Een middeleeuwse roman

De pretenties van de Da Vinci Code

door Jan Willem Nienhuys

Het is vaker gezegd, de Da Vinci Code heeft het werkelijkheidsgehalte van James Bondfilms, hoewel de auteur dat ontkent. Een recente documentaire noteert de ergste historische flaters.

Op 17 mei 2006 ging de film De Da Vinci Code (DVC) in première. Ongeveer tegelijkertijd (14 en 22 mei) zond de Belgische tv een documentaire van Channel 4 van de BBC uit getiteld The Real Da Vinci Code (eerste uitzending 3 februari 2005), een van de bijna dertig documentaires over dit onderwerp. Deze documentaire, met flitsen van voorgangers, gepresenteerd door de acteur Tony Robinson, is de moeite van het bekijken waard, en ze is ook op dvd te krijgen.

Het verhaal van de Da Vinci Code is nogal onzinnig en persoonlijk ben ik al afgehaakt toen een Franse museumdirecteur in zijn doodsstrijd vlug even een Engels anagram maakte van een Engelse aanduiding voor La Joconde en even later bij een klepel-en-klokverhaal over bijen en fibonaccigetallen. Dat de Opus Dei er niet zo best afkomt, heeft die organisatie geïnspireerd tot een uitvoerige weerlegging, en om alle flauwekul in deze niet eens zo best geschreven thriller (een beginnersleerboek hoe men een Engelse zin niet hoort te construeren, volgens een sarcastische recensent) te weerleggen is waarschijnlijk een dik boek nodig. Wat het boek zo aantrekkelijk maakt, is niet duidelijk – misschien de oeroude combinatie van religie, seks en koningschap met een flinke portie gratuit geweld (‘Ik ben zwanger van de Heilige Geest’, zei de maagd en ze baarde de Koning der Eeuwen.)

Wie de Saint Sulpice bezoekt, struikelt daar bij wijze van spreken over de toeristes die naar de bloedvlekken zoeken, maar je krijgt ook een A4-tje met een samenvatting van de ergste onzin uit DVC. Desgevraagd vergast gids Michel Rouge de bezoeker op nog andere lachwekkende details zoals de kandelaar waarmee de albino monnik in hoofdstuk 29 en 31 tekeergaat. Het ding is zo zwaar, dat twee man nodig zijn om hem alleen maar te verplaatsen.

De auteur Dan Brown beweert in een tv-interview: ‘All of the art, architecture, secret rituals, secret societies, all of that is historical fact.’ Hij heeft het meeste gehaald uit het fantasiewerk The Holy Blood and the Holy Grail (HBHG, 1982).

In de documentaire gaat Tony Robinson eerst naar het Research Institute in Systematic Theology in King’s College in Londen. Dat figureert in het boek in hoofdstuk 92 als een plek waar zich een gigantische elektronische database bevindt. Niet dus. Professor Oliver Davies verklaart dat het een informeel praatclubje van geleerden is. Brown is daarmee ontmaskerd als leugenaar, maar dit is nog maar het begin.

Het verhaal van HBHG is ongeveer dat de Graal niet de beker is van het Laatste Avondmaal, maar Maria Magdalena die getrouwd was met Jezus, en dat hun kind de voorouder was van de Merovingische koningen. Dit geheim (dat Jezus nazaten heeft) was in het bezit van diverse organisaties, waaronder de katharen en de Tempeliers; het geheim (of de identiteit van de nazaten) is altijd beschermd geweest door een genootschap genaamd de Priorij van Sion. Pastoor Bérenger Saunière ontdekte in zijn kerkje te Rennes-le-Château in de jaren 1890 documenten die hierop betrekking hebben en werd schatrijk van het zwijggeld dat hem werd toegestopt. Ooit zijn de documenten verborgen geweest in Rosslyn Chapel in Schotland.

Graal

Wat is de Graal? Het zal menigeen verbazen dat er in Hawkstone Manor in Shropshire een soort Graal is. Het is een groenig onyx eierdopje, in feite een Romeins parfumvaasje uit de 1ste eeuw, waarschijnlijk in de 18de eeuw verborgen in het soort extravagante dwaze tuin die toen in de mode was, met ‘ruïnes’, grotten, antieke beelden en andere tierelantijnen. Het potje werd bij toeval in 1920 gevonden en Graham Phillips, auteur van The Search for The Grail (1995), denkt dat sommige verhalen over de Graal hierop teruggaan. In dit parfumpotje zou Maria Magdalena wat druppels bloed van de dode Jezus verzameld hebben. Folklorehistorica Juliette Wood vindt dat Phillips overdrijft. Niemand weet wat de antiquair Thomas Wright in gedachten had toen hij dit kleinood ruim twee eeuwen geleden verstopte, zegt Richard Barber, schrijver van The Holy Grail: Imagination and Belief (2004).

Ook in Valencia is een Graal, maar dit object (de Santo Caliz) is een kom van bruingestreepte glanzende steen uit de 3de eeuw in een Arabische setting van de 11de eeuw. De werkelijkheid is natuurlijk dat de Graal van meet af aan een literaire fictie was. De Franse dichter Chrétien de Troyes (1130-1185) schreef een gedicht getiteld Percival of Conte du Graal (in zijn geheel op internet te vinden). In dit gedicht waarin in die tijd bekende thema’s zijn verwerkt, komt Percival in een geheimzinnig kasteel terecht, ziet daar tijdens het diner een jongeman die een bloedende lans draagt, en vervolgens een jongedame met een kostbare met juwelen bezette schaal (graal). Beiden begeven zich naar een zijkamertje. Percival durft niets te vragen. De volgende morgen is het hele kasteel leeg. Later hoort Percival dat zijn ongeziene gastheer de Visser-Koning was, en hij krijgt te horen dat hij een mooie kans voorbij had laten gaan om de koning van zijn speerwond te genezen. Percival gaat op zoek naar de Graal en verneemt zelfs dat de Graal diende om de koning (eigenlijk een oom van Percival) dagelijks de hostie te brengen, zijn enige voedsel. Het gedicht is echter niet af. De dichter stierf te vroeg.

Historici Thomas Asbridge en Barber leggen het allemaal uit. De Troyes had een fantastisch nieuw verhaal bedacht, en binnen een halve eeuw kwamen er wel vijf nieuwe versies van, en elke schrijver beweert dat het over een echt object gaat, en allemaal zeggen ze dat ze zich op authentieke bronnen baseren. Dat was de schrijfstijl in die dagen, zegt Wood. De lezers wisten dat, en de auteurs wisten dat de lezers dat wisten. Barber betoogt dat als we nu denken dat de Graal ook echt bestaan heeft, we dezelfde fout maken als lezers uit het jaar 3000 die denken dat Middenaarde en Frodo en Gandalf echt bestaan hebben en dat wij er allemaal van wisten. In die zin is DVC een variatie op het thema middeleeuwse ridderroman, maar met het verschil dat Brown misschien en vele lezers zeker denken dat er toch wel iets van klopt.

Katharen

Maar hoe zit het dan met het idee van dat geheim over het huwelijk van Jezus? Wisten de katharen ervan? De katharen hadden een stel opmerkelijke ideeën: God is niet almachtig, de wereld is geschapen door Satan en het huwelijk en seks zijn een noodzakelijk kwaad waarvan de perfecti zich moeten onthouden. Kathaar betekent ‘zuiver’, het woord ‘ketter’ is ervan afgeleid. De katharen hielden deze gedachten bepaald niet voor zich, en de rooms-katholieke kerk heeft ze daarom uitgeroeid. De kerk was toen even fel op afwijkingen van de ware leer als islamitische heersers nu.

De laatste fase van de strijd van de katharen was de belegering van de vesting Montségur in 1244. Vlak voordat de vesting zich overgaf, zouden vier mannen ’s nachts langs de steile rotsen ontsnapt zijn met medeneming van iets. Niemand weet wat. Katharenhistoricus Jonathan Sumption vertelt dat we maar één ding weten: dat twee personen zijn verhoord die niets meer wisten dan dat. Volgens auteur Michael Baigent van HBHG moeten het documenten zijn geweest, want waarom zou de kerk anders zo’n moeite hebben gedaan?

Even Baigents logica op een rijtje: de katharen, die het huwelijk onzin vonden, hadden documenten die bewezen dat Jezus getrouwd was en probeerden die ten koste van alles te verbergen en uit handen van de Inquisitie te houden; de rooms-katholieke kerk, die kennelijk wist waarom het ging, onderdrukte de katharen om dat bewijs te vernietigen. Het was allemaal zo geheim dat pas de auteurs van HBHG erachter konden komen.

Rosslyn Chapel en de Tempeliers

Zoals Umberto Eco schreef (in zijn befaamde parodie op HBHG), kun je onzin daaraan herkennen dat de Tempeliers erbij worden gehaald. De Tempeliers, voluit de Ridders van Christus in de Tempel van Salomo in Jeruzalem, zegt tempelierhistorica Helen Nicholson, waren vechtersbazen die de pelgrims beschermden en die door giften zo rijk werden dat ze een profijtelijke internationale bankdienst konden opzetten. In 1307 besloot Philips IV (de Schone) ze te beroven. Hij liet ze allemaal oppakken en martelen. Onder marteling bekenden ze allerlei vreselijke en ketterse dingen, die ze subiet weer ontkenden als ze in de gelegenheid waren. In 1311 werd de orde opgeheven door de paus, die er wat te laat (1314) achter kwam dat hij was voorgelogen.

Baigent hecht waarde aan al die valse bekentenissen. Hij denkt dat de Tempeliers zo rijk en machtig waren omdat ze een stapel documenten uit de tempel hadden opgegraven die daar kort na de kruisiging van Jezus waren verstopt. Maar archeoloog Gabriel Barkay van de Universiteit van Jeruzalem denkt van niet. Dan hadden ze 47 meter diep moeten graven.

Sommige Tempeliers waren al het land uitgegaan voor Philips’ Endlösung van het Tempelierenprobleem, en waren in Schotland terechtgekomen. Daar bouwen de ze de mysterieuze Rosslyn Chapel. Dus verstopten ze daar de Graal of iets wat er mee te maken had. De kapel heeft overdadige versieringen met zogeheten ‘engrailed crosses’ (uitgeschulpte kruizen). Ook hier worden weer flinke strepen door de theorie gezet. De bouw van Rosslyn Chapel begon in 1440 en duurde 50 jaar. Dat is meer bijna 140 jaar na de vernietiging van de Tempeliers. Verder liggen er wel 100 Sinclairs of familie begraven onder de kapel, dus het is erg onwaarschijnlijk dat iets dat in de gewelven onder de kapel verstopt was, nooit was opgemerkt.

De Tempelierconnectie is ook tamelijk vaag. Een verre nazaat van de Sinclair die de kapel liet bouwen, heeft eind jaren 1990 een linnen rol in de Lodge Kirkwall Kilwinning van de vrijmetselaars in de Orkneys ontdekt, met daarop een afbeelding van de Tempel van Salomo, die volgens hem exact overeenstemt met het rechthoekige grondplan van de kerk. Helaas is de afbeelding versierd met een adellijk wapen dat pas in 1751 ontworpen is, en is de ‘tempel’ heel duidelijk een plaatje van een joods kamp met het tabernakel in de woestijn.

Rennes-le-Château

Een volgende bouwsteen rond DVC is de Priorij van Sion en de schat van Rennes-le-Château (zie ook Skepter, juni 1997). Hier is het verhaal van de documentaire wat beknopt. Er zijn honderden boeken over dat onderwerp, maar het begon allemaal met het verhaal van een journalist, Albert Salamon, die in een regionale krant (La Dépêche du Midi) op 12-15 januari 1956 een spectaculair verhaal vertelde. Zijn bron was Noël Corbu, de uitbater van een hotel gevestigd in de voormalige pastorie van Bérenger Saunière (1852-1917). Deze pastoor had vanaf eind jaren 1890 over veel geld beschikt van onduidelijke herkomst, en Salamon/Corbu suggereerde dat hij een schat had ontdekt en ook oude perkamenten. Wat er op die perkamenten stond, werd niet verteld, misschien de locatie van de schat.

Helemaal raadselachtig waren de inkomsten niet, want zelfs Salamon noemde een aanklacht van handel in missen. In die tijd mochten priesters hun inkomsten aanvullen door tegen betaling dagelijks maximaal drie missen (zondags één) op te dragen met een speciale intentie. Wie meer misintenties kreeg dan hij kon ‘verwerken’, kon ze doorsluizen naar anderen. Dat was legaal, maar opende de mogelijkheden voor fraude. Salamon vermeldde dat Saunière in 1911 hiervoor veroordeeld was, en na een hoger beroep vanaf 1915 van zijn priesterschap ontheven was en ook geen misintenties meer mocht accepteren.

Hoe het nou precies zit met de inkomsten van Saunière is niet duidelijk. Dat hij niet over een schat maar een continue stroom van inkomsten beschikte, lijkt waarschijnlijk. Zijn uitgaven voor verfraaiing van de kerk, de bouw van zijn bibliotheek La Tour Magdala, et cetera waren gespreid. Hij reisde Frankrijk en zelfs heel Europa af om in parochieblaadjes advertenties te zetten om misintenties te verzamelen. Hij schreef ook priesters aan of ze misschien overtollige intenties hadden! Hij ontving soms wel 150 postwissels per dag ten bedrage van 5 tot 40 franc. Hij fungeerde dus als een soort makelaar in misintenties. Als hij bij zulke aantallen er een stel buiten de boeken hield, of missen ‘doorverkocht’ voor minder dan hij ontving, zijn we al een heel eind met de 190.000 franc onduidelijke inkomsten van Saunière te verklaren.

Zijn superieur monseigneur Billard deed hetzelfde op misschien nog wel grotere schaal. Misschien wist Saunière ook op grote schaal donaties los te peuteren. Een en ander is al te vinden in een notitie uit 1962 van de bibliothecaris René Descadeillas van de gemeentelijke bibliotheek van Carcassonne, getiteld: ‘Notice sur Rennes-le-Château et l’abbé Saunière’ (inmiddels op internet te vinden). Een uitwerkte versie, Mythologie du Trésor de Rennes verscheen in 1971. Die bevat enkele ernstige rekenfouten; zo had Descadeillas maandelijkse rekeningstanden voor maandelijkse inkomsten aangezien! Jean-Jacques Bedu schreef er een heel boek over: Rennes-le-Château, Autopsie d’un mythe (Rennes-le-Château, 1990) waarvan een deel (in Engelse vertaling) vermeld staat op www.priory-of-sion.com. Maar we lopen vooruit op de geschiedenis.

De volgende fase (we slaan andere boeken over de geheimzinnige schat van de pastoor over) was een fantastisch boek van de journalist Gérard de Sède, eigenlijk burggraaf Géraud Marie de Sède de Lièoux (1921-2004). Het was getiteld L’Or de Rennes (Het goud van Rennes, 1967) en een herdruk vier jaar later heette Le Trésor maudit de Rennes-le-Château. (De vervloekte schat van Rennes-le-Château). De Sède werkte het verhaal verder uit, en is opmerkelijk nauwkeurig over de oude perkamenten, maar vertelt niet hoe hij eraan kwam. Hij bespreekt ook vreemde documenten met genealogieën, brieven en tekeningen. Hij probeert op basis van rekenfouten van Descadeillas te beredeneren dat Saunières geld niet van missen kwam.

Dan verschijnt programmamaker Henri Lincoln. Hij koopt de Sèdes boek in 1969 en maakt er drie tv-programma’s over in 1972-1979, en verwerkt het materiaal ook in HBHG (1982). Onderdeel van de programma’s was de ontraadseling van de geheimtaal van de manuscripten. Dat had Lincoln niet zelf gedaan, dat had de Sède voor hem gedaan, of beter, de Sède kende een ‘expert’ die wist hoe het moest zei hij.

Pastoor Bérenger Saunière.

Van één manuscript was de versleuteling érg ingewikkeld. Voor het versleutelen van een korte ‘klare tekst’ waren twee hulpteksten gebruikt van een mysterieuze grafsteen uit 1781, en daarna waren de letters nog een keer opgeschoven in het alfabet, en vervolgens in paardensprongvolgorde over een schaakbord verdeeld, en uiteindelijk verspreid als extra letters (met de nodige overschrijf- en coderingsfouten) in een tekst uit een Latijnse bijbel die in 1889 gepubliceerd werd. De letters van het manuscript zelf waren in een handschrift dat tussen 200 en 500 gangbaar was. De ontsleutelde tekst is wartaal en tegelijk een bijna-anagram van de tekst op genoemde grafsteen: bergere pas de tentation que poussin teniers gardent la clef pax DCLXXXI par la croix et ce cheval de dieu j acheve ce daemon de gardien a midi pommes bleues. (Herderin (of leunstoel), geen verleiding, dat Poussin en Teniers de sleutel bewaken. Vrede 681. Door het kruis en dit paard van god, voltooi (of: vermoord) ik deze demon van de bewaker te noene. Blauwe appels).

Alles bij elkaar is het uitgesloten dat een dergelijke korte tekst met een dergelijk ratjetoe aan encryptiemethoden door analyse gevonden kan worden. De ontraadselaar van de tekst moet dezelfde zijn als die hem bedacht heeft. Het is overduidelijk dat het om een mystificatie gaat.

Priorij van Sion

In The Real Da Vinci Code ontmoeten we diverse personages die bij deze grap betrokken waren, waaronder ook technisch tekenaar Pierre Plantard (1920-2000) en Philippe de Chérisey (1923-1985). De laatste was een humorist en scriptschrijver die onder meer voor een radioprogramma (Signé Furaux) werkte dat grappen bedacht zoals een psychiatrisch ziekenhuis voor gekke planten. De Chérisey hielp Plantard te ‘bewijzen’ dat Plantard van de Merovingische koningen afstamde, wat waarschijnlijk voor Plantard bloedserieus was, maar voor de Chérisey surrealistisch vermaak. In een 18 (!) uur durend interview dat HBHG-auteur Lincoln voor een van zijn BBC-documentaires maakte, kon Plantard nauwelijks wat anders uitbrengen dan ‘U weet niet dat de Merovingers Frankrijk gemaakt hebben.’

Philippe de Chérisey (l) hielp Pierre Plantard (r) te bewijzen dat hij van de Merovingische koningen afstamde.

Wanneer Plantard met zijn voorouderfantasie begonnen was is onduidelijk. Hij had zijn Prieuré de Sion in 1956 opgericht als een ultrarechts clubje dat binnen een jaar alweer ter ziele ging. Pas in samenwerking met de Chérisey was het idee sterk uitgebreid. Mogelijk had de Chérisey iets in Plantard of Rennes gezien voor Signé Furaux. Maar het was allemaal onzin: de Priorij van Sion, de Dossiers Secrets (een bonte verzameling documenten met onder meer een lijst van Grootmeesters van de Priorij van Sion die helemaal tot 1099 terugging en die eindigde met de surrealist Jean Cocteau, en alles op de schrijfmachine van Plantard getikt), de perkamenten, alles: net zo onzinnig en vermakelijk als Monthy Python and the Holy Grail.

Zou de Sède het geloofd hebben? Hij was een actieve surrealist en bevond zich wellicht in het schemergebied tussen opgeschort ongeloof en toegewijd absurdisme waarin de waarheid onbelangrijke franje is. In elk geval had de Sède in Les Templiers sont parmi nous ou l’ Énigme de Gisors (1962) Plantard al opgevoerd als archeoloog.

Een en ander werd ontdekt door de journalist Jean-Luc Chaumeil, die zelfs het origineel van de documenten laat zien, met een commentaar in Chériseys handschrift erop dat hij het bedacht had. De Chérisey had Chaumeil zelfs een in een manuscript van 44 pagina’s precies uitgelegd hoe alles gedaan was. Chaumeil waarschuwde de auteurs van HBHG al ruim voor hun boek uitkwam. Maar Baigent zegt met een stalen gezicht tegen Robinson dat Chaumeil het helemaal verkeerd had en niet eens in de buurt is geweest van de werkelijke betrokkenen. Een echo hiervan komen we nog in de film tegen, als Tom Hanks een beetje tegensputtert dat de Priorij een mystificatie is die door Philippe de Chérisey was doorgeprikt, wat dan weer door Ian McKellen wordt weggewuifd.

Toen in 1982 HBHG uitkwam en op de eerste dag 43.000 exemplaren verkocht werden, liep de grap uit de hand. Dat Plantard nu via de Merovingers afstamde van Jezus, vond hij te ver gaan en hij zei dat HBHG onzin was. In 1989 schreef Plantard in zijn tijdschriftje Vaincre dat het allemaal om vervalsingen ging. Ook de Sède schreef in Rennes-le-Château, le dossier, les impostures, les phantasmes, les hypothèses (1988) dat alles berustte op hersenspinsels van Plantard. Arnaud de Sède (zoon) is er volkomen duidelijk over: ‘absolute piffle.’

Er is dus geen graal, er is geen schat, de Tempeliers en de katharen hebben er niets mee te maken en de Priorij van Sion of beter alle documentatie eromheen is een grap van een mythomaan en twee surrealisten. Al deze dingen zijn al zeker tien jaar bekend, en niettemin verwerkte Brown ze in zijn boek met de middeleeuwse opmerking dat het echt allemaal waar is. De manier waarop hij dat blijft benadrukken, plaatst hem in dezelfde categorie als lepelbuigers die middelmatige goocheltrucs als paranormale kunsten afschilderen.

Maria Magdalena

Leonardo da Vinci komt in de titel van het boek voor, en zijn beroemde fresco in de eetzaal van het klooster Santa Maria della Grazie te Milaan staat er dan ook in. Zijn opdrachtgever indertijd, Ludovico Sforza, hertog van Milaan, verwachtte natuurlijk een afbeelding van Jezus met twaalf apostelen, en als Ludovico bij oplevering van het werk had gezien dat er een apostel verdonkeremaand was en vervangen door een vrouw, dan had er wat gezwaaid. Hij en zijn tijdgenoten zagen echter niets anders dan de apostel Johannes die toen vaak wat jong en in onze ogen androgyn wordt afgebeeld, in die tijd het prototype van de jonge toegewijde student. Het is ook helemaal niets voor Da Vinci om geheimzinnig te doen, zegt Da Vincikenner Charles Nicholl tegen Tony Robinson.

Maar hoe zat het nou met Maria van Magdala? In de Bijbel wordt ze diverse malen genoemd als een volgelinge van Jezus waarbij ooit zeven boze geesten waren uitgedreven. Volgens de evangeliën was ze zowel bij de kruisiging van Jezus aanwezig, als een van de eerste getuigen van zijn verrijzenis. Ze wordt in het evangelie van Lucas de eerste keer genoemd in hoofdstuk 8 vers 1. Vlak daarvoor in hoofdstuk 7 staat er een verhaal over een vrouw ‘die als zondares bekend stond’ die Jezus’ voeten waste met tranen, droogde met haar haren, ze kuste en daarna zalfde met mirre. Het verhaal eindigt ermee dat Jezus de omstanders verwijt dat ze veel onvriendelijker zijn dan deze vrouw, en dat hij haar zonden vergeeft. Hij zegt ‘uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede’. Als we afgaan op Johannes hoofdstuk 11, vers 1-2 was dit Maria van Bethanië, de zuster van Lazarus (geen meetrekkende volgelinge).

Gregorius I (paus van 590 tot 604, dezelfde die het gregoriaans voorschreef) meende, in navolging van vrouwenhatende kerkvaders uit de derde eeuw, dat de vrouwen van Lucas hoofdstuk 7 en 8 dezelfde waren, en dat Maria Magdalena dus een bekeerde hoer was. Fout: ze was een genezen psychiatrische patiënte. Wat men ook van de bijbelse auteurs mag denken, ze zullen het verschil tussen ‘zondig’ en gek toch wel geweten hebben? Hoewel de franciscaan Jakob Faber al in 1517 doorhad dat de rooms-katholieke kerk zich al bijna 13 eeuwen vergiste, duurde het tot 1969 voor Maria Magdalena officieel ophield ‘boetvaardige zondares’ te zijn.

Het idee dat Jezus een speciale verhouding met Maria Magdalena gehad zou hebben, is ontleend aan een van de gnostische evangeliën die bij Nag Hammadi zijn aangetroffen en die voor zover we weten net als de bekende evangeliën lang na dato verteld zijn en voornamelijk uit propaganda van diverse stromingen bestaan. Maar ook hier heeft een overmaat aan fantasie van ‘hij kuste haar vaak op …’ op de stippeltjes ‘de mond’ ingevuld en daar een seksuele betekenis aan gegeven. Ann Graham Brock, auteur van Mary Magdalene, the First Apostle (2003) lijkt het onzin, en ze merkt op dat kussen in die tijd de gebruikelijke christelijke groet was. Baigents argument dat Jezus wel getrouwd moest zijn omdat dat toen de norm was, blijkt niet zo overtuigend. Integendeel, van rondtrekkende predikers verwachtte men wellicht juist dat ze celibatair waren. En als Jezus getrouwd was, zouden dan alle evangeliën, de officiële en de tientallen inofficiële daar helemaal niets over gezegd hebben?

Waar komt dan dat verhaal vandaan dat Maria Magdalena met Jezus’ kind (en mischien met hemzelf erbij) in Frankrijk terecht kwamen? Dat is ontleend aan een boek van Margaret Starbird, The Woman with the Alabaster Jar (1993). In DVC staat dit werkje ook in de bibliotheek van Leigh Teabing. Starbird baseert zich op de folklore in het Franse kustplaatsje Saintes-Maries-de-la-Mer. Daar wordt jaarlijks de aankomst van twee Maria’s (niet van Magdala) in gezelschap van een zwarte (‘Egyptische’) bediende gevierd. (1) De traditie gaat terug tot de 5de eeuw, maar is altijd opgevat als pure legende, horen we van Wood. Ter vergelijking: de jaarlijkse aankomst van Sinterklaas met Zwarte Pieten aan de kop van het Eindhovens Kanaal wil ook niet zeggen dat daar ooit de bisschop van Myra in gezelschap van zijn kinderen aankwam om zich metterwoon in de buurt te vestigen en de voorouder van ons koningshuis te worden. Zo wordt de ene na de andere mythe doorgeprikt. Het ‘Sang Rael’, een gewichtig bewijsstuk in DVC (ook in de film), is naar zeggen van Asbridge een overschrijffout geweest van John Harding (1378-1465), die van san greal (heilige graal) sang real (koninklijk bloed) maakte. Mogelijk had hij het over de koninklijke familie van de graalridders. The Real Da Vinci Code is aan te bevelen: in de korte tijd die er is voor bevattelijke en visueel aantrekkelijke ontrafeling van zo’n enorme berg onzin, wordt een interessante prestatie geleverd. Het meest verbazend is echter nog het uitgestreken gezicht waarmee Brown en Baigent hun leugens verkopen.

Noot voor de website

1. De folklore rond de Maria’s is eigenlijk ingewikkelder. Op de boot zouden onder meer gearriveerd zijn: Maria Magdalena, Lazarus, zijn zuster Martha, Maria Salome (naar verluidt de moeder van de apostelen Jacobus en Johannes) en Maria Jacobe (of Maria van Klopas) en een zwarte dienares Sarah. Van dit gezelschap bleven de drie laatstgenoemden in het kustplaatsje en zijn daar ook begraven. Oorspronkelijk geloofde men dat er drie Maria’s daar begraven waren, maar de legende is aangepast om overeenstemming te krijgen met een andere legende, namelijk dat Maria Magdalena naar Sainte-Baume was gegaan.
Heel erg bijzonder is het niet dat men van de Merovingers afstamt. Meer dan honderduizend Europeanen kunnen zelfs bewijzen dat ze van de Merovinger Karel de Grote afstammen, en waarschijnlijk is Karel de Grote van vrijwel elke Europeaan een voorouder. Dus als Jezus voorouder was van de Merovingers, dan is hij ook voorouder van vrijwel alle Europeanen (met dank aan een brief van Tim Trachet in Skepter 19.4).

Literatuur

Bill Putnam en John Edwin Wood, The treasure of Rennes-le-Château: A mystery solved. Sutton Publishing, 2003.

Uit: Skepter 19.2 (2006)

Jan Willem Nienhuys is redacteur van Skepter en secretaris van Skepsis