Scheppingsbrochure

De Scheppingsbrochure

Creationisme huis-aan-huis

door Stefan Kruithof

Eind 2008 maakte een groep Nederlandse creationisten bekend een folder te zullen drukken onder de titel Evolutie of Schepping? Wat geloof jij? De brochure, waarvan 6,6 miljoen exemplaren gedrukt zouden worden, is eveneens via de website van de organisatie te lezen (creatie.info).

De brochure verscheen in het Darwinjaar, precies anderhalve eeuw na de publicatie van On the Origin of Species (1859) en twee eeuwen na de geboorte van Charles Darwin. Deels vanwege de ophef rondom Andries Knevel, een prominente EO-presentator die verklaarde niet langer te geloven in creationisme of Intelligent Design, kreeg de folder veel aandacht in de media.

De argumenten tegen evolutie die in de brochure worden gepresenteerd, bieden uiteraard niets nieuws. Typische misconcepties en drogredeneringen tonen aan dat de gemiddelde creationist nog steeds geen idee heeft van wat de evolutietheorie betekent of wat wetenschap inhoudt.

Onbegrijpelijk

De scheppingsbrochure begint met de stelling dat ‘onze gedachten bepalen wat we zien’. Zo zal een boswachter die door een bos loopt, veel meer dingen opmerken dan een stadskind, omdat hij meer kennis heeft van de natuur. Onze kennis bepaalt deels wat we waarnemen en hoe we de feiten interpreteren. Maar dat is niet het enige. Het hangt er volgens de brochure ook vanaf wat we wíllen weten en hoe we naar iets willen kijken: ‘Willen we naar de natuur en naar de mens kijken als een schepping die door een machtige God gemaakt is, of willen we dat niet?’

Daarmee wordt meteen duidelijk dat het in de brochure niet in de eerste plaats gaat over de feiten, maar over wat de auteurs het liefste willen. Zij willen graag dat het scheppingsverhaal in de Bijbel letterlijk waar is. In het onderstaande plaatje tonen ze twee manieren om naar een vogel te kijken. Links zien we de gelovige, die met een roze hartje, geleid door God en gered door Christus, naar de vogel kijkt. Wie daarentegen aanneemt dat de vogel door evolutie is ontstaan, heeft een zwart hartje en zijn gedachten worden gesymboliseerd door een onweerswolk met vraagtekens. Daar kan bij voorbaat niets goeds uit voortkomen.

Schepping of evolutie?

De tweede paragraaf maakt duidelijk dat het geloof in een schepping door God niet veel vraagtekens wegneemt. Er staat namelijk dat we God nooit zullen kunnen begrijpen. De schepping is volgens de auteurs vergelijkbaar met een kunstwerk. En kunstwerken zijn niet in staat om te begrijpen hoe ze gemaakt zijn: ‘De kunstenaar weet alles van het beeld, maar het beeld weet niets van de kunstenaar en kan hem ook niet begrijpen.’ De vergelijking gaat echter niet op, omdat beelden levenloos zijn. Het is niet onmogelijk om kinderen uit te leggen hoe en waarom ze door hun ouders zijn gemaakt.

De auteurs herinneren de lezers eraan dat ‘de Bijbel zegt dat God de dieren als verschillende soorten geschapen heeft, maar dat de mens naar Gods beeld geschapen is’. Daarna stellen ze plotseling een moeilijke vraag, waarop ze geen antwoord geven: ‘Wat is het belangrijkste verschil tussen een aap en een mens?’ Vermoedelijk verwachten ze hier een theologisch antwoord op, bijvoorbeeld: apen hebben geen ziel of apen kunnen niet zondigen. Uiteraard hebben ze het niet over de vele bekende vormen tussen ons en de meest recente gemeenschappelijke voorouder van mens en mensaap. In de fossielen van deze soorten zien wij de hersenen door de tijd heen steeds groter worden. Het belangrijkste verschil tussen mens en aap, de rede, is een verschil dat door de tijd heen gegroeid is tussen de evolutionaire takken die tot de huidige soorten hebben geleid.

Historische wetenschap

Volgens de scheppingsbrochure kunnen de verschillende wetenschappen worden verdeeld in technische en historische wetenschappen. Men beweert dat de evolutietheorie een historische wetenschap is die ‘probeert te verklaren, hoe in het verleden iets gegaan is’. De brochure benadrukt dat gebeurtenissen uit het verleden niet herhaalbaar zijn en dat de interpretatie afhankelijk is van het standpunt van waaruit je er later naar kijkt. In de conclusie, wordt gesteld: ‘Het is technisch niet te bewijzen of de mens op aarde gekomen is door schepping of door evolutie, want het is een gebeurtenis uit het verleden.’

Om de betrekkelijkheid van historische interpretaties te illustreren, wordt verwezen naar Zweedse schoolkinderen, die te horen krijgen dat de Vikingen dappere avonturiers waren die grote schatten verzamelden, terwijl Nederlandse kinderen hen vooral kennen als plunderende zeerovers. Maar dat spreekt elkaar niet tegen. De Vikingen waren zowel plunderaars als ontdekkingsreizigers en kolonisten. Bovendien is het niet van belang wat kinderen over Vikingen weten. In de wetenschappelijke literatuur zijn veel historische feiten over de Vikingen te vinden waaraan niemand hoeft te twijfelen.

De evolutietheorie is de beschrijving en verklaring van het natuurlijke fenomeen ‘evolutie’. Het is niet waar dat evolutie alleen betrekking heeft op gebeurtenissen in het verleden. Het fenomeen kan nog steeds worden geobserveerd en wordt actief onderzocht in vele levende soorten. De theorie kan ook veel aspecten van de hedendaagse wereld verklaren. Voorbeelden zijn de diversiteit in soorten en de mate van overeenkomst in de genetische code van verschillende soorten. De evolutietheorie zegt dus niet alleen maar iets over het verleden, maar ook heel veel over het heden.

Ditzelfde zien we uiteraard bij tal van andere wetenschappelijke theorieën. De relativiteitstheorie van Einstein beschrijft de zwaartekracht zoals die was toen de Melkweg zich vormde, maar ook zoals die nu is. Platentektoniek beschrijft de beweging van de verschillende aardplaten vijftig miljoen jaar geleden, maar ook vandaag. In tegenstelling tot wat de auteurs beweren, is het dus niet zo simpel om wetenschappen in te delen in technische en historische wetenschappen. De evolutietheorie is in ieder geval geen historische wetenschap.

Het is wel waar dat de historische ontwikkeling van soorten een belangrijk deel uitmaakt van de evolutietheorie. De evolutietheorie geeft een verklaring van historische feiten die enkele miljarden jaren omspannen. Dit in tegenstelling tot de visie van de auteurs, die graag willen doen geloven dat alle soorten in ruwweg hun huidige vorm gecreëerd werden in de relatief recente geschiedenis (zo ongeveer 6000 tot 10.000 jaar geleden).

In de scheppingsbrochure wordt beweerd dat gebeurtenissen uit het verleden niet bewezen kunnen worden omdat ze niet herhaalbaar zijn. Dit zou betekenen dat een rechter nooit meer iemand kan veroordelen voor misdaden in het verleden. In werkelijkheid zal de rechter wel degelijk tot een oordeel kunnen komen als er voldoende bewijsmateriaal is. Dat geldt ook voor wetenschappers. Een fysiek antropoloog die vertelt over de evolutie van de mens baseert zich onder andere op ons DNA en de skeletten van eerdere menssoorten. De evolutietheorie zegt veel over het verleden, maar onderbouwt die beweringen met een grote hoeveelheid aan bijzonder sterk bewijs.

Voorspellende kracht

De scheppingbrochure stelt ten onrechte dat een wetenschappelijke theorie pas bewezen kan worden als de daarin beschreven resultaten herhaalbaar zijn. Er is veel debat onder wetenschapsfilosofen over de demarcatie tussen wetenschap en niet-wetenschap, maar ‘herhaalbaarheid’ wordt nooit als een criterium gebruikt. Het is van meer belang dat de evolutietheorie succesvolle voorspellingen kan doen. Zo kon men op basis van overeenkomsten in de anatomie concluderen dat vogels van reptielen afstammen, wat bevestigd werd door fossiele vondsten die de overgang van reptiel naar vogel toonden. Ook het genetisch bewijs leidt tot deze conclusie.

Een ander bekend voorbeeld van een voorspelling op basis van de evolutietheorie is het noodzakelijk bestaan van een soort met eigenschappen van zowel kwastvinnige vissen als viervoetige amfibieën. Deze soort moet ongeveer 375 miljoen jaar geleden bestaan hebben, want dat tijdvlak past goed tussen de oudere amfibieachtige vissen (zoals Panderichthys rhombolepis, 380 miljoen jaar geleden) en de visachtige amfibieën uit de periode erna (zoals Acanthostega gunnari, 365 miljoen jaar geleden). Een soort met de voorspelde eigenschappen en uit de voorspelde periode werd gevonden in 2004, de Tiktaalik roseae. Omdat hiermee één van de cruciale links in de evolutie van waterdieren naar het leven op het land was gevonden, kreeg de publicatie veel aandacht in de populair wetenschappelijke media.

Tiktaalik roseae

In de geschiedenis van de evolutietheorie vinden we eveneens een aantal goede voorbeelden van de voorspellende kracht van de theorie. Toen Darwin zijn bevindingen voor het eerst uiteenzette, wist men nog niets over nucleaire energie. Dat was een probleem, omdat Darwin ervan uit ging dat de ontwikkeling van de soorten over een enorme tijdsspanne had plaatsgevonden, zodat de aarde veel ouder moest zijn dan men voorheen had aangenomen. Zonder kennis over kernfusie konden natuurkundigen en astronomen niet begrijpen hoe de zon miljarden jaren kon zijn blijven branden. De ontdekking van radioactiviteit en daarna van kernenergie maakte het mogelijk de natuurkundige kennis van de zon in overeenstemming te brengen met biologische en geologische kennis. De zon brandt niet als gevolg van een chemische reactie, zoals een kaars. Evenmin levert gravitationele samentrekking alle energie, zoals men in de negentiende eeuw nog dacht. De enorme hoeveelheden energie van de zon komen vrij bij het fuseren van atomen, kernfusie, onder invloed van de enorme hitte en druk in het binnenste van de zon.

Een ander probleem voor Darwins theorie was het gebrek aan kennis over erfelijkheid. In de negentiende eeuw dacht men dat erfelijke eigenschappen in een oneindig deelbaar formaat werden doorgegeven. Dat wil zeggen dat een organisme dat bijvoorbeeld twee keer sneller kan rennen dan zijn soortgenoten, nakomelingen zal krijgen die in de eerste generatie al de helft aan snelheid verliezen. Het snellere individu moet immers paren met een gewoon individu en men dacht dat de uitkomst dan ongeveer in het midden zou liggen. De ontdekking van de wetten van de genetica betekende een revolutionair nieuw inzicht in erfelijkheid. Genen bleken discrete pakketjes te zijn, die wel of niet worden doorgegeven en actief zijn.

De hier besproken voorbeelden zijn slechts het topje van de ijsberg. De evolutietheorie deed en doet talloze testbare voorspellingen en heeft anderhalve eeuw aan intensief wetenschappelijk onderzoek doorstaan. De poging van de creationistische brochure om de theorie af te doen als onbewijsbaar, puur omdat de theorie voor een groot deel het verleden betreft, is dan ook lachwekkend.

Toenemende chaos

Een gebruikelijk argument in creationistische kringen is de stelling dat de wanorde normaal gesproken voortdurend toeneemt, behalve als er iets tegen gedaan wordt. Zo lezen we in de brochure: ‘als je niets aan huizen en gebouwen doet, worden het vanzelf ruïnes’. Het idee dat er uit een eencellig diertje geleidelijk en ‘vanzelf’ een mens ontstond, klopt volgens de auteurs niet met wat we om ons heen zien gebeuren.

Dit argument is een valse analogie. De schrijvers vergelijken levende organismen ten onrechte met levenloze gebouwen. Alleen organismen planten zichzelf voort en geven daarbij een erfelijke genetische code door aan de volgende generatie. Omdat het kopieerproces niet perfect is en er allerlei verschillende combinaties gevormd kunnen worden, zijn de individuen van de volgende generatie niet identiek. Verschillende eigenschappen leiden tot een verschil in succes bij het voortplanten. De individuen die beter in hun omgeving passen, planten zich over het algemeen meer voort. Dit is de kern van de evolutietheorie. De auteurs lijken niet te begrijpen dat het leven zich niet ‘vanzelf’ ontwikkelt. Mutaties zijn weliswaar grotendeels toevallig, maar het gaat erom dat op deze mutaties natuurlijke selectie plaatsvindt onder invloed van de omgeving. Daardoor kan de complexiteit toenemen, niet door puur toeval.

Het mechanisme van natuurlijke selectie op de variatie in erfelijke eigenschappen is, in de woorden van de wetenschapsfilosoof Daniel Dennett, een ‘hijskraan’. Deze hijskraan kan de zichzelf reproducerende genetische codes naar een hoger niveau van complexiteit tillen. Het tegenovergestelde van een ‘hijskraan’ is een ‘luchthaak’, zoals de ontwerper in Intelligent Design. Het belangrijke punt is dat de hijskraan van natuurlijke selectie stevig op de grond staat in tegenstelling tot de magische luchthaak. Dit mechanisme verklaart hoe soorten complexer kunnen worden door de tijd heen. Er is geen dergelijk mechanisme voor niet-levende objecten, waardoor de vergelijking tussen de twee onzinnig is.

Volgens de auteurs leert de evolutietheorie dat er ooit een ééncellig organisme spontaan is ontstaan. Maar in werkelijkheid zegt de theorie niets over de oorsprong van het leven. Evolutie begint pas wanneer er leven is waar selectie op kan plaatsvinden. Dit allereerste leven was veel minder complex dan de cellen die we tegenwoordig kennen en die het product zijn van miljarden jaren aan evolutie. Het enige dat nodig is om het proces in gang te zetten, is een systeem dat zichzelf kan kopiëren. Dit kan een relatief eenvoudig stukje chemie zijn, zeker veel eenvoudiger dan moderne ééncellige levensvormen. Wetenschappers die zich bezighouden met het ontstaan van het leven op aarde richten zich dan ook op eenvoudige zelfreplicerende systemen, waarbij RNA-sequenties een voorname kandidaat zijn. Zodra er een systeem ontstaat dat zichzelf kan kopiëren, treedt natuurlijke selectie op. Want door kopieerfoutjes zullen sommige nakomelingen zich beter kopiëren dan andere, waardoor het hele proces zal leiden tot steeds betere kopieermachines.

Vluchtende slakken

Onder de kop ‘Een paar feiten’ komen enkele bekende creationistische argumenten voorbij. Zo wijzen de auteurs op fossielen van dieren die er lang geleden precies zo uitzagen als hedendaagse exemplaren. Dit strookt volgens hen niet met het idee dat alle soorten zich steeds verder ontwikkelen. Ze veronderstellen dat evolutie een soort onafwendbaar proces is dat toewerkt naar meer complexiteit of intelligentie. Maar dat is niet juist, want het enige dat telt is het vermogen om zich succesvol voort te planten. Soorten die goed zijn aangepast aan hun omgeving, zullen weinig veranderen, zolang de omgeving gelijk blijft. De auteurs vertellen ook niet dat er slechts enkele van zulke gevallen bekend zijn, terwijl veruit de meeste soorten zijn uitgestorven (maar liefst 99.9%).

Een grote natuurramp (ongetwijfeld de Bijbelse zondvloed) zou ervoor hebben gezorgd dat de fossielen van kleine en eenvoudige dieren in de onderste aardlagen te vinden zijn, terwijl de resten van mensen en grote zoogdieren in de bovenste lagen voorkomen. De complexere dieren waren naar verluidt in staat naar hogere gebieden te vluchten, terwijl de simpelste schepselen als eerste werden bedolven. Deze fraaie theorie kan echter niet verklaren waarom dinosauriërs altijd worden gevonden in aardlagen die ouder zijn dan 65 miljoen jaar. Waren ze geen van alle in staat om hogere grond te bereiken, terwijl dit alle muizen wel lukte? Talloze soorten die niet of amper zouden kunnen vluchten, zoals slakken en bloeiende planten, vinden we juist in jongere aardlagen dan de lagen van de eerste reptielen, omdat ze later zijn ontstaan.

In de brochure staat een foto van een fossiele boom die door verschillende aardlagen heen steekt. Zulke versteende bomen zouden aantonen dat de evolutietheorie ten onrechte veronderstelt dat de aardlagen gedurende miljoenen jaren zijn gevormd. De bomen kunnen immers onmogelijk zolang hebben geleefd. Maar deze kritiek slaat de plank mis omdat niemand beweert dat aardlagen in alle gevallen heel langzaam ontstaan. Hoewel depositie doorgaans over lange periodes gebeurt, kan het af en toe ook heel snel gaan. Overstromingen, landverschuivingen, vulkaanuitbarstingen en dergelijke zijn niet uitgesloten.

Aan het slot lanceren de auteurs geen aanval op Darwin maar op de Duitse bioloog Ernst Haeckel (1834 – 1919), die als bedrieger wordt ontmaskerd. Hij beweerde dat de embryonale ontwikkeling van een soort, de evolutionaire ontwikkeling van die soort weergeeft. Een zoogdier zal dus tijdens de embryonale ontwikkeling eerst eigenschappen van vissen vertonen, dan van amfibieën, dan van reptielen en ten slotte pas eigenschappen van zoogdieren. Haeckel bestudeerde de embryo’s van verschillende soorten en publiceerde hier deels vervalste tekeningen van. Hij speculeerde dat de evolutionaire geschiedenis een soort drijvende kracht was achter deze ontwikkeling. Sinds de ontdekking van de genetica weten we echter dat erfelijkheid niet op deze manier werkt. De ideeën van Haeckel zijn al lang weerlegd en maken geen deel uit van de evolutietheorie, al schijnen er nog wel schoolboeken te bestaan met illustraties die van Haeckels werk zijn afgeleid.

