Carl Gustav Jung

Psychiater, praatjesmaker, profeet

Leven en werk van Carl Gustav Jung (1875-1961)

door Marcel Hulspas

De Zwitserse psychiater en goeroe Carl Gustav Jung heeft altijd in de schaduw gestaan van zijn leermeester Sigmund Freud. Maar dat wil niet zeggen dat hij niet meer dan diens leerling was. Integendeel. Eenmaal los van Freud construeerde Jung zijn eigen, hoogstpersoonlijke wereldbeeld.

Carl Gustav Jung werd geboren op 26 juli 1875, in een intellectueel – doch arm – domineesmilieu. De kleine Carl was een teruggetrokken en weinig geliefd jongetje, met een rijk maar ook morbide fantasieleven. De gespannen, naargeestige sfeer thuis, die gedomineerd werd door een aan zijn geloof twijfelende vader, heeft daar hoogstwaarschijnlijk heel wat aan bijgedragen. Jung bezocht het kantonnale gymnasium te Bazel, maar de studie en de moeilijke omgang met klasgenoten verergerden zijn neurotisch gedrag alleen maar.

In deze troosteloze jaren raakte hij ervan overtuigd dat hij uit twee persoonlijkheden bestond, aangeduid met nr. 1 en 2. De eerste was gericht op een aards, rationeel leven en keek neer op Jung zoals hij zich in die tijd gedroeg. Nummer 2 daarentegen beschouwde de eisen die 1 stelde als te hoog gegrepen. Nummer 2 verlangde naar oude wijsheid, zoals bijvoorbeeld verwoord in Goethes Faust (een werk dat Jung zijn leven lang zou bewonderen). Jung gaf zich in deze jaren bewust over aan zijn fantasieën, iets dat later in zijn therapie terugkeert als ‘actief fantaseren’, een techniek om het onbewuste te doorgronden. (1)

In 1895 ging hij medicijnen studeren te Bazel. In datzelfde jaar bezocht hij voor het eerst de spiritistische seances van het medium – zijn achternicht – Hélène Preiswerk. Via haar ‘sprak’ Jungs grootvader tot de aanwezigen, en later meldde zich nog een tweede geest, ‘Inverness’. Nadat Jung zijn nicht kennis had laten maken met Justinus Kerners boek over een beroemde zieneres, Die Seherin von Prevorst, liet Hélène weten dat zij in een vorig leven die beroemde zieneres was geweest was, en ze bleek ook de reïncarnatie van een maîtresse van Goethe te zijn. (2) In een later stadium begon ze ook aan ‘apporteren’, het schijnbaar uit het niets tevoorschijn toveren van voorwerpen.

De relatie tussen Jung en Hélène liep uiteindelijk volkomen uit de hand. Jung realiseerde zich dat ze verliefd op hem was geworden en nodigde vervolgens enkele collega-studenten uit voor een seance, die haar prompt op bedrog betrapten. Kort daarop verbrak hij het contact. Maar Hélène werd wél het onderwerp van zijn promotie in 1902.

Jung stond toen al in nauw contact met de psycholoog Théodore Flournoy (1854-1920), die naam had gemaakt met zijn onderzoek naar de herkomst van de boodschappen van het medium Hélène Smith (zie Skepter, maart 1997). Wat zijn nichtje tijdens de seances vertelde, zo constateerde Jung, was net als de verhalen van Flournoys Hélène ontleend aan het (vaak onwaarschijnlijk accurate) geheugen van het medium. De entiteiten die naar voren traden waren volgens hem – en ook daarin volgde hij Flournoy – manifestaties van Hélènes persoonlijkheid die haar de mogelijkheid boden om haar door maatschappelijke conventies afgeknepen fantasie alsnog de vrije loop te laten. (3)

Verborgen complexen

Jung koos voor de psychiatrie. Een gezien zijn hevige verlangen naar status en geld (thema’s die in zijn leven voortdurend terugkeren) opmerkelijke keuze, want de psychiatrie genoot in die tijd weinig aanzien. Maar misschien was die keuze toch niet zo moeilijk omdat hij reeds twee jaar voor zijn promotie een aanstelling als arts/psychiater had aanvaard in de kliniek Burghölzli nabij Zürich, een instituut dat dankzij de inspirerende, strenge leiding van eerst Auguste Forel (1848-1931) en daarna van Forels leerling Eugen Bleuler (1857-1939) tot de Europese top was gaan behoren. Bleuler was expert op het gebied van de schizofrenie – een term die hij zelf had verzonnen. De vermaarde Emil Kraepelin (1856-1926) had in zijn beroemde leerboek uit 1893 een grote verzameling psychiatrische stoornissen samengevoegd onder de noemer ‘dementia praecox’ (‘vroegtijdige dementie’). Bleuler was het niet eens met dat vroegtijdig en hij meende ook dat de belangrijkste eigenschap van deze categorie patiënten geen dementie was maar een gespleten persoonlijkheid. Vandaar dat hij de aanduiding ‘schizofrenie’ (‘gespleten gemoed’) introduceerde, een aanduiding die uiteindelijk gemeengoed is geworden (met als gevolg dat velen nog steeds denken dat een schizofreen last heeft van meerdere persoonlijkheden).

Jung kreeg op Burghölzli zijn eigen inzichten en die van Bleuler te combineren. Zijn theorie luidde dat een ‘gewone’ neurose, zoiets als waar Hélène aan leed, een milde vorm van schizofrenie was. Terwijl Hélène gewoon last had van het opduiken van deelpersoonlijkheden, was bij schizofrenie de oorspronkelijke persoonlijkheid compleet en permanent uiteengevallen tot een ‘complex’ van vele onafhankelijke persoonlijkheden. Maar, zo meende Jung, in die kakofonie moest ergens de ene echte, ‘gezonde’ ik te beluisteren zijn. Het was de taak van de therapeut om die ‘gezonde ik’ op te sporen, daar contact mee te leggen en op die manier, als het even kon, het genezingsproces op gang te brengen.

Jung wilde het bestaan van die complexen bewijzen door middel van de woordassociatietest, ontwikkeld door zijn collega Franz Riklin. Cliënten moesten hierbij spontaan reageren op bepaalde woorden, en indien ze lang aarzelden of een curieuze associatie gaven, duidde dit op een ‘verborgen’ onaangename herinnering. Volgens Jung vormde zo’n herinnering, met de bijbehorende begrippen en gevoelens, het begin van een verborgen persoonlijkheid.

Wat hem daarnaast echter steeds meer begon te fascineren was het geregeld opduiken van mythologische elementen in de dromen en fantasieën van zijn patiënten. Jung constateerde dat tijdens het fantaseren en dromen deelpersoonlijkheden naar voren kwamen en deze hadden toegang tot, of maakten deel uit van, diepe psychische lagen die gewoonlijk niet of nauwelijks bereikbaar waren, en waarin beelden en indrukken met een algemene culturele betekenis lagen opgeslagen – een collectief onbewuste kortom. (4)

Maar hoe wist hij zo zeker dat zijn cliënten dat mythologische materiaal niet gewoon op school hadden opgepikt, of erover hadden gelezen? Zijn sterkste bewijs tegen deze hypothese was de ‘zon-fallus-man’, een cliënt die tijdens een van zijn visioenen zag dat de zon een rechtopstaande penis had waaruit de wind waaide. Dat deed Jung sterk denken aan de Mithrascultus, een verloren gegane religie waar – aldus Jung – de cliënt niets van kon hebben geweten omdat publicaties hierover pas later zouden verschijnen.

Het geval klinkt indrukwekkend – maar Jung had de waarheid fors geweld aangedaan. Ruim voordat de ‘zon-fallus-man’ in zijn cliëntenkring opdook was er al over deze cultus en de zon-fallus-identificatie geschreven, onder andere in het toentertijd populaire boek Das Mutterrecht van de Zwitserse antropoloog Johann Jakob Bachofen (1815-1887). (5)

Het collectief onbewuste werd uiteindelijk de hoeksteen der jungiaanse psychologie en psychotherapie. Een psychoot was volgens Jung iemand die in dat collectief onbewuste verstrikt was geraakt en niet meer los kon komen van de beelden en indrukken die hij daar opdeed. Omgekeerd meende hij dat het vertellen en overdenken van mythen, zoals dat oude volkeren dat al eeuwenlang deden, een (onