Dirk Koppenaal vult de flesjes met Vitalisator

Relaxte yogi’s

Waar komt de yoga vandaan?

door Rob Nanninga

Yogi’s stonden lange tijd slecht bekend. Pas in de vorige eeuw kreeg men meer waardering voor hun kunsten. De hedendaagse yoga heeft echter meer te danken aan de westerse lichaamscultuur dan aan Indiase asceten.

De moderne yoga heeft zich toegelegd op bepaalde lichaamshoudingen, die asana’s worden genoemd. In populaire boeken en op talloze websites wordt beweerd dat deze yogahoudingen al 5000 jaar oud zijn. Daarbij wordt vaak verwezen naar een spekstenen zegel (nauwelijks groter dan een inch) uit de archeologische stad Mohenjodaro in het huidige Pakistan. De stad werd vanaf 1922 opgegraven en behoorde tot de hoogontwikkelde Induscultuur (ca. 2600–1700 v.C). Het stadsplan zag er opmerkelijk modern uit, met rechte straten die keurig waren geplaveid. De bakstenen huizen hadden allemaal een toilet met riolering.

Proto-ShivaHet vermaarde zegel (nr. 420) toont een gehoornde figuur omgeven door enkele dieren. De man zit op een lage troon of zetel en heeft zijn benen onder zich gevouwen. Zijn hielen zijn tegen elkaar geplaatst, met de tenen naar onderen (zie afbeelding). Dit lijkt op een yogahouding die bekend staat als de mulabhandasana. De vooraanstaande archeoloog Sir John Marshall noemde de zittende persoon een ‘proto-Shiva’, een voorloper van de hindoeïstische Shiva, die bekend werd als de god van de asceten en yogi’s.

Marshall (1931) schreef dat de proto-Shiva drie gezichten heeft. Dat is vergelijkbaar met de echte Shiva, die er officieel vijf heeft, maar ook vaak met minder wordt afgebeeld. De archeoloog meende eveneens te kunnen zien dat de penis van de godheid rechtop staat. Dit zou goed in het plaatje passen, want het symbool van Shiva is de lingam, de fallus. Sir John gaf echter toe dat je er misschien evengoed wat anders in kunt zien, bijvoorbeeld het uiteinde van een gordel. Latere onderzoekers betwijfelden tevens of er werkelijk drie gezichten staan afgebeeld. De uitsteeksels aan de zijkanten zijn misschien de oren. Daar komt bij dat de drie gezichten niet zichtbaar zijn op twee vergelijkbare zegels.

Marshall merkte op dat de proto-Shiva in een soort ‘yogi-houding’ zit, waarbij de handen op de knieën rusten (al zweven ze er zo te zien een stukje boven). Maar volgens hedendaagse deskundigen is het niet waarschijnlijk dat de zegels iets met Shiva of met yoga te maken hebben. Daar zijn ze veel te oud voor. Shiva dook pas enkele eeuwen voor het begin van de jaartelling op. In de Mahabharata, een lang episch gedicht, werd hij Mahayogi genoemd. Maar in de heilige Veda’s (vanaf 1500 v.C.) komt hij nog niet voor. Hij werd later vaak voorgesteld als een woeste asceet met lange aan elkaar geklitte haren en ingesmeerd met as van een crematieplaats.

De vermeende proto-yogi uit Mohenjodaro lijkt door weinigen te zijn nagevolgd, want we moeten de geschiedenis circa tweeduizend jaar doorspoelen, naar de eerste eeuw voor Christus, voordat we opnieuw een afbeelding van een figuur in yogahouding tegenkomen. Het is een bas-reliëf van een boeddhistische godin op een lotus, geflankeerd door twee olifanten. Later verschijnen er ook afbeeldingen van de Boeddha in zijn bekende meditatiehouding.

Volgens de Majjhima Nikaya, een boeddhistisch geschrift uit de derde eeuw voor onze jaartelling, deed de Boeddha slechte ervaringen op met ascetische wegen naar het heil. Het achterover klappen van de tong en het inhouden van de adem bezorgden hem slechts hoofdpijn. Hoewel deze technieken populair werden onder yogi’s, werd er in oude boeddhistische teksten nog niet over yoga gesproken. In een Upanishad uit dezelfde tijd komt yoga wel voor, maar er wordt weinig informatie over verstrekt. De oudste yogi’s waren waarschijnlijk niet vergelijkbaar met de latere, die hun geest tot rust brachten om zich met het goddelijke te kunnen verenigen.

In het zesde boek van de Maitri Upanishad, dat mogelijk pas na het begin van onze jaartelling tot stand kwam, worden zes yogatechnieken opgesomd, waaronder het inhouden van de adem en het fixeren van de geest. Hoewel yogi’s zich van oudsher hebben gericht op het controleren van hun ademhaling, wilden ze die aanvankelijk het liefst stopzetten. Dat zou de beste manier zijn om ook de geest tot stilstand te brengen. Opmerkelijk genoeg wordt er in de Upanishaden geen woord gewijd aan de gewenste lichaamshouding. De Mahabharata vermeldt daar ook niets over. Er komen in dit epos wel yogi’s voor die zichzelf omgekeerd ophingen, maar ze kenmerken zich vooral door hun buitengewone vermogens.

Pas in de bekende Yogasutras van Patanjali (ca. 200 n.C.) wordt voor het eerst gewezen op het belang van een stabiele zithouding (asana), maar nadere instructies ontbreken. Het derde deel van het geschrift richt zich op de bovennatuurlijke vermogens die yogi’s kunnen ontwikkelen, waaronder het vermogen om bezit te nemen van het lichaam van iemand anders. Ook in oude verhalen over yogi’s komen we dit specialisme meermaals tegen. Pas in een later commentaar op de aforismen van Patanjali, dat in de zesde eeuw werd toegevoegd, worden voor het eerst een aantal zithoudingen genoemd, die nog steeds bekend zijn. De geschiedenis van de asana’s gaat dus wellicht niet veel verder terug dan 1500 jaar.

