De Tombe van God

Boekbespreking

door Peter Burger

tombe-van-godEen scherpschutter en een bouwkundige gaan schatgraven in Zuid-Frankrijk. Het verslag van hun speurtocht voegt een nieuwe dimensie toe aan de mythen rond het plaatsje Rennes-le-Château, maar zelden werd een sensationeel gegeven zo saai gepresenteerd.

Je kunt geschiedkundige fantasten altijd herkennen, heeft Umberto Eco ooit gezegd, doordat ze vroeg of laat over de Tempeliers beginnen (De Slinger van Foucault, pag. 67, 71, 386). In De Tombe van God, van Richard Andrews en Paul Schellenberger, is het al op pagina 16 raak: de leden van de machtige kruisvaardersorde vonden volgens de auteurs in het Heilige Land een schat, die zij meenamen naar Frankrijk en begroeven in de streek rond het Zuid-Franse dorp Rennes-le-Château.

Die schat was niets minder dan het lichaam van Jezus, wiens beenderen begraven liggen in de Mont Cardou. Het Heilig Graf ligt dus niet in Jeruzalem, maar aan de voet van de Pyreneeën. En het moet met de kaartjes en foto’s die Andrews en Schellenberger in onbekrompen hoeveelheden verschaffen, voor iedere pelgrim te vinden zijn.

Deze vondst voegt een nieuwe dimensie toe aan de berg van speculaties over Rennes, waar het gemeentebestuur al in het begin van de jaren ’70 bordjes moest ophangen om de schatgravers te weren die het gehucht dreigden te ondermijnen. Wat is er aan de hand in dit pittoreske plaatsje?

De vele versies van de mythe beginnen allemaal bij de beroemdste zoon van Rennes, dorpspastoor Bérenger Saunière (1852-1917), die in de jaren ’90 van de vorige eeuw plotseling een fortuin verwierf en op grote voet ging leven: hij trok met zijn huishoudster in een villa, liet een middeleeuwse toren bouwen voor zijn bibliotheek en hield exotische huisdieren.

Niemand wist waar die rijkdom vandaan kwam, (1) maar het moest te maken hebben met de 18de-eeuwse perkamenten die Saunières klokkenluider had gevonden in een pilaar van de dorpskerk. De perkamenten bevatten een code in de beste traditie van zeeroversschatkaarten (‘… ik vernietig deze demon bewaker op het middaguur blauwe appels’). Had Saunière het geheimschrift ontcijferd en een schat gevonden?

Schelmenroman

Volgens de eerste auteurs die zich, aan het einde van de jaren ’60, in het mysterie verdiepten, was Saunière inderdaad op een fortuin aan goud en juwelen gestuit. De schat kreeg echter een spirituele dimensie in de wereldbestseller Het heilige bloed en de heilige graal (1982), van Michael Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln. Volgens hen hadden de perkamenten de dorpspastoor niet alleen naar een schat geleid, maar ook naar een geheim: de waarheid over het lot van Jezus Christus. Christus trouwde met Maria Magdalena. Zij verhuisde naar Zuid-Frankrijk, en de nakomelingen van Christus leven voort in de dynastie der Merovingers.

Op het eerste gezicht is daar het verhaal afgelopen – want de Merovingers, die werden zoals we uit de geschiedenisboekjes weten, al in de vroege Middeleeuwen opgevolgd door de Karolingers. Nazaten van de Merovingers zijn volgens Baigent & Co. echter nog steeds in leven. Hun belangen worden behartigd door een geheim genootschap, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de Middeleeuwen, de Prieuré de Sion. De Prieuré is in de loop der eeuwen geleid door illustere Grootmeesters, onder wie Leonardo da Vinci, Isaac Newton, Victor Hugo, Claude Debussy en Jean Cocteau.

Uiteindelijk is al deze informatie afkomstig van één enkele mythomaan met een obsessie voor stambomen en samenzweringen: ene Pierre Plantard, die in 1956 zijn eigen geheime orde oprichtte, de Prieuré de Sion. Dat was trouwens niet het eerste genootschap dat hij stichtte: voor de oorlog had Plantard al een ridderorde opgericht waar joden en vrijmetselaars geen lid van mochten worden. In de oorlog redigeerde hij een blaadje waarin werd gefulmineerd tegen vrijmetselaarscomplotten, maar erna ging hij prat op zijn verzetsverleden.

Plantard benoemde zichzelf tot Grootmeester van de Prieuré, een ridderorde die nog ouder en machtiger zou zijn dan die van de Tempeliers. Ook beweerde Plantard een afstammeling te zijn van de Merovinger Dagobert II en dientengevolge recht te hebben op de troon van Frankrijk. Om deze claim te ondersteunen, voegde hij zijn eigen naam toe aan een stamboom van de Merovingers die hij natekende na uit een historisch tijdschrift. In werkelijkheid was Plantards vroegst bekende voorvader een 16de-eeuwse boer die walnoten verbouwde.

De meeste van deze bezwarende feiten waren ook Baigent & Co. bekend. Waar anderen op grond daarvan zouden denken dat Plantard de schepper was van een reusachtige practical joke, kwamen zij tot een heel andere conclusie: Plantard en zijn medesamenzweerders beschikken over geheime kennis. Want niemand kan zo’n complex verhaal verzinnen, toch?

Vijfhoeken

Met hun speurtocht naar het graf van Christus borduren Andrews en Schellenberger (een ex-militair met belangstelling voor archeologie en een bouwkundige) voort op een mogelijkheid die Baigent & Co. al terloops opwerpen: dat Jezus ligt begraven bij Rennes-le-Château.

Maar vergeleken met Het heilige bloed en de heilige graal is De tombe van God teleurstellend saai. Het eerste boek is ook voor skeptici te genieten als schelmenroman over een schemerwereld van kleine zwendelaars en fantasten, die met hun verzonnen genootschapje de hele wereld voor de gek houden. Niets van dit alles bij Andrews en Schellenberger. Geen geheime rendez-vous in Parijse restaurants, anonieme brieven met inside informatie en geknoei met vervalste handtekeningen, maar, honderden pagina’s achtereen, meetkundige figuren. De beroemde perkamenten, landkaarten van Rennes en omstreken, schilderijen en grafstenen – alles tekenen de auteurs vol met vijfhoeken, gekantelde vierkanten, hoeken van 75 graden en geroteerde hexagrammen.

Nergens wordt echter uitgelegd wat de criteria zijn om bij deze zoektocht naar terugkerende patronen treffers te onderscheiden van missers. Waarom op een schilderij lijnen getrokken van de ene herdersstaf naar de andere, en niet de neuzen van de herders met elkaar verbonden? Of hun grote tenen?

Andrews en Schellenberger hanteren deze lukrake redeneertrant ook bij de ontcijfering van de geheime boodschap op de perkamenten. Een voorbeeld: in de code komt een cheval de Dieu voor. Helaas is nergens op de landkaart iets te ontdekken dat op een ‘paard van God’ lijkt. Nu blijkt cheval de Dieu volgens het woordenboek een synoniem te zijn voor ‘krekel’ (grillon). Krekels zijn er in overvloed in Zuid-Frankrijk, maar ook dat helpt hen niets verder. En dan daagt het: grillon betekent op zijn beurt behalve ‘krekel’ ook ‘drager’, bijvoorbeeld van een brug. En laat er nu in de omgeving van Rennes een spoorbrug staan. Weer een aanwijzing thuisgebracht.

