Sekten in België


Streng en Strafbaar

België buigt zich over haar sekten (1)

door Luc De Droogh

Sekten zijn misschien vreemd maar daarmee niet gevaarlijker dan gewone kerkgenootschappen, ze zeggen velen. Een recent rapport van het Belgisch Parlement roept echter op waakzaam te zijn. Er bestaan wel degelijk gevaarlijke sekten.

In een aantal Europese landen, onder meer in Duitsland en Frankrijk, zijn sekten terug op de politieke agenda. Ook de Raad van Europa heeft het probleem op de agenda staan en zal de komende weken of maanden met een aantal aanbevelingen naar buiten komen. In België is er door de Kamer voor Volksvertegenwoordigers een parlementaire onderzoekscommissie rond de sekteproblematiek opgericht. Die commissie heeft een onderzoek gevoerd ‘met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen’. Haar verslag, dat eind april verscheen, is onmiddellijk inzet geworden van politieke touwtrekkerij.

Het enige aspect dat in de politieke belangstelling staat is een tabel waarin ongeveer alle groepen en bewegingen die ter sprake zijn gekomen in de commissie, zijn opgenomen. Vele groepen – bijvoorbeeld de Steinerscholen (in Nederland Vrije Scholen geheten) – zijn woest omdat zij daarop voorkomen. Kardinaal Danneels nam het op voor een aantal binnenkerkelijke bewegingen die op de lijst prijken zoals het Opus Dei en de charismatici (maar eigenaardig genoeg niet voor een andere binnenkerkelijke beweging als Het Werk die ook vermeld wordt in het rapport). Uiteraard vindt geen enkele beweging zichzelf een sekte, dus eigenlijk wil niemand op de lijst staan.

De commissie gaat een uitdaging aan waar België bijna 20 jaar geleden ook al eens voor stond. Toen pleegden een kleine duizend volgelingen van de Amerikaanse sekteleider Jim Jones in Guyana zelfmoord. De kritische geluiden over sekten die toen in de media te horen vielen, werden al vlug overstemd door meer afstandelijke wetenschappelijke analyses die de thema’s van godsdienstvrijheid en de intolerantie van sektebestrijders naar voor schoven. De hersenspoelingstheorie – favoriet bij de antisektebeweging – bleek niet houdbaar. Een poging om sektevolgelingen vanuit de psychiatrie te benaderen was evenmin succesvol.

Dus was het woord aan de godsdienstsociologische benadering. Sekten waren ‘nieuwe religieuze bewegingen’ en het onderscheid met de kerken was zeer moeilijk te maken. Een kerk is een geslaagde sekte, stelde de een, terwijl een andere meende dat een sekte het geloof van de ander was. Het toenmalige Nederlandse rapport Overheid en nieuwe religieuze bewegingen (soms ook het rapport Witteveen genoemd, 1984) meende dan ook dat er zich geen specifieke beleidsmaatregelen opdrongen en legde de nadruk op de rechten van deze nieuwe religieuze bewegingen. De oorspronkelijke aanleiding voor de commissie -sensationele persberichten over sekten in het algemeen en de ramp in Guyana – waren al naar de achtergrond verdwenen. Wat Jim Jones en zijn volgelingen hadden gedaan, aldus de sociologen, was hier niet direct voorstelbaar, exotisch, dus onbelangrijk.

Zonnetempel

Een aantal incidenten de jongste jaren hebben de sekteproblematiek terug op de voorgrond gebracht. Sekten bleken betrokken bij allerlei financiële malversaties, bij drugs- en wapenhandel, bij moord en zelfmoord. Er was Waco, waar de Amerikaanse overheid en de sekteleden van de Branch Davidians een dagenlange veldslag uitvochten. Het meest tot de verbeelding spreekt ongetwijfeld de aanval met gifgas op de Japanse metro door de Aoum-sekte. In dat laatste geval bleek het geweld van de sekte zich niet langer naar binnen te richten maar ook naar buiten, op mensen die er niets mee te maken hadden.

Volgens nogal wat mensen maakt de ideologie en de organisatiestructuur van sekten dergelijke ontsporingen gemakkelijker mogelijk dan binnen andere organisatievormen. Vandaar ook de belangstelling van overheidswege voor het sekteverschijnsel – hoe moeilijk het ook precies te definiëren valt.

In België werd de politieke aandacht vooral gewekt door de affaire rond de Orde van de Zonnetempel, omdat de leiding ervan mede in handen was van de Belgische arts en homeopaat Luc Jouret. Eind september, begin oktober 1994 gingen 53 mensen tot moord en zelfmoord over. Vanuit het oogpunt van de sekte bewerkstelligden zij een overgang naar de planeet (sic) Sirius. Deze eerste (zelf)moordgolf werd gevolgd door een tweede eind december 1995, waarbij 16 personen het leven lieten. Terwijl de commissie langzamerhand aan haar conclusies toekwam, stierven opnieuw 5 mensen, in de nacht van 22 op 23 maart 1997. Bepaalde mensen die aan de derde (laatste?) overgangsactie hebben deelgenomen hadden in de pers verklaard hoegenaamd niets meer met de Orde van de Zonnetempel te maken te hebben, maar bleken zich dan toch maar naar een afgelegen plaatsje in Canada begeven te hebben om een einde te (laten) maken aan hun leven.

Het kan dus ook gebeuren bij ‘ons’, met mensen die een behoorlijke opleiding hebben gekregen, carrière hebben gemaakt. De sussende geluiden van godsdienstsociologen die blijven wijzen op het relatieve van het onderscheid tussen kerk en sekten, maken nog maar weinig indruk. Zij slagen er niet in om een afdoende verklaring te geven voor dit in de ogen van buitenstaanders bizarre verschijnsel.

Hun relativerende houding wordt uitdrukkelijk door het rapport afgewezen en heeft logischerwijs ook geen invloed uitgeoefend op de conclusies van de commissie. Zij besluit dat zij op grond van de getuigenissen en lectuur vanuit medische en psychologische invalshoek tot een aantal vaststellingen moet komen die haaks staan op de stellingen van de godsdienstsociologen.

Primitieve kerk

De commissie heeft essentieel voor een criminologische invalshoek gekozen. Welke strafbare feiten worden er in sekten gepleegd? Hoe kunnen we begrijpen dat deze feiten in sekten voorkomen? Hoe kunnen we het sektefenomeen begrijpen? Welke beleidsmaatregelen dringen zich op? In het rapport wordt nauwelijks ingegaan op (rechts)filosofische vragen omtrent (grenzen aan de) tolerantie of op grondwettelijke vragen over welke houding de overheid kan of moet aannemen tegenover niet- erkende religieuze organisaties. Deze kwesties zijn door de gekozen invalshoek naar de achtergrond verdwenen.

De criminologische invalshoek heeft echter haar voordelen. Ze schept een soort neutraliteit waarbij enkel gekeken wordt naar strafbare feiten die in organisaties die door diverse overheidsinstanties en door ‘experts’ regelmatig als sektarisch bestempeld worden. Het rapport bevat een indrukwekkende lijst van misdrijven die voorkomen in sekten en van veroordelingen die diverse sekten in verschillende landen hebben opgelopen. Daarnaast is er ook een – veel langere – opsomming van misdrijven waarvan door sommige getuigen wordt gesteld dat zij in sommige groepen worden begaan, zonder dat dit al tot processen heeft geleid.

Het rapport stelt een omschrijving van het sektefenomeen in drie stappen voor. Er is de sekte in de engere zin – een georganiseerde groep van personen die binnen een godsdienst dezelfde leer aanhangen. Dergelijke bewegingen zijn respectabel en moeten op de normale toepassing van de godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging en andere grondrechten kunnen rekenen. Daarnaast zijn er schadelijke sekten: een groepering met een levensbeschouwelijk of godsdienstig doel die zich in haar organisatie of praktijken overgeeft aan schadelijke onwettige activiteiten, het individu of de samenleving schaadt of de menselijke waardigheid aantast. Het rapport geeft ook een aantal criteria aan waarmee een sektarische organisatie als schadelijk kan worden aangemerkt of die een verzwarende omstandigheid bij hun schadelijk gedrag kunnen zijn. De commissie gaat daarna – en dat is opmerkelijk, het is namelijk de eerste keer dat dit gebeurt in een overheidsrapport over sekten – nog een stap verder: sommige verenigingen van misdadigers gebruiken een godsdienstige façade voor het verbergen van misdadige praktijken. Het zijn als sekten vermomde misdaadorganisaties.

Het rapport bevat geen lijst van de organisaties die aan deze laatste twee voorwaarden voldoen (schadelijk sektarisch, of vermomde misdaadorganisatie). Maar er is wel een tabel van bijna alle organisaties die ter sprake zijn gekomen in de commissie. Die tabel is geen toepassing van de meest ruime definitie van sekte van de commissie, maar veroorzaakte wel de nodige commotie. Toegegeven moet worden dat de tabel ook storende fouten bevat. Bewegingen die als voorbeeld werden gegeven van organisaties die geen sekten zijn, werden toch opgenomen in de tabel. Daarbij was men dan nog eens selectief: de Ark (een therapeutische gemeenschap voor drugsgebruikers) werd wel opgenomen, de vrijmetselarij niet alhoewel ze op precies dezelfde plaats en om identieke redenen (wel gesloten, niet sektarisch) werden opgesomd.