Naast de Yogasutras bestaan er nog allerlei andere oude yogageschriften, waaronder veel tantrische. Een collectie uit de achtste eeuw bevat 112 soorten yoga die men kan aanwenden om zich met Shiva te verenigen. Maar in geen enkele daarvan spelen asana’s een belangrijke rol en er worden weinig zithoudingen onderwezen. Alle traditionele yogasystemen presenteren de asana’s hoogstens als een voorbereidende en ondergeschikte fase op weg naar de bevrijding. Hoewel hedendaagse yogadocenten graag de indruk willen wekken dat hun yoga-oefeningen al veel ouder zijn dan het christendom, is er geen reden om dat te geloven.

De bekende yogaleraar Pattabhi Jois (1915-2009), die aan Madonna en Sting lesgaf, beweerde dat zijn populaire Ashtanga Yoga was gebaseerd op een 5000 jaar oud geschrift, de Yoga Kurunta. Jois had in de jaren 1930 yogales gehad van de vermaarde en invloedrijke Krishnamacharya, die de Yoga Kurunta naar verluidt mondeling had leren kennen in Tibet. Daar verbleef hij zeven jaren bij een goeroe, aan de voet van de onbeklimbare berg Kalaish. Krishnamacharya vond de mysterieuze tekst later terug in een bibliotheek in Calcutta. Maar niemand kan hem nu nog lezen, want de palmbladeren waarop de woorden geschreven stonden, werden door ‘mieren’ opgegeten en er is geen kopie beschikbaar.

Deskundigen achten het niet aannemelijk dat de Yoga Kurunta ooit heeft bestaan. Krishnamacharya schreef er ook niets over in een boek dat hij in 1935 uitbracht. Vermoedelijk verzon hij de oeroude bron om zijn oefeningen wat meer gezag te geven. Zoals we later nog zullen zien, nam hij waarschijnlijk veel over van westerse gymnastiekoefeningen die in zijn tijd populair waren.

Hatha yoga

Vanaf de 13de eeuw ontwikkelde zich een nieuwe vorm van yoga, die werd gepropageerd door de wonderyogi Gorakhnath, de stichter van de Nath yogi’s. Deze tantrische yoga werd bekend als hatha yoga (hatha betekent krachtig). Het was een manier om het lichaam te verjongen en het onsterfelijk te maken. Meer informatie is te vinden in de Hathayogapradipika uit de 15de eeuw. Hierin worden vijftien lichaamshoudingen omschreven, waaronder de mayurasana (pauwhouding), waarbij het hele lichaam horizontaal boven de vloer wordt gehouden, terwijl alleen de handen op de grond rusten. Aan deze asana werden heilzame effecten toegeschreven. Het was onder meer een probaat middel om dodelijke vergiften onschadelijk te maken. In een andere tekst, die aan het eind van de 17de eeuw verscheen, toen de hatha yoga al weer bijna op haar retour was, werden in totaal 35 asana’s beschreven.

De asana’s waren slechts een onderdeel van het totale yogaprogramma. Een ander onderdeel waren de zuiveringsrituelen die moesten worden uitgevoerd. Zo kregen de yogi’s het advies om een vochtige doek in te slikken, die ze vervolgens weer uit hun maag moesten trekken. Ze moesten ook langdurig naar een bepaald punt staren tot ze tranen in de ogen kregen. Dat kon oogziekten en vadsigheid bestrijden.

Diverse ademhalingstechnieken (pranayama) vormden de hoofdmoot van de hatha yoga. Daarbij moest de adem onder meer door het ene neusgat naar binnen worden gehaald en via het andere neusgat weer naar buiten worden gelaten (door een neusgat te sluiten). Dit zuiverde de subtiele kanalen waardoor de levenskracht stroomt (de nadi’s). De adem moest bij voorkeur lang worden binnengehouden, waardoor ook de gedachten tot stilstand kwamen.

Het was de bedoeling om het middelste kanaal, de susumna nadi te openen en met prana te vullen. Deze nadi loopt langs de ruggengraat naar de kruin. Yogi’s moesten hun sperma (bindu) langs deze centrale nadi omhoog brengen naar een plek tussen de wenkbrauwen. Zij konden zich trainen door met hun penis melk of honing op te zuigen. Een goede beheersing van de buikspieren zou deze ‘vulpentechniek’ mogelijk maken, al kan men dit betwijfelen en komt het vocht in ieder geval niet in het hoofd terecht. Om de vajroli mudra te kunnen uitvoeren, heeft de yogi een gewillige vrouw nodig, waarmee hij geslachtsgemeenschap heeft. Nadat hij is klaargekomen, moet hij het sperma weer met zijn penis uit de vrouw zuigen. Daarbij zuigt hij ook wat vrouwelijk vocht en bloed op, dat zijn zaad bijzondere kwaliteiten geeft. De methode wordt om begrijpelijke redenen zelden genoemd in hedendaagse yogaboeken. (zie noot 1)

Uiteindelijk moet het er allemaal toe leiden dat de kundalini wordt gewekt. Deze wordt voorgesteld als een opgerolde slang die met de godin Shakti wordt geïdentificeerd. De kundalini bevindt zich in het perineum, een plek tussen de anus en de geslachtsdelen. Bij sommige asana’s wordt deze plek gestimuleerd door er een hiel tegenaan te drukken. Als de kundalini zich opricht, beweegt zij zich door het middelste kanaal, waarbij de chakra’s van het subtiele lichaam worden doorboord. Ze verenigt zich met Shiva in het hoofd van de yogi. Daarbij verandert zijn zaad in nectar.

De vereniging van tegenpolen, zoals de mannelijke Shiva en de vrouwelijke Shakti, is kenmerkend voor tantrische praktijken. De seksuele symboliek hoeft niet noodzakelijk in de praktijk te worden gebracht, maar kan ook metaforisch worden beleefd. Het tantrisme is geen volksgeloof, maar wordt in kleine groepen beoefend onder leiding van een goeroe. In de Hathayogapradipika wordt de lezer er meermaals op gewezen dat de kennis geheim moeten worden gehouden. Dat is gebruikelijk bij tantrische methoden, die volgens de beoefenaars (tantrika’s) zo krachtig werken dat ze bovenmenselijke vermogens kunnen schenken. Gewone hindoes keken vaak met argwaan naar de tantrika’s, omdat zij zich nogal onconventioneel gedroegen, door bijvoorbeeld alcohol te nuttigen en vlees te eten. Men was ook bevreesd voor hun magie.

Hinderlijke bedelaars

Vanwege hun occulte krachten stonden de Nath yogi’s bekend als siddha’s. Ze waren bovendien bedreven in alchemie. Daarmee wilden ze niet alleen goud produceren, maar ook hun lichaam transformeren, om het onsterfelijk te maken. Marco Polo was de eerste westerse reiziger die beschreef hoe yogi’s kwik en zwavel met water mengden en dit drankje gebruikten om hun leven te verlengen.
Er werd beweerd dat de yogi’s hun adem ongelooflijk lang konden inhouden. Ze konden ook heel lang zonder eten en drinken. Er werd gezegd dat ze soms maandenlang in de hoogste samadhi-toestand in een grafkelder lagen. Het is echter niet uitgesloten dat reizigers die zulke verhalen optekenden, niet goed begrepen dat deze yogi’s al overleden waren. Men had de gewoonte om yogi’s niet te cremeren maar te begraven. Yogi’s die zich in latere eeuwen levend lieten begraven, gebruikten meestal trucs, al brachten sommigen het er niet levend vanaf. In 1955 werd het in India verboden.

In kleine gemeenschappen had men bewondering en ontzag voor de yogi’s. Ze genazen zieken, dreven geesten uit, verschaften amuletten, voorspelden de toekomst of konden voorkomen dat een storm de oogst verwoestte. Er bestaan ook veel verhalen over yogi’s die onvruchtbare vrouwen een kind schonken. Vrouwen die wat aten dat de yogi hun aanbood, kregen soms later een zoon die op hem leek. Op veel plaatsen werden de graven van belangrijke wonderyogi’s vereerd. Sommige yogi’s keerden op aarde terug in het lichaam van een andere yogi.

asceetIn de verhalen van Europeanen die in de 16de en 17de eeuw door India reisden, wordt geen melding gemaakt van yogahoudingen. In verscheidene ooggetuigenissen komen wel yogi’s of asceten voor die extreme vormen van zelfkwelling demonstreerden. Zo waren er velen die hun armen eindeloos boven (of gekruist achter) hun hoofd hielden, tot ze hun ledematen bijna niet meer konden bewegen. Soms gebruikten ze een touw aan een boomtak om wekenlang te kunnen blijven staan. Er waren ook velen die zware olifantskettingen aan hun lichaam hadden bevestigd. De yogi’s trokken meestal in groepen rond en kwamen met bedelen aan de kost. Als je niets wou geven, konden ze erg opdringerig worden.

Mystieke soefi-ordes, die vanaf de 13de eeuw in India doordrongen, onderhielden goede contacten met de Nath yogi’s en namen veel van hen over. Islamitische yogi’s worden fakirs genoemd, maar men maakte meestal geen onderscheid. De strak georganiseerde en militaristische Nath yogi’s slaagden er geleidelijk in veel economische en politieke invloed te verwerven. Iedereen mocht zich bij hen aansluiten, want ze hechtten geen waarde aan de kaste waaruit men kwam. De yogi’s beschermden handelsroutes en transporteerden goederen. Dat ging goed samen met hun lange pelgrimages. Ze verkochten ook paarden en olifanten, boden zich vaak aan als huursoldaten, controleerden tempels, bezaten land en traden zelfs op als bankiers die geld uitleenden. Naast de Nath yogi’s bestonden er nog allerlei andere soorten militante asceten, waaronder leden van de Naga-ordes, die naakt liepen. Hun favoriete wapen was een metalen werpschijf met een scherpe rand, die ‘cakra’ werd genoemd. De sekten raakten soms bloedig met elkaar in gevecht.

Lokale koninkrijkjes maakten graag gebruik van de diensten en mankracht van de yogi’s. Islamitische heersers en geleerden hadden eveneens respect voor hen. Enkele keizers van het Mogoelrijk, dat India voor een groot deel beheerste, waren naar verluidt erg geïnteresseerd in de geheimen van de yogi’s, waaronder hun middelen om de geslachtsdrift te prikkelen en het leven te verlengen.

De Britse Oost-Indische Compagnie, die het bestuur over India in 18de eeuw van de Mogoelheersers overnam, kreeg veel last van strijdlustige yogi’s en asceten. Men noemde ze rovers, bandieten, afpersers en landlopers, vergelijkbaar met zigeuners. Yogi’s die je onderweg tegenkwam, waren vrijwel altijd bewapend. Als ze in de meerderheid waren, kon het je geld kosten. Warren Hastings, de nieuwe gouverneur-generaal van India, bepaalde in 1773 dat de yogi’s niet langer mochten rondtrekken en hun wapens moesten inleveren. De Britten gaven de voorkeur aan de aanbidders van Visjnoe, die een deugdzamer leven leidden.

De yogi’s trokken noodgedwongen als bedelaars naar de steden en dorpen, waar ze hun kunsten op straat vertoonden. Rondtrekkende goochelaars deden zich ook graag als yogi’s voor, terwijl heilige mannen niet zelden trucs gebruikten om mensen te overtuigen van hun paranormale krachten. Het verschil tussen beide groepen was niet zo duidelijk. De Britten beschouwden de yogi’s als hinderlijke nietsnutten. Er waren ook steeds meer Indiërs, vooral in de steden, die zich distantieerden van hun levensstijl. In de tweede helft van de 19de kreeg men in Engeland wel meer belangstelling voor geromantiseerde verhalen over yogi’s, maar daarbij ging het vooral om wijsgeren die zich in de natuur hadden teruggetrokken. De bedelaars die zich in India aan je opdrongen of die geld verdienden door op hun hoofd te gaan staan, behoorden daar niet toe.

Swami Vivekananda

VivekanandaYogi’s en fakirs, die toonden hoe ze vanuit lotushouding in handstand konden komen, waren een soort kermisattracties. In westerse media verschenen soms foto’s van hun acrobatische toeren en er waren enkele yogi’s die in Europa optraden. Een voorbeeld was Yogi Bava Lachman Dass, die in 1897 in Londen voorstellingen gaf. Men noemde hem een contorsionist (slangenmens).

Het contorsionisme, waarbij het lichaam in schier onmogelijke houdingen wordt gewrongen, werd in Europa al verscheidene eeuwen beoefend. Een bekend voorbeeld was de ‘Posture Master’ Joseph Clarke, die in de 17de eeuw in Londen woonde. De moeilijkste asana’s verschillen niet of nauwelijks van de lichaamshoudingen die contorsionisten konden demonstreren. Dat kwam waarschijnlijk niet omdat de slangenmensen hun repertoire uit India hadden overgenomen, maar omdat de menselijke anatomie slechts een beperkt aantal gecompliceerde houdingen toestaat.

Er waren rond 1900 nog geen gewone burgers die behoefte voelden om yogahoudingen aan te nemen. Deze werden niet geassocieerd met een spirituele levenshouding, maar eerder met occulte krachten of met het circus. Madame Blavatsky, de leidster van het Theosofisch Genootschap, had veel belangstelling voor yogafilosofie en ook voor wonderkrachten. Ze zag echter geen heil in de technieken van de hatha yoga. Daar schreef ze nogal denigrerend over. Ze raadde iedereen af om het uit te proberen en beweerde mensen te kennen die het slecht was bekomen.

Swami Vivekananda, de eerste Indiër die yoga in de westerse wereld propageerde, had ook geen belangstelling voor asana’s. Hij beschouwde hatha yoga als een inferieure vorm van yoga, die zich louter op uiterlijke aspecten richt. Vivekananda werd in 1893 bekend door zijn toespraken voor het 17-daagse World’s Parliament of Religions in Chicago. Hiervoor waren vertegenwoordigers van diverse religies uitgenodigd. De meeste sprekers waren progressieve christenen, want orthodoxe gelovigen hadden geen zin om het podium met andersdenkenden te delen. Een moslim was eveneens moeilijk te vinden. Het hindoeïsme werd vertegenwoordigd door een theosoof en een lid van de Brahmo Samajbeweging. Vivekananda, die naar de VS was gereisd om fondsen te werven voor humanitaire hulpprojecten, slaagde erin om spreektijd te krijgen.

Vivekananda was zich pas recentelijk zo gaan noemen en heette voorheen Narendra Datta. Hij was in 1863 in Calcutta geboren als zoon van een jurist, sprak goed Engels en had in India westerse filosofie, logica en geschiedenis gestudeerd. Zijn exotische verschijning maakte grote indruk op de aanwezigen. Al na zijn eerste aanhef – ‘Zusters en broeders van Amerika…’ – viel hem een ovationeel applaus ten deel. Vivekananda betoogde dat alle religies waar zijn en naar God leiden. Dogma’s en sektarisme wees hij af. Hij bekritiseerde missionarissen die alleen hulp wilden bieden aan bekeerlingen. Alle hindoes streefden volgens de swami naar volmaaktheid en de realisatie van God en hun ware Zelf. Hij presenteerde zijn neo-Vedantafilosofie als de kern van het hindoeïsme en als een universele religie. ‘We zouden het Boeddha, Krishna, Jehovah, Allah of Agni kunnen noemen, maar het is louter het Zelf.’ We kunnen onze eigen gebeden verhoren, want de uiterlijke wereld wordt gecreëerd door subtiele innerlijke krachten.

Er was zoveel belangstelling voor de wijze woorden van de swami, dat hij een boekingsbureau in de arm nam en overal voordrachten ging geven. Hij had vooral veel succes bij welgestelde dames die geïnteresseerd waren in nieuwe vormen van spiritualiteit, waaronder theosofie, transcedentalisme, spiritisme, unitarisme, Christian Science en New Thought. De invloed daarvan is goed merkbaar in zijn boek Raja Yoga (1896). Zo stelde hij prana voor als een subtiele materiële levenskracht, die yogi’s met hun spirituele technologie konden manipuleren en die verband hield met zenuwstromen in het lichaam. Het was de energie die ook door mesmeristen en gebedsgenezers werd gebruikt. Vivekananda was niet onbekend met esoterische en occulte ideeën. Hij was een volgeling van Keshubchandra Sen, de charismatische leider van de hervormingsgezinde Brahmo Samajbeweging. Sen stichtte in 1879 een kerk die alle religies verenigde en in harmonie met de wetenschap wou brengen. Hij mengde de Vedantaleer met ideeën die hij van unitariërs, christenen, theosofen en westerse filosofen overnam.

Nadat zijn leermeester en zijn vader in 1884 kort na elkaar overleden, zocht Vivekananda zijn toevlucht bij Sri Ramakrishna, die hij al eerder had ontmoet. Ramakrishna was een onconventionele mysticus, die niet alleen de angstaanjagende godin Kali aanbad, maar ook christendom, islam en tantrische seks had beproefd. Hij had regelmatig extatische ervaringen, zodat Vivekananda zich in het begin afvroeg of er misschien iets mis was in zijn hersenen. Naar verluidt raakte de goeroe dikwijls in samadhi als hij het lichaam van een van zijn favoriete leerlingen streelde. Vivekananda betoogde later dat iedereen samadhi kan bereiken, al was deze toestand volgens Ramakrisha slechts weggelegd voor degenen die zich van de wereld hadden afgekeerd.

Toen de heilige man in 1886 aan kanker overleed, stichtte Vivekananda in zijn naam een monniksorde, hoewel hij naar het schijnt nooit formeel was geïnitieerd. Hij riep de jonge leerlingen van Ramakrishna op om als Christus te worden, zichzelf te verloochenen en de wereld te verlossen. Zelf trok hij als monnik India rond, tot hij zich realiseerde dat de bevolking vooral behoefte had aan materiële hulp. Hij hoopte in de VS filantropen te vinden en ontdekte dat zijn religieuze ideeën het meeste opleverden: ‘I give them spirituality and they give me money.’ Vivekananda opende Vedanta-centra en initieerde ook enkele westerlingen. Hij liet ze mediteren en deed ademhalingsoefeningen. Terug in India werd hij als een held verwelkomd. Helaas overleed hij al op 39-jarige leeftijd aan diabetes.

Militante bodybuilders

Yogahoudingen (asana’s) werden in India herontdekt toen daar aan het begin van de 20ste eeuw belangstelling ontstond voor bodybuilding en lichaamscultuur. Dit was te danken aan de invloed van Europa, waar men in de loop van de 19de eeuw meer waarde ging hechten aan gymnastische oefeningen, lichamelijke opvoeding en sport. De Duitsers begonnen er als eersten mee. Daarna werden ook de Zweedse heilgymnastiek en de krachttraining met halters en andere hulpmiddelen populair.

De Europeanen gingen uit van het Latijnse motto ‘mens sana in corpore sano’ (een gezonde geest in een gezond lichaam). Men wilde voorkomen dat het menselijk ras zou degenereren door een eenzijdige nadruk op intellectuele ontwikkeling, en men had vaak het idee dat de bevolking vitaler was toen deze nog dichter bij de natuur stond. De lichaamscultuur werd geassocieerd met waarden zoals patriottisme, geloof, deugdzaamheid, reinheid, wilskracht, discipline en harmonie tussen lichaam en geest.

Indiase mannen werden door veel Britten gezien als verwijfde slappelingen, die niet in staat waren hun eigen land te besturen. In reactie daarop ontstonden er clubs waar de mannen hun minderwaardigheidscomplex konden overwinnen door hun spieren te stalen. Hun grote voorbeeld was Eugene Sandow (in Pruisen geboren als Friedrich Müller), die bodybuilding wereldwijd populair maakte. Hij predikte het ‘evangelie van gezondheid en kracht’ en noemde het streven naar een perfect ontwikkeld lichaam een ‘heilige plicht’. Vanaf 1898 gaf hij ook een tijdschrift uit om zijn ideeën te promoten, Sandow’s Magazine in Physical Culture. Toen hij India in 1905 bezocht, was dat groot nieuws, want hij had daar al veel fans.

Het duurde niet lang voordat India zich kon beroemen op een aantal gespierde helden die niet onderdeden voor sterke mannen uit het Westen. Evenals in Europese landen ging de lichaamscultuur in India vaak samen met nationalisme. Men wilde niet alle kennis uit buitenland halen, maar ook uit eigen tradities putten. Daarbij diende de hatha yoga zich aan als een spirituele en inheemse voorloper van bodybuilding (dat honderd jaar geleden meer omvatte dan tegenwoordig). Er waren zelfs Indiërs die beweerden dat alle lichaamscultuur uit yoga voortkwam en daar onderdeel van was. Oefeningen in spierbeheersing, zoals het isoleren van de buikspieren, werden al eeuwen eerder door yogi’s gepraktiseerd.

KV IyerVerscheidene bekende Indiase bodybuilders en sterke mannen voegden pittige yogahoudingen aan hun oefenrepertoire toe en gingen daar ook les in geven. Hun sterkste staaltjes schreven zij bij voorkeur aan yoga toe. Informatie over asana’s was echter schaars en er bestonden nog geen oefenprogramma’s. Men moest zelf het nodige uitvinden. Zo werd de bekende ‘zonnegroet’ (suryanamaskar) door een bodybuilder bedacht als een soort push-up oefening. Tegenwoordig wordt deze serie houdingen vaak aan het begin van een yogasessie uitgevoerd. Het wordt voorgesteld als een traditionele techniek, maar stamt evenals veel andere oefeningen uit de eerste decennia van de vorige eeuw, toen yoga nog volop in ontwikkeling was en men oude technieken met nieuwe ging combineren.

De nieuwbakken yogi’s streefden naar esthetische perfectie en spiegelden zich aan de oude Grieken. Daarnaast werden yogacentra ook heel populair onder militante nationalisten, die het juk van de koloniale overheersers van zich af wilden werpen. Zij voelden zich als vrijheidsstrijders verwant met de strijdlustige yogi’s uit het verleden en trainden hun lichaam om standvastiger verzet te kunnen leveren. Yoga was een goeie dekmantel voor fitnessclubs met revolutionaire doelen.

Yoga sloot ook aan bij het idee dat het eigen ras verbeterd moest worden. Toen de yoga zich in de jaren 1920 in India als lichaamscultuur begon te manifesteren, werden daar verscheidene eugenetische verenigingen opgericht. Ze waren bezorgd over de fysieke, morele en spirituele degeneratie van hun landgenoten. Yoga bood zich aan als een weg naar de perfectie, die mannen in staat stelde hun verworven kwaliteiten op het nageslacht over te dragen.

Sri Yogendra, die in zijn jonge jaren ‘Mr. Muscle-man’ werd genoemd, beweerde dat het begrip ‘evolutie’ oorspronkelijk uit de yogafilosie kwam. Je kon de evolutie volgens hem vooruit helpen door het manlijke zaad met yoga sterker te maken. Yoga was de enige methode die overerfbare transformaties bewerkstelligde. Evenals zijn collega Swami Kuvalayananda schreef Yogendra allerlei heilzame effecten aan yoga toe, die hij medisch probeerde te verklaren en te onderzoeken. Hij opende ook een yoga-instituut in de VS. In 1928 bracht hij een populair boekje over hatha yoga uit, maar daarin stonden voornamelijk gymnastiekoefeningen.

Voor de oorlog was er in westerse yogaboeken weinig over asana’s te vinden. Die waren nog niet gereed voor de export. Aan diep ademhalen, gymnastiek, gezond leven en meditatie werd meer belang gehecht. Bovendien werd yoga in verband gebracht met ideeën over de kracht van positieve gedachten en autosuggestie, die aan de Amerikaanse New Thought beweging waren ontleend. Volgens deze leer is alles een manifestatie van het goddelijk bewustzijn, waaraan we zelf kunnen deelnemen, zodat ons leven perfect wordt en alle ziekten en narigheid verdwijnen. Yoga werd aangeprezen als een middel om je spirituele geestkracht te vergroten.

Verscheidene yoga-cracks demonstreerden hoe ze door wilskracht en concentratie een perfecte beheersing hadden over afzonderlijke spieren. Yoganandra was daar in de jaren 1920 een voorbeeld van. Hij was in de VS actief en werd later bekend door zijn Autobiografie van een yogi (1946). Zijn ‘muscle control’ was echter grotendeels gebaseerd op een systeem dat bekend stond als Maxalding en dat was ontwikkeld door de Duitse gewichtheffer Max Sick, die zich in Engeland Maxick noemde.

Een jongere broer van Yoganandra, B.C. Ghosh, liet zich eveneens door Maxick inspireren. In 1923 opende hij in Calcutta een school voor bodybuilders, waar hij tevens asana’s onderwees. Een van zijn leerlingen was Bikram Choudhury, die vanaf de jaren 1970 een succesvol internationaal yoga-imperium opbouwde. De Bikram Yoga is een inspannende en gespierde vorm van yoga. Het wordt ook hot yoga genoemd, omdat het bij voorkeur dient te worden beoefend bij een kamertemperatuur boven de 40 graden. Er worden wedstrijden in gehouden en er zijn zelfs plannen om er een olympische sport van te maken.

In het paleis van de Maharadja

Onder invloed van de Britse overheersers werd op Indiase scholen geleidelijk meer aandacht besteed aan lichamelijke opvoeding. Men gebruikte meestal Zweedse gymnastiek of soortgelijke oefeningen, waar geen apparatuur bij nodig was. De christelijke YMCA, die in India goed georganiseerd was en overal afdelingen had, speelde een grote rol bij de verbreiding van de moderne lichaamscultuur en de opleiding van gymnastiekleraren. De YMCA zag het als een middel tot morele opvoeding en karaktervorming. De organisatie zorgde er ook voor dat er in 1924 voor het eerst Indiase atleten naar de Olympische Spelen gingen.

De atleten werden getraind door de Amerikaan Harry C. Buck, die in 1920 het YMCA College of Physical Education in Madras had geopend. Hij ontwierp oefenprogramma’s en cursussen waarbij hij westerse gymnastiek aanvulde met oefeningen die op yogahoudingen waren gebaseerd. Zo droeg de YMCA eraan bij dat de asana’s positiever werden beoordeeld. De eerder genoemde Swami Kuvalayananda ging nog een stap verder. Hij wou alle lichamelijke opvoeding tot yoga omvormen. In de jaren 1930 werkte hij voor lokale onderwijscommissies die yoga-oefeningen op scholen invoerden. Hij doceerde aanvankelijk Sanskriet en filosofie, maar was zich Kuvalayananda gaan noemen nadat hij twee jaar in leer was geweest bij een hatha yogi. Kuvalayananda presenteerde zijn yoga als een natuurlijke geneeswijze en voerde fysiologisch onderzoek uit om zijn ideeën wetenschappelijk te onderbouwen.

