Doris Stokes

Paranormale conversaties

door Rob Nanninga

Hoe spreken paranormale zieners en mediums? De socioloog Robin Wooffitt, een specialist op het gebied van gespreksanalyse en tevens actief als parapsycholoog, nam een aantal consulten onder de loep en ontdekte een soort basispatroon. Hij beschreef ook wat mediums doen als ze beseffen dat ze op het verkeerde spoor zitten.

Wanneer een medium een nieuw onderwerp ter sprake brengt, stelt ze daar gewoonlijk eerst een vraag over. Pas nadat de cliënt hierop bevestigend reageert, onthult het medium de paranormale bron van haar kennis. Enkele simpele voorbeelden (M is het medium en C de cliënt):

M: Is uw man overgegaan?
C: Ja.
M: Want hij zegt ‘echtgenoot, ik ben haar echtgenoot’.

M: Moesten ze op het laatst nog heel snel beslissen of ze iets zouden behandelen of zoiets?
C: Ja.
M. Okay. Dat vertelt hij me net.

M: U heeft wat problemen met de rug, wat last van de onderrug, begrijpt u dat?
C: Ja, dat begrijp ik.
M: Want uw man zegt dat u eens naar de onderrug moet laten kijken omdat het daar niet helemaal goed zit.

M: Hield hij erg van dieren?
C: Ja.
M: Want ik zie een heleboel dieren. Hij vertelt me dat hij aan de andere kant met dieren werkt.

M: Bewaarde hij munten in een potje?
C: Ja.
M: ‘Ik wil ze terug’, zegt ie.

Met haar vraag suggereert het medium dat ze over kennis beschikt die de cliënt kan bevestigen. Maar ze onthult nog niet waarop deze kennis is gebaseerd en hoeveel geloof ze eraan hecht. Voordat ze een specifieke uitspraak doet, gaat ze eerst na of de cliënt ermee zal instemmen. Ze stelt zich in eerste instantie neutraal op en legt haar oordeel nog niet vast. Soms neemt een medium expliciet wat afstand van wat ze gaat zeggen door bijvoorbeeld op te merken ‘ik weet niet wat het is, maar…’ of ‘heel raar…’.

Zelfs wanneer een medium kort tevoren contact had met een geest, is het niet duidelijk of een nieuwe vraag daarmee te maken heeft. Wooffitt geeft als voorbeeld een medium dat de cliënt namens een geest het beste toewenst en dan plotseling opmerkt: ‘Zwemmen. Wie heeft er gezwommen?’ De onverwachte overgang wekt de indruk dat ze een paranormale ingeving heeft gekregen. Het zou mooi zijn als die aan de geest kan worden toegeschreven. Dat hoeft echter niet noodzakelijk het geval te zijn, omdat het medium nog niet heeft verklapt waarom ze over zwemmen begon.

Het medium zou in de problemen komen wanneer een uitspraak die ze openlijk heeft onderschreven, onjuist blijkt te zijn. Dat ondermijnt haar gezag. Het zou ook onverstandig zijn om meteen te beweren dat de informatie van een geest afkomstig is, want als die geest het mis heeft, wekt dat twijfels aan zijn bestaan. Evenzo zal een goede tarotlezer niet meteen vertellen wat een kaart te betekenen heeft. Ze zal de kaart pas als bron van informatie aanwijzen nadat de cliënt heeft bevestigd dat het klopt.

‘Onthoud het maar’

Het is niet de bedoeling dat de cliënt uitgebreid antwoord geeft en allerlei details verstrekt. Veel mediums benadrukken dat ze alleen een korte bevestiging nodig hebben om er zeker van te zijn dat de geesten goed doorkomen. Het medium wil zo snel mogelijk doorstomen naar de volgende fase, waarin ze een paranormale verklaring geeft voor haar ogenschijnlijke kennis. Als het te lang duurt en de cliënt zelf met informatie komt, gaat het effect verloren. Men zou dan de indruk kunnen krijgen dat de paranormale claim is gebaseerd op wat de cliënt al heeft verteld. Naarmate de cliënt meer onthult, steekt de kennis van het medium daar flets bij af.

Wanneer een cliënt iets nieuws vertelt, reageert het medium daar altijd instemmend op. Ze doet dan alsof ze er al van op de hoogte was. Zo mogelijk probeert ze de informatie in een latere uitspraak te verwerken, zonder deze al te letterlijk over te nemen. De tactiek kan wat ongeloofwaardig lijken, want als ze alles al wist, waarom zei ze het dan niet eerder?

Het medium kapt de onthullingen van de cliënt meestal af wanneer ze genoeg heeft gehoord. Ze begint er dan doorheen te praten en probeert te raden wat de cliënt verder nog wou zeggen. Door ongeveer hetzelfde te zeggen, in wat andere bewoordingen en op bijna hetzelfde tijdstip, lijkt het alsof ze geen gebruik maakt van wat de cliënt vertelt en slechts haar eigen spoor vervolgt.

M: U heeft het idee dat u zich medisch moet laten onderzoeken en daar wordt u wat somber van?
C: Ja, ik heb mijn…
M: Ja, dat weten we, want ik krijg bij u een medisch gevoel.

M: Heb je erover gedacht om een verzorgend beroep te kiezen?
C: Ja, ik wou oorspronkelijk in de kinderverzorging gaan…
M: mmmmmm!
C: …toen ik van school kwam.
M: Dat klopt, dat krijg ik ook te zien. Maar het is nog niet jouw weg. In de toekomst ga je misschien wel voor kinderen zorgen of zoiets.

Soms stelt het medium nog een aanvullende vraag (of meerdere) voordat ze de bron van haar kennis ten tonele voert. Als haar eerste vermoeden wordt bevestigd, kan ze daarop voortbouwen om meer positieve feedback te krijgen. Ze kan hetzelfde nogmaals in andere woorden zeggen, ze kan het wat aandikken of ze kan dingen zeggen die er logisch uit volgen. Zo kan ze suggereren dat haar kennis verder gaat dan aanvankelijk het geval leek.

In het volgende fragment polst het medium eerst voorzichtig of de overleden echtgenoot van de cliënt bedenkingen had tegen het werk van spiritistische mediums. Wanneer dat grif wordt bevestigd, maakt ze er een veel sterkere uitspraak van. En aan het slot wekt ze de indruk dat ze haar kennis van de overledene zelf heeft verkregen door hem sprekend op te voeren.

M: Ik denk dat hij een beetje terughoudend zou staan tegenover dit soort werk, is het niet?
C: Ja.
M: Hij zou hebben gezegd dat het grote onzin was, of niet?
C: Ja vast.
M: Hij zegt: ‘Ik ben hier.’

Cliënten zijn niet snel geneigd om botweg ‘nee’ te antwoorden. Ze zullen eerder zeggen dat ze het niet weten. Dit biedt het medium de kans om het onderwerp desgewenst af te sluiten met de woorden ‘onthoud het maar’ of iets dergelijks. Zo kan ze suggereren dat het later wel duidelijk zal worden. Misschien heeft de cliënt onvoldoende kennis of een gebrekkig geheugen en moet hij het eens navragen bij iemand die beter op de hoogte is. Of misschien heeft het feit nog niet plaatsgevonden. Het is de taak van de cliënt te ontdekken waarop de woorden van het medium betrekking hebben. Het medium kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor andermans onbegrip, want zij is slechts een doorgeefluik.

M: Wie verwacht er in jouw omgeving een kind?
C: Niemand waarvan ik weet.
M: Je zult nog wel iets horen over iemand die zwanger is geworden, ongetrouwd.

Korte stilte

Wanneer de cliënt niet meteen reageert en er een korte stilte valt, is de kans groot dat hij moeite heeft om bevestiging te vinden. In zo’n geval kan het medium een aanvullende of verbeterde uitspraak aan haar woorden toevoegen. Door te beginnen met een nevenschikkend voegwoord (en, of, maar) kan ze de indruk wekken dat ze eerder nog niet uitgesproken was. Zo kan ze haar koers bijsturen voordat haar fouten expliciet worden opgemerkt.

In het onderstaande voorbeeld veronderstelt het medium dat de cliënt een serieuze relatie krijgt met haar vriend, maar wanneer deze bewering niet lijkt aan te slaan, neemt ze gas terug en komt ze tot een tegengestelde conclusie.

M: De man waarmee je momenteel omgaat…
C: Ja
M: wordt dat meer serieus…
C: …
M: min of meer, of is het… omdat het… je weet wel…
C: …
M: Maar ik weet niet of hij bij jou wel de juiste snaar raakt.
C: Nee, ik zie mezelf niet de rest van mijn leven bij hem blijven.

Hieronder nog een tweede voorbeeld waarin het medium haar opinie bijstelt nadat ze geen respons krijgt. Eerst veronderstelt ze dat de tante van de cliënt erg ziek was, maar dat wijzigt ze met meer succes in ‘erg moe’. Vervolgens wordt de geest van de tante opgevoerd als ondersteuning en bron van de informatie.

M: En je tante was heel ziek toen ze overging?
C: …
M: Ik voel dat toen ze vertrok…
M: … toen was ze gewoon erg moe.
C: Ja.
M: Dat is wat ze me vertelt.
C: Ja
M: Ze zegt: ‘Ik was zo moe. Ik wilde niet meer eten. Ik wilde niks meer doen. Ik had er genoeg van.’

Het medium kan de oorspronkelijke vraag ook laten vallen en een heel ander onderwerp aansnijden, dat ze schijnbaar al in petto had. Mocht de cliënt ontkennend hebben gereageerd, dan kan ze doen alsof deze reactie niet van belang is en er meteen overheen praten door een andere vraag te stellen.

M: Ga je van auto veranderen?
C: Nee…
M: …en is je vader, is je vader …eh gul?
C: Soms wel.
M: Okay. Goed, ik voel dat je vader je laat zien hoe gul hij kan zijn. Maar ik zou je willen zeggen, er zal ook nog iemand anders in je buurt zijn die heel vrijgevig is.

Het komt regelmatig voor dat een medium een naam noemt die geen blijk van herkenning oproept. Ze probeert het dan vaak opnieuw door enkele letters in de naam te veranderen. Het lijkt alsof ze op zoek is naar een specifieke naam die ze niet helemaal duidelijk doorkrijgt. Zo kan ze meerdere pogingen wagen zonder dat deze als missers worden aangemerkt. Wooffitt vond zelfs een reeks waarbij het medium achtereenvolgens Ellen, Eileen, Lilian, Lynne, Liz en Lisa noemde. Pas toen de cliënt onthulde dat zijn vrouw Lesley heette, besloot ze dat dit de gezochte naam was.

M: Fred. Wie is Fred?
C: …
M: Of Frank… Fr…
M: En wie is Tommy, Tom?
C: …
M: Ah, ik denk dat het John kan zijn in plaats van Tom.

Dit soort vragen zijn kenmerkend omdat ze suggereren dat het medium er al meer van weet. Ze zal niet vragen of de cliënt iemand kent die John heet of iemand die schulden heeft. In plaats daarvan vraagt ze ‘Wie is John?’ of ‘Wie heeft er schulden?’. Zo lijkt het alsof ze al wat over de betreffende persoon heeft vernomen en ook weet dat de cliënt deze persoon kent.

Corrigerende geesten

Wanneer de cliënt ontkennend reageert, kan het medium nog wat gaan sleutelen aan haar eigen woorden. Meestal probeert ze het interpretatiekader te verruimen, zodat de kans groter wordt dat er iets te vinden is waarop haar woorden betrekking kunnen hebben. Het is echter niet verstandig om heel lang te blijven zoeken naar een passende interpretatie, want als dit uiteindelijk niets oplevert, maakt het een slechte indruk.

Vaak geven cliënten zelf al aan in welke zin de uitspraak klopt, zonder te benadrukken wat er niet klopt. In het volgende voorbeeld wekt het medium de indruk dat ze weet welk beroep de cliënt heeft. Eerder had ze al van hem gehoord dat hij in het leger had gezeten. De cliënt geeft zelf aan dat de uitspraak op het verleden slaat. Het medium neemt dit over en levert tevens een verklaring voor haar onnauwkeurigheid: ze had de geest niet gevraagd welk beroep de cliënt op dit moment uitoefent, maar wat hij na zijn diensttijd was gaan doen. Daarom had de geest dus geen ongelijk.

M: Zit je nu in verzekeringen?
C: Daar heb ik ingezeten.
M: Ik vroeg ‘wat heeft hij gedaan nadat hij uit het leger kwam’ en hij [de geest] zei ‘o, verzekeringen, je weet wel’.

