Complementaire geneeskunde

Boekbespreking

door Jan Willem Nienhuys

Geneeskunde wordt steeds wetenschappelijker, en met name wordt de eis dat alle geneesmiddelen een bewezen werking hebben steeds sterker. Dit tot ongenoegen van de zogeheten alternatieven. Deze verdedigen zich dan met de stelling dat de wetenschap op de helling moet. Helmut Kiene haalt uit.

Helmut Kiene, Complementaire geneeskunde – universitaire geneeskunde: De strijd om de wetenschap aan het einde van de 20e eeuw. Nearchus, Hemrik, ƒ 38,75

In 1992 publiceerde de Duitse Bundesärtztekammer (een officiële gekozen vertegenwoordiging van de Duitse artsen) een memorandum over geneesmiddelen en bijzondere therapierichtingen, waarin werd uitgelegd dat medicamenten eigenlijk pas horen te worden toegelaten als de werkzaamheid en veiligheid deugdelijk bewezen is. De antroposofische arts Helmut Kiene schreef op verzoek van het Hufelandgesellschaft, een belangenvereniging van natuurgeneeskundigen, een tegenadvies. Dit verscheen in 1994 ook als boek. Het boek Complementaire geneeskunde – universitaire geneeskunde is de vertaling daarvan. Het is niet duidelijk of de Bundesärztekammer zich ooit iets van Kienes tegenadvies heeft aangetrokken.

Kiene is een leerling van Gerhard Kienle, die hij met 30 aanhalingen vereert, waaronder ettelijke paginalange citaten. Kienle richtte in Herdecke een antroposofische kliniek op, hij grondvestte ook de momenteel enige Duitse privé-universiteit, die van Witten/Herdecke. Kiene promoveerde in 1989 aan deze universiteit op maretak als middel tegen kanker. Samen met Kienles dochter dr. Gunver Sophia Kienle runt hij een privé-instituut voor kennistheorie en methodenleer, en al in 1984 schreef hij een boek getiteld Grundlinien einer essentialen Wissenschafttheorie.

De Nederlandse vertaling wordt aanbevolen en gesteund door een organisaties die zich Vereniging voor Recht en Persoonlijke Vrijheid noemt en door SAMOS, een onderzoeksadviesbureau voor antroposofische artsen. Met zoveel feeën aan de wieg vind ik dat het boekje beter verzorgd had kunnen zijn. Er zijn nogal wat spel- en tikfouten, het Duitse DNS en het Engelse DNA worden door elkaar gebruikt, en een van de kernbegrippen in het vertoog, blinderen (in vergelijkende onderzoeken) wordt regelmatig als ‘verblinden’ weergegeven. Ik ontving het boek met een brief waarin de uitgever zegt uit te zien naar een gefundeerde reactie van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Die heeft hij inmiddels, in de vorm van twee columns van Peter Bügel in Het Parool.

Het boek is moeilijk leesbaar omdat je eigenlijk het Duitse memorandum er voortdurend naast moet houden. Kiene valt dit op vele punten aan. Hij betoogt dat het placebo-effect zwaar overdreven wordt, vervolgens laat hij geen spaan heel van de methode van placebogecontroleerd en gerandomiseerd dubbelblind onderzoek, dan legt hij uit dat er heel wat meer bewijs is voor de effectiviteit van homeopathie enzovoorts dan het memorandum beweert, hij laat zijn licht schijnen over de bekrompen dogmatische houding van wetenschappers en besluit met een aanval op de veiligheidsoverwegingen van het memorandum. Toon en stijl zijn tamelijk agressief.

Geniale Steiner

Volgens Kiene staat een grote wetenschappelijke strijd op het punt te ontbranden, eigenlijk een voortzetting van een middeleeuwse strijdvraag. Aangezien Kienes strijd aan het eind van de 20ste eeuw plaats zal vinden, hebben we nog tot 31 december 2000 de tijd om ons in het gewoel te storten. Strijdende partijen zullen zijn: de wetenschap, die dodelijk verzwakt door de kardinale fout van Popper het af zal leggen tegen de geniale geesteswetenschap van Rudolf Steiner met zijn intuïtieve en inspirationele kenmethodes (vgl. p. 141 en 158).

Wat bezielt Kiene? Tussen de regels van zijn boek valt te lezen dat hij meent dat er vormgevende krachten (of krachtsystemen of ordenende vormprincipes) zijn waarvoor de gevestigde wetenschap zich heeft afgesloten. Deze krachten werken als het ware van bovenaf, ze hebben effect doordat ze de natuur, en meer specifiek levende organismen ordenen. Voor de ontwikkeling van het dier is een dergelijke kracht nodig die je ‘vormgevende oorzaak’ zou kunnen noemen. De Griekse wijsgeer Aristoteles had het daar al over. Planten, dieren en mensen bestaan dan wel uit eenvoudige bouwstenen, atomen, maar daar is als aanvulling een vormprincipe nodig om de grote hoeveelheid verschillende complexe organismes mogelijk te maken. Letterlijk vindt hij dat: ‘een klein aantal eenvoudige bouwstenen van zichzelf uit, dat wil zeggen alleen op grond van hun eenvoudige elementaire eigenschappen, natuurlijk weer alleen een klein aantal eenvoudige combinaties van deze bouwstenen kan opbouwen, tenzij er een combinerende actieve factor, een ordenend principe bij zou komen’ (p.135). Volgens Kiene is dat dan ook de reden dat de natuurkunde er alsmaar nieuwe dingen bij verzint: positronen, muonen, mesonen, gravitonen, verschillende elektronenschalen, de sterke wisselwerkingen, spin, charme en kleur. De oorzakelijke samenhangen in de natuur zijn soevereine ideeën (over complexe gehelen) die door intuïtie kenbaar zijn. In een andere publicatie geeft Kiene een voorbeeld: als de patiënt opknapt en als dat precies past in diens antroposofische constitutiebeeld dan is daarmee zonder meer de therapie als oorzaak van de genezing aan te wijzen. (Letterlijk: ‘Diese Form [des Kausalerkennens am Einzelfall] liegt vor wenn der Rückgang der krankhaften Erscheinung, wie gesagt, in eine Besserung oder Heilung der anthroposofisch erfaáten Gesamtkonstitution des Patienten einbezogen ist und sich hieraus gibt. Ist dies der Fall, so liegt mit hoher Wahrscheinlichkeit eine tatsächliche Therapiekausalität vor.’)

Eerlijk gezegd begrijp ik er niets van, en het stijft me in de gedachte dat antroposofische geneeskunde vol zit met verwarde mystiek. Het voorbeeld van Kiene is gewoon domheid verheven tot levensbeschouwing. Het is maar goed dat Kiene niets van wiskunde weet, want wat wiskundigen allemaal aan dingen hebben verzonnen uitgaande van 1 en + (nog eenvoudiger kan toch bijna niet) slaat de prestaties van de natuurkunde met stukken: priemgetallen, breuken, wortels, complexe getallen, integralen, matrixen, kansen, Turingmachines, differentiaalvergelijkingen en hoogdimensionale sferen.

Grote paradigma’s

In de Middeleeuwen discussieerden geleerden over het bestaan van universaliën: is ‘pauw’ slechts een naam voor afzonderlijke pauwen, of correspondeert dit woord met een afzonderlijk idee dat net zo reëel is als het beest dat op het ogenblik dat ik dit schrijf voorbij mijn raam komt gelopen? Een verwante vraag is of zaken zoals een cirkel, het getal 1, een Turingmachine of energie ook ‘echt’ bestaan. De nominalisten hebben indertijd gewonnen: ‘pauw’ is maar een woord. Je kunt wel gemakkelijker over getallen of energie nadenken als je doet alsof ze bestaan, maar het maakt niets uit of dat ook ‘echt’ zo is (wat dat ook moge betekenen). Die pauw die ik ‘zie’ is in zekere zin ook maar product van het beeldverwerkende systeem tussen mijn oren. Kiene schijnt te geloven dat er zoiets bestaat als een ‘pauw in het algemeen’, die fungeert als vormgevend principe voor alle concrete pauwen, en die nog kenbaar is ook, namelijk door de intuïtieve methode. Het heeft wel wat weg van Sheldrakes morfogenetische velden en ‘formative causation’, met dat verschil dat Sheldrake bescheidener en onderhoudender is. Ik schreef ‘Kiene schijnt’, want wat hij precies denkt, formuleert hij wel nadrukkelijk, maar nergens helder. Zo zien we al op pagina 18 als samenvatting verschijnen dat de traditionele wetenschapsdogmatiek drie grote paradigma’s kent, te weten:

  • Er zijn geen omvattende vormgevende krachten of krachtsystemen, alleen maar deeltjes en krachten daartussen.
  • Er is geen dominante ordening in de natuur.
  • Afgezien van statistisch onderzoek is er geen betrouwbare kennis van oorzakelijkheid.

Op de argeloze lezer komt deze negatieve formulering vreemd over, alsof iemand ‘Sinterklaas bestaat niet’ tot kernpunt benoemt van het moderne denken, afgezien van de curieuze rol die Kiene aan de statistiek toekent. Het gebruik van kansrekening en statistiek is eerder een soort van verfijning. De astronomie was eind 18de eeuw zover gevorderd dat theorieën van waarnemingsfouten interessant begonnen te worden, en de echte statistiek zoals wij die kennen dateert van het eind van de 19de eeuw. De pijlers waarop de exacte wetenschappen zijn opgetrokken stonden toen al eeuwen:

  • de overtuiging dat de wereld begrijpelijk in elkaar zit;
  • de proefondervindelijke methode;
  • de wiskundige verwerking van de uitkomsten van proeven en waarnemingen, of zo men wil, het bewust gebruik van een arsenaal aan technieken om een extreme zekerheid te bereiken.

Meten en tellen zijn oude instrumenten in dit arsenaal, en statistiek een relatieve nieuwkomer. Proeven doen en herhalen zou men ook als deel van het arsenaal kunnen zien, evenals de methode van verschijnselen terugbrengen tot eenvoudige principes. Het idee dat iets waar ook maar één tegenspraak uit kan worden afgeleid onwaar is (de redeneertechniek van reductio ad absurdum) werd al eeuwen routinematig toegepast voordat Popper het de naam ‘falsificatieprincipe’ gaf.

Geen van die instrumenten helpt tegen een krachtig geloof in het eigen gelijk, vandaar dat een zekere afstandelijkheid en onderdrukking van emoties ook bij wetenschap hoort. Een wetenschapper moet geestelijk in staat de eigen bedenksels in de prullenbak te gooien als ze bij nader inzien onzinnig zijn.

In de grond getrapt

Kienes wereldbeeld lijkt ook maar één doel te dienen: verdedigen dat antroposofische artsen op intuïtieve wijze kunnen weten wat het beste is voor afzonderlijke patiënten, en dat antroposofische middelen heilzaam zijn. Wat dat betreft gedraagt Kiene zich als Steiner die zijn mensbeeld onderbouwde met een complete occulte kosmologie die hij helderziend in de Akasha-kroniek had gelezen, met Lemurië, Atlantis en allerlei onzin over de afstamming en betekenis van menselijke rassen, en het vervolgens optuigde met een plethora aan vorige levens en onzichtbare lichamen.

Gegeven deze vaste overtuiging van Kiene is het duidelijk dat hij niet veel opheeft met de gangbare wetenschap. Hij vindt dat die zich blind staart op kleine deeltjes en de krachten daartussen. Kienes ideeën over vormkrachten verdragen zich niet met de evolutietheorie. Alle dingen in de wetenschap waar hij het niet mee eens is noemt hij een dogma, omdat hij denkt dat ‘de wetenschap’ daar blindelings in gelooft.

De wetenschap is echter helemaal niet dogmatisch. De gedachten die wetenschappers koesteren over evolutie en atomen en krachten zijn het resultaat van eeuwen hard werk en telkens harde confrontaties met de werkelijkheid van proeven. Wat er volgens Kiene plaatsvindt in de spreekkamer van een antroposofisch arts is onvoldoende reden om aan te nemen dat er zulke vormvelden bestaan.

Men zou kunnen denken dat Kienes vormvelden zinnebeeldig kunnen worden opgevat. De genen bevatten collectief een programma dat ontwikkeling en bouw van levende wezens bestuurt. Daar wil Kiene echter niet aan. Met nadruk zegt hij dat je aan de volgorde van de nucleïnezuren (A, C, G, T) op het DNA helemaal niets hebt (p. 157). Dat kunnen de organisatoren van het Human Genome Project in hun zak steken.

Kiene moet ook niets hebben van dubbelblinde proeven. Zulke proeven worden gedaan omdat medici en anderen door schade en schande wijs zijn geworden, en de noodzaak inzien om subjectieve vertekening van resultaten uit te sluiten. Serieuze medische onderzoekers moeten rekening houden met zowat alle valkuilen van het menselijk denken, en proberen die allemaal te vermijden. Juist omdat zij zichzelf kennen als feilbaar en bevooroordeeld, richten zij hun proeven zo in dat hun zwakheden zo weinig mogelijk kansen krijgen. Zo’n proef kan dan ook uitwijzen dat een medicijn geen nut heeft, of zelfs tegen alle verwachting in iets schadelijker is dan waar het mee vergeleken wordt, iets waar Kiene niets over zegt. Alweer begrijpelijk, want waar de gewone arts mogelijk beducht is voor het idee dat hij of zij nutteloze behandelingen instelt of iets doet waarvan het voordeel niet opweegt tegen de kans op schade, neemt Kiene aan dat de intuïtie van de arts een kennisbron is die superieur is aan elke statistische proef, en die ook nimmer faalt. Zo komt het dat de lezer al vlug het gevoel krijgt dat Kiene eigenlijk niet wil begrijpen waar het bij zulke proeven om draait.

Kiene laat zich een aantal malen flink in de kaart kijken. Hij voert eerst aan dat het placebo-effect zwaar overschat wordt. Een van zijn argumenten is dat de verbeteringen die bij de placebogroep worden geconstateerd geen placebo-effecten hoeven te zijn, maar bijvoorbeeld natuurlijk verloop van de ziekte. Volgens mij is dat onzin. Zo dacht men er 40 jaar geleden misschien over, maar inzicht hoe belangrijk psychosociale invloeden op ziekte en gezondheid zijn berust helemaal niet in de eerste plaats op cijfers uit proeven met geneesmiddelen. Het dikke boek verzorgd door White, Tursky en Schwartz Placebo (1985) bevat slechts één overzichtje met groottes van het placebo-effect. Dit is een tabelletje op pagina 223 met een overzicht van 22 dubbelblinde studies met pijnstillers. Ongeacht of het om morfine of aspirine ging, bleek het placebo ongeveer 55 procent van het effect van het verum te hebben (mogelijk een artefact ontstaan door het gebruik van eenvoudige pijnschalen). Het enige wat er toe doet is dat het placebo-effect niet verwaarloosbaar is en ook nog eens tamelijk ongrijpbaar. Dat op zich rechtvaardigt al het gebruik van placebo’s bij zorgvuldige proeven.

Nadat Kiene zo het placebo-effect ‘gevloerd’ heeft, krijgt de dubbelblinde proef ervan langs. Een van zijn argumenten is dan dat het placebo-effect in de beide onderzoeksgroepen niet gelijk hoeft te zijn. ‘Hallo’, denkt de lezer, ‘had je niet net uitgelegd dat het placebo-effect zwaar overschat is?’

Nadat de dubbelblinde proef de grond in getrapt is, wordt de waarde van de homeopathie verdedigd op grond van dubbelblinde onderzoekingen. Ik ga niet in op zijn argumenten, want in besprekingen van zijn werk in Duitsland, door onder meer de arts-biometricus Jürgen Windeler, de toxicoloog professor Ernst Habermann en de biometricus Volker Guiard (allen actieve Duitse skeptici) is daar al genoegzaam op ingegaan. Ik signaleer hier alleen maar dat Kiene bij herhaling argumenten verwerpt, om ze daarna zelf te gebruiken. Verblind door de wens koste wat kost gelijk te krijgen, lijkt me zo.

Kiene verdedigt ook vurig de therapieën die hij een warm hart toedraagt, waaronder de neuraaltherapie volgens Huneke (injecties met Novocaïne tegen alle kwalen), mogelijk omdat die uitgaat van het bestaan van stoorvelden. Maar over magnetiseurs, winti-genezers, elektroacupuncturisten, voetzoolreflexologen, iriscopisten en de aanhangers van nog een paar honderd andere alternatieve richtingen geen woord. Weinig consequent, vind ik.

Ik denk dat Kiene geen enkel belang stelt in een samenhangende goed doordachte visie en uitsluitend met religieuze ijver de ideeën verdedigt die hij er toevallig op na houdt.

Kienes aanklachten tegen de gevestigde wetenschap gaan behoorlijk ver, volgens hem zijn de mensenrechten zelfs in het geding: als de overheid van die moorddadige dubbelblinde proeven eist, dwingt ze artsen tot onethisch gedrag, om maar te zwijgen van inperking van de therapievrijheid van de arts en het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt. Hij wordt daarin bijgevallen door een Nederlandse inleider die uit de gangbare opvatting hoe en waarom men medische proeven dient in te richten (‘de wetenschap’) destilleert dat er een totalitaire staat aan het ontstaan is en dat collectieve ontmenselijking dreigt. Nou, nou.

Ontdaan van alle franje blijft er van dit boek slechts één boodschap over: antroposofische artsen hebben een onfeilbare intuïtie, en wie dat niet gelooft is een dogmaticus en mensenrechtenverkrachter. Kortom, het is een religieus tractaat in wetenschappelijke vermomming.

Uit: Skepter 11.1 (1998)

Jan Willem Nienhuys is redacteur van Skepter en secretaris van Skepsis