Paranormality

Een kritische samenvatting

door Rob Nanninga

In Paranormality neemt professor Wiseman de lezers mee op een avontuurlijke reis door de wereld van het paranormale en legt hij uit welke psychologische verklaringen daarachter steken. Dat klinkt goed! Het is wel wat jammer dat hij een voorkeur heeft voor verhalen uit de oude doos en dat zijn analyses niet zo diep gaan.

Richard Wiseman (1966) is de meest geciteerde psycholoog in de Britse media. Hij werkte aan talloze tv-programma’s mee (1) en is ‘Professor of the Public Understanding of Psychology’ aan de universiteit van Hertfordshire. Wiseman was in zijn jonge jaren actief als goochelaar, zodat hij goed weet hoe je mensen kunt misleiden. De parapsycholoog Robert Morris (1942-2004) liet hem aan de universiteit van Edinburgh onderzoek doen naar mensen die beweerden dat ze paranormale gaven bezaten. Wiseman promoveerde in 1992 op het proefschrift The assessment of psychic claimants. Hij publiceerde ook kritische artikelen over parapsychologische onderwerpen en is sinds 2001 een fellow van het Committee for Skeptical Inquiry (voorheen CSICOP).

Wisemans dissertatie wordt niet uitgeleend, maar je kunt wel drie boeken aanschaffen die hij enkele jaren later uitbracht over het testen van paranormale gaven. Deze werden niet zo goed verkocht als de populair geschreven bestsellers en zelfhulpboeken die hij recentelijk schreef: The Luck Factor (2004), Quirkology (2008) en 59 Seconds (2010). Ook Paranormality (2011), waarin hij weer terugkeert naar zijn oorspronkelijke interesse voor paranormale verschijnselen, zal ongetwijfeld een verkoopsucces worden. Ik zal het boek hier samenvatten.

Paranormale terriër

Pam & JayteeIn de inleiding van zijn boek doet Wiseman verslag van zijn onderzoek naar Jaytee, een terriër die naar het scheen kon aanvoelen wanneer Pat, zijn bazin, onderweg naar huis was. De hond ging dan voor een raam op de uitkijk staan. Ook wanneer Pat op een onvoorspelbaar tijdstip thuiskwam, stond Jaytee al klaar om haar te verwelkomen. De ouders van Pat, die met haar samenwoonden, vertelden aan een journalist dat ze dankzij de paranormale gave van de hond altijd precies wisten wanneer hun dochter in aantocht was. Een Oostenrijkse tv-ploeg maakte er een reportage over.

Wiseman voerde in 1995 enkele proeven uit met Jaytee. Dit gebeurde op verzoek van de alternatieve bioloog Rupert Sheldrake (al noemt Wiseman hem niet). Een collega van Wiseman reed met Pat naar een café in de omgeving en bepaalde met een toevalsgenerator wanneer ze weer naar huis gingen. Wiseman had een camera opgesteld bij het favoriete raam van Jaytee om alles vast te leggen. Niet lang voordat Pat thuiskwam, ging de terriër inderdaad voor het raam staan. Maar wie de volledige video-opname bekeek, kon zien dat de hond in totaal 13 keer naar het raam was gelopen. Hij stond daar bovendien niet meer toen Pat arriveerde. Drie andere proeven leverden vergelijkbare resultaten op.

Wiseman publiceerde er in 1998 een artikel over in het British Journal of Psychology (2). Daaruit blijkt dat de condities gaandeweg werden aangepast, omdat Pat meermaals bezwaar maakte tegen de uitslag van de test. Men besloot dat de hond zonder aanwijsbare reden naar het raam moest lopen en daar minimaal twee minuten moest blijven staan. Maar dat deed hij bij alle proeven ook minstens één keer voordat Pat in aantocht was.

Hoewel Wiseman al wel vaker over Jaytee heeft verteld, blijft het een leuk verhaal. Het maakt goed duidelijk hoe mensen ten onrechte tot de conclusie kunnen komen dat er iets paranormaals is gebeurd, omdat ze alleen op de ‘treffers’ letten en uitsluitend naar bevestiging zoeken. Pats ouders hielden er geen rekening mee dat Jaytee ook regelmatig naar het raam liep wanneer hun dochter niet onderweg naar huis was. En ze hadden geen oog voor de keren dat hij niet op de uitkijk stond als ze thuiskwam.

De Oostenrijkse tv-ploeg deed eerder een proef die vergelijkbaar was met de experimenten van Wiseman. Hadden zij niet opgemerkt dat Jaytee heel vaak naar het raam liep? Of hadden ze deze beelden achtergehouden omdat ze die niet konden gebruiken? Dat laatste is typerend voor tv-producties over paranormale zaken, al komen die helaas niet in Wisemans boek ter sprake. Sheldrake deed veel moeite om alle eerdere opnamen van de Oostenrijkers los te krijgen, maar men liet hem weten dat ze onvindbaar waren.

Cold-reading technieken

In het eerste hoofdstuk van zijn boek legt Wiseman uit hoe waarzeggers succes boeken. Hij bespreekt zeven bekende cold-reading technieken.
1) Als waarzegger doe je er goed aan je cliënten dingen te vertellen die ze graag over zichzelf willen horen.
2) Als je een bepaalde karaktertrek aan iemand toeschrijft, vergeet dan niet om ook het tegendeel te beweren. De betrokkene kan dan zelf uitkiezen wat het beste past.
3) Doe vage en ambigue uitspraken die de cliënt zelf verder moet invullen. Maak gebruik van het feit dat mensen veel moeite doen om betekenis toe te kennen aan zulke uitspraken.
4) Let op de nonverbale reacties van de cliënt en ga door op thema’s die aanslaan.
5) Zeg dingen die op heel veel mensen van toepassing zijn, zonder dat de cliënt dit beseft.
6) Zorg dat je altijd een uitvlucht hebt als je bewering niet klopt. Zeg dan bijvoorbeeld dat je het over een ander familielid had, dat je uitspraak metaforisch was bedoeld, of pas in de toekomst waar zal blijken te zijn.
7) Let op uiterlijke kenmerken waaruit je dingen kunt afleiden. Als een vrouw bijvoorbeeld te ruime kleding draagt, dan heeft ze waarschijnlijk onlangs een vermageringskuur gedaan.

Wiseman geeft geen voorbeelden uit de praktijk. Hij beschrijft wel een simpel experiment dat hij op verzoek van James Randi met een Britse helderziende uitvoerde. Zij moest opschrijven welke helderziende waarnemingen ze deed bij tien verschillende personen. Deze vrijwilligers zaten met de rug naar haar toe en droegen allemaal een zwart gewaad, zodat hun uiterlijk geen informatie bood. Na afloop ontvingen ze tien lijsten met helderziende uitspraken. Ze moesten aangeven welke reeks uitspraken het beste bij henzelf paste, maar niemand koos de lijst die op henzelf betrekking had. Wiseman besteedt ook nog een alinea aan het paragnostenonderzoek van de Nederlandse psycholoog H.G. Boerenkamp (3).

Rubber hand

Buiten het lichaam

In het hoofdstuk over uittredingservaringen beschrijft Wiseman een aardig experiment, dat in 1998 in Nature werd gepubliceerd door Botvinick en Cohen. Vraag de proefpersoon om een hand op tafel te leggen en schuif die hand een stukje opzij, zodat je er een rubberhand naast kunt leggen. Plaats een scherm tussen beide handen, zodat de proefpersoon alleen de rubberhand voor zich op tafel ziet liggen. Gebruik een handdoek om beide armen af te dekken (en om zo nodig de illusie te wekken dat er ook aan de rubberen hand een arm zit). Raak nu zowel de echte als de rubberhand gelijktijdig en op dezelfde plaats aan. Doe dat meermaals gedurende enkele minuten. In het oorspronkelijke experiment gebruikte men hiervoor twee kwastjes. Veel proefpersonen krijgen dan na enige tijd het gevoel dat de rubberhand hun eigen hand is. Ze voelen hoe hun hand wordt aangeraakt en het lijkt alsof ze dat ook zien gebeuren. De visuele informatie is blijkbaar zo bepalend dat het gevoel zich van de echte hand naar de nephand verplaatst. Zo kun je iets buiten je lichaam voelen.

Aan de Technische Universiteit Eindhoven werd een vergelijkbaar experiment gedaan (4), waarbij de rubberhand niet werkelijk op tafel lag, maar tweedimensionaal op de tafel werd geprojecteerd. Dat werkte wat minder goed, al waren er nog steeds personen die het gevoel kregen dat hun hand zich bevond op de plaats van de projectie. Je kunt zelfs de hele projectie weglaten en gewoon over de tafel wrijven. Zelfs dan werkt het nog enigszins. Het beeld dat we van ons lichaam hebben, is dus blijkbaar nogal flexibel en kan onder invloed van visuele informatie makkelijk veranderen.

De neurowetenschapper Vilayanur Ramachandran bedacht een simpele methode die hem het gevoel gaf dat hij buiten zichzelf stond. Hij ging tussen twee spiegels staan, zodat hij zijn achterhoofd en een stukje van zijn wang zag. Als hij nu met zijn wijsvinger over zijn wang wreef en tegelijk keek naar de persoon die met de rug naar hem toestond, dan kreeg hij het gevoel dat hij niet zichzelf aanraakte, maar iemand anders, die op hem leek. Hij voelde dan niet meer hoe hij zijn eigen wang aanraakte. Ramachandran voerde deze proef met een tiental collega’s uit, die naar eigen zeggen allemaal dit gevoel kregen. Wie het niet wil geloven, kan het zelf eens proberen.

Wiseman bespreekt in het kort de theorie die de psychologe Susan Blackmore in de jaren 1980 presenteerde om uittredingservaringen te verklaren. Zulke ervaringen kunnen optreden wanneer we geen wisselende zintuiglijke prikkels ontvangen. We kunnen dan in een soort vacuüm terechtkomen, waarin onze hersenen zelf een beeld van de werkelijkheid creëren. Op de website van Blackmore is hierover meer informatie te vinden (5). Het komt vaker voor bij mensen die het vermogen hebben om helemaal in een ervaring op te gaan. Wiseman verwijst ook naar een studie van Blackmore waaruit zou zijn gebleken dat mensen die een uittredingservaring hebben gehad zich in hun fantasie goed kunnen voorstellen hoe ze boven hun eigen lichaam zweven. De verschillen met een controlegroep waren echter niet groot.

Aan het onderzoek naar de vraag of mensen tijdens een uittredingservaring correcte waarnemingen kunnen doen, wordt slechts één alinea besteed. Wiseman vertelt wel het bekende verhaal over de vrouw die tijdens een uittreding zou hebben gezien dat er buiten in de vensterbank van een ziekenhuis een oude tennisschoen lag. Er werd beweerd dat die schoen niet zichtbaar was vanuit de ziekenhuiskamer, maar drie skeptici publiceerden in 1996 een artikel waarin ze het tegendeel aantoonden.

De auteur instrueert de lezers hoe je zelf een uittredingservaring kunt opwekken met behulp van progressieve spierontspanning, visualisatie en concentratie. ‘Maak je geen zorgen als het niet meteen lukt’, zegt hij. Maar de kans dat het verspilde moeite is, lijkt me behoorlijk groot. Hij had waarschijnlijk beter de ganzfeldtechniek kunnen adviseren, waarbij je een toestand van sensorische deprivatie opwekt. Dat sluit beter aan bij de theorie van Blackmore.

Wiseman vertelt in dit hoofdstuk ook nog wat over de 19de-eeuwse geestenfotografie van William Mumler, die als bedrieger werd ontmaskerd, en over Duncan MacDougall, die aan het begin van de vorige eeuw de ziel probeerde te wegen (6). MacDougall onderzocht of mensen iets lichter worden wanneer ze sterven. Bij zijn eerste experiment vond hij een gewichtsvermindering van driekwart ounce. Wiseman meent dat de arts na vijf experimenten op een gemiddelde van 21 gram uitkwam, maar deze kennis heeft hij wellicht uit de Wikipedia overgenomen. De 21 gram had alleen betrekking op het eerste experiment (driekwart ounce is omgerekend 21 gram). Wiseman beweert dat het effect werd verklaard door een collega van MacDougall: als iemand sterft, wordt zijn bloed niet meer gekoeld door zijn longen, waardoor de temperatuur van het bloed stijgt, wat tot extra zweetproductie leidt. Deze theorie lijkt me echter grote onzin!

Randi blaast de bladzijden van een telefoonboek om.

Gedachtekracht

In het derde hoofdstuk, ‘Mind over Matter’, staat een verhaal over James Alan Hydrick. Hij trad in 1980 in een Amerikaanse tv-show op, waar hij demonstreerde hoe hij met zijn gedachten een potlood kon bewegen dat op de rand van een tafel lag. Hydrick kon ook de bladzijden van een telefoonboek omslaan zonder ze aan te raken. James Randi werd uitgenodigd om Hydricks gaven op de proef te stellen. Hij strooide kleine stukjes piepschuim op tafel, zodat Hydrick niet meer stiekem kon blazen. Op YouTube zijn de oude tv-beelden al meer dan een miljoen keer bekeken en Randi heeft het trucje ontelbare malen gedemonstreerd. Hydrick werd later gearresteerd omdat hij een aantal jongens seksueel had misbruikt.

Minder bekend is Wisemans onderzoek naar de Indiase goeroe Premananda. Zijn bovennatuurlijke krachten leken sterk op die van de onlangs overleden Sai Baba, want hij kon heilige as en kleine voorwerpen in zijn hand materialiseren. Wiseman bedacht een simpele maar zeer effectieve controlemaatregel. Hij vergewiste zich er eerst van dat de hand van de goeroe leeg was en deed er toen een doorzichtig plastic zakje omheen! Onder deze omstandigheden kon Premananda niets meer tevoorschijn toveren. In 1997, twee jaar na de proef, werd de goeroe gearresteerd voor moord en verkrachting. Hij zat tot zijn dood in februari 2011 in de gevangenis. Desondanks had hij nog overal volgelingen, ook in Nederland. Zij wilden niet geloven dat hij schuldig was. Vermoedelijk heeft Wiseman in dit geval niet in de Wikipedia gekeken, want anders had hij deze ontluistering vast wel vermeld.