Het medium kan ook beweren dat ze een fout maakte omdat ze niet goed verstond wat de geest zei of niet goed begreep wat hij bedoelde. Ze kan fouten rechtzetten door te vertellen hoe haar uitspraken door de geest zelf worden gecorrigeerd. Daarbij probeert ze ervoor te zorgen dat de geest niet op fouten kan worden betrapt, want geesten behoren onfeilbaar te zijn. Wooffitt geeft de onderstaande voorbeelden. In het eerste geval had het medium blijkbaar niet goed begrepen wat de geest met ‘grijs’ bedoelde en in het tweede verontschuldigt ze zich omdat ze de geest niet goed verstond.

M: Hij was al grijs aan het worden, hè?
C: Nee, niet echt…
M: Hij had donker haar, je man, niet? Want hij zegt: ‘O nee, Mandy, niet helemaal grijs, alleen wat grijze haren hier en daar.’ Hele verstandige man.

M: Wie woonde er op nummer zeventien?
C: Ik weet het niet, Doris.
M: Of kan het nummer zeven zijn?
C: Ik heb op nummer zeven gewoond.
M: (Ach, sorry, ik dacht dat je zeventien zei.) Ze zeggen ‘waarom luister je zo slecht?’.

Wanneer een medium meerdere pogingen ziet mislukken, wijt ze dat vaak aan communicatieproblemen met de geestenwereld. Zo is het mogelijk dat de geesten door elkaar praten of dat een nieuwe geest nog weinig ervaring heeft met telepathie. Een medium dat in de problemen zit, kan binnensmonds gaan fluisteren en met uitlatingen zoals ‘mm… hm… okay’ de indruk wekken dat ze met een geest overlegt. Soms rapporteert ze dat de geest moet lachen om de misverstanden die door de miscommunicatie zijn ontstaan. De kwestie wordt echter niet opgelost. In plaats daarvan begint het medium gewoonlijk over een ander onderwerp, dat kennelijk door de geest werd aangedragen. Wanneer dat wel de gewenste respons oplevert, blijkt het eerdere communicatieprobleem plotseling weer opgelost te zijn.

M: Kort nadat hij was overgegaan, is er toen gesproken over verhuizen? … Of over de mogelijkheid om te verhuizen? Hebben de kinderen…
C: Nee.
M: ooit iets gezegd over ergens anders naartoe gaan…
C: Oh nee.
M: (Hmm … mm hm … hm hm.) Hij heeft het ook over schilderen.

Vrijkaartjes van Doris Stokes

Wooffitt heeft zijn analyses gebaseerd op circa 25 uur geluidsopnamen van 42 consulten en podiumdemonstraties met 28 verschillende mediums, paragnosten en tarotlezers, die hij uit verschillende bronnen verzamelde. Dit lijkt een redelijk omvangrijke verzameling. De fragmenten die hij in zijn boek afdrukt, zijn echter voor een groot deel afkomstig van drie tapes. Twee daarvan werden verstrekt door de James Randi Educational Foundation: een opname van een consult met een medium in Noord-Engeland, die door de cliënt naar een regionale tv-zender was gestuurd, en een video-opname van een sessie die was gebruikt voor een Amerikaans tv-programma. De derde opname kwam van een Engelse spiritistische vereniging. Daarop stonden gedeelten uit openbare optredens van het in 1987 overleden Britse medium Doris Stokes, waaruit Wooffitt frequent citeert.

Het is niet duidelijk in hoeverre dit materiaal representatief is voor het verbale gedrag van mediums en zieners. Volgens Wooffitt waren in alle sessies dezelfde patronen te vinden. Hij ondersteunt zijn analyses steeds met een paar voorbeelden, die hij zeer uitgebreid bespreekt. Maar hij heeft geen tellingen uitgevoerd. Dat is een belangrijk verschil met het promotie-onderzoek van Boerenkamp (1988), die ruim 150 sessies met twaalf gerenommeerde paragnosten en mediums op de band zette. Hij stelde onder meer vast dat circa een derde van hun uitspraken in retorische vraagvorm was gesteld en dat cliënten op twee van de drie uitspraken meteen reageerden. Ook constateerde hij dat paragnosten hun eigen uitspraak in 60 procent van de gevallen van een nieuwe interpretatie voorzagen wanneer de cliënt zich er niet in kon vinden. Blijkbaar heeft Wooffitt de Engelstalige dissertatie en de eerdere artikelen van Boerenkamp over het hoofd gezien, want ze staan niet in zijn literatuurlijst.

Nadat zijn boek verscheen (en voor die tijd) publiceerde de auteur ook verscheidene artikelen over het taalgebruik van mediums. Daarin komen we echter dezelfde fragmenten tegen als in het boek. Een belangrijk deel van de meest sprekende (en niet al te lange) voorbeelden heb ik in dit artikel opgenomen. Wooffitt slaagt erin om daar veel uitgebreider en ingewikkelder over te schrijven. Zijn transcriptie ziet er ook veel professioneler uit dan mijn versie, want zelfs iedere zucht wordt daarin weergegeven.

Hoewel er in zijn boek geen wonderbaarlijke staaltjes van paranormale kennis te vinden zijn, was het misschien niet zo verstandig om Doris Stokes als schoolvoorbeeld te gebruiken. Zij werd op latere leeftijd (55+) wereldberoemd en trad in grote theaters op. Ze gaf ook raad aan showbizzsterren en werkte regelmatig mee aan tv- en radioprogramma’s. Ian Wilson (1987) beschreef hoe hij in 1986 samen met twee televisiejournalisten een show in het London Palladium bijwoonde, waar Stokes enkele opmerkelijke voltreffers scoorde. Zo had ze naar het scheen contact met de geest van Graham, die zijn weduwe liet weten dat ‘de steiger veilig had moeten zijn’. Hij bleek van een steiger te zijn gevallen.

De journalisten spraken na afloop met de weduwe en met twee andere vrouwen die treffende boodschappen hadden ontvangen. Toen bleek dat Doris Stokes al van tevoren van hun situatie op de hoogte was en ze vrijkaartjes had gegeven voor de eerste rij. De vrouwen beseften niet hoe ze door het medium waren misbruikt. Twee journalisten van The Mail on Sunday rapporteerden eerder dat jaar een vergelijkbaar voorbeeld. Bij dit optreden kreeg Stokes naar het scheen contact met een jongen die aan een hersentumor was overleden. Later bleek echter dat ze de moeder van de jongen telefonisch had uitgenodigd voor de voorstelling, nadat ze een informatieve brief ontving van de schoonzuster van de vrouw. De manager van het London Palladium vertelde Ian Wilson dat de voorste drie rijen van het theater door het medium waren gereserveerd voor speciale genodigden.

Bloemen van Daniël

Wooffitt staat zich erop voor dat hij onbevooroordeeld is en geen uitspraak doet over de vraag of er paranormale factoren in het spel zijn. Hij meent dat sceptici te weinig oog hebben voor het subtiele taalspel tussen medium en cliënt, omdat ze zich louter richten op misleiding en bedrog. Een beschrijving van ‘de communicatieve praktijken door middel waarvan kennisclaims worden geuit, toegeschreven, geaccepteerd, verworpen en gewijzigd’ is volgens hem niet hetzelfde als een verzameling linguïstische trucs.

Cold reading wordt door Wooffitt omschreven als een reeks technieken om meer over een onbekende persoon aan de weet te komen. Men kan onder meer letten op uiterlijke kenmerken en nonverbaal gedrag, met suggestieve vragen hengelen naar bruikbare informatie, en cliënten motiveren om veel betekenis toe te schrijven aan vage en nietszeggende uitspraken. De sceptische psycholoog Ray Hyman publiceerde in 1977 een bekend artikel over cold reading, maar dat schiet volgens Wooffitt tekort omdat Hyman de feitelijke interacties tussen medium en cliënt niet nauwkeurig heeft geanalyseerd. Daardoor heeft hij bijvoorbeeld niet opgemerkt dat cliënten meestal zo kort mogelijk antwoorden, zodat het medium optimaal de gelegenheid krijgt om haar eerdere uitspraak aan een paranormale bron toe te schrijven.

Er zijn echter ook wel sceptici geweest die de interacties tussen een medium en de cliënt wat uitgebreider hebben beschreven, al deden ze dat niet in een vaktijdschrift. Dit geldt bijvoorbeeld voor Hoggart & Hutchinson (1995). Zij bespraken een optreden van Doris Stokes, dat te zien was in een film van de BBC. Vooral hun laatste voorbeeld is leerzaam en sluit goed aan bij het werk van Wooffitt.