De moderne westerse yoga werd sterk beïnvloed door de yogalessen die Krishnamacharya vanaf 1933 in Zuid-India gaf. De Maharadja van Mysore had hem uitgenodigd om in een vleugel van zijn paleis een yogaklas te openen voor jonge leden van de koninklijke familie. Ook enkele andere pupillen waren welkom, waaronder Pattabhi Jois en B.K.S. Iyengar, een jonge zwager van Krishnamacharya. Deze twee speelden later een belangrijke rol bij de verbreiding van yoga-oefeningen in westerse landen.

KrishnamacharyaKrishnamacharya ontwikkelde een atletische yogastijl, waarbij een reeks lichaamshoudingen dynamisch met elkaar werden verbonden. Daarbij nam hij naar het schijnt het nodige over van gymnastische methoden die in zijn tijd populair waren. Zo zijn er duidelijke overeenkomsten met de Deense gymnastiek van Niels Bukh. Vooral de staande houdingen, die niet in traditionele hatha yoga voorkomen, waren aan gangbare gymnastiekoefeningen ontleend. De Deense methode was destijds zowel op Indiase scholen als in het Britse leger populair, omdat de oefeningen energieker waren dan de Zweedse gymnastiek. In tegenstelling tot statische yogahoudingen, waarbij men geruime tijd onbeweeglijk blijft, was de nieuwe yoga van Krishnamacharya zeer geschikt voor demonstraties, die hij op verzoek van de Maharadja regelmatig met zijn leerlingen gaf.

Pattabhi Jois onderwees de methode vanaf de jaren 1970 aan westerlingen onder de naam Ashtanga Vinyasa Yoga, ook bekend als power yoga of flow yoga. Vanuit de zonnegroet worden de lichaamshoudingen in een vloeiende beweging met elkaar verbonden en gesynchroniseerd met de ademhaling, waarbij men regelmatig van de ene naar de andere houding springt. Hoewel Jois beweerde dat de methode al 5000 jaar oud was (een claim die in de Nederlandse Wikipedia wordt herhaald), kunnen we de oorsprong beter in de jaren 1930 plaatsen. Krishnamacharya hoefde de zonnegroet niet van ver te halen, want die werd al in een andere ruimte van het paleis beoefend door enkele bodybuilders, waarmee hij contact had.

Naast de dynamische yoga, die in de jaren 1990 zeer populair werd, onderwees Krishnamacharya ook andere vormen. Zijn methoden waren voortdurend in ontwikkeling en hij probeerde van alles uit. Dat verklaart deels waarom zijn leerlingen later uiteenlopende vormen van yoga onderwezen. Sommige tijdgenoten waren van mening dat Krishnamacharya zijn studenten circustrucs leerde. Enig gevoel voor show was hem niet vreemd. Voordat hij in het paleis ging werken, probeerde hij interesse voor yoga te wekken door allerlei sterke staaltjes te demonstreren. Zo kon hij naar het scheen zijn polsslag een paar minuten stopzetten (een bekende goocheltruc), een auto tegenhouden en zware objecten met zijn tanden optillen.

Zijn meest invloedrijke leerling was Iyengar, die in het Westen bekend werd als yogaleraar van de succesvolle violist Yehudi Menuhin. In 1966 publiceerde hij een populair standaardwerk met foto’s van ruim tweehonderd asana’s (Light on Yoga). Bij elke houding werden de veronderstelde heilzame effecten op het lichaam vermeld. Men moet het de asana-pioniers nageven dat ze heel wat ouder werden dan Vivekananda: Krishnamacharya werd 100, Jois werd 94 en Iyengar is inmiddels 92.

Harmonische ontspanning

Hedendaagse yogalessen voor vrouwen beperken zich gewoonlijk tot allerlei buig- en strekoefeningen, waarvoor niet al te veel kracht en uithoudingsvermogen nodig is. Dit wordt gecombineerd met ontspanningsoefeningen, in tegenstelling tot de oorspronkelijke yoga, die de eigen controle wou vergroten om de kundalini op te wekken. De Amerikaanse arts Edmund Jacobson bedacht in de jaren 1920 de progressieve spierontspanning. Terwijl je op de rug ligt, moeten afzonderlijke spieren eerst worden aangespannen om ze vervolgens beter te kunnen ontspannen. Deze methode is tegenwoordig een onderdeel van de populaire Sivananda-yoga. De ontspanning kan ook worden opgewekt door langzaam en diep te ademen, door autosuggesties of door geleide visualisaties.

Tantrische yogi’s gebruikten eveneens visualisaties, maar daarbij was exact voorgeschreven wat men zich moest voorstellen. Er was geen ruimte voor eigen verbeelding. Diep ademen is ook niet hetzelfde als wat de oude yogi’s deden. De ontspanningsmethoden komen niet uit de yoga voort, maar werden al in westerse landen gebruikt voordat de yoga daar doordrong. Zo beschreef de arts en occulte hypnotherapeut Roger Vittoz honderd jaar geleden hoe je de aandacht afwisselend op specifieke plekken van het lichaam kunt richten. Dit wordt nog steeds gedaan, onder meer bij Satyananda-yoga (weer een ander merk). Swami Satyananda noemde het nidra en schreef het aan tantrische meesters toe.

Yoga wordt vaak gepresenteerd als spirituele ontspanning en een methode om in harmonie te komen met jezelf, met je emoties en met de omgeving of de kosmos. Het kan ook een middel zijn om in contact te komen met met je diepste natuur, met subtiele energieën of met de goddelijke levenskracht die door je lijf stroomt. Voordat yoga deze functie ging vervullen, werden er in westerse landen al soortgelijke methoden gebruikt. Een voorbeeld was de Harmonische Gymnastiek, die stretching, lichaamshoudingen, ontspanning, diep ademen, creatieve imaginatie en innerlijke harmonie met elkaar combineerde binnen een esoterisch spiritueel kader. Het werd nog geen yoga genoemd, maar het leek wel sterk op de hedendaagse vrouwenyoga.

Molly StackMolly Bagot Stack stichtte in 1930 de Britse Women’s League of Health and Beauty. De oefeningen die zij onderwees konden vrouwen ‘in harmonie brengen met de grote mysterieuze krachten om hen heen’, en schonken ook ‘innerlijke kracht’. In het tijdschrift van de vereniging stonden regelmatig afbeelding van oefeningen en lichaamshoudingen die niet of nauwelijks verschillen van wat je tegenwoordig vaak op yogales leert. Ook in de Zweedse gymnastiek komen al houdingen voor die we later in de yoga terugvinden, waaronder de schouderstand, die ‘Zweedse kaars’ werd genoemd. Het lijkt alsof men de spirituele vrouwengymnastiek uit het verleden later yoga is gaan noemen. De Engelse yoga-onderzoeker Mark Singleton (2010) schreef:

De yogalessen in ademen, stretching en ontspanning, die wekelijks door duizenden 21ste-eeuwse Londenaren worden bezocht, weerspiegelen de spirituele gymnastiekoefeningen waaraan hun grootmoeders en overgrootmoeders in de jaren 1930 deelnamen.

Yoga was destijds al wel bekend, maar dynamische strek- en buigoefeningen om de souplesse te vergroten, werden daar nog niet toe gerekend. Ze verschilden ook van de steviger yoga die door Indiase bodybuilders werd beoefend. Het tijdschift van de Women’s League drukte soms foto’s van hen af en publiceerde ook enkele artikelen over yoga, maar de vrouwen van de bond hadden niet het idee dat ze zelf yoga beoefenden.

In 1930 verscheen er een artikel over vrouwen van de ‘Silver League’, met foto’s van een aantal stretchoefeningen die overeenkomen met moderne yogahoudingen. De auteur van het stuk wist echter te vertellen dat het ging om een mengsel van Zweedse gymnastiek en zogenoemde Müller-gymnastiek. Een ander artikel ging over Adonia Wallace, die in 1930 was uitgeroepen tot ‘Best Figure in the British Isles’. Enkele foto’s toonden welke oefeningen ze had gedaan om zover te komen. Deze houdingen zijn als asana’s te vinden in het standaardwerk van Iyengar uit 1966. Maar Adonia Wallace wist nog niet dat het yoga was.

Het idee dat je op yogales een oeroude traditie van oosterlingen navolgt, is helaas niet veel meer dan een romantische fantasie.

Noot

Er bestaan ook latere versies van de vajroli mudra waarbij geen zaadlozing plaatsvindt. Mark Singleton (2010) merkte bovendien op dat de beschrijving van de oorspronkelijke vajroli mudra in latere werken vaak is gekuist. In zijn gezaghebbende boek over de oude middeleeuwse hatha yoga schreef prof. David Gordon White (1996) het volgende over de vajroli mudra:

In technical terms, vajroli mudra is urethral suction or, more prosaically, the “fountain pen technique,” by which the male practitioner, having ejaculated into his female partner, withdraws his own semen, now catalyzed through its interaction with her sexual essence or uterine blood, back into his own body. In so doing, he also draws back into himself, along with his own refined seed, a certain quantity of that female essence which may in turn serve to catalyze the yogic processes (the raising of the kundalini, etc.) by which his semen becomes transmuted into nectar. (p. 199).

In een later boek uit 2003 (Kiss of the yogini) wees White erop dat het ook bij boeddhistische tantrische seks oorspronkelijk niet de bedoeling was dat men geen zaadlozing zou krijgen:

In New Age Tantra, it is a male’s ability to bring his female partner to sustained, abundant orgasm, without himself shedding a seed, that is stressed, with reference to an erroneous paradigm that “Buddhist Tantric Sex” always remained unconsummated, that is, that it is ended in coitus interruptus and ecstatic mystical experience for both partners. While such become the rule in later conformist Buddhist Tantric sources, it was not the original practice, and, once again, the New Age paradigms are shown to be without historical foundation. (p. 109)

Literatuur

Mark Singleton (2010) beschreef hoe de moderne yoga in de eerste helft van de vorige eeuw ontstond. White (2009) schreef over de oorspronkelijke yogi’s, en over hun tantrische praktijken en alchemie (White 1996). De Michelis (2004) beschreef onder meer hoe Vivekananda werd beïnvloed door occulte en esoterische ideeën. De laatste jaren is er meer onderzoek gedaan naar de geschiedenis van yoga (zie modernyogaresearch.org).

De Michelis, Elizabeth (2004). A history of modern yoga: Patanjali and Western esotericism. New York en Londen: Continuum.
Jones, Constance A. en James D. Ryan (2007). Encyclopedia of hinduism. New York: Facts of File.
Singleton, Mark (2005). Salvation through relaxation: proprioceptive therapy and its relationship to yoga. Journal of Contemporary Religion, 20(3), 289-304.
Singleton, Mark, ed. (2008). Yoga in the modern word: contemporary perspectives. London: Routledge.
Singleton, Mark (2010). Yoga body – The origins of modern postural practice. Oxford: Oxford University Press.
White, David Gordon (1996). The alchemic body: Siddha traditions in medieval India. Chicago: University of Chicago Press.
White, David Gordon (2009). Sinister yogis. Chicago: University of Chicago Press.

Meer informatie online:
Baier, Karl (2012). Modern Yoga Research: Insights and Questions. Universiteit Wenen.
Farmer, Jared (2012). Americanasana. Reviews in American History, 40(1), 145-158.

Uit: Skepter 23.2 (2010)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014