Ook het buigen van lepels komt nog even ter sprake. Wiseman legt uit hoe je dat kunt doen. Als je met vrienden ergens dineert, neem dan heimelijk een lepel mee naar de wc. Buig hem heen en weer tot hij bijna breekt en leg hem weer terug op tafel. Vertel nu op een geschikt moment dat je vroeger als kind met je geest lepels kon buigen en pak de geprepareerde lepel op om te proberen of je het nog steeds kunt. De truc is ook in de Wikipedia te vinden.

Wiseman noemt enkele factoren die ervoor kunnen zorgen dat goocheltrucs als paranormale prestaties worden geïnterpreteerd. Ten eerste moet de goochelaar zichzelf voordoen als iemand met paranormale gaven. Hij moet bijvoorbeeld de indruk wekken dat het hem veel mentale inspanning kost. Dat scheelt al een stuk, want veel mensen willen het maar al te graag geloven. Ten tweede moet hij een methode gebruiken die niet voor hand ligt. Dat gold bijvoorbeeld voor de blaastruc van Hydrick. Ten derde moet de truc zo worden uitgevoerd dat de verklaring wordt gecamoufleerd. Hydrick deed dit door zijn hoofd meteen een andere kant op de wenden nadat hij ongemerkt op tafel had geblazen. Op het moment dat het potlood met enige vertraging bewoog, was zijn mond er niet meer op gericht. Ten vierde moet de goochelaar het effect soms creëren door middel van een alternatieve methode. Zo kon Hydrick het potlood ook bewegen als iemand een hand voor zijn mond hield, waarmee hij de indruk wekte dat hij nooit blies. In dat geval maakte hij echter een soort karateslag in de lucht, die hetzelfde effect had.

change blindness

Goochelaars maken ook gebruik van het feit dat we veel minder zien dan we denken te zien. Stel dat je enkele seconden aandachtig naar een foto op een beeldscherm mag kijken. Vervolgens zie je gedurende een fractie van een seconde een leeg scherm en daarna verschijnt de foto opnieuw. Is het nu mogelijk dat er op de foto een object is verdwenen zonder dat je dit opmerkt? Veel mensen geloven dat ze zo’n verandering ogenblikkelijk zouden opmerken, maar dat blijkt niet het geval te zijn. We zouden het wel zien als de ene foto meteen op de andere volgt, zodat we niet afhankelijk zijn van ons geheugen, waarin we het plaatje blijkbaar nog geen seconde kunnen vasthouden.

Dit fenomeen staat bekend als ‘change blindness’ en is verwant aan ‘inattentional blindness’, waarbij we dingen niet opmerken omdat we onze aandacht er onvoldoende op richten. Die aandacht is zo selectief, dat het lijkt alsof we in het donker met een zaklantaarn rondkijken. Goochelaars kunnen onder onze ogen dingen doen die we totaal niet opmerken. Daar zijn recentelijk aardige proeven mee gedaan, die Wiseman helaas niet bespreekt. Hij geeft de voorkeur aan een verhaal over de goochelaar S.J. Davey, die in de 19de eeuw seances organiseerde om de onbetrouwbaarheid van ooggetuigen aan te tonen.

change blindness
Deze foto is niet identiek aan de bovenstaande.

Communiceren met de doden

Het vierde hoofdstuk gaat voornamelijk over het oude spiritisme. Wiseman begint met het bekende verhaal over de 19de-eeuwse zusjes Fox (lees het na in de Wikipedia). Het tafeldansen komt eveneens aan bod. De fysicus Michael Faraday concludeerde in 1852 dat de bewegingen van de tafel uitgingen van de spiritisten die er hun handen op hadden gelegd. Ze duwden of trokken, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Wiseman legt heel gedetailleerd uit hoe Faraday dit kon vaststellen. Het wordt nu plotseling zo technisch, dat je haast een bouwtekening nodig hebt om goed te begrijpen hoe het experiment werd opgezet.

Wiseman beschrijft ook hoe de psycholoog Joseph Jastrow aan het eind van de 19de eeuw aantoonde dat mensen geneigd zijn hun hand onbewust in een bepaalde richting te bewegen als ze louter aan die richting denken. Dit kon verklaren hoe spiritisten via een ouijabord met geesten communiceerden door onbewust letters aan te wijzen. De experimenten zijn ook te vinden in het boek The illusion of consciouss will van de psycholoog Daniel Wegner (2002), dat veel overlap vertoont met het boek van Wiseman.

Wegner (1998) beschreef een experiment waarbij proefpersonen de opdracht kregen een pendel zo stil mogelijk te houden. De helft van hen kreeg bovendien te horen dat ze vooral moesten voorkomen dat de pendel zijwaarts heen en weer ging slingeren. Juist bij deze laatste groep slingerde hij iets vaker zijwaarts dan bij de groep die hem louter stil moest houden. Dit effect werd duidelijk sterker wanneer de proefpersonen ondertussen een tweede opdracht moesten uitvoeren: een baksteen vasthouden of terugtellen vanaf 1000 in stappen van drie. Circa 60% van alle pendelbewegingen ging dan in de verboden richting, terwijl dat zonder verbod iets minder dan 50% was. Het experiment wordt ook door Wiseman besproken, al legt hij het wat onvolledig uit. Zo concludeert hij: ‘trying not to move the pendulum produced increased swinging’.

In de rest van het hoofdstuk wordt aan de hand van Wegner besproken hoe mensen het idee kunnen krijgen dat ze niet verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelingen. Zo waren er spiritisten die geloofden dat een geest de pen in hun hand bestuurde (automatisch schrift). Wiseman schrijft: ‘Het brein maakt de beslissing om te handelen en zendt de juiste boodschappen naar de spieren, maar verzuimt om signalen te zenden die verantwoordelijk zijn voor het creëren van de bewuste ervaring dat jij de beslissing hebt genomen.’ Dit lijkt me echter geen accurate samenvatting van Wegners theorie. (7)

Spoken

In een korte ‘intermission’ van tien pagina’s vertelt Wiseman een grappig verhaal over Gef, een sprekende mangoest. Het dier woonde achter de wanden van een boerderij op het eiland Man en alleen de dochter des huizes had hem wel eens gezien. Gef claimde dat hij in 1852 in New Delhi was geboren. De kritische onderzoeker Harry Price reisde in 1935 naar het eiland om poolshoogte nemen, maar helaas was de mangoest toen net een paar dagen op vakantie gegaan, zodat hij het raadsel niet kon oplossen.

De auteur vervolgt zijn boek met een hoofdstuk over geesten, die in Engeland heel populair zijn. Uit een enquêteonderzoek in de VS bleek dat 15 procent wel eens een geest had waargenomen. Maar daarbij ging het in veruit de meeste gevallen om onverklaarde geluiden, vreemde geuren, koude luchtstromen, donkere schaduwen, het gevoel dat er iemand aanwezig was, en dergelijke. Volledige geestverschijningen zijn volgens Wiseman veel zeldzamer en worden vooral in de slaapkamer waargenomen, wanneer men niet goed wakker is. Hij vertelt uitvoerig hoe Eugene Aserinsky in 1951 de remslaap ontdekte en geeft wat informatie over de slaapcyclus. Hij wijst erop dat er angstige ervaringen kunnen optreden wanneer elementen van het eerste slaapstadium worden vermengd met de remslaap. Je kunt dan onder meer het gevoel krijgen dat er demon op je borst zit, terwijl je je niet kunt bewegen.

Hampton CourtIn januari 2001 werd Wiseman uitgenodigd om onderzoek te doen naar de geest van Catherine Howard, die al heel lang rondwaart in Hampton Court Palace. Hij bedacht snel een onderzoeksopzet en spoedde zich naar het paleis, waar meteen een grote persconferentie plaatsvond om de start van het onderzoek aan te kondigen. Een maand eerder had Wiseman de pers ook al opgetrommeld voor ‘The World’s Largest ESP Experiment’ (dat hij niet bespreekt). Daarbij moesten 10 proefpersonen elk één foto raden uit vier mogelijkheden. Dat lijkt niet veel, maar het was volgens Wiseman toch een reusachtig experiment omdat alle aanwezigen moesten proberen om de foto’s telepathisch naar de proefpersonen over te zenden, wat niet lukte.

Wiseman gaf bezoekers van het paleis een plattegrond van het gebouw. Ze moesten aangeven op welke plaatsen ze ongewone sensaties beleefden. De bezoekers rapporteerden meer vreemde ervaringen naarmate ze sterker in geesten geloofden, wat niet zo verrassend was. Het was interessant dat hun ervaringen zich vaak op dezelfde plekken in het paleis voordeden. Een paleiswacht had deze locaties van tevoren aan Wiseman doorgegeven, maar de bezoekers waren er naar het schijnt niet van op de hoogte. Wiseman vermeldt niet of dit betekent dat zijn experiment een significant resultaat opleverde en geeft ook geen verklaring. Het wordt niet goed duidelijk wat hij wou onderzoeken. Met behulp van kostbare wamtegevoelige sensoren probeerde hij ’s nachts een geest te betrappen, maar ik neem niet aan dat hij verwachtte dat dit wat zou opleveren. Hij kwam alleen een schoonmaakster op het spoor.

Sommigen hebben beweerd dat de ervaringen die mensen in spookhuizen krijgen te maken hebben met ondergrondse trillingen, ultralage geluidsfrequenties of magnetische velden, maar Wiseman acht deze hypothesen niet zo aannemelijk. Hij vertelt onder meer een grappig verhaal over twee onderzoekers die vruchteloos probeerden om met zware apparatuur een huis te laten vibreren.

Magnetische helm van PersingerDe Canadese neuropsycholoog Michael Persinger was ervan overtuigd dat zwakke magnetische velden mystieke en anomale ervaringen kunnen opwekken in de temporaalkwabben van de hersenen. Hij liet proefpersonen een magnetische helm dragen en velen rapporteerden bovennatuurlijke ervaringen. Zijn proeven werden wereldberoemd. Zelfs de bekende Amerikaanse skepticus Michael Shermer kreeg een soort uittredingservaring en voelde een vreemde aanwezigheid toen hij de helm van Persinger droeg.

Helaas had niemand eraan gedacht dat je pas zeker kunt weten dat de helm echt werkt wanneer je ook onderzoekt wat er gebeurt wanneer het magneetveld heimelijk niet wordt aangezet. Toen Zweedse onderzoekers dat probeerden, bleek het net zo goed te werken zonder magneetveld! De effecten konden worden toegeschreven aan de sterke verwachtingen die bij de proefpersonen waren gewekt. Shermer wou het graag geloven, want het idee paste goed in zijn wereldbeeld. Daardoor vergat hij dat er bij dit soort proeven altijd een placeboconditie nodig is.

Ook bij mensen die vreemde dingen ervaren als ze een spookhuis bezoeken, spelen verwachtingen een centrale rol. Ze kunnen zulke ervaringen ook krijgen in een huis waar nog nooit een geest is gesignaleerd. Ze hoeven alleen maar te geloven dat het een ‘haunted house’ is. Ze lopen dan zo gespannen door het huis en letten zo goed op alles wat ze niet voor honderd procent kunnen verklaren, zoals onbekende geluiden, dat de kans groot is dat ze gaan geloven dat ze een geest op het spoor zijn gekomen.

Mind Control

Het zesde hoofdstuk, Mind Control, begint met een stukje over de 19de-eeuwse spierlezer Washington Irving Bishop. Er wordt de indruk gewekt dat hij de uitvinder van deze techniek was, maar dat klopt niet (8). Wiseman instrueert de lezers hoe ze zelf kunnen spierlezen, maar beseft waarschijnlijk dat dit niet zo makkelijk is, zodat hij ook nog maar een kaarttrucje toevoegt. Leg de rode kaarten bovenop en de zwarte onderaan. Laat nu iemand een kaart uit de bovenste helft van het spel trekken en zorg ervoor dat die in de onderste helft wordt teruglegd. Je kunt dan makkelijk zien welke kaart werd gekozen. Dat is wel een erg simpele truc!

Hierna volgt een verhaal over Clever Hans (Kluge Hans), het bekende Duitse paard dat aan het begin van de vorige eeuw rekensommen kon beantwoorden door het juiste aantal malen met zijn hoef op de grond te kloppen (9). Een psycholoog ontdekte dat het niet meer lukte wanneer de omstanders niet wisten welk antwoord Slimme Hans moest geven. Blijkbaar kon het paard uit hun nonverbale reacties afleiden wanneer hij moest stoppen met kloppen. Sindsdien spreekt men over het Clever Hanseffect wanneer onderzoekers hun proefpersonen met onbedoelde signalen in de gewenste richting sturen zonder dat zelf te beseffen.

Wiseman beweert ten onrechte dat het effect vergelijkbaar (similar) is met het Pygmalion-experiment van Robert Rosenthal en Leonore Jacobs (1968). Zij gaven alle leerlingen van een basisschool een IQ-test en vertelden de leraren welke leerlingen het opvallend goed hadden gedaan. Van deze leerlingen mocht in de loop van het jaar nog veel worden verwacht. In werkelijkheid waren de potentiële bollebozen volkomen willekeurig geselecteerd. Maar toen er aan het eind van het jaar opnieuw een IQ-test werd afgenomen, bleken deze leerlingen de meeste vooruitgang te hebben geboekt. Dit is een schoolvoorbeeld van een self-fulfilling prophecy.

In de volgende paragraaf vraagt Wiseman zich af of je mensen onder hypnose dingen kunt laten doen die ze nooit zouden doen als ze bij hun volle bewustzijn waren. Hij bespreekt een bekend experiment uit 1965, waarbij men erin slaagde om gehypnotiseerde personen gevaarlijke opdrachten te laten uitvoeren. Maar toen men het probeerde met mensen die niet waren gehypnotiseerd, bleken deze even volgzaam te zijn (10). Volgens Wiseman hadden ze wel door dat de onderzoekers hen niet echt in gevaar zouden brengen. Daar konden ze echter niet zeker van zijn. Het lijkt eerder een voorbeeld van gehoorzaamheid aan een autoriteit, vergelijkbaar met de bekende schokexperimenten van Milgram.

Hierna vertelt Wiseman hoe sekteleider Jim Jones in 1978 ruim 900 volgelingen de dood injoeg. Hij heeft echter geen wetenschappelijke studies over deze sekte gelezen. In zijn literatuurlijst staat alleen een boekje uit 1979, dat door een afvallige werd geschreven. Daardoor kan hij maar weinig inzicht geven in de factoren die aan de catastrofe bijdroegen, waaronder de strijd tussen Jones en een groep afvalligen. Wiseman beperkt zijn verklaring tot drie bekende sociaal-psychologische experimenten, die sinds de jaren 1960 in honderden boeken werden beschreven.

In een experiment van Asch (1951) zag een proefpersoon een kaart met drie lijnen van ongelijke lengte. Hij moest vertellen welke lijn even lang was als de vierde lijn, die op een andere kaart stond. Onder normale omstandigheden had niemand moeite met deze opgave. Maar dat veranderde drastisch wanneer de proefleider gebruikmaakte van enkele handlangers, die allemaal openlijk een verkeerde lijn aanwezen voordat de proefpersoon een oordeel moest geven. Men was dan sterk geneigd om het eigen oordeel bij de meerderheid aan te passen. Aronson (1959) voerde een experiment uit waaruit bleek dat mensen meer waarde hechten aan hun lidmaatschap van een groep wanneer ze een onplezierige initiatie hebben moeten doorstaan om erbij te mogen horen. Studentencorpora maken daar nog steeds gebruik van. Freedman en Fraser (1966) onderzochten de zogenoemde foot-in-door-techniek. Als je iemand eerst om een kleine gunst vraagt, dan heb je meer kans dat hij daarna bereid is een groter offer te brengen.

Ook aan de klassieke studie When Prophecy Fails van de sociaal-psycholoog Leon Festinger (1956) worden nog drie pagina’s besteed. Festinger had zich aangemeld bij de ufoclub van mevrouw Keech (Dorothy Martin), die via automatisch schrift van Space Brother Sananda (ook bekend als Jezus) had vernomen dat er een grote natuurramp in aantocht was. De groepsleden zouden kort voor de catastrofe worden opgepikt door een ufo. Aanvankelijk was de groep heel gesloten en hield men nieuwsgierige journalisten buiten de deur. Festinger voorspelde dat dit zou veranderen als de ramp uitbleef en dat klopte inderdaad. De leden deden toen veel meer moeite om buitenstaanders voor hun ideeën te interesseren en belden zelf naar journalisten. Dit gaat overigens niet altijd op. Zo nam de verkondigingsijver van de Jehovah’s getuigen duidelijk af toen het voorspelde millennium niet na 6000 jaar menselijke geschiedenis in 1975 aanbrak. Uiteraard had men wel een verklaring voor deze mislukking: de 6000-jarige rustperiode van Jehovah begon bij nader inzien pas na de schepping van Eva.

Voorspellende dromen

In het zevende hoofdstuk, ‘Prophecy’, geeft Wiseman enkele verklaringen voor voorspellende dromen. Gewoonlijk herinneren we ons zo’n droom pas wanneer er iets gebeurt dat erop lijkt. We beseffen niet hoe vaak we over personen of gebeurtenissen dromen die we niet kort daarna in de realiteit tegenkomen. Daar komt bij dat uiteenlopende gebeurtenissen als een vervulling van onze droom kunnen worden geïnterpreteerd, omdat we vooral letten op overeenkomsten, terwijl de verschillen vaak groter zijn. Voorspellende dromen hebben meestal betrekking op onaangename gebeurtenissen, maar dat komt waarschijnlijk omdat mensen in 80 procent van alle dromen negatieve emoties ervaren.

Een voorspellende droom kan ook op voorkennis zijn gebaseerd. Wiseman illustreert dit met een paar voorbeelden. Zo was er in het dorpje Aberfan in Zuid-Wales een meisje dat droomde dat haar school er niet meer stond omdat er iets zwarts op was gevallen. De volgende dag, 21 oktober 1966, werd de school bedolven door een reusachtige berg afval uit een kolenmijn. De droom van het meisje kwam mogelijk niet uit de lucht vallen, want er waren mensen die er al meermaals voor hadden gewaarschuwd dat de afvalberg kon gaan schuiven.

Hetzelfde geldt voor de droom van president Lincoln, waarover Joe Nickell eerder een artikel schreef voor de Skeptical Inquirer. Lincoln droomde dat hij een dode man zag liggen. Toen hij vroeg wie het was, vertelde men hem dat het de vermoorde president was. Twee weken later werd Lincoln vermoord. Hij had echter genoeg reden om daar bang voor te zijn en die angst kwam vermoedelijk in zijn droom naar boven. Lincoln geloofde zelf niet dat de droom zijn dood voorspelde, omdat hij iemand anders had zien liggen.