Volhouders die het laatste hoofdstuk bereiken, worden op de valreep nog op een fraai staaltje etymologie getracteerd: de naam van de Mont Cardou zou een Languedocse verbastering zijn van ‘Corps Dieu’. Dit is taalkunde van hetzelfde gehalte als die van Iman Wilkens, die in Waar eens Troje lag (1992) aantoonde dat Homerus uit Zeeland kwam – het is immers zonneklaar dat Vlissingen is afgeleid van Ulysses en Zierikzee van Circe.

Ingewijden

De laatste aanvechtingen om Andrews en Schellenberger het voordeel van de twijfel te gunnen, werden bij mij weggenomen door William Crans televisiedocumentaire The history of a mystery, die vorig jaar september werd uitgezonden door de BBC. Cran ging zelf op onderzoek uit en ontdekte dat De Tombe van God is gebaseerd op geruchten en vervalsingen.

Cruciaal voor het betoog van Andrews en Schellenberger is een verblijf van Saunière in Parijs, anno 1892, waar hij de mis opdroeg in St. Sulpice en in het Louvre enkele reproducties van schilderijen kocht. Een daarvan, Poussins ‘De herders van Arcadië’, speelt een sleutelrol in de geometrische exercities van de auteurs.

Uit de archieven van het Louvre blijkt echter dat reproducties van Poussins schilderij voor het eerst werden verkocht in 1901. Bovendien blijkt het enige bewijs voor een verblijf in Parijs op geruchten te berusten: de archivaris van St. Sulpice liet Cran weten dat het missenregister geen gastoptredens van Saunière vermeldt.

Het pijnlijkst is dat Andrews en Schellenberger een beetje uilig moeten toegeven dat ze de originelen van de beroemde perkamenten – met de code die de weg wijst naar het graf van Christus – nooit onder ogen hebben gehad. Maar Cran heeft ze wel gevonden: een voormalig compagnon van Plantard haalt voor de camera de originelen uit een map. Op een ervan heeft Plantard aangetekend dat ze vervaardigd zijn door zijn vriend Philippe, Marquis de Chérisey. Ook komt een brief in beeld waarin De Chérisey toegeeft de vervalsing in 1965 te hebben gemaakt.

Bovendien schreef De Chérisey een 44 pagina’s tellend manuscript waarin hij uiteenzet wat de code betekent. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat het cheval de Dieu dat Andrews en Schellenberger zoveel hoofdbrekens kostte, niets met een spoorbrug te maken heeft, maar een woordspeling is met cabale (‘mysterie’, ‘complot’).

Diepe ontgoocheling bij de auteurs? Welnee: ze hadden in hun boek al de mogelijkheid geopperd dat de perkamenten met de code uit de 20ste eeuw zouden stammen. Maar dat betekent toch niet dat de informatie erin niet klopt? Zij hebben toch alle aanwijzingen teruggevonden in het landschap rond Rennes? Dat moet dus betekenen dat de vervalsers ingewijd zijn in het geheim van de Tempeliers. De auteurs vertrouwen erop dat hun gelijk zal blijken als de Franse regering de spade zet in de Mont Cardou en een gebeente van een man uit de eerste eeuw na Christus opgraaft. En hoe we dan zeker weten dat dat het lichaam van Jezus is? ‘Misschien kan vergelijking met de lijkwade van Turijn uitkomst bieden.’

Wat een dergelijk onderzoek ook zal opleveren: Andrews en Schellenberger hebben de buit al binnen. Zij kregen van hun uitgever een voorschot van 300.000 pond. Of dat geen schatgraven is.

Literatuur

Richard Andrews en Paul Schellenberger, De Tombe van God. Het lichaam van Jezus en de ontknoping van een 2000 jaar oud mysterie. Tirion, Baarn (1996).

Noot

1. Een plausibele bron van de rijkdom van de pastoor werd vermeld in de rubriek Parariteiten van Skepter, december 1997.

Zie ook De pretenties van de Da Vinci Code, Skepter, zomer 2006.

Peter Burger is als docent en onderzoeker verbonden aan de opleiding Journalistiek en Nieuwe Media van de Universiteit Leiden.