Schoolgeld terug

In de conclusie herhalen de auteurs van de brochure hun misvattingen, onwaarheden en drogredeneringen in een samenvatting. Zo stellen ze dat gebeurtenissen uit het verleden niet bewezen kunnen worden, dat geschiedenis vanuit een bepaald doel wordt geschreven, dat de evolutietheorie gebaseerd is op onjuistheden en dat de lezer zelf kan kiezen wat hij of zij gelooft. Hierbij gaan ze uiteraard voorbij aan een enorme hoeveelheid ijzersterk bewijs voor de evolutietheorie. Zo beweren ze dat het ontstaan van de mens niet bewezen kan worden, zonder ook maar één verwijzing naar de talloze overgangsvormen die bekend zijn tussen de huidige mens en eerdere soorten (bijvoorbeeld, in chronologische volgorde, Australopithecus afarensis, Homo habilis en Homo erectus). Uiteraard nemen ze ook niet de moeite de moleculaire biologie te noemen.

Geloven in de evolutietheorie zou volgens de auteurs betekenen dat er geen antwoord meer is op vragen als: ‘Waar kom ik vandaan?, Waarom ben ik hier? en Waar ga ik heen als ik sterf?’. Hun eerste vraag wordt echter wel degelijk beantwoord door de evolutietheorie, terwijl hun overige vragen daar niets mee te maken hebben. De evolutietheorie beschrijft een natuurlijk fenomeen, evolutie, en geeft dus inderdaad geen antwoord op vragen over zingeving en het hiernamaals. De relativiteitstheorie van Einstein en het atoommodel geven ook geen antwoord op deze vragen, maar dat dingt niets af aan de geldigheid van deze theorieën.

Een tweede probleem met deze laatste stelling van de auteurs is het feit dat een meerderheid aan christenen de evolutietheorie gewoon accepteert. De rooms-katholieke kerk, vertegenwoordiger van ruim 1,1 miljard christenen wereldwijd, is hier het belangrijkste voorbeeld van. Zowel de vorige als de huidige paus hebben aangegeven dat de evolutietheorie niet in tegenspraak is met het christelijk geloof. Uiteraard hoeft geen enkele wetenschapper zich iets aan te trekken van de mededelingen van het Vaticaan, maar het toont wel aan dat de auteurs van de brochure hun positie zullen moeten onderbouwen wanneer zij beweren dat evolutie en geloof incompatibel zijn.

Recentelijk klaagde Arie Slob, fractievoorzitter van de ChristenUnie en voormalig docent maatschappijleer, dat openbare scholen alleen de evolutietheorie onderwijzen: ‘Alsof er geen andere theorieën en ideeën bestaan. Er zijn meer opvattingen over het begin van de aarde dan alleen maar die ene die nu toevallig zwart op wit in de lesboeken wordt afgedrukt. … De opvatting dat er een scheppingsboodschap is en een oorsprong die met schepping te maken heeft, moet ook aan de kinderen worden doorgegeven. Vanuit mijn politieke verantwoordelijkheid vind ik het van belang dat kinderen breed weten wat er aan opvattingen leeft.’

Het is echter volstrekt onaannemelijk is dat alle levende wezens zijn geschapen zoals ze er momenteel uitzien. Dat is geen redelijke opvatting meer. De Bijbel kan niet letterlijk worden genomen. Arie Slob mag geloven dat het universum door God is geschapen, maar wie wil ontkennen dat alle levende soorten zijn geëvolueerd, moet zijn schoolgeld terugvragen. Uit een recente enquête onder 53 biologiedocenten aan reformatorische scholen bleek echter dat 72 procent van hen geloofde dat de aarde in 6 dagen van 24 uur is geschapen. Onder docenten aan gereformeerde, protestants-christelijke en evangelische scholen was nog ongeveer een derde daarvan overtuigd. (Nederlands Dagblad, 16 mei 2009)

Uit: Skepter 21.2 (2008)

Stefan Kruithof studeert voor een Master of Philosophy in Ancient History aan de Universiteit van Leiden en behaalde eerder onder meer een BA in archeologie.