Als er ergens een ramp is gebeurd, dan is er vaak wel iemand te vinden die niet lang daarvoor iets dergelijks heeft gedroomd. Maar dat is niet wonderbaarlijk als er in potentie miljoenen mensen zijn die zo’n droom zouden kunnen rapporteren. Het wordt pas opmerkelijk als men dingen kan voorspellen die nog niet bekend zijn. Daar is echter nooit veel succes mee geboekt. Wiseman noemt als voorbeeld de vele dromen over het tweejarige zoontje van de luchtvaartpionier Charles Lindbergh, dat in 1932 werd ontvoerd. De psycholoog Charles Murray nodigde iedereen via een krant uit om voorspellende dromen over deze zaak naar hem op te sturen. Hij ontving er circa 1300, maar in slechts 5 procent daarvan werd correct voorspeld dat het jongetje dood was.

Dit lijkt op de paranormale tips die binnenkwamen na de ontvoering van Gerrit Jan Heijn in 1987. Onder degenen die zichzelf paranormaal begaafd noemden, waren er 200 personen die correct voorspelden dat Heijn niet meer in leven was, maar er waren 300 die beweerden dat hij nog leefde. Opmerkelijk genoeg bakten professionele paragnosten er veel minder van: 30 van hen vertelden dat Heijn in leven was, terwijl slechts 4 paragnosten correct voorspelden dat hij al dood was. Bovendien was er geen enkele paragnost die voorzag dat er slechts één dader was, terwijl 30 paragnosten over meerdere daders spraken. Dat kwam waarschijnlijk omdat ze hun ingevingen baseerden op de foutieve veronderstellingen van de politie.

Wiseman geeft enkele tips aan mensen die vaker helder willen dromen. Hij vertelt ook nog maar eens hoe de chemicus Kekulé tijdens een droom een slang zag die zich in de eigen staart beet, waardoor hij zich realiseerde dat benzeen een ringstructuur heeft. Overigens mogen er bij dit verhaal wel wat vraagtekens worden geplaatst, want Kekulé sliep waarschijnlijk niet en zag ook geen slang. Tot slot stipt Wiseman nog een paar theorieën aan over de oorsprong van dromen.

Het boek wordt afgesloten met een korte ‘Conclusion’ en een paar party-tricks. In zijn conclusie stelt Wiseman dat veel paranormale overtuigingen voortkomen uit ons vermogen om patronen waar te nemen, verbanden te leggen en overeenkomsten te zien, ook wanneer die er niet werkelijk zijn of louter op toeval berusten.

 

De verschijning van een skeptisch boek kan een reden zijn om de vlag uit te steken, want er bestaan al te veel boeken over het paranormale waarin bijna louter onzin wordt verkondigd. Wisemans boek laat zich makkelijk lezen en is leuk geschreven. Het is een mengsel van wetenschap en entertainment. Het boek bevat veel anekdotische verhalen, die gewoonlijk niet van recente datum zijn en die ook niet altijd rechtstreeks betrekking hebben op paranormale verschijnselen en ervaringen. Het boek is opgebouwd uit korte stukjes, die je ook in een andere volgorde zou kunnen lezen. Voor de gemiddelde skepticus staat er mogelijk niet veel nieuws in en worden de wetenschappelijke aspecten wat te oppervlakkig behandeld. Het is opvallend dat Wiseman in het geheel geen aandacht besteedt aan de experimentele parapsychologie, terwijl hij in het verleden zelf in parapsychologische vakbladen publiceerde.

Noten

1. Bekijk bijvoorbeeld het BBC-programma The People Watchers, waarvan veel afleveringen op YouTube te vinden zijn.
2. Zie www.richardwiseman.com/research/papers.html
3. Zie Helderziendheid bekeken
4. IJsselstein, W. A. et al. (2006). Is this my hand I see before me? Presence, 15, 455-464.
5. Zie www.susanblackmore.co.uk/
6. Zie Skepter 19(2), 30-34, ‘Zielloze proeven’.
7. Op www.wjh.harvard.edu/~wegner/conscwil.htm zijn verscheidene artikelen te vinden waarin Wegner zijn theorie bespreekt.
8. Zie Skepter 19(4), 27-30, ‘Gespierde gedachten’.
9. Een gedetailleerder verhaal hierover is te vinden in Tussen Waarheid & Waanzin, de encyclopedie van Hulspas en Nienhuys (1998).
10. Zie Skepter 2(2), 1-6, ‘Hypnose: de verbeelding aan de macht’.

Uit: Skepter 23.2 (2010)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014