Nivea Pure & Natural

Natuurlijke cosmetica

Zonder minerale oliën

door Hilje de Boer en Rob Nanninga

Er verschijnen steeds meer cosmeticaproducten die naar men zegt de voorkeur verdienen omdat ze geen minerale oliën bevatten, maar louter plantaardige olie. Is dit werkelijk een belangrijk voordeel?

De natuurlijke cosmetica-industrie, die alle synthetische ingrediënten probeert te vermijden, heeft in de afgelopen jaren een enorme groei doorgemaakt. De Organic Monitor in Engeland schatte de waarde van de Europese markt in 2011 op 2,7 miljard dollar en die van de VS op het dubbele. Het Europese martkaandeel van de natuurlijke cosmetica lag in 2011 rond de 3%. Men verwacht dat de groei in de komende jaren verder zal toenemen. In Duitsland is al 5% van alle cosmetica natuurlijk en dit percentage zal naar verwachting in de komende jaren verdubbelen. De natuurlijke cosmetica-industrie verschuift daarmee van een kleine idealistische nichemarkt naar een commerciële groeimarkt. Grote bedrijven zoals Vichy, Garnier, L’Oréal en Nivea (onderdeel van Beiersdorf) ruiken hun kans en brengen onder invloed van deze marktontwikkeling naast hun conventionele productlijnen tevens een natuurlijke lijn op de markt.

De toenemende populariteit van natuurlijke cosmetica wordt deels veroorzaakt door de negatieve publiciteit rond parabenen, minerale oliën en andere omstreden ingrediënten in de gangbare cosmetica. Dr. Baumann, een natuurlijk cosmeticamerk, toont op zijn website een lange lijst van cosmetische ingrediënten, waaronder vele die worden ‘afgeraden’. Zowel natuurlijke als gewone cosmeticafabrikanten bieden een toenemend aantal producten die worden aanbevolen als ‘parabenenvrij’ en ‘vrij van minerale oliën’. Dit wekt de indruk dat je deze stoffen maar beter kunt mijden, al had je er misschien nog niet eerder van gehoord.

Dat het een populair thema is, merkte ik (HdB) in mijn naaste omgeving. Een half jaar geleden nodigde een vriendin mij uit voor de ‘ecochick’-club, een groep vrouwen van rond de 30 die een paar keer per jaar bij elkaar komt om over duurzame thema’s te praten. De bijeenkomst vond ditmaal plaats in een ‘natuurlijke’ schoonheidssalon, waar de eigenares ons voorlichtte over de schadelijke effecten van conventionele cosmetica. Zij vertelde dat er giftige stoffen in zitten die via de huid je lichaam binnenkomen en soms nooit meer weggaan. Ze kunnen allergieën opwekken, je huid verouderen, onvruchtbaarheid veroorzaken en zelfs kanker verwekken – terwijl ze nota bene gewoon bij de supermarkt of drogist te koop zijn! De alternatieven uit de levende natuur hadden geen van deze enge bijwerkingen, zodat de ecochick-club van schrik de halve winkel leegkocht.

Toen ik thuis een aantal van de genoemde stoffen op Google intikte, raakte ik al snel verstrikt in een doolhof van meningen. Bij veel uitspraken over het voordeel van natuurlijke ingrediënten kon ik niet achterhalen op welke bronnen ze waren gebaseerd. Soms werd er wel verwezen naar een wetenschappelijk artikel, dat echter weinig of niets met de beweringen te maken had. De verdedigers van de conventionele cosmetica poneren eveneens geregeld stellingen zonder hun wetenschappelijke bronnen te vermelden. Ook de aanbeveling ‘dermatologisch getest’ zegt weinig als je niet weet hoe het is getest, door wie en met welk resultaat. Veel onderzoek naar cosmetica wordt nooit gepubliceerd.

Wat zeggen de experts? Wat is er aangetoond en wat is speculatie? In dit artikel zullen we ons beperken tot minerale oliën, die vaak als boosdoeners worden aangemerkt. (Zie ook het artikel over parabenen in cosmetica.)

De hoornlaag

HuidHuidverzorgingsproducten richten zich op de hoornlaag (stratum corneum) aan de buitenkant van de opperhuid. Deze beschermlaag is op de wangen niet veel dikker dan een honderdste millimeter en bestaat uit platte, verhoornde opperhuidcellen (corneocyten), die geen kern meer bevatten. De corneocyten liggen als een soort bakstenen in lagen op elkaar gestapeld en zijn met desmosomen (eiwitten) aan elkaar gekoppeld. Tussen de bakstenen zit een mengsel van vetachtige stoffen, de lipiden. De hoornlaag zorgt ervoor dat schadelijke invloeden van buiten, zoals micro-organismen en chemische stoffen, zoveel mogelijk worden tegengehouden. De hoornlaag voorkomt bovendien dat er veel water door de huid heen verdampt, zodat we niet uitdrogen.

Speciale enzymen breken de verbindingen tussen de bovenste corneocyten af, waardoor deze na een of twee dagen loslaten. Als dit proces goed verloopt en er geen grote schilfers ontstaan, merk je er weinig van. Volgens cosmeticadeskundigen kan het nuttig zijn om de bovenste dode hoorncellen te verwijderen met een zogenoemde exfoliant, die glycol- of salicylzuur bevat. Als de dode cellen zich ophopen in de poriën en zich met talg vermengen, kunnen er mee-eters ontstaan.

In de onderste laag van de opperhuid, circa 0,1 mm diep, ontstaan door celdeling voortdurend nieuwe opperhuidcellen (keratinocyten). Deze cellen verhuizen via twee tussenliggende lagen naar de hoornlaag en worden onder invloed van enzymen omgevormd tot dode corneocyten en lipiden. In de onderste laag bevinden zich ook melanocyten. Deze cellen beschermen de hoorncellen tegen ultraviolette straling door pigment toe te voegen. Cosmetische producten bevatten soms als extra bescherming een uv-filter, omdat zonlicht sterk bijdraagt aan de veroudering van de huid. Rimpels zijn eerder te wijten aan schade die door de zon is veroorzaakt dan aan een droge huid.

De dode hoorncellen in het stratum corneum zijn niet helemaal uitgedroogd, maar bevatten vooral in het midden van de hoornlaag veel aminozuren en andere kleine moleculen die water aantrekken. Dit noemt men de natural moisturizing factor (NMF), die de huid soepel houdt. De natuurlijke bevochtigingsfactor is te danken aan enzymen die het eiwit filaggrine in stukjes knippen. Deze enzymen werken niet goed meer wanneer er te weinig water aanwezig is. Daardoor heeft een droge huid moeite om meer vocht op te nemen, wat het probleem kan verergeren (de drogehuidcyclus). Alleen de hoornlaag, die nog circa 20 procent water bevat, kan te droog zijn. In de rest van de huid is genoeg water aanwezig (70%).

Onder de opperhuid (epidermis) ligt de lederhuid (dermis), die één of meer millimeters dik is. Daar bevinden zich naast bloedvaten en zenuwen ook heel veel zweetkliertjes en talgkliercellen. De talg komt via haarzakjes naar de oppervlakte en voorziet de huid van een dun vetlaagje, dat uitdroging tegengaat en de groei van bacteriën en schimmels remt.

Verstikt de huid

Cosmeticafabricanten bieden allerlei soorten moisturizers aan om de bovenste hoornlaag van de huid voldoende vochtig en soepel te houden (zie kader). Deze producten bevatten vaak minerale oliën en vetten, die uit aardolie zijn verkregen, zoals paraffineolie en petrolatum (vaseline). De olie vormt een dun laagje op de huid, dat nuttig kan zijn wanneer je een droge huid hebt. Het helpt de huid om vocht vast te houden, maakt haar zacht en glad, en kan extra bescherming bieden tegen schadelijke invloeden.

Minerale oliën worden al sinds 1872 in huidverzorgingsproducten gebruikt. Volgens critici kunnen ze kwalijke effecten hebben. Zij verwijzen vaak naar Skindeep, een database van een Amerikaanse milieuorganisatie, die honderden cosmetische ingrediënten van een online rating heeft voorzien. Minerale olie krijgt daar drie risicopunten op een schaal van nul (veilig) tot tien. Volgens Skindeep zitten er in de medische databank van PubMed bijna vierduizend wetenschappelijke artikelen waarin minerale oliën ter sprake komen, waaronder studies die waarschuwen voor schadelijke effecten. Dat kan kloppen als het gaat om minerale oliën die voor industriële doeleinden worden gebruikt. Deze kunnen onder meer benzeen bevatten en zijn kankerverwekkend. In huidproducten mag echter alleen zeer goed gezuiverde olie worden gebruikt. Er zijn geen aanwijzingen dat zulke olie onveilig is of de huid irriteert.

GoldfingerVoorstanders van plantaardige oliën waarschuwen op hun websites dat minerale olie je poriën afsluit met een soort ondoordringbare plasticlaag, waardoor je huid niet meer kan ademen en verstikt. Dit doet denken aan de James Bondfilm Goldfinger uit 1964, waarin de schurk zijn secretaresse om zeep brengt door haar van top tot teen met goudverf in te smeren. De filmmakers lieten naar verluidt een klein stukje huid onbedekt om te voorkomen dat de actrice werkelijk door verstikking om het leven zou komen, al waren er hardnekkige geruchten dat ze de filmscène niet had overleefd. Daar klopt natuurlijk niets van, omdat we louter via onze longen ademen, al is het wel mogelijk om oververhit te raken wanneer je huid volledig wordt afgesloten.

Het kan nuttig zijn om een schrale of lichtbeschadigde plek te behandelen met vaseline. Dat dekt de huid goed af. Maar als je het te lang gebruikt, zou het ertoe kunnen leiden dat de haarzakjes met talg verstopt raken en er ontstekingen ontstaan. De meeste deskundigen zijn het er echter over eens dat er weinig reden is om te vrezen dat dit effect zich ook voordoet bij een normale cosmetische huidcrème. Die heeft lang niet zo’n sterk afsluitend effect en bevat diverse ingrediënten, waaronder gewoonlijk maar hoogstens 20 procent olie. Er zijn ook geen aanwijzingen dat een gezichtscrème met minerale oliën de kans op acne vergroot (DiNardo, 2005).

Plantenolie met ureum

Op talloze websites wordt beweerd dat plantaardige oliën veel beter in de huid trekken dan minerale olie, die naar men zegt louter aan de oppervlakte blijft. Plantaardige oliën zouden er beter in slagen de lipidenstructuur in de bovenste hoornlaag van de opperhuid te versterken, zodat deze minder kwetsbaar wordt voor invloeden van buiten en meer vocht vasthoudt. In het Charité-ziekenhuis in Berlijn gebruikten onderzoekers laserscanning microscopie om te bepalen hoe ver verschillende soorten olie in de huid doordrongen (Patzelt, 2011). De olie werd met curcumine gekleurd om hem zichtbaar te maken. Naast paraffineolie werden er ook vier plantaardige oliën getest op de onderarmen van vrijwilligers: jojoba-, soja-, avocado- en amandelolie. Na een half uur werd de olie die zich nog op de huid bevond, weggeveegd met filtreerpapier.

jojoba-olieDe onderzoekers stelden vast dat er nog maar heel weinig olie was doorgedrongen in de twee bovenste lagen met corneocyten (hoorncellen). Paraffineolie had daar niet beduidend meer moeite mee dan plantaardige olie. De onderzoekers bepaalden ook nauwkeurig hoeveel water er door de huid heen verdampte. Dit ‘transepidermale’ vochtverlies was half zo groot als normaal wanneer de huid met vaseline was ingesmeerd. Bij paraffineolie en plantaardige oliën was het afsluitende effect veel geringer. Het vochtverlies werd dan in alle gevallen met ongeveer 10 procent beperkt – al trad dit gunstige effect om de een of andere reden niet bij jojobaolie op. Een vergelijkbaar onderzoek (met Raman-spectroscopie) leverde hetzelfde resultaat op: amandelolie werd niet beter opgenomen dan paraffineolie (Stamatas, 2008). Er werden ook geen verschillen gemeten wat betreft de mate waarin ze de huid afsloten. Cosmeticamerken zoals Dr Hauska claimen dat hun natuurlijke oliën de huid minder afsluiten en beter worden opgenomen, maar daar hebben ze nog geen bewijs voor geleverd. Natuurlijke ingrediënten zijn ook niet bij voorbaat veiliger voor de huid.

Izabela Buraczewska (2007) promoveerde aan de Zweedse Universiteit van Uppsala op een onderzoek waarbij vrijwilligers een van hun onderarmen gedurende zeven weken tweemaal daags insmeerden met een simpele emulsie van olie in water. Er was ook een groep die een moisturizer van een cosmeticabedrijf gebruikte. Deze bevatte 20 procent olie, zowel paraffineolie als koolzaadolie. Daarnaast zaten er nog diverse andere stoffen in. In de eenvoudige emulsies, die louter voor het onderzoek waren gemaakt, zat alleen 40 procent koolzaadolie of 40 procent minerale olie, plus water en een emulgator. Het onderzoek is interessant omdat er maar zelden wordt gekeken naar effecten op langere termijn.

Buraczewska constateerde dat het transepidermale vochtverlies gemiddeld met ruim 10 procent steeg na langdurig gebruik van een simpele emulsie met koolzaadolie of met minerale olie. Er was geen verschil tussen beide soorten olie. De echte moisturizer had precies het omgekeerde effect; het vochtverlies werd met ongeveer 10 procent beperkt. Deze crème zorgde er tevens voor dat de huid iets beter bestand was tegen een irriterende stof.

Het is nog niet goed duidelijk waaraan de verschillen mogen worden toegeschreven. Het negatieve effect trad niet alleen op wanneer er een emulsie met veel olie werd gebruikt, want er was ook een controlegroep die zich zeven weken lang insmeerde met een gel die helemaal geen olie bevatte, maar bijna louter water. Dat had eveneens tot gevolg dat er meer vochtverlies werd gemeten. Het is bekend dat water een negatieve invloed kan hebben op de lipidenstructuur.

De complexe huidcrème bevatte onder meer ureum, een wateraantrekkende stof (humectans) die de natuurlijke bevochtingsfactor van de huid kan aanvullen. Voor dit doel worden ook andere stoffen gebruikt, waaronder glycerol. Het was denkbaar dat het positieve effect van de commerciële huidcrème aan de bevochtiger te danken was. Om dit te onderzoeken waren er proefpersonen die zich moesten insmeren met een emulsie die naast koolzaadolie nog 5% ureum bevatte. Maar dat maakte geen verschil. Enkele placebogecontroleerde studies wezen uit dat ureum wel nuttig kan zijn, maar kennelijk niet in elke crème.

Gesponsord onderzoek

Buraczewska schreef dat de gemiddelde huidcrème wel 15 tot 20 ingrediënten bevat in een specifieke verhouding, zodat het moeilijk is om te achterhalen waaraan positieve effecten mogen worden toegeschreven. Ze kon alleen vaststellen dat het product dat zij op de proef stelde een gunstige uitwerking heeft op de huidbarrière, in tegenstelling tot mengels die louter water en olie bevatten.

Critici zouden hierbij kunnen aantekenen dat zij niet alleen verbonden was aan een academisch ziekenhuis, maar ook aan het bedrijf dat de succesvolle crème (Canoderm) produceerde en dat haar promotieonderzoek sponsorde. Onderzoek naar cosmetische producten wordt vaak bekostigd door bedrijven, want die zijn er meer in geïnteresseerd dan anderen. De studie van de eerder genoemde onderzoekers van het academisch ziekenhuis in Berlijn werd eveneens gesponsord. Zij kregen geld van de Duitse vestiging van Johnson & Johnson, terwijl Stamatas zijn onderzoek uitvoerde in dienst van de Franse vestiging van Johnson & Johnson.

Buraczewska publiceerde haar bevindingen in het gerenommeerde vakblad British Journal of Dermatology. Daarin werd een jaar later ook verslag gedaan van een geblindeerde proef waarbij veertien vrijwilligers zich twee weken lang insmeerden met drie verschillende moisturizers (Crowther, 2008). In alle producten zat onder meer glycerol en petrolatum. Maar slechts in één crème zat niacinamide (vitamine B3). Deze crème leverde de beste resultaten op, al lijkt het aantal proefpersonen wat te klein om betrouwbare conclusies te kunnen trekken. De onderzoekers gaven aan dat ze in dienst waren bij Procter & Gamble, die de moisturizer met niacinamide op de markt bracht. De resultaten werden later bevestigd door een grootschaliger studie van andere onderzoekers, maar die waren eveneens in dienst bij het bedrijf (Christman et al., 2012).

Gesponsord onderzoek moet extra zorgvuldig worden bekeken. Als wetenschappers zich ten doel stellen het product van hun opdrachtgever een pluim te geven, dan vermindert dat de waarde van hun onderzoekswerk. We hoeven niet aan te nemen dat ze frauderen, maar het gevaar is aanwezig dat er bij de opzet, uitvoering en rapportage van een gecompliceerd onderzoek soms keuzes worden gemaakt die in het voordeel van de sponsor uitvallen. Het onderzoek naar niacinamide was weliswaar geblindeerd en gerandomiseerd, maar het artikel in het Britse vakblad verstrekt daar geen nadere informatie over. Het blijft vrij onduidelijk hoe de proef werd uitgevoerd. In zo’n geval lijkt het wenselijk dat het onderzoek nog eens wordt herhaald door een wetenschapper die minder belang heeft bij een positieve uitkomst.

Trial and error

Marie Lodén (2012), een Zweedse deskundige, publiceerde onlangs een overzichtsartikel waarin verschillende experimenten met moisturizers worden besproken. Er is nog veel onduidelijkheid over de werkingsmechanismen en de resultaten spreken elkaar soms tegen. Lodén schrijft dat het min of meer een kwestie van trial and error is om voor iemand de meest geschikte moisturizer te vinden.

Daarom heb ik (HdB) zelf de proef op de som genomen en een gezichtsbehandeling geboekt bij de natuurlijke schoonheidssalon waar de ecochicksessie was gehouden. Ik moest eerst een vragenlijst invullen over mijn cosmeticagebruik. De conclusie was schrikbarend: alles wat ik gebruikte, was slecht voor mijn huid. Ik moest dringend overstappen op ingrediënten uit de levende natuur, al zijn er vast veel bewerkingen nodig om die in een potje te stoppen.

Met een beetje meer kennis dan tijdens de ecochicksessie heb ik nog geprobeerd enig weerwoord te bieden, maar dat liep uit op gekibbel, waarvoor de schoonheidsspecialiste later haar excuses aanbood. Ze vertelde dat ze het vooral belangrijk vindt dat mensen weten wat ze op hun gezicht smeren. Daar kon ik het mee eens zijn. Al met al was het een heerlijke behandeling, maar wel twee keer zo duur als gebruikelijk. Na afloop heb ik een reinigingsmelk, een lotion en een peeling gekocht om uit te proberen, ook twee tot drie keer zo duur als normaal. Ik moest eerst ‘detoxen’, twee maanden geen gezichtsproducten gebruiken.

De reinigingsmelk en lotion gebruik ik nu dagelijks en ik heb een gezichtscrème op basis van natuurlijke ingrediënten gekocht om het volledige effect te verkrijgen. Er verschenen aanvankelijk wat pukkeltjes op mijn voorhoofd, maar na een half jaar kan ik concluderen dat de producten niet onder de maat zijn. Ik merk echter geen verschillen die de hogere prijs rechtvaardigen. Als de spullen op zijn, stap ik weer over op de goedkopere producten met minerale oliën, want er is een grens aan mijn geëxperimenteer.

Literatuur

Buraczewska, I. et al. (2007). Changes in skin barrier function following long-term treatment with moisturizers, a randomized controlled trial. British Journal of Dermatology, 156(3), 492-498.
Christman, J.C. et al. (2012). Two randomized, controlled, comparative studies of the stratum corneum integrity benefits of two cosmetic niacinamide/glycerin body moisturizers vs. conventional body moisturizers. Journal of Drugs in Dermatology, 11(1), 22-29.
Crowther, J.M. et al. (2008). Measuring the effects of topical moisturizers. British Journal of Dermatology, 159, 567-577.
Lodén, M. (2012). Effect of moisturizers on epidermal barrier function. Clinics in Dermatology, 30, 286-296.
DiNardo, R. (2005). Is mineral oil comedogenic? Journal of Cosmetic Dematology, 4(1), 2-3.
Patzelt, A. et al. (2012). In vivo investigations on the penetration of various oils and their influence on the skin barrier. Skin Research and Technology, 18(3), 364-369.
Stamatas, G.N. (2008). Lipid uptake and skin occlusion following topical application of oils on adult and infant skin. Journal of Dermatological Science, 50(2), 135-142.

Uit: Skepter 25.1 (2012)

Hilje de Boer is filosoof en manager.
Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014