De lijst kan ook zonder moeite worden uitgebreid. Zo ontbreekt een van de weinige groepen die ooit door een Belgische rechtbank zijn veroordeeld, en wel wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde: de Primitieve Kerk van België o.l.v. Michel Galloo. De definitie van wat een schadelijke sekte is, is op zichzelf genomen ook circulair, maar met de criteria kan men vanuit een pragmatische invalshoek al een eind weg.

Psychologische dwang

Een lijst is niet noodzakelijk een uiting van heksenjacht, zoals nu al te gemakkelijk wordt gesteld. Een voorbeeld van een verdedigbare lijst zou een opsomming bevatten van die groepen waar sprake is van wetsovertredingen. Dat is echter noodzakelijkerwijs een geïndividualiseerde lijst: in die groep is sprake van (een vermoeden van) overtreding van dit of dat. Het zou een lijst zijn die enorme gelijkenissen vertoont met de aanwijzing van de concrete verantwoordelijken in het toch bejubelde verslag van de commissie Dutroux. Het zou bovendien een lijst zijn die zich niet stoort aan het oude of nieuwe karakter van die bewegingen. Dat is een groot voordeel van de criminologische invalshoek die ten grondslag ligt aan het rapport: ze stoort zich niet aan oud of nieuw, binnen- of buitenkerkelijk, criteria die voor kerkleiders of godsdienstwetenschappers wél van belang zijn.

De commissie heeft uiteraard ook een aantal conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. In tegenstelling tot het Nederlandse rapport besluit deze commissie dat er wél reden is om waakzaam te zijn. De staatsveiligheid moet de sekten blijven volgen, politiediensten moeten aandachtig zijn, er moet een observatorium worden opgericht, zowel met de bedoeling van meer kennis op te bouwen als om voorlichting aan het publiek te verzorgen. De bestaande administraties (financiële, fiscale, met betrekking tot de sociale wetgeving) en juridische instanties zijn vaak te terughoudend, mede omwille van het religieuze karakter van deze organisaties.

De commissie spoort aan nauwgezet op te treden en vraagt bijzondere aandacht voor de positie van kinderen in sekten. De Inspectie van Onderwijs zou moeten toezien op het onderricht dat door bepaalde sekten wordt verstrekt. In bepaalde gevallen wordt ook de gezondheid van de kinderen bedreigd en is er sprake van schending van de geestelijke, seksuele of lichamelijke integriteit van kinderen. Er is vooral meer behoefte aan voorlichting, vorming en begeleiding omtrent sekten – zowel op scholen als breder in de samenleving.

De commissie wil ook het bestaande wettenarsenaal aanpassen. Belangrijkste principiële voorstel is ongetwijfeld het voorstel om schendingen van de fundamentele rechten en vrijheden door geweld of psychologische dwang strafbaar te stellen.

Het principieel erkennen van het bestaan van psychologische dwang – naast fysieke – is allicht revolutionair. Concreet wil zij het misbruik maken van een toestand van zwakheid en het aanzetten tot zelfmoord strafbaar stellen en de wet op de jeugdbescherming aanpassen zodat sneller kan opgetreden worden als minderjarigen gevaar lopen. En de commissie wil de bestaande wetgeving op de verenigingen zonder winstoogmerk (vzw’s, waarvan er zo’n 50.000 bestaan en waarop nagenoeg geen controle bestaat) stringenter maken op boekhoudkundig vlak en nagaan of die vzw’s zich inderdaad houden aan hun vennootschapsdoel.

De belangrijkste verdienste van het rapport is de originele invalshoek. Welke daden worden in sekten gesteld die normaal gesproken strafbaar zijn? Blijkbaar heel wat, als we dit rapport mogen geloven. De kernproblematiek wordt echter op die manier tegelijk ook ontweken: mogen bepaalde organisaties van religieuze aard, omwille van hun eigen aard zich onttrekken aan bepaalde wetten? En aan welke dan wel? Eén voorbeeld: een volwassene mag een medische behandeling weigeren. Maar mag een Jehova’s Getuige ook de nodige medische zorg weigeren voor zijn minderjarig kind op grond van zijn of haar geloof? Het zijn vragen die uiteindelijk zullen moeten beantwoord worden.