Stokes richt zich tot het publiek met de vraag: ‘Kleine Daniël, wie is kleine Daniël?’ Wie hem kent, mag naar voren komen. Een vrouw springt overeind en roept:

C: Ja, ik heb een Daniël!
M: Is er een verjaardag geweest met kleine Daniël?
C: Ik heb een Daniël. (de vrouw loopt nu naar voren)
M: Kleine Daniël?
C: Heel klein?
M: Je hebt een baby Daniël?
C: …
M: Moest hij terug naar het ziekenhuis?
C: Ja, hij moest terug naar het ziekenhuis.
M: Maar het gaat nu goed met hem?
C: Nee… misschien wel aan uw kant. Maar we hebben hem verloren.
M: Dat is wat hij zegt, hij voelt zich nu goed. En ze zeggen dat ze de kleine Daniël hebben meegenomen. Hij ging terug naar huis en hij moest weer terug naar het ziekenhuis. En toen ging hij nooit meer naar huis. Maar hij zegt dat het nu goed met hem gaat.
M: Hij is ongeveer drie jaar nu, lieverd?
C: Ja, dat zou hij zijn.
M: Hij heeft kastanjebruin haar.
C: Ja, dat klopt.
M: Hij kijkt naar de bloemen. (Ja Daniël, dat is goed liefje.) Hij zegt: ‘Mag ik wat bloemen voor mijn moeder?’ Dus wanneer je vanavond naar huis gaat, neem dan maar wat bloemen mee, lieverd.
C: Ik was niet zijn moeder.
M: Maar je kende zijn moeder!
C: Ja.
M: Hij zei niet voor jou. Hij zei: ‘Mag ik wat bloemen voor mijn moeder.’ Hij is hier en het is een prachtig kind.

Het medium trekt naar het schijnt tweemaal een verkeerde conclusie. Ze neemt ten onrechte aan dat Daniël nog leeft, waarschijnlijk omdat de vrouw in de tegenwoordige tijd over hem spreekt. Maar wanneer ze hoort dat hij overleden is, redt ze zich eruit door haar uitspraak in Daniëls mond te leggen: hij voelt zich goed, al is-ie nu dood. Ook Wooffitt vond dergelijke voorbeelden, waarin de geest het gelijk van het medium bevestigt. In dit geval krijgt ze bovendien hulp van de cliënt, die haar de oplossing al aanreikt.

Het medium neemt vermoedelijk aan dat ze te maken heeft met de moeder van Daniël. Anders zou ze waarschijnlijk hebben gevraagd of de vrouw de bloemen mee kon nemen naar Daniëls moeder, die misschien niet in de buurt woonde. Ze raakt niet in verwarring wanneer ze beseft dat de moeder niet aanwezig is, maar heeft meteen een passend antwoord klaar. Daniël had niet expliciet gezegd dat de vrouw zijn moeder was. Dat is de kracht van een ervaren medium. Ze praat zich moeiteloos uit de problemen. Ze zorgt er ook voor (al of niet bewust) dat ze een vluchtweg openhoudt zolang ze er nog niet zeker van kan zijn of haar veronderstellingen kloppen.

Een agnostische houding is volgens Wooffitt wenselijk om goed te kunnen analyseren wat er gebeurt. Hij heeft gelijk wanneer hij bedoelt dat hij als taalsocioloog geen morele veroordelingen wil uitspreken. Maar hij heeft volgens mij geen goede reden om serieus rekening te houden met de mogelijkheid dat sommige mediums over paranormale gaven beschikken. Wie ervan uit gaat dat Doris Stokes de ‘kleine Daniël’ uit haar duim zoog, begrijpt misschien nog wel beter hoe het medium verbaal manoeuvreert en waar de schoen soms wringt.

Literatuur

Boerenkamp, H.G. (1988). A study of paranormal impressions of psychics. Universiteit Utrecht, proefschrift.
Hoggart, Simon & Mike Hutchinson (1995). Bizarre beliefs. London: Richard Cohen Books.
Hyman, Ray (1977). Cold reading: how to convince strangers that you know all about them. The Zetetic 2(1), 18-37.
Wilson, Ian (1987). The after death experience. London: Sidgwick & Jackson.
Wooffitt, Robin (2006). The language of mediums – The social organization of everyday miracles. Ashgate Publishing.

Uit: Skepter 22.1 (2009)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014