In de ban van Nibiru

De dreigende komst van Planeet X

door Maarten Keulemans

Het is momenteel een van de drukst besproken onderwerpen onder eindtijdprofeten: Planeet X. Hoe een obscuur rekenkundig probleem uit de sterrenkunde uitgroeide tot een apocalyptische rage.

In mei is het zover. Een forse planeet, een paar keer groter dan de aarde, zal dwars door ons zonnestelsel schieten, rakelings langs onze planeet scheren, een rondje om de zon maken en weer uit het zicht verdwijnen. Wat dat voor de aarde betekent, daarover zijn de meningen verdeeld, zo blijkt uit de honderden opgewonden internetpagina’s en de tientallen boeken die inmiddels over Planeet X verschenen zijn. Meest gehoorde noodkreet: de zwaartekracht van X zal honderden vulkanen doen uitbarsten, reusachtige vloedgolven zullen de continenten overspoelen en de aardas zal van het ene op het andere moment omslaan zodat de poolkappen verschuiven naar de evenaar. En dan mogen we nog van geluk spreken. In andere scenario’s pelt X de aardkorst van onze planeet, splijt hij de aardbol doormidden, jaagt de aarde richting zon of jaagt haar juist richting interstellaire ruimte. Weer anderen hebben begrepen dat de ‘magneetvelden’ van X ervoor zorgen dat de aarde ophoudt met draaien. Drie dagen en drie nachten, beweren meer bijbels ingestelde doemzeggers. Alle onheilsprofeten hebben begrepen dat Planeet X de aarde zal bekogelen met uit de buitenste regionen van het zonnestelsel meegesleurde meteorieten.

Misschien is er een sprankje hoop. Planeet X was immers ooit een bewoonde planeet, vol piramidebouwers, Atlantiërs – enfin, dat soort volk. Inderdaad, er bestaan aardlingen die al vele jaren in telepathisch contact zeggen te staan met de ‘Nibiruërs’ of de ‘Nefilim’, zoals de X-lingen vaak genoemd worden. Die hebben onthuld dat ze naar goed apocalyptisch gebruik van plan zijn een select gezelschap aardbewoners mee te nemen, voordat hun planeet de onze platwalst.

Erg origineel is het allemaal niet. Nog geen twee jaar geleden, in mei 2000, zou de aarde ook al door heftige zwaartekrachtvelden aan stukjes worden gevibreerd omdat op die dag alle zichtbare planeten zo’n beetje op één lijn kwamen te liggen. Maar planeet X lijkt meer los te maken. Uit een enquête onder bezoekers van de aan apocalyptische rampen gewijde website Armageddon Online bleek dat zij een ontmoeting met Planeet X een waarschijnlijker einde der tijden achten dan de inslag van een reuzenmeteoor of de uitbarsting van een supervulkaan. Ook de auteur van dit artikel, die een populair-wetenschappelijke website bijhoudt over apocalyptische rampen, maakt uit de haast dagelijks per e-mail binnenkomende reacties op dat de mythe van X meer leeft dan welk ander doemscenario ook. Een e-mail uit de VS: ‘U staat beslist op de loonlijst van zowel de NASA als de [Amerikaanse] overheid.’ Of, uit de reactie van een zekere Buzz: ‘Ik vind het vreemd dat u het bewijs voor het bestaan van Planeet X helemaal niet gelooft. Dat is niet wetenschappelijk.’ Want dat is waarin de Planeet X zich onderscheidt van de meeste andere onheilsprofetieën: ze rust op een wetenschappelijk aandoende, uitgebreide waslijst van ‘bewijzen’. De X-aanhang schermt met obscure Soemerische teksten, geologische weetjes en artikelen uit gerespecteerde wetenschappelijke bladen. Planeet X is een fascinerende leugen verstopt in kleine waarheden.

Planeten als veerboot

Vreemd genoeg waren het astronomen die X in het leven riepen, halverwege de 19de eeuw. De baan van de planeet Uranus leek een onverklaarde afwijking te hebben. Er was extra massa nodig om de berekeningen kloppend te krijgen. Een extra planeet bijvoorbeeld, opperde de Franse wiskundige Urbain Le Verrier in 1846. Erg buitenissig was die gedachte niet. Een paar maanden eerder nog had hij de baan van Neptunus redelijk accuraat voorspeld door te kijken naar de beweging van Uranus. Maar terwijl Neptunus keurig volgens de berekeningen werd aangetroffen, bleef de nieuwe hypothetische verstoorder van Uranus onvindbaar. In de eeuw die volgde zagen minstens 23 uiterst secure voorspellingen van de massa, positie en omlooptijd van de nieuwe planeet het daglicht. Thomas Jefferson Jackson See had drie planeten nodig om de baan van Uranus kloppend te krijgen, de befaamde Harvardastronoom William Henry Pickering voorspelde er liefst zeven, waarvan er een (‘planeet Q’) ruim zestig keer zo zwaar was als Jupiter. Het was de zakenman en astronoom Percival Lowell (1855-1916) die de ongrijpbare planeet met de letter ‘X’ doopte. Lowell, nu vooral herinnerd om zijn onwrikbare geloof in intelligent leven op Mars, ondernam vanuit zijn privéobservatorium in Flagstaff in de staat Arizona, twee uitgebreide zoektochten naar X – waarbij hij ironisch genoeg tot tweemaal toe de planeet Pluto fotografeerde zonder het vlekje te interpreteren als planeet. Maar ook Pluto, in 1930 herkend als planeet, was bij lange na niet afdoende om de berekeningen op orde te krijgen.

Planeet X werd een milde obsessie. Toen John Anderson van NASA’s Jet Propulsion Laboratory in 1987 geen afwijkingen kon ontdekken in de koers van de ruimtesondes Pioneer 10 en 11, maakte hij daaruit op dat planeet X blijkbaar een zeer elliptische baan moest hebben – de vogel was eventjes gevlogen. (1)

In 1976 nam ‘de zaak Planeet X’ een onverwachte wending. Het was de tijd van Uri Geller, Charles Berlitz, John Keel en Raymond Moody. De pseudowetenschap was na de cultuuromslag van de jaren 1960 tot ongekende bloei gekomen. In New York raakte de oud-economiestudent en journalist Zecharia Sitchin in de ban van Erich von Däniken, de Zwitserse schrijver die meende dat de goden uit de oudheid buitenaardse ruimtereizigers waren geweest. Sitchin, Rus van geboorte en opgegroeid in het Midden-Oosten, begon te grasduinen in de Soemerische en Babylonische literatuur, op zoek naar buitenaardse wezens. En die vond hij zonder veel moeite, door net als von Däniken de Mesopotamische mythen letterlijk te nemen en door in iedere rare Soemerische hoed een ruimtehelm te zien. Sitchin zou zichzelf voortaan uitgeven voor linguïst, archeoloog en historicus, en met von Däniken en Immanuel Velikovsky uitgroeien tot wat de Amerikaanse skepticus Bob Carroll ‘de heilige drie-eenheid van de antieke astronautentheorie’ noemde.

Sitchin is de optelsom van von Däniken en Velikovsky. Volgens Sitchin werd de aarde namelijk zowel bezocht door kosmonauten als bijna verwoest door een langsrazende planeet, zoals Velikovsky betoogde in Worlds In Collision (1950). Sitchin besloot dat de kosmonauten afkomstig moesten zijn van Velikovsky’s planeet. Om dat voor elkaar te krijgen nam Sitchin zijn toevlucht tot een zelfs voor kosmonautengelovigen akelig gecompliceerde theorie. Zijn interesse gaat uit naar de ‘Enoema Elish’, het Babylonische scheppingsepos uit de 12de eeuw v.C. Daarin krijgt het monster Tiamat het aan de stok met Mardoek, hoofd van het Babylonische godenpantheon. Mardoek wint, en splijt Tiamat, waarmee hemel en aarde ontstaan.

Volgens Sitchin moet je zoiets letterlijk nemen. Mardoek is een zwerfplaneet met een zeer elliptische baan die hij in 3600 jaar doorloopt – wat betekent dat Mardoek meestal uit het zicht is. Tiamat is een oerplaneet die al bestond voor de aarde. Mardoek kwam tijdens een van zijn omlopen in botsing met Tiamat, zo betoogde Sitchin in zijn boek The Twelfth Planet (1976), met als gevolg de planetoïdengordel – en de aarde. Nu was er op Mardoek intelligent leven ontstaan, aldus Sitchin. Toen de planeet weer eens langskwam, sprongen deze ‘Nefilim’ over op onze planeet, om in het huidige Nabije Oosten een basis te vestigen. (2) Om te voorzien in hun behoefte aan arbeid, maakten de Nefilim met behulp van genetische modificatie de mens uit de aap. Logisch, want: ‘In veel opzichten is de moderne mens, Homo sapiens, een vreemde op aarde.’

Wat volgt is een oeverloos relaas van de avonturen van de mensen en hun kosmische bezoekers, vol intriges, opstanden en koningsmoord. De mens dankt zijn cultuur aan de Nefilim, want ‘zoals alle onderzoekers tegenwoordig gefrustreerd toegeven zou de mens nog steeds geen beschaving moeten hebben.’ Iedere omloop van Mardoek weer kreeg de menselijke beschaving een duw in de rug, met als meest recente resultaat de gedomesticeerde landbouw in Mesopotamië. De raketbouwers zelf waren toen overigens allang vertrokken, op de vlucht geslagen voor de door hun eigen planeet teweeggebrachte Zondvloed. Want dat staat wat Sitchin betreft als een paal boven water. Iedere 3600 jaar doet Mardoek ‘iets’ met de aarde. Nu weer is dat een klimatologische of geofysische catastrofe, dan weer is het een cultuursprong, aangezwengeld door de Nefilim.

Het behoeft geen betoog dat Sitchins theorie een opeenstapeling is van vertaalfouten, feitelijke onjuistheden en subjectieve interpretaties. Om maar iets te noemen: volgens Sitchin kenden de oude Soemeriërs een pictogram genaamd ‘shar’, dat zowel stond voor ‘planeet’ als ‘omlooptijd’ als ‘3600’ – zo komt hij aan zijn omlooptijd van 3600 jaar. Maar volgens Wilfred van Soldt, assyrioloog aan de Universiteit Leiden en kenner van de oude Mesopotamische astronomie, zit dat toch anders. Er bestond een Soemerisch spijkerschriftteken dat ‘3600’ betekent en dat als ‘shar’ gelezen moet worden. Dat is echter heel iets anders dan het Akkadische teken ‘sharru’, dat ‘koning’ betekent en ook wel werd gebruikt om de god Mardoek aan te duiden, en dat helemaal niets te maken heeft met een woord voor ‘planeet’. Sitchin lijkt twee totaal verschillende oude talen op een hoop te hebben gegooid. Ook de namen Mardoek en ‘Nibiru’ berusten op taalkundige misverstanden. Van Soldt wijst er desgevraagd op dat het onder Babylonische astronomen gebruikelijk was om de zichtbare planeten als bijnaam een godennaam te geven. Mardoek was dan ook geen geheimzinnige extra planeet maar de bijnaam van Jupiter. En Nibiru? Vreemd genoeg is dat geen naam, maar een zelfstandig naamwoord: ‘neberoe’ betekent ‘veerboot’. Sitchins vertaling is een andere: ‘planet of the crossing’, zeg maar ‘langskomende planeet’.

Van Soldt wilde wel eens weten wat veerboten nu met planeten te maken hebben, en besloot de oude bronnen erop na te slaan. In een vierduizend jaar oud logboek met waarnemingen van de hemellichamen gebruikte een anonieme Babyloniër inderdaad in één zin beide woorden om Jupiter te beschrijven. De gang van de planeet langs het hemelgewelf deed de waarnemer denken aan een veerboot die het water oversteekt. Zo staat het ook in het scheppingsverhaal Enoema Elish. Daar vergelijkt de god Mardoek Jupiter tijdens de schepping eveneens met een veerboot:

‘Hij die zonder moe te worden het midden van de oceaan oversteekt, laat zijn naam Neberoe, hij die het midden (van de oceaan) aanhoudt, zijn.’

Dan is er nog Sitchins belangrijkste ‘bewijs’: een kleitablet van rond drieduizend v.C., dat momenteel in het bezit is van het Berlijns oudheidkundig museum, catalogusnummer VA/243. Daarop is iets te zien dat (voor moderne ogen) lijkt op een zon met planeten eromheen. Elf planeten. Ervan uitgaande dat planeet nummer tien de maan is, blijft er nog altijd een planeet teveel over, redeneerde Sitchin. Astronomisch gezien is dat natuurlijk flauwekul, al was het maar omdat het zonnestelsel zoveel minuscule planeetjes kent dat we gerust tot in de honderden kunnen doortellen; belangrijker is dat de Babyloniërs geloofden dat de aarde plat was en onmogelijk weet konden hebben van planeten als Pluto en Neptunus. Wat toont dit tablet dan wel? Niets bijzonders, denkt Van Soldt. Soortgelijke afbeeldingen – ‘introductietaferelen’ – zijn bij duizenden gevonden. Ieder tablet is weer anders gedecoreerd. Met kruisjes, pictogrammen en versierselen waarvan de betekenis onzeker is. Het ‘zonnestelsel’ van Sitchin zou de planeet Venus kunnen voorstellen, vermoedt Van Soldt, gezien vanaf de aarde en omringd door sterren.

VA/243

Zeta Talk

Vreemd genoeg besteedde Sitchin nauwelijks aandacht aan de consequentie van zijn eigen theorie: dat zijn apocalyptische planeet ooit opnieuw het zonnestelsel komt binnenzwaaien. Ook het geworstel van de astronomie met X liet hem betrekkelijk koud. In The Twelfth Planet wijdde hij er welgeteld één zin aan; Nibiru zou toch pas rond het jaar vier- of vijfduizend terugkeren, zo meende hij. Het zou dan ook nog een tijd duren voordat het apocalyptische kwartje viel.

De omslag kwam in 1983. Op 30 december van dat jaar publiceerde The Washington Post een nieuwsbericht op de voorpagina met de mededeling dat de infraroodsatteliet IRAS voorbij Pluto een planeet had waargenomen die ‘mogelijk zo groot als Jupiter’ was. Sterker nog: ‘Het kan de tiende planeet zijn waarnaar astronomen vergeefs hebben gezocht’, aldus de krant. In werkelijkheid was er sprake van oud, verkeerd begrepen nieuws. Begin november hadden IRAS-onderzoekers Gerry Neugebauer en James Houck een persconferentie belegd om de stand van zaken van het IRAS-project toe te lichten. Iras had een nog onverklaarde onregelmatigheid in het infrarood-spectrum waargenomen, meldden de onderzoekers. Het kon van alles zijn, van een interstellaire gaswolk tot een tiende planeet. De krant, die het verhaal weken liet liggen, gaf de voorkeur aan de planeet. De astronomen zouden later in de Astrophysical Journal melden dat het ging om een nieuw soort sterrenstelsel, een zogeheten ultralumineus infraroodstelsel. (3)

Toen gebeurde het ongelooflijke. Astronomen stuitten op de oplossing van het Uranusprobleem. Niet een planeet, maar menselijke onnauwkeurigheid bleek daarvoor verantwoordelijk. Aangezien Uranus een omlooptijd heeft van 84 aardse jaren, had de astronomie vele jaren nodig gehad om goed zicht te krijgen op zijn baan. Bovendien kenden de vorige generaties astronomen van de meeste sterren niet de exacte positie. En aangezien planeetbewegingen worden bestudeerd door hun verschuiving langs de sterren te meten, waren ook de gegevens over de planeetbewegingen inaccuraat. Toen die onnauwkeurigheden eenmaal waren weggewerkt, bleek er van afwijkingen in de planeetbanen geen sprake meer te zijn.

Tegenwoordig zijn er nog nauwelijks serieuze astronomen die geloven dat er een onbekende planeet nodig is om de fysica van het zonnestelsel te verklaren. Zelfs pseudowetenschapper Richard ‘Marsgezicht’ Hoagland is afgehaakt. ‘We willen volkomen duidelijk maken dat we op geen enkele manier en in geen enkele vorm ondersteuning geven aan de verspreidende notie dat Nibiru de volgende lente terugkeert’, aldus Hoagland, die overigens benadrukt nog steeds ‘de grootste waardering’ te hebben voor Sitchins werk. Maar het was al te laat. De mythe van X was al een eigen leven gaan leiden.

Voor zover valt na te gaan waren het de inwoners van de planeet Zeta Reticuli die als eersten vaststelden dat Planeet X in mei 2003 zou terugkeren. Nancy Lieder had op haar internetpraatgroep Zeta Talk een groeiende schare aanhangers om zich heen verzameld met haar bewering dat ze in telepathisch contact stond met de bewoners van de planeet Zeta Reticuli. Op zichzelf geen noviteit: sinds eeuwen bestaan er cultussen die met buitenaardse wezens praten. Maar Lieder kreeg te horen dat Planeet X in de lente van 2003 zou komen langsdenderen. Waarbij overigens wél aangetekend moet worden dat zelfs de astronomen van Zeta Reticuli er soms naast zitten: zo hadden de Zeta’s eerder met stelligheid beweerd dat de komeet Hale-Bopp geen komeet was, maar een interstellair ruimteschip. Een uitlating, die waarschijnlijk mede debet is geweest aan de zelfmoord van 39 UFO-aanhangers van de Heaven’s Gate-cultus, die verwachtten toch in elk geval áchter Hale-Bopp een ruimteschip te treffen (zie Skepter, juni 1997).

Desinformatie

Een volgende reeks pseudowetenschappers diende zich aan. De beruchte Britse samenzweringsschrijver David Icke ontfermde zich over de zaak, en ene James McCanney, fysicus en oud-medewerker van de Cornell University, schreef het ene pamflet na het andere over X. En dan was er Mark Hazelwood, een aanhanger van de Scientology Church die tegen de millenniumwende plots helemaal in de ban raakte van X, naar eigen zeggen onder invloed van voorspellende dromen.

De nieuwe lichting aanhangers zat wel met een probleem. De reguliere wetenschap hoorde je steeds minder over tiende planeten. Volgens Hazelwood zat het eenvoudig: NASA had kennelijk besloten Planeet X geheim te houden voor het publiek. Hadden de ‘dappere’ IRAS-onderzoekers Neugebauer en Houck niet toegegeven dat ze de planeet allang hadden gevonden?

Waar Sitchin zich, als typisch product van de jaren 1970, nog omhulde met een sfeer van wetenschappelijk aandoende eruditie, ontpopte de nieuwe generatie X-auteurs zich tot keiharde, compromisloze, paranoïde onheilsprofeten. Hun leidraad bleek Mark Hazelwoods trendsettende boek Blindsided: Planet X passes in 2003. Nee, Hazelwood was geen wetenschapper, en dat was maar goed ook. Wetenschappers zijn immers de leugenachtige buikspreekpoppen van de regering. Dat u het maar weet:

X wordt OPZETTELIJK BELACHELIJK en verwarrend gemaakt om verschillende redenen. Een daarvan is om paniek te voorkomen onder de wereldbevolking. Er worden daarom veel websites en artikelen over Planeet X geschreven die leugens verspreiden. Die beweren dat X slechts MISSCHIEN bestaat of dat er geen bewijs is voor het bestaan van X of dat hij, als hij bestaat, slechts eens in de zoveel miljoen jaar langskomt. Zulke desinformatie is wijdverbreid. Een tweede laag van desinformatie is bestemd voor mensen die hun huiswerk hebben gemaakt en die absoluut weten dat X bestaat. Tegen die mensen zeggen de desinformatie-artiesten dat de planeet niet tijdens onze generatie langskomt. Tegen de observatoria ten slotte, die volledig op de hoogte zijn van het bestaan van Planeet X en van zijn aankomsttijd, zeggen de desinformatie-artiesten: ‘Houd het stil en maak je geen zorgen, er gebeurt niets als de planeet langskomt.’

Daarmee was de omvorming van Planeet X van wetenschappelijke hypothese tot volwaardig geloofssysteem volledig. Nu Hazelwood X had voorzien van een samenzweringstheorie, was eventueel tegenbewijs voortaan vanuit de Planeet X-theorie zelf te verwerpen. Met die breuk met het falsificatieprincipe was Nibiru definitief beland in een ander universum: dat van het (bij)geloof.

Intussen voegden IJzeren Hein Hazelwood en aanhangers de laatste pennenstreek toe aan de mythe: het ‘historisch bewijs’ voor de einddatum. Het enige wat daarvoor nodig was, was een apocalyptisch aandoende wereldramp die zich precies één omlooptijd van X eerder had voltrokken. En die vond men – in de vorm van de vulkaanuitbarsting die de wereld waarschijnlijk ook zijn Atlantisverhaal heeft bezorgd.

In het jaar 1628 v.C. voltrok zich, op wat nu het Griekse eiland Santorini is, een verschrikkelijke ramp. Met een geschatte kracht van 150 waterstofbommen kwam de vulkaan Thera tot uitbarsting. De Minoïsche beschaving werd weggeblazen, de omringende kustgebieden werden overspoeld en het opgestuwde vulkaanstof zorgde tot in China voor een merkbare verduistering van de zon. Thera gaf het klimaat een ongekend heftige knauw, die onder meer is teruggevonden in ijskernen op Groenland en jaarringen in Californië. Dat krijg je ervan als er een planeet komt langsdenderen, menen de X-aanhangers.

En zo stapelen de ‘bewijsstukken’ zich op. Op internet circuleren inmiddels talloze anekdotes, feitjes en foto’s die de mythe verder moeten onderbouwen. Er is de omineus aandoende portretfoto van een roodbruine planeet. Volgens de aanhangers is het X, maar in werkelijkheid gaat het om een oude Hubblefoto van Io, een van de manen van – alweer – Jupiter. Er is een schematische tekening uit een boek waarop ‘de tiende planeet’ is ingetekend. Volgens de aanhangers betreft het een inmiddels weggecensureerde illustratie die ooit werd opgesteld door NASA-onderzoekers. In werkelijkheid komt de prent uit een kinderencyclopedie. De afbeelding verduidelijkt hoe de astronomie de Pioneersatellieten kan gebruiken als ‘zwaartekrachtsondes’ om te berekenen of zich nog ergens onontdekte planeten of planetoïden bevinden.

Populair is ook foto van een anonieme Russische astronoom die volgens een begeleidend schrijven heeft besloten ‘eindelijk zijn geheim met de wereld te delen’. De foto toont een rode planeet in de ruimte. Jawel: het is X, gefotografeerd door de Russen tijdens een (uiteraard geheim) programma genaamd ‘Norlock’. Waarschijnlijker is de foto met een ‘photoshop’-programma gemaakt, en is de planeet nota bene ontleend aan de geflopte Hollywoodfilm Mission To Mars.

Wachten op X

En X zelf? Is het nu echt uitgesloten dat er een planeet bestaat die eens in de 3600 jaar terugkeert naar de aarde? Het antwoord is een volmondig ‘ja’.

Volgens de Leidse sterrenkundige Frank Israel, die zich al jaren kan verbazen en vermaken over de zaak Sitchin, is het met Planeet X ‘alsof je een wolkbreuk uit een spons knijpt.’ In de échte wereld kan een planeet groter dan een paar honderd kilometer doorsnede onmogelijk langdurig een extreem elliptische baan om de zon vasthouden. Uit de wetten van Kepler volgt immers dat een planeet met een omlooptijd van 3600 jaar een baan heeft die nagenoeg parabolisch – is wat betekent dat X ongeveer op ontsnappingssnelheid langs de zon zwaait. Zo’n planeet krijgt na een aantal rondjes om de zon een steeds cirkelvormiger omloop, óf hij wordt voorgoed weggeslingerd, de ruimte in. En aangezien de aarde toch echt 4,5 miljard jaar oud is, heeft X daarvoor al minstens een en een kwart miljoen omlopen de tijd gehad.

Dat staat nog los nog van de vraag in hoeverre er sowieso intelligent leven kan ontstaan op een planeet die nu weer vlakbij de zon en dan weer in de interstellaire ruimte rondhangt, stelt Israel. De temperatuur op X zou immers variëren tussen die op aarde en een graad of tien à twintig boven het absolute nulpunt.

Al met al heeft het er veel van weg dat de wereld ook na mei 2003 nog een poosje blijft bestaan. Als X al deze lente arriveert, zou hij al dichterbij de zon moeten staan dan Jupiter. Je zou zo’n uit de kluiten gewassen planeet allang met het blote oog kunnen zien, weet Israel.

Of de mythe van Planeet X daarmee is bezworen, is een ander verhaal. Onder de X-aanhang voltrekt zich momenteel een richtingenstrijd. Het kamp Hazelwood weet zeker dat de verwachte planeet in mei zal opduiken, hij zal enkele weken tevoren te zien zijn als een ‘rode crucifix in de lucht’. Een andere stroming, aangevoerd door de nog altijd springlevende oude meester Sitchin, houdt het erop dat Nibiru nog een paar duizend jaar op zich zal laten wachten.

Gelukkig zijn er ook mensen die van de nood een deugd maken. Onlangs ontving de schrijver dezes een e-mail van ene Craig Saxe, een bouwkundig ingenieur uit Texas. Saxe wordt er onderhand knettergek van: zijn vrouw en diverse familieleden zijn er volledig van overtuigd dat X deze lente de mensheid aan gort komt stampen. ‘This f’n Planet X has completely ruined my life and I’m fed up’, schrijft hij.

Toch, zo meldt Saxe, heeft X hem ook iets goeds gebracht. ‘Ik wilde altijd al een motor hebben, maar mijn vrouw vond dat zo’n slecht idee dat ik het onderhand had opgegeven. Totdat ik haar pas zei: ”Voordat Planeet X ons doodt wil ik alles hebben gedaan wat ik altijd al wilde doen.” Ik houd nu op met schrijven, want ik heb een lange dag voor de boeg op mijn GLOEDNIEUWE MOTOR! KASSA!!!!’

Noten

1. Opmerkelijker nog was de rekenexercitie die de in vergetelheid geraakte astronoom Francis Sevin in 1946 presenteerde. Sevin groepeerde de planeten in tweetallen, telde de logaritmes van de omloopbanen per planetenpaar op, en ontdekte dat daaruit een min of meer constant getal opdook. De astronoom moest daarbij overigens wel de feiten enigszins bijsturen: zo had hij de planetoïdengordel en de planetoïde Hidalgo nodig om zijn parenreeks kloppend te krijgen. Na veel geploeter leverde hem dat het inzicht op dat X een ‘paar’ moest vormen met Mercurius, en dat de omlooptijd van de ontbrekende planeet 677 jaar moest bedragen. Het zal hem nog zijn tegengevallen toen collega’s hem voor de voeten wierpen dat zijn methode meer iets was voor numerologen dan voor astronomen.

2. Nefilim is de oudtestamentische term voor reuzen. Sitchin noemt ze ook wel ‘de mensen van de vurige raketten’.

3. En er was nog een ontwikkeling. Twee paleologen van de Universiteit van Chicago, David Raup en John Sepkoski, suggereerden in 1983 dat er een patroon zit in de extinctiegolven die de aarde soms treffen. De aarde zou eens in de 26 miljoen jaar een periode van massale extinctie doormaken. Een jaar later kwamen twee onderzoeksgroepen onafhankelijk van elkaar in Nature met een verklaring: een nog onontdekt hemellichaam. ‘Nemesis’, zoals het object werd gedoopt, zou een tweelingster van onze zon zijn en regelmatig dicht bij het zonnestelsel komen. Het door Raup en Sepkoski waargenomen patroon hield echter geen stand, en astronomische aanwijzing voor een ‘tweelingzon’ ontbraken. Tegenwoordig geldt de theorie als een curiositeit uit de wetenschapsannalen.

Literatuur

William Graves Hoyt (1980). Planet X and Pluto. Tucson: The University of Arizona Press.
Zecharia Sitchin (1976). The Twelfth Planet. Santa Fe: Bear & Company, 1991.
Van Soldt, Wilfred, ‘De Babylonische astronomie, het begin van een wetenschap’. Voordracht.

Websites

seds.lpl.arizona.edu/billa/tnp/hypo.html [noot juli 2013: deze website bestaat niet meer]
www.planet-x.150m.com
www.badastronomy.com

Uit: Skepter 15.4 (2002)

Maarten Keulemans is historicus en wetenschapsjournalist (tegenwoordig bij de Volkskrant).