Een grote verdienste van het rapport is de openbaarheid. De meeste mensen hebben in openbare zitting gesproken en in het rapport komt dus ook een veelheid van stemmen (godsdienstsociologen, kerkelijke deskundigen, psychiaters, ex-leden, mensen uit de antisektebeweging, vertegenwoordigers van diverse sekten) aan bod. Skeptici zullen waarschijnlijk vooral met aandacht (en instemming?) het veelvuldig aanklagen van oneigenlijke uitoefening van de geneeskunde lezen. Onder hen zou ook een interessante tweestrijd kunnen ontstaan over het invoeren van de notie ‘psychologische dwang’. Is dat een reëel fenomeen? Het lijkt mij dat daarbij in elk geval een onderscheid zou moeten gemaakt worden tussen het bestaan van het verschijnsel op zich en het bewijzen ervan in geval X of Y. De notie staat op gespannen voet met het normale juridische denken waarbij wordt voorondersteld dat individuen weten wat ze doen en dus ook verantwoordelijk kunnen gesteld worden voor hun daden. Iedere psycholoog weet dat dit in absolute zin een fictie is. Het is evenwel in ons rechtsbestel een bijzonder belangrijke juridische (en morele) fictie. Wanneer is de psychologische dwang een wetsovertreding? Kan men strafbaar gesteld worden voor daden verricht onder invloed van psychologische dwang?


Meneer pastoor moet uitkijken

België buigt zich over haar sekten (2)

door Richard Singelenberg

Het rapport van de Belgische parlementaire commissie staat niet alleen bol van de loze verdachtmakingen, haar definitie van ‘schadelijke sekte’ is volstrekt onbruikbaar.

Eline E. is een normaal, intelligent meisje van 20 jaar. Ze woont bij haar ouders en leidt zo op het oog een gelukkig leven. Totdat ze op een dag gefascineerd raakt door een fanatieke religieuze groepering. Op een avond komt ze niet thuis. Haar ouders vinden een brief waarin ze meedeelt dat ze voortaan in de religieuze gemeenschap woont. Haar moeder gaat onmiddellijk poolshoogte nemen bij de beweging. Men vertelt haar dat dochterlief reeds vertrokken is en niet langer daar woont. In werkelijkheid verblijft het meisje in een afgelegen huis van de sekte, waar ze zich moet onderwerpen aan een fanatiek regime. Uiteindelijk verdwijnt Eline definitief en laat haar familie in wanhoop achter.

Dit verhaal zou niet hebben misstaan in het rapport van het Belgische parlementaire onderzoek naar de sekten in het land. En de groepering zou gegarandeerd in de appendix van het verslag worden opgenomen, met de opmerking dat we wellicht kunnen spreken van een gevaarlijke sekte die onschuldige meisjes ronselt.

Het bovenstaande fragment is echter ruim honderd jaar oud. De fanatieke religieuze groepering, waar Eline was ingetreden, was het Leger des Heils. Het verhaal is afkomstig uit het boek L’Evangéliste van de Franse schrijver Daudet, die zich grote zorgen maakte om de wervingskracht van deze onbekende evangelieverkondigers. Niet alleen in Frankrijk had men grote moeite met het Leger des Heils, alle grote kerken hadden kritiek op de innoverende aanpak van de straatpredikers.

Het Belgische overheidsrapport toont aan dat er een eeuw later niets is veranderd. Nieuwe, en dus afwijkende religies zijn nog steeds verdacht. Ook de beschuldigingen aan hun adres volgen al eeuwenlang hetzelfde stramien. Tevens wijst het voorbeeld op het moeizame karakter van de term sekte: de kans is groot dat de ooit zo verguisde ketters na een paar generaties als eerzame gelovigen te boek staan.

Allemaal leuk een aardig, zo zal de toeschouwer over dit soort historisch relativisme opmerken, maar de Belgen hebben toch voldoende aanleiding om zich te bekommeren om de religieuze periferie. Per slot van rekening was Luc Jouret, de leider van de door moord en zelfmoord geteisterde Orde van de Zonnetempel, een landgenoot. Ook zijn opvolger is een Belg en het rapport sluit niet uit dat de macabere gebeurtenissen zich zullen voortzetten, en wel in België. Eind maart nog zijn in Canada wederom vijf lijken van aanhangers gevonden. Waakzaamheid lijkt dus geboden.

Vandaar de aanbeveling van de rapporteurs dat het actief aanzetten tot zelfmoord strafbaar moet worden gesteld. Een nobel streven, maar waarschijnlijk tot mislukking gedoemd. Degenen die ervoor kiezen om zich op deze wijze te verzekeren van hun zielenheil, schreeuwen dat namelijk niet van de daken. Wie had er ooit gehoord van de Internet-sekte Heaven’s Gate, die zich in de paasweek van 1997 verloste uit haar ‘stoffelijke omhulsels’ teneinde zich te vergewissen van een veilige plaats in een galactisch paradijs? (zie elders in deze Skepter.)

