnieuws kan voorkomen. Denk aan een mededeling van de beheerders van sociale platforms dat een bepaalde uitspraak niet is gecheckt door factcheckers, of dat iets van een onbetrouwbare website komt. Dan stimuleer je mensen om zelf na te denken.’ ‘Een andere interventie is nudging, waar je mensen prikkelt om eerst even na te denken. Zo is er een experiment waarbij proefpersonen twee verschillende vragen kregen over dezelfde set nieuwsberichten, die bestond uit zowel echt als nepnieuws. Groep 1 kreeg de vraag of ze deze berichten zouden delen. Groep 2 kreeg de vraag of de informatie die ze voorgeschoteld kregen, klopte. Bij groep 1 zagen de onderzoekers geen duidelijk patroon dat mensen nepnieuws minder vaak deelden dan echt nieuws. Maar bij groep 2 was dit patroon er wel: mensen bleken best goed in staat om dat onderscheid te maken. We kunnen het dus wel, met het juiste duwtje in de rug.’
We kunnen dus best feiten en fictie van elkaar onderscheiden. Dat brengt mij bij de vraag hoe groot het probleem van misinformatie eigenlijk is. Aan de ene kant denken Nederlanders dat ongeveer de helft van al het nieuws nepnieuws is, terwijl uit een analyse van de Zwitserse wetenschapper Sacha Altay blijkt dat het maar 5 procent zou zijn. Ook de Nederlandse hoogleraar Jeroen de Ridder hekelt het idee dat we overspoeld zouden worden door nepnieuws. Hij waarschuwt dat mensen soms alles waar ze het niet mee eens zijn als misinformatie gaan bestempelen. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Ik vind het heel lastig vast te stellen hoe groot het probleem exact is. Zeker als het gaat om de effecten van misinformatie. Het is met onderzoek heel lastig om precies vast te stellen wat die effecten precies zijn, maar dat betekent niet dat ze niet bestaan.’ ‘Neem nu bijvoorbeeld sociale media. Die vind ik zorgelijk, omdat zij faciliteren dat mensen misinformatie voorgeschoteld kunnen krijgen. Als iemand zorgen heeft over vaccinaties, versterken sociale media die vaak eerder dan dat ze die zorgen wegnemen. Verder zijn sociale media geen omgeving waar mensen kritisch hun informatie wegen. En misschien wel het grootste probleem met sociale media is dat we daardoor geen gedeelde werkelijkheid meer hebben. Iedereen leest vooral wat hij zelf wil horen.’

‘Aan de andere kant is het maar de vraag in hoeverre misinformatie leidt tot ongegronde overtuigingen. Mensen blijken relatief goed in staat om betrouwbare en onbetrouwbare informatie van elkaar te onderscheiden. Zo haalt wetenschapper Hugo Mercier in zijn boek Not Born Yesterday de aanname onderuit dat mensen goedgelovige makke schapen zouden zijn die je makkelijk kunt manipuleren. Hij gebruikt oorlogspropaganda als voorbeeld. Die bleek helemaal niet zo effectief als sommige mensen soms denken’.
De angst dat alle foutieve informatie direct wordt overgenomen door mensen, is dus ongegrond?
‘Als je onzin leest op een obscure website, betekent dat niet dat iedereen die onzin gelooft. En gelukkig klikt vrijwel niemand op spamberichten van een prins uit Ghana die je een miljoenenerfenis in het vooruitzicht stelt. Ik denk niet dat we in een post-truth samenleving leven waar geen waarheid meer bestaat en misinformatie de boventoon voert.’
‘Mensen zijn wel degelijk vatbaar voor goede informatie, en zijn ook in staat om nepnieuws te herkennen. We weten ook dat nepnieuws zelden mensen overtuigt van iets totaal nieuws. Wel kan het versterken wat ze al geneigd waren te geloven. Het is dus zaak om naar de gevaren te kijken, maar ook om positief gebruik te maken van de juiste interventies tegen misinformatie. Daarnaast zie ik ook hoopgevende resultaten van de wisdom of the crowd. Uit onderzoek blijkt dat als je twintig tot dertig mensen naar nepnieuws laat kijken, ze vergelijkbare conclusies trekken als ervaren factcheckers’.
‘Mensen zijn wel degelijk vatbaar voor goede informatie, en zijn ook in staat nepnieuws te herkennen”
Dat klinkt als goed nieuws. Toch is er natuurlijk ook een groep bij wie het helemaal fout gaat: complotdenkers. Je hoort wel eens dat die groep niet meer te redden is. Deelt u die opvatting?
‘Ik begrijp de zorg, maar ik zie ook wel hoop. In een in Science gepubliceerd onderzoek gingen complotdenkers in een veilige omgeving discussiëren met chatbots. Dat gaf verbluffende resultaten. Zo daalde na één gesprek het geloof in de complottheorie gemiddeld met 20 procent. Ook hier passen uiteraard nuances, maar de aanname dat complotdenkers nooit te overtuigen zouden zijn, kan in de prullenbak’.
Wat zou ons nog meer de goede kant op helpen?
‘Ik denk dat het belangrijk is dat we blijven werken aan een gedeelde werkelijkheid. Die vind je niet op sociale media, maar bereiken we alleen als we mensen verleiden om hun nieuws te halen bij kwaliteitsmedia die journalistieke principes hoog in het vaandel hebben staan’.
Eva Janssen spreekt op het aanstaande Skepsis-congres. Zaterdag 31 oktober, Amersfoort. Zie hier voor tickets en meer informatie.
Richard Engelfriet is publicist en maakt de Skepsis-podcast. Komend Skepsis-congres is hij dagvoorzitter.
dit artikel verscheen eerder in Skepter 39.2