Op zoek naar het similiaprincipe

Homeopaten weerleggen Hahnemanns leer

door Rob Nanninga

Alle homeopathische geneesmiddelen maken gezonde mensen tijdelijk een beetje ziek, doordat ze specifieke symptomen opwekken. Maar wanneer je al last hebt van die ongewenste symptomen, dan helpt het middel je juist om ervan af te komen. Dat is het similiaprincipe, de grondgedachte achter de homeopathie. Samuel Hahnemann vatte het samen in het motto: Similibus similia curentur.

Volgens homeopaten kun je ziektesymptomen genezen met een middel dat bij gezonde mensen soortgelijke symptomen oproept. Zij hebben in de afgelopen 200 jaar al talloze proeven uitgevoerd waaruit bleek dat vrijwel alle stoffen als geneesmiddel kunnen worden gebruikt.

Pas de laatste jaren zijn er meer homeopaten tot de ontdekking gekomen dat het heel moeilijk is om wetenschappelijk aan te tonen dat homeopathische middelen meer symptomen opwekken dan een placebo.

Homeopaten kunnen een Materia Medica raadplegen om te bepalen welk middel geschikt is voor een patiënt. Zo’n naslagwerk bevat informatie over diverse homeopathische geneesmiddelen die door gezonde vrijwilligers op de proef zijn gesteld. Bij elk middel staat een lijst van symptomen die de proefpersonen rapporteerden nadat ze het middel hadden ingenomen.

Bij homeopathische geneesmiddelproeven gebruikt men meestal zo’n sterke verdunning dat er geen moleculen van de oorspronkelijk stof meer aanwezig zijn (zie het kader onder deze paragraaf). De test kan worden uitgevoerd met suikerpilletjes die eerder met het middel zijn bevochtigd. De proefpersonen zijn bijna altijd homeopaten of studenten in de homeopathie. Zij laten meermaals enkele pilletjes in hun mond smelten. Meestal krijgen ze de opdracht om daar drie tot vijf dagen mee door te gaan. Ze moeten eerder stoppen zodra ze de eerste ongewone symptomen bespeuren. Daarna moeten ze nog enkele weken lang nauwkeurig bijhouden welke subjectieve ervaringen waarschijnlijk door het middel zijn veroorzaakt of beïnvloed. Dit kunnen zowel psychische als lichamelijke effecten zijn. Ook na ruim een maand kunnen er soms nog symptomen optreden. Gelukkig houden de proefpersonen er geen blijvende schade aan over.

Alle proefpersonen worden individueel begeleid door een supervisor, die regelmatig contact met hen heeft. Deze supervisor moet ervoor zorgen dat ze geen enkele ongewone sensatie over het hoofd zien – van een trillend ooglid tot jeuk aan hun tenen, en van gewetenswroeging tot een vliegdroom. Alle details moeten in de woorden van de proefpersoon worden vastgelegd. Ook het tijdstip waarop een verschijnsel optrad en de omstandigheden waaronder dat gebeurde, zijn van belang. Voordat de proef begon, heeft de supervisor al uitvoerig met de deelnemer gesproken om zijn gesteldheid in kaart te brengen. Zo kan hij beter beoordelen welke symptomen afwijken van het normale patroon. Het is sinds het begin van de vorige eeuw gebruikelijk dat zowel de supervisor als de proefpersoon niet weten welk middel er wordt getest.

Men neemt aan dat een middel niet bij iedereen dezelfde symptomen opwekt, omdat ieder mens van nature slechts gevoelig is voor een beperkt aantal mogelijke effecten. Om een compleet beeld te krijgen moet het geneesmiddel door voldoende proefpersonen worden ingenomen. Dat kan honderden specifieke symptomen opleveren. Angst voor de toekomst zou een symptoom kunnen zijn, maar ook angst wanneer je ’s morgens opstaat, angst nadat je koffie hebt gedronken, angst wanneer je muziek hoort, of angst wanneer je op de wc zit. Wanneer men de proef later met andere vrijwilligers herhaalt, kunnen er nog meer symptomen bijkomen.

Er kunnen ook nieuwe symptomen aan het licht komen wanneer men het geneesmiddel aan patiënten toedient. Als een middel niet goed past bij de klachten van de patiënt, dan kan het naar men aanneemt nieuwe symptomen opwekken zonder de bestaande klachten uit de weg te ruimen.

Verdunningen en potenties

Een homeopathisch geneesmiddel kan worden bereid door een plant in fijne stukjes te hakken en circa veertien dagen in een alcoholoplossing te weken. Het mengsel wordt daarna gefiltreerd en al het vocht wordt eruit geperst. Neem één druppel van deze oertinctuur, voeg daar 99 druppels water en alcohol aan toe, en schud de vloeistof tien of vijftien maal krachtig. Je beschikt dan over één flesje met circa 5 ml vloeistof in de potentie C1.

Als je het helemaal volgens de regels wilt doen, dan moet het flesje voor twee derde met vloeistof zijn gevuld en met een kurk zijn afgesloten wanneer je het schudt. Dat schudden moet in verticale richting gebeuren, waarbij je het flesje elke keer met kracht laat neerdalen op een enigszins verende ondergrond. Een in leer gebonden boek is daarvoor zeer geschikt.

Vervolgens kun je één druppel van deze vloeistof krachtig schudden met 99 druppels alcohol en water om de potentie C2 te verkrijgen. Je houdt dan nog 99 druppels C1 over. Die mag je weggooien, maar in plaats daarvan zou je er ook 99 flesjes C2 van kunnen maken. De honderd flesjes die je dan bezit, kun je achtereenvolgens omzetten in tienduizend flesjes C3, een miljoen flesjes C4, 100 miljoen flesjes C5, etcetera.

Homeopathische geneesmiddelproeven worden meestal uitgevoerd met de potentie C30 of C12. De potentie C12 is even sterk verdund als één druppel oertinctuur in 50 miljoen kubieke kilometer alcoholoplossing (en komt overeen met de potentie D24). Als je daar een paar druppels van inneemt, dan is het onwaarschijnlijk dat je nog iets van de oorspronkelijke oertinctuur binnenkrijgt (om van C30 maar te zwijgen). Homeopaten geloven daarom dat er een onstoffelijke geneeskracht werkzaam is. Deze kracht wordt naar verluidt sterker en zuiverder naarmate het middel vaker wordt verdund, wat te danken zou zijn aan het feit dat het elke keer stevig wordt geschud.

Het is gebruikelijk om voor elke verdunning een nieuw flesje te gebruiken. Maar er bestaat ook een snellere methode waarbij je hetzelfde flesje elke keer leeg giet en vervolgens opnieuw met een alcoholoplossing vult. Die ene gepotentieerde druppel hoef je er dan niet meer bij te doen, want die kleeft nog aan het glas.

Ongeveer 70 procent van alle homeopathische middelen is bereid uit planten. In principe kun je echter vrijwel alles als geneesmiddel gebruiken: goud, arsenicum, keukenzout, een giftige spin of een Canadese bever. Stoffen die niet oplosbaar zijn worden vermengd met 99 delen melksuiker en in een porseleinen vijzel langdurig fijngewreven. Eén deel van dit mengsel kan opnieuw met 99 delen melksuiker worden vermalen om een hogere potentie te verkrijgen. Uiteindelijk bestaat het mengsel (vrijwel) uitsluitend uit melksuiker, dat je in water en alcohol kunt oplossen om nog hogere potenties te bereiden.

Het passende geneesmiddel

Alle symptomen die de proefpersonen rapporteren, kunnen in het onderzoeksverslag worden opgesomd. De lijst van symptomen dreigt dan echter zo lang en onsamenhangend te worden, dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Daarom worden alle deelnemers aan een proef vaak na afloop uitgenodigd voor een evaluatie. Ze kunnen het er dan gezamenlijk over eens worden wat de meest relevante symptomen waren.

De samensteller van een Materia Medica kan later proberen om nog wat meer orde aan te brengen in de onderzoeksresultaten. Symptomen die meermaals voorkomen en kenmerkend schijnen te zijn, kunnen worden benadrukt. Men houdt zo mogelijk ook rekening met ervaringen die homeopaten in de praktijk met het middel hebben opgedaan. Een symptoom dat door een gezonde proefpersoon werd gerapporteerd, kan worden bevestigd door een patiënt die van dit symptoom verlost werd nadat hij het middel innam.

Er zijn geen vaste regels voor de wijze waarop men een Materia Medica moet samenstellen. De meeste informatie wordt gewoonlijk overgenomen uit oude handboeken. Veel homeopaten erkennen dat deze bronnen waarschijnlijk vervuild zijn met symptomen die daar ten onrechte in zijn opgenomen. Ze mogen zelf beslissen aan welke Materia Medica ze de voorkeur geven. Er zijn meer dan een dozijn beschikbaar, die niet altijd goed met elkaar overeenstemmen. De samenstellers hebben uiteenlopende opvattingen. Zo legt de een veel nadruk op psychische symptomen, terwijl de ander vooral kijkt naar de omstandigheden waaronder een symptoom optreedt.

Homeopaten proberen tijdens een consult alle karakteristieke symptomen van een patiënt in kaart te brengen. Twee patiënten die volgens de wetenschappelijke geneeskunde dezelfde ziekte hebben, kunnen volgens homeopaten heel verschillend zijn omdat ze andere ervaringen hebben. Homeopaten richten zich niet op de oorzaak van een ziekte maar louter op de symptomen. Het is de kunst om een geneesmiddel te vinden dat het beste aansluit bij de subjectieve ervaringen en kenmerken van de patiënt. Daarbij kan men kiezen uit wel 3000 verschillende homeopathische middelen.

Om de keuze van het juiste geneesmiddel te vereenvoudigen, is een repertorium onmisbaar. Zo’n repertorium is een gecategoriseerde index van alle mogelijke symptomen. Achter elk symptoom staat vermeld bij welke geneesmiddelen dit symptoom voorkomt. Inmiddels zijn er ook computerprogramma’s waarmee je snel kunt nazoeken bij welke middelen een symptoom in meerdere Materia Medica’s wordt vermeld. Als er een middel te vinden is dat bij gezonde mensen alle symptomen kan oproepen die kenmerkend zijn voor de patiënt, dan zou dat het beste middel moeten zijn om de patiënt te genezen. (Lees als aanvulling Homeopathie bij hooikoorts, een voorbeeld van de wijze waarop een homeopathisch middel wordt geselecteerd.)

In de praktijk is het vaak niet zo eenvoudig om een eenduidige conclusie te trekken. De huisarts H.G. Bodde, die tot 2001 homeopathie doceerde aan de Vrije Universiteit, vertelde op een Skepsiscongres: ‘Als je een patiënt naar tien homeopaten stuurt, krijgt hij twintig verschillende middelen voorgeschreven.’ Je kunt dit vergelijken met astrologen die een geboortehoroscoop interpreteren. Er zijn heel veel verschillende interpretaties mogelijk. Elke astroloog heeft eigen regels en voorkeuren.

Er wordt geadviseerd om speciaal te letten op ongewone, eigenaardige, onverwachte en zeldzame symptomen, want die zouden de homeopaat snel naar het juiste middel kunnen leiden. Het is ook mogelijk om een middel te elimineren wanneer de patiënt geen kenmerken heeft die naar men zegt heel karakteristiek zijn voor dit middel. Zo zou Sulphur geassocieerd zijn met wanorde en slordigheid, zodat je het niet aan een nauwgezet persoon moet geven. En als iemand niet van zoete snoepjes houdt, dan komt Argentum Nitricum (zilvernitraat) in geen geval in aanmerking. (Owen, 2007)

Homeopaten kunnen niet goed verklaren waarom het similiaprincipe werkt, maar dat is volgens hen van ondergeschikt belang. Ze hoeven slechts te weten dát het werkt. Volgens Samuel Hahnemann, de grondlegger van de homeopathie, zijn ziekten te wijten aan een verstoring van de levenskracht. Hij nam aan dat een homeopathisch geneesmiddel een kunstmatige ziekte oproept die een gelijksoortige natuurlijke ziekte kan overstemmen en uitdoven, omdat beide ziektes niet gelijktijdig kunnen bestaan. Het voordeel is dat zo’n kunstmatige ziekte niet lang duurt en overwonnen kan worden door de levenskracht.

(Hahnemann kreeg in 1790 malaria-achtige verschijnselen toen hij kinabast innam, een middel dat tegen malaria werd gebruikt. Zo kwam hij op het idee dat een geneesmiddel bij gezonde mensen symptomen oproept die het bij zieke mensen kan bestrijden. Later werd duidelijk dat Hahneman zich had vergist. Lees hierover Hahnemanns proef met kinabast, een korte tekst als aanvulling op dit artikel.)

Het nocebo-effect

Homeopaten kunnen heel eenvoudig nieuwe geneesmiddelen ontdekken. Iedere plant en alle dieren of anorganische stoffen die hen interesseren, kunnen door proefpersonen worden getest nadat ze schokschuddend zijn wegverdund. Dat levert zonder uitzondering succes op. Gemiddeld genomen rapporteert ruim 80 procent van de proefpersonen symptomen waar ze eerder geen last van hadden, ongeacht het middel dat wordt getest. (Dantas, 2007; Rowe, 2008)

Homeopaten hebben heel lang als vanzelfsprekend aangenomen dat alle gerapporteerde symptomen aan het middel mogen worden toegeschreven. Hahnemann gaf wel toe dat dit wonderbaarlijk was. Aanvankelijk gebruikte hij normale doseringen, maar omdat dit ongewenste bijwerkingen had, ging hij de stoffen in de loop der jaren steeds sterker verdunnen. Het verbaasde hem dat de middelen desondanks nog steeds in staat waren om symptomen op te roepen bij de familieleden en aanhangers die hij als proefpersonen gebruikte. Pas na twintig jaar bedacht hij dat alle stoffen waarschijnlijk verborgen geneeskrachten bevatten, die vrij komen wanneer ze meermaals krachtig worden geschud.

Om het wonder te verklaren, hoeven we evenwel niet aan te nemen dat er bijzondere krachten werkzaam zijn. Hahnemann hield er geen rekening mee dat ook veel gezonde mensen geregeld last hebben van allerlei klachten, waaronder hoofdpijn, spierpijn, moeite om je te concentreren, slaperigheid, prikkelbaarheid, gebrek aan eetlust en slechte dromen. Bij een geneesmiddelproef moeten de deelnemers alle symptomen die ze opmerken meteen vastleggen in een notitieboekje. We mogen verwachten dat ze meer klachten en ongewone ervaringen rapporteren naarmate ze beter letten op alles wat ze voelen.

Prof. Conrad Wesselhoeft, die in Boston homeopathie doceerde, ontdekte al in 1877 hoe onbetrouwbaar de proeven waren toen hij zestien studenten vroeg om een homeopathisch middel in te nemen. Zij moesten enkele weken lang bijhouden welke gevolgen het middel had. Dit leverde een lijst van 919 symptomen op. Wesselhoeft had zijn studenten niet verteld dat ze slechts suikerpilletjes kregen! Hij ging zich afvragen in hoeverre alle symptomen die in de homeopathische literatuur vermeld werden evengoed met suikerpilletjes verkregen konden worden. Zijn bevindingen raakten echter al snel in de vergetelheid.

Tegenwoordig zijn er wel veel homeopathische onderzoekers die hun proefpersonen vragen om al voordat ze het middel slikken een week lang al hun symptomen op te schrijven. Dit wordt ook geadviseerd door de European Council for Classical Homeopathy (2009). Zo hoopt men beter te kunnen beoordelen welke symptomen met recht aan het middel mogen worden toegeschreven.

Helaas is het niet mogelijk om op deze wijze de verwachtingen van de proefpersonen uit te schakelen. Die kunnen veel invloed hebben. Het is bekend dat mensen die geloven dat ze een geneesmiddel innemen, negatieve bijwerkingen kunnen ervaren, louter omdat ze hebben gehoord dat die effecten zich soms voordoen. Dit staat sinds 1961 bekend als het nocebo-effect. Medici hebben er de laatste jaren meer onderzoek naar gedaan.

Bij proeven met reguliere geneesmiddelen maakt men meestal gebruik van een controlegroep die een onwerkzaam placebo krijgt. De patiënten weten niet of ze al of niet het echte medicijn krijgen. Het is gebruikelijk om alle patiënten van tevoren te informeren over mogelijke bijwerkingen. Je zou verwachten dat ze daar geen last van krijgen als ze neptabletten innemen. Maar in werkelijkheid zijn er ook in de placebogroep altijd patiënten te vinden die melden dat ze nare bijwerkingen hebben ervaren. Dat zijn gewoonlijk dezelfde bijwerkingen die ook worden gerapporteerd in de groep die het echte medicijn kreeg. (Colloca, 2011; Wells, 2012)

Een voorbeeld zijn de placebogecontroleerde proeven met cholesterolverlagende statines, die een waslijst aan bijwerkingen kunnen hebben. Soms wilde wel een kwart van de patiënten in de placebogroep het middel niet langer innemen omdat ze te veel last kregen van deze veronderstelde bijwerkingen. Ook bij proeven met middelen tegen migraine en depressie kwam het geregeld voor dat patiënten over de bijwerkingen klaagden, terwijl ze een onwerkzaam placebo hadden gekregen. Patiënten kunnen ook last krijgen van bijwerkingen wanneer ze moeten overstappen op een goedkoper, merkloos medicijn, al is de samenstelling identiek aan het geneesmiddel dat ze eerder gebruikten.

Naarmate je meer bijwerkingen verwacht, heb je ook meer kans dat je daar last van krijgt. Bij homeopathische geneesmiddelproeven kunnen zulke verwachtingen een grote rol spelen, want de proeven zijn uitdrukkelijk bedoeld om negatieve effecten op te roepen. Alle deelnemers zitten daarop te wachten. Zij zijn geen sceptici, maar geloven doorgaans al sterk in homeopathie. Wie niets merkt, is geen goede proefpersoon en wellicht ook niet zo geschikt als homeopaat. Veel proefpersonen waren bezig met een opleiding in de homeopathie. Het is niet ondenkbaar dat zij zo veel mogelijk symptomen noemden om een goede indruk te maken. Ook hun supervisor doet veel moeite om nieuwe symptomen te ontdekken. Hij kan daarbij een checklist gebruiken waarmee hij het hele lichaam regelmatig van top tot teen bij langs loopt om geen enkel subtiel of tijdelijk symptoom te missen. Hahnemann werkte zelf graag met een paar ervaren proefpersonen die in zijn ogen erg gevoelig waren voor de verborgen krachten van zijn verdunningen en aan de lopende band vreemde symptomen rapporteerden.

Het is duidelijk dat men niet zomaar mag aannemen dat het homeopathische middel verantwoordelijk is voor alle symptomen. Om aan te tonen dat het inderdaad invloed heeft, zou men het moeten vergelijken met suikerpilletjes waaraan niets is toegevoegd.

Twee keer zoveel symptomen

De Duitse arts Michael Teut (2013) publiceerde onlangs samen met enkele collega’s een goed opgezette homeopathische geneesmiddelproef, waarbij een deel van de proefpersonen een placebo ontving. Het onderzoeksprotocol werd al van tevoren openbaar gemaakt, wat onder meer kan voorkomen dat de resultaten in een bureaula verdwijnen wanneer ze tegenvallen. Dr. Teut is werkzaam bij een academische polikliniek in Berlijn, waar men zich heeft toegelegd op preventie, verandering van levensstijl en alternatieve therapieën. Hij is zelf een overtuigde aanhanger van homeopathie en werkte mee aan het eerder genoemde boek Homöopathie bei Heuschnupfen.

De proef werd uitgevoerd met Okoubaka aubrevillei in de centesimale verdunning C12. Dit is een betrekkelijk nieuw middel dat wordt gemaakt van de bast van een West-Afrikaanse boom. In een recente Materia Medica van David Riley staat een lijst van symptomen die het middel zou kunnen veroorzaken, waaronder maagkrampen, winderigheid, kniepijn, waterige ogen, niezen en angst om oud of arm te worden. Teut vertelde zijn proefpersonen niet welk middel er werd getest. Ook hun supervisors en de andere onderzoekers waren daar niet van op de hoogte.

Er namen 29 vrijwilligers aan de test deel, waaronder 23 artsen. Zij moesten eerst een week lang al hun symptomen noteren. Daarna ontvingen ze elk 125 suikerpilletjes, waarvan ze vijf keer per dag vijf stuks moesten innemen. Elf proefpersonen werden aselect in de placebogroep geplaatst, toevallig wat minder dan de bedoeling was. Zij kregen pilletjes zonder Okoubaka. De pillen werden opgestuurd door een apotheek op basis van een lijst met toevalsgetallen. Pas nadat alle gegevens waren verzameld en verwerkt, werd onthuld wie het echte middel had gekregen.

De dagboekjes waarin de proefpersonen het effect van de pillen drie weken lang hadden bijgehouden, werden nauwkeurig geanalyseerd. Gemiddeld genomen rapporteerden ze negen symptomen waar ze eerder geen last van hadden. Maar het maakte niet uit of ze al of niet het echte middel hadden geslikt. Beide groepen hadden evenveel klachten. De onderzoekers gingen ook na in hoeverre deze overeenstemden met de lijst in de Materia Medica. Er werden wel wat overeenkomsten gevonden, maar die kwamen eveneens in de placebogroep voor. Het enige verschil was dat vrouwelijke proefpersonen significant meer klachten kregen dan mannelijke, zoals al eerder was gebleken uit onderzoek naar het nocebo-effect.

De belangrijkste hypothese was dat met name karakteristieke symptomen vaker zouden voorkomen bij de groep die het echte middel kreeg. Het ging daarbij onder meer om symptomen die vreemd of uniek waren en om specifieke sensaties die op meerdere plekken in het lichaam werden waargenomen. Twee ervaren homeopathische artsen moesten het erover eens worden welke symptomen karakteristiek konden worden genoemd. Maar ook deze methode bracht geen verschillen aan het licht. In beide onderzoeksgroepen rapporteerde men gemiddeld vijf karakteristieke symptomen.

Michael Teut (2008) voerde enkele jaren eerder een soortgelijke proef uit met Galphimia glauca C12, waaraan 15 proefpersonen deelnamen. Er werden gemiddeld vijf keer zoveel symptomen gemeld als bij de latere proef, misschien omdat er veel studenten in de homeopathie aan deelnamen. Ook dit onderzoek kon niet aantonen dat het homeopathische middel meer symptomen opriep dan een placebo. Integendeel: degenen die een placebo kregen, rapporteerden gemiddeld tweemaal zoveel symptomen als de rest! Dit verschil was overigens niet statistisch significant. Het kon toeval zijn omdat de onderzoeksgroepen erg klein waren: er zaten slechts vier personen in de placebogroep.

Teut schreef een heel boek over dit onderzoek, waarin hij alle symptomen opsomde. Hij vond het opvallend dat twee personen die het echte middel kregen, minder last hadden gehad van hun hooikoorts. Bovendien waren er vier personen die zich in de eerste week wat verward en lusteloos voelden. Deze symptomen traden niet op bij degenen die een placebo kregen en waren volgens Teut mogelijk door het middel veroorzaakt. Maar het kon natuurlijk evengoed toeval zijn. Omdat hij de placebogroep op advies van andere homeopaten heel klein had gemaakt, mocht men in die groep sowieso minder symptomen verwachten. Daar kwam bij dat men pas naar kwalitatieve verschillen in de aard van de symptomen ging zoeken nadat het bekend was wie een placebo had gekregen. Dit onderdeel van het onderzoek was dus ongeblindeerd. Het zou pas opmerkelijk zijn geweest wanneer Teut louter op basis van de symptomen had kunnen vaststellen wie geen echt middel had ingenomen.

Verstrengelde proefpersonen

In het vakblad Homeopathy verscheen een analyse van 156 geneesmiddelproeven die tussen 1945 en 1995 waren gepubliceerd (Dantas, 2007). De kwaliteit werd beoordeeld door aan verschillende onderdelen punten toe te kennen. Elke proef kon minimaal 4 en maximaal 16 punten behalen. Meestal was de proefopzet ver onder de maat, want driekwart scoorde hoogstens 6 punten. In 98% van de gevallen rapporteerden de onderzoekers symptomen die zij aan het middel toeschreven, meestal zonder te vermelden hoe vaak een bepaald symptoom voorkwam. Er werden beduidend meer symptomen gerapporteerd naarmate de proef slechter was uitgevoerd. De beste proef kreeg 13 punten. Bij deze proef ontving de helft van de deelnemers een placebo en werd er geen enkel symptoom genoemd dat door het middel zou zijn veroorzaakt.

Verscheidene andere onderzoekers gebruikten ook placebo’s, maar die waren vaak niet bedoeld om de ene groep met de andere te kunnen vergelijken. Volgens homeopaten letten de proefpersonen beter op als ze weten dat ze mogelijk een placebo krijgen. Daarom zou het nuttig zijn om enkele placebo’s toe te voegen. Er wordt geadviseerd om hoogstens 20 procent van de deelnemers een placebo te geven, want het zou zonde zijn om er veel tijd aan te verspillen. De gerespecteerde onderzoeker Jeremy Sherr (2007) schreef dat hij zich beperkt tot 10 procent.

De placebogroep kan na afloop eenvoudig worden weggestreept, omdat deze niet meer van belang is. In het onderzoeksverslag kun je er meestal weinig over lezen. Het is ook mogelijk om symptomen die in beide groepen voorkwamen, niet in de eindresultaten op te nemen. Er blijven dan gewoonlijk nog voldoende symptomen over die zich alleen voordeden bij degenen die het echte middel kregen. Het totale aantal deelnemers is bij de meeste proeven hooguit twintig, zodat men niet meer dan drie personen een placebo hoeft te geven. Met zo’n kleine placebogroep kun je uiteraard geen betrouwbare statistiek bedrijven, zodat berekeningen niet meer nodig zijn.

Veel homeopathische onderzoekers merkten op dat er in de placebogroep symptomen voorkwamen die eveneens optraden bij de echte proefpersonen. Dit waren naar hun indruk opvallend vaak symptomen die typerend waren voor het middel dat op de proef werd gesteld. Ze geloofden niet dat het toeval was. In plaats daarvan concludeerden ze dat proefpersonen blijkbaar ook door een homeopathisch middel beïnvloed kunnen worden zonder het in te nemen. Als dit waar is, dan kan men geen onderscheid meer maken tussen beide condities en mogen alle symptomen na afloop worden meegeteld.

Todd Rowe (2008), die verscheidene proeven op zijn naam heeft staan, was van mening dat placebo’s overbodig zijn. Hij gelooft dat iedereen die aan een proef meedoet in het energieveld van een homeopathische middel terechtkomt. Dit schijnt ook te gebeuren bij zogenaamde droomproeven, waarbij de deelnemers ’s avonds een homeopathisch middel onder hun kussen leggen om het effect in hun dromen te kunnen ervaren.

De psycholoog Harald Walach (2004) verwees naar non-lokale effecten in de kwantumfysica om de overeenkomsten tussen de placebogroep en de verumgroep te verklaren. Als je proefpersonen vergelijkt met kleine deeltjes die met elkaar verstrengeld zijn, dan kun je niet meer zeggen dat ze in de ene of de andere groep zitten.

Een sprankje hoop

Jim Rogers (2009) van de Universiteit van Lincoln ging na welke goed gecontroleerde homeopathische geneesmiddelproeven er sinds 1995 waren uitgevoerd. Hij vond er slechts 15 die door de beugel konden. Verscheidene studies gingen na of symptomen die naar verluidt typerend waren voor een bepaald middel, minder vaak voorkwamen bij proefpersonen die een placebo kregen. De verschillen waren niet statistisch significant. Rogers concludeerde dat men er niet in was geslaagd om aan te tonen dat homeopathische middelen bij gezonde volwassenen pathogene effecten veroorzaken die afwijken van de effecten die optreden wanneer de deelnemers een identiek placebo innemen. (Zie ook Nanninga, 2008.)

Rogers probeerde zijn vernietigende conclusie wat te verzachten door rekening te houden met de mogelijkheid dat homeopathische middelen lang niet zoveel symptomen opwekken als men meestal aanneemt. Wanneer bij elke proef slechts enkele symptomen echt door het middel zijn veroorzaakt, dan vallen die niet meer op omdat ze worden overstemd door een heleboel nocebo-ervaringen die er niets mee te maken hebben. Misschien zijn maar weinig mensen gevoelig genoeg om de uitwerking van een middel te ervaren. Rogers pleit er daarom voor om met proefpersonen te werken waarvan al eerder is vastgesteld dat ze op het middel reageren.

Ook in de Materia Medica komen symptomen voor die naar het schijnt slechts bij heel weinig mensen werden vastgesteld. Een van de kenmerken van Kali Carbonicum zou bijvoorbeeld zijn dat de klachten om drie uur ’s nachts verergeren. Maar voor zover bekend was de zoon van Samuel Hahnemann de enige proefpersoon die dit effect heeft opgemerkt. Men kan zich afvragen hoe homeopaten in staat zijn om effecten die zich maar zo zelden voordoen, te onderscheiden van toevallige gebeurtenissen. (Kaptchuk, 1996)

Toch is er nog een sprankje hoop voor de homeopaten, want er bestaat één recent onderzoek dat wel het gewenste resultaat opleverde. Het werd in Duitsland uitgevoerd tijdens een training van een groep homeopathische artsen (Mollinger e.a., 2009). Men gebruikte twee middelen, Natrium muriaticum C30 en Arsenicum album C30. Deze werden aselect gekozen uit een lijst van twintig middelen, die de deelnemende artsen niet kenden. Tien van hen kregen het eerste middel, acht het tweede, en zeven kregen een placebo. Het experiment was dubbelblind en gerandomiseerd. De artsen moesten twee dagen pilletjes innemen en daarna nog twee dagen alle ongewone ervaringen in een dagboekje opschrijven. Er werd na afloop een lijst gemaakt van alle genoemde symptomen, van het hoofd tot de voeten. Een expert moest bij elk symptoom aangeven of het paste bij Natrium muriaticum, Arsenicum of een placebo. Volgens het onderzoeksverslag kon de expert niet weten bij welke persoon of onderzoeksgroep de symptomen hoorden.

De eerste groep proefpersonen rapporteerde gemiddeld ongeveer 5 symptomen, de tweede groep 6 en de placebogroep 11. Dat lijkt de verkeerde kant op te gaan. Het was echter zeer opmerkelijk dat de homeopathische expert (vrijwel) elk symptoom toekende aan het middel dat de artsen hadden ingenomen. Zo zou de placebogroep louter symptomen hebben gemeld die niet bij een van beide middelen pasten. De onderzoekers tonen niet alle cijfers, maar alleen een spectaculaire grafiek. Volgens hen had het resultaat een toevalskans die kleiner was dan 1 op 1000 (of meer).

Persoonlijk geef ik de voorkeur aan een proef die vergelijkbaar is met de Milwaukee test. Daarbij krijgen homeopaten de opdracht om zelf te bepalen of ze een placebo of een echt middel hebben ingenomen, zo nodig na overleg met een expert. Ze mogen het middel desgewenst zelf kiezen en het hoeft niet voor iedereen gelijk te zijn. Als 40 homeopaten elk 5 flesjes met pilletjes krijgen, waaronder 4 die placebo’s bevatten, dan zou het zeer opmerkelijk zijn wanneer 19 van hen (minder dan de helft) het homeopathische middel kunnen identificeren, want de toevalskans is kleiner dan een op 10.000. Maar om de een of andere reden leveren homeopaten dit bewijs liever niet. (Nanninga, 2004)

(De Milwaukee test werd in 1879 uitgevoerd op voorstel van een homeopathische arts. Lees hierover als aanvulling: De Milwaukee Test met homeopaten.)

Literatuur

Colloca, Luana et al. (2011). The nocebo effect and its relevance for clinical practice. Psychosomatic Medicine, 73(7), 598-603.
Dahler, Jörn, Michael Teut en Christian Lucae (2009). Homoöpathie bei Heuschnupfen. Stuttgart: Hippocrates Verlag.
Dantas, Flávio et al. (2007). A systematic review of the quality of homeopathic pathogenetic trials published from 1945 to 1995. Homeopathy, 96, 4-16.
European Council for Classical Homeopathy (2009). ECCH Guidelines for Homeopathic Provings, second edition. Norfolk, UK.
Kaptchuk, Ted J. (1996). When does unbiased become biased? The dilemma of homeopathic provings and the modern research methods. British Homoeopathic Journal, 85, 237-247.
Kaptchuk, Ted (2004). Early use of blind assessment in a homeopathic scientific experiment. JLL Bulletin, www.jameslindlibrary.org.
Lochbrunner, Birgit (2008). Der Chinarindenversuch – Schlüsselexperiment für die Homöopathie? Zeitschrift für Klassische Homöopathie, 52(1), 4-12.
Möllinger, Heribert et. al. (2009). Homeopathic Pathogenetic Trials Produce Specific Symptoms Different from Placebo. Forschende Komplementärmedizin, 16, 105-110.
Nanninga, Rob (2004). Homeopatische uitdaging. skepsis.nl/nvkh.html.
Nanninga, Rob (2008). Homeopathische proeven. Skepsis Blog, 3 juli.
Owen, David (2007). Principles and practice of homeopathy. Churchill Livingstone, Elsevier’s Health Sciences.
Rogers, Jim (2009). A systematic review of homeopathic pathogenic trials. Master’s thesis, University of York. (online)
Rowe, Todd (2008). Provings: then, now and future. The Journal of the Society of Homeopaths, 27(2).
Sherr, Jeremy (2007). Provings. In: David Owen (ed.), Principles and practice of homeopathy, p. 19-27.
Stolberg, Michael (2006). Inventing the randomized double-blind trial: the Nuremberg salt test of 1835. Journal of the Royal Society of Medicine, 99(12), 642-643.
Teut, Michael et al. (2008). A homeopathic proving of Galphimia glauca. Forschende Komplementärmedizin, 15, 211-217.
Teut, Michael et al. (2013). Homeopathic drug proving of Okoubaka aubrevillei: a randomised placebo-controlled trial. Trials, 14(1).
Wells, Rebecca Erwin en Ted. J. Kaptchuk (2012). To tell the truth, the whole truth, may do patients harm: the problem of the nocebo effect for informed consent. American Journal of Bioethics, 12(3), 22-29.
Walach, Harald et al. (2004). Homeopathic proving symptoms: result of a local, non-local, or placebo process? Homeopathy, 93(4), 179-185.
Wesselhoeft, Conrad, (1877). A Re-proving of Carbo Vegetabilis. Transactions of the Thirtieth Session of the American Institute of Homoeopathy, 184-193.

Kaders bij dit artikel:

Homeopathie bij hooikoorts

De Milwaukee test met homeopaten

Hahnemanns proef met kinabast

Uit: Skepter 26.1 (2013)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014