‘Grondige hersenspoeling’

Maar hoe komen mensen zo ver dat ze voor deze radicale oplossing kiezen? Volgens de commissie markeert het antwoord op deze vraag de scheidslijn tussen ‘sekten’ en ‘schadelijke sektarische organisatie’. Sekten, door de rapporteurs gedefinieerd als ‘georganiseerde groepen van personen die binnen een godsdienst dezelfde leer aanhangen’ vormen geen gevaar op zich. Het begrip wordt op deze wijze ontdaan van de hardnekkige negatieve bijbetekenis. Dit is een van de weinige hoopgevende ideeën uit het verslag, evenals de suggestie om een instelling te creëren waar men objectieve informatie over sekten kan vinden. Of alle georganiseerde godsdiensten in België blij zijn met de definitie, is een ander verhaal, want strikt genomen is hij ook van toepassing op de eerste de beste rooms-katholieke parochie.

Maar wat is een ‘schadelijk sekte’? Welnu, die moeten volgens het rapport voldoen aan ‘criteria van gevaarlijkheid’: bedrieglijke of misleidende wervingsmethoden, mentale manipulatie, slechte fysieke of geestelijke behandeling van de volgelingen, enzovoorts. Vandaar twee aanbevelingen: het strafbaar stellen van psychologische dwang als inbreuk op de rechten van de mens en het misbruik maken van een toestand van zwakheid. De commissie geeft een voorbeeld van een wetsvoorstel, waarin degene die angst inboezemt door het uitbuiten van goedgelovigheid om iemand te overtuigen van het bestaan van een denkbeeldige macht, veroordeeld kan worden tot een gevangenisstraf van twee tot vijf jaar.

Nog los van de sombere vooruitzichten van deze aanbeveling voor menig orthodoxe dorpspastoor die zijn kudde regelmatig waarschuwt voor het vagevuur, impliceert dit voorstel grote juridische problemen. Het is niet alleen dat er nauwelijks objectieve maatstaven zijn aan te leggen voor subjectieve ervaringen als geestelijke dwang en manipulatie. Beide verschijnselen zijn inherent aan ieder hecht sociaal netwerk. Ze doen denken aan de uitspraak van de schrijfster Andreas Burnier in een recente uitzending van het tv-programma Buitenhof , waarin ze de paradox van het gezin aanstipt: de veiligste maar ook de gevaarlijkste plek waar je je als opgroeiend kind kunt bevinden. Een tweede probleem is de betrouwbaarheid van deze beschuldigingen door ex-leden. Conform de resultaten van wetenschappelijk onderzoek concludeert de commissie weliswaar dat de klachten van voormalige volgelingen niet altijd objectief zijn en vaak moeilijk te controleren, toch heeft men op grond van deze getuigenverklaringen kunnen vaststellen dat de praktijken van bepaalde sektarische organisaties het individu, het gezin en de samenleving ernstig in gevaar kunnen brengen. Ze voelt zich hierin gesteund door wetenschappelijke bronnen (Dat de academische wereld de vloer heeft aangeveegd met deze dubieuze ‘studies’, daarover zwijgt het rapport).

Over concrete aanwijzingen beschikt de commissie echter niet. Er zijn geen klinische studies waaruit blijkt dat (ex)-sekteleden er mentaal slechter aan toe zijn dan anderen, verklaringen van hoge politiefunctionarissen geven aan dat uit niets blijkt dat de veiligheid van de staat in het geding is en juridische instanties beschikken over vrijwel geen dossiers waaruit de sektarische bedreiging naar voren komt. Maar juist het ontbreken van deze feiten staat borg voor het geslepen karakter van sommige sekten; volgens een getuige kan dat worden toegeschreven aan de ‘grondig doorgevoerde hersenspoelingen waarvan het effect 10 à 20 jaar kan duren’. Dat de autoriteiten niet kunnen aantonen dat de gevaarlijke bewegingen zich schuldig maken aan grootscheepse fraude op financieel gebied, ook dat kan worden verklaard uit de geslepenheid van hun werkwijze. Deze immuniseringsstrategie roept herinneringen op aan een paar jaar geleden, de hausse van het satanisch ritueel misbruik: dat we niets kunnen bewijzen, bewijst hoe slim en achterbaks ze zijn.

Verdachtmakingen

Om een idee te geven van de verklaringen van de getuigen, enkele citaten uit het rapport. In de Pinkstergemeenten – nummer 180 op de sektelijst – ‘zijn voorhuwelijkse betrekkingen en homoseksualiteit absoluut verboden. Dat kan voor gevolg hebben dat bepaalde volgelingen problemen krijgen zoals anorexia of boulimie, dan wel psychiatrische behandelingen dienen te ondergaan. Er wordt ook gewag gemaakt van gevallen van zelfmoord’. Wellicht ten overvloede: een dergelijke relatie is nooit aangetoond.

Als variant op het thema ‘vegetariërs deugen niet, want Hitler at ook geen vlees’ geeft de Luxemburgse voorzitter van een antisektebeweging zijn visie op het verband tussen nazi-theorieën en het sektevraagstuk. Uit het feit dat Hitler kennelijk gecharmeerd was van de ideeën van Helena Blavatsky, de grondlegster van de moderne theosofie, blijkt dat ‘het niet ongewoon is dat sektarische bewegingen de neonazistische theorieën voorstaan.’ Tevens wijst hij erop dat een voormalig politicus annex lid van een omstreden religieuze groepering met behulp van het hoofd van de Luxemburgse politie hem heeft geprobeerd te vermoorden omdat hij ‘teveel wist’.

Verder zouden kinderen van Jehova’s Getuigen kampen met ‘aanzienlijke slaapstoornissen’, terwijl de ‘kleine meisjes’ onder hen voortdurend ‘fysieke geweldpleging ondergaan’. Jonge kinderen van een extreme tak van chassidische joden zouden regelmatig ontvoerd worden en ‘verborgen worden gehouden in de internationale vertakkingen van deze beweging’.

Afgezien van deze bizarre uitlatingen staat het rapport bol van suggestieve uitspraken als ‘er zouden doden gevallen zijn, er zouden zich seksschandalen hebben voorgedaan, leiders zouden betrokken zijn bij wapenhandel’, enzovoorts. In hoeverre de rapporteurs zich door deze verdachtmakingen hebben laten leiden, is niet duidelijk. Twee decennia godsdienstsociologisch onderzoek, dat voor een belangrijk deel de vermeende sektarische gruwelijkheden ontmythologiseert, heeft de commissie in een halve bladzijde naast zich neergelegd. Deze discipline zou zich immers concentreren op de ‘doctrines’ van de bewegingen en de excessen uit de weg gaan. Deze belachelijke schets roept de vraag op of de leden van de commissie zich zelfs maar oppervlakkig in dit vakgebied hebben verdiept. Dan waren ze wellicht geattendeerd op bevindingen, die bijvoorbeeld uitwijzen dat toetreding tot een religieuze groepering minder het gevolg is van manipulatietechnieken van sinistere goeroes, maar veeleer een belangrijke indicator zijn van gezins- of huwelijksproblemen. Of dat de bestaande godsdiensten door talrijke jongeren worden gezien als versteende en arrogante bolwerken die niet in staat zijn adequate antwoorden te geven op prangende levensvragen. Zo’n oninspirerende religie heeft in de ogen van menigeen afgedaan. In die zin vormen nieuwe religies meer een uitdaging dan een bedreiging.

Het rapport verwijst trouwens ook naar Nederland. Zo wordt gememoreerd dat de antroposofen in België weliswaar geen formele band hebben met politieke groeperingen, hetgeen niet betekent ‘dat bepaalde politici zich niet op de ideeën van Steiner zouden beroepen; dat is bijvoorbeeld het geval met het Nederlandse parlementslid Jan Terlouw (D66)’ (1). Of de landsbelangen hierdoor eventueel geschaad worden, daarover spreekt het verslag zich niet uit. In het hoofdstuk ‘Activiteiten van de verenigingen die op nationaal en internationaal niveau de verdediging van slachtoffers (van sekten) opnemen’ wordt verwezen naar de in Haarlem gevestigde stichting Sirenen. Recentelijk kwam deze organisatie in het nieuws vanwege de betrokkenheid bij de ontvoering en mislukte ‘deprogrammering’ van Esther Veldhoen, een 28-jarige aanhangster van een onschuldige Afrikaanse religieuze beweging. Eind maart kregen twee hulpverleners van Sirenen daarvoor een voorwaardelijke straf opgelegd.

Als het aan de parlementaire onderzoekscommissie ligt, dienen hulpverleningsorganisaties als Sirenen financieel ondersteund te worden. Conform de tijdgeest dient de monetaire aanpak van het sekteprobleem op Europees niveau plaats te vinden: ‘De commissie verzoekt de regering dan ook het vraagstuk van de subsidiëring (van deze organisaties) op de agenda van de Raad van ministers van Justitie van de Europese Unie te laten plaatsen’.

Noot

1. Noot van de redactie: kernfysicus, kinderboekenauteur en voormalig Commissaris der Koningin in Gelderland Jan Terlouw is al geruime tijd geen parlementslid meer en zijn sympathie voor Steiner heeft hij blijkbaar zo goed verborgen weten te houden dat daar in Nederland niets van bekend is. Terug

Een iets bekorte versie van dit artikel verscheen in Trouw op 7 mei 1997.

Uit de brievenrubriek in Skepter 10.3 (1997)

De Droogh reageert op Singelenberg

Singelenberg leest in het Belgische rapport hoofdzakelijk wat hem stoort en bakt daar zelf een aantal conclusies van die hoegenaamd niet in het rapport staan. Hij stelt dat de godsdienstsociologische bijdrage aan het debat op een halve bladzijde wordt afgedaan. Een behoorlijk aantal godsdienstsociologen (Karel Dobbelaere, Anne Morelli en anderen) is echter door de commissie gehoord en een samenvatting van hun tussenkomst staat ook in het verslag, alleen heeft hun argumentatie weinig indruk gemaakt. Singelenberg merkt ook niet op dat diverse vertegenwoordigers van sekten zelf aan het woord zijn gelaten. Een aantal anderen wenste zich niet voor de commissie te komen verdedigen, maar alle bewegingen die door getuigen met name werden genoemd werden wél uitgenodigd en hebben dus de kans gekregen om zich te verdedigen.

Alle ‘zoudens’ waarvan Singelenberg gewag maakt zijn hard te maken zijn aan de hand van concrete gerechtsdossiers. In een Krishnatempel zijn illegale wapens gevonden en daarvoor zijn een aantal Krishnavolgelingen ook veroordeeld. In de Orde van de Zonnetempel is er sprake van moord en er zijn wapens gevonden, net zoals bij de Branch Davidians en bij de Aoum in Japan. De Children of God ontkennen zelf niet dat zij zich tot midden van de jaren ’80 bezighielden met ‘flirty fishing’ (prostitutie van minderjarigen om fondsen of leden of beide te verwerven). De ontvoering van een aantal kinderen door een Chassidimvader die zijn kinderen vervolgens onderbracht bij andere leden van de sekte heeft zowel in België als in de VS tot gerechtelijke uitspraken geleid en tot optreden van de justitie.

Zijn bovenstaande voorbeelden dé realiteit over sekten? Uiteraard niet, gelukkig maar. Meestal is er veel minder aan de hand. De volgelingen menen het ware geluk gevonden te hebben. De omgeving heeft daar vaak haar twijfels over. In dat spanningsveld bevindt zich het sektevraagstuk. Nuanceringen zijn zeker gepast en daarin heeft de godsdienstsociologie een rol gespeeld. Maar godsdienstsociologen leggen hun oor vaak enkel te luisteren bij de leden zelf. Hun kritische distantie ten opzichte van de sekte is vaak erg klein. Zij weigeren vanuit een onaantastbare, want enig juiste, wetenschappelijke positie een zinnige discussie aan te gaan, en oordelen: ‘dit is wel een consistente manier om de wereld te bekijken – moet kunnen’. Hoe verklaar je de (gelukkig zeldzame) moord- en zelfmoordacties die gemotiveerd worden door het geloof? Hoe verklaar je relatiebreuken, het opgeven van werk of studies, twijfelachtige financiële transacties et cetera, zaken die vrij frequent gebeuren naar aanleiding van het lidmaatschap van een sekte? Singelenberg reikt dé oplossing aan: er zouden gezins- en huwelijksproblemen zijn in die gezinnen waarvan iemand lid wordt van een sekte. Hopelijk zijn dit harde feiten, maar Singelenberg onderbouwt ze niet. Vervolgens mag een sekte uiteraard doen wat ze wil en ook verlangen van haar volgelingen wat ze wil. Wie er anders over denkt wordt beleefd belachelijk gemaakt.

Op het Belgische rapport is uiteraard kritiek mogelijk, maar het heeft ook een aantal verdiensten. Het rapport vindt bijvoorbeeld dat bepaalde overredingspraktijken niet kunnen en staat ook kritisch ten aanzien van het gebruik ervan door bepaalde groeperingen binnen de grote kerken (Het Werk, Opus Dei binnen de rooms-katholieke kerk).

Men kan natuurlijk van oordeel zijn dat de godsdienstvrijheid een onaantastbaar beginsel is en menen dat in de naam daarvan een heleboel stuitende en illegale praktijken toegelaten zijn. Veel sekten zijn die mening impliciet of expliciet toegedaan. Ik begrijp perfect waarom ze zo denken, maar daarom moet ik er nog niet mee eens zijn.

Singelenberg antwoordt

Nee, ik ga niet op de punten in die Luc De Droogh aanvoert. Een aantal is vrij gemakkelijk te weerleggen, andere vereisen een diepgaande uiteenzetting. Het eerste is saai (‘het gaat over België, dus kom niet met Waco aanzetten’) en leidt onherroepelijk tot gekissebis op een ‘welles-nietes’ niveau en verwijzingen in de trant van ‘kijk maar hoe het op pagina 231, 3e alinea staat’. Niets is zo ondermijnend voor het leesplezier als een esoterische discussie tussen twee ingewijden die beiden van mening zijn dat ze gelijk hebben, dus als De Droogh daar prijs op stelt wil ik hem deze zaken nog wel eens persoonlijk meedelen. Het tweede vereist veel ruimte en daar is een rubriek ‘ingezonden’ niet de meest geschikte plaats voor. Toch kies ik voor een aanzet tot dat laatste.

Vooraf even dit: ‘de’ godsdienstsocioloog bestaat niet. Slechts een minderheid van de beoefenaren van dit vak houdt zich bezig met religieuze sekten. En daaronder vinden we een brede categorie, uiteenlopend van onderzoekers die ook nog aanhanger zijn van een beweging, tot felle critici. Dus wie mocht denken dat dit gezelschap wordt gekenmerkt door pastorale harmonie, moet maar eens een van de jaarlijkse congressen in de VS bezoeken. Maar het merendeel probeert zich ergens in het midden staande te houden en te laveren in de slangenkuil van aanhangers, ex-leden, belangengroeperingen, hulpverleners, en wie er zich al niet meer op dit omstreden terrein hebben gestort. Ik beperk me tot deze mensensoort.

Godsdienstsocioloog Roy Wallis heeft zijn vakgebied ooit als subversief omschreven. Hij deed dat naar aanleiding van de reacties op zijn studie over scientology, in het begin van de jaren ’70. Dat onderzoek is hem door de scientologen niet in dank afgenomen – ik druk me nu zachtjes uit – want in hetgeen hij had opgeschreven herkenden de Hubbard-adepten zich voor geen meter.

Toen ik een keer voor de radio zei dat voor menig Jehova’s Getuige de sociale relaties met medegelovigen belangrijker zijn dan het geloofssysteem, viel de hele congregatie waar ik mijn onderzoek verrichtte over me heen. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om de fundamenten van hun existentie in twijfel te trekken! Dat bedoelde Wallis nou met subversief: het beeld dat sociologen en antropologen van wat voor (sub)cultuur dan ook schetsen, wil nog wel eens botsen met het beeld dat de mensen uit die omgeving van zichzelf hebben. En dat geldt nog in versterkte mate voor groeperingen, die bestaan uit mensen die er heilig van overtuigd zijn dat alleen zij de Waarheid (het Pad, de Weg, enfin, vul maar in …) in pacht hebben: die hebben al helemaal geen boodschap aan zo’n arrogante vlerk die hen wel eens even komt vertellen hoe de boel in elkaar zit.

Opmerkelijk is dat dit subversieve element nu ook onder de zogenaamde ‘cult-watchers’ gestalte heeft gekregen. Wat ondermijnt is dat godsdienstsocio-(antropo)-logen regelmatig lijnrecht ingaan tegen de communis opinio. Dat ze kritische kanttekeningen plaatsen bij sensatieverhalen; dat ze de mythes die zowel menig lid als ex-lid naar voren brengt, met grote korrels zout nemen; dat ze persoonlijk leed reduceren tot een kil schema van sociale processen; dat ze relativeren door diezelfde processen te vergelijken met alledaagse interacties tussen mensen in collectieven, enzovoorts. Kortom, ze zetten vraagtekens bij datgene dat velen voor zoete koek aannemen en schoppen een paar heilige huisjes van de sociale consensus omver. Want iedereen weet toch dat die sektes niet pluis zijn? Dergelijk rebels gedrag wordt ze niet in dank afgenomen, want het knagen aan zoiets als maatschappelijke zekerheden is uitermate irritant. Daar kunnen met name de Duitse collega’s, die enige nuances trachten te plaatsen bij de heersende scientologyhysterie, over meepraten. Verguizing valt hen ten deel.

Het zij zo. Maar als ze daarmee een fractie van onwetendheid, vooroordeel en desinformatie kunnen bestrijden, zijn ze voor een gedeelte in hun doel geslaagd. Want wetenschap die zich louter koestert in de veilige beschutting van de ivoren toren hebben we al genoeg.

Uit: Skepter 10.2 (1997)

Luc De Droogh is voormalig voorzitter van de Vereniging ter Verdediging van Persoon en Gezin (VVPG), een onafhankelijke organisatie die zich bezighoudt met informatie en hulpverlening over sekten.
Richard Singelenberg is cultureel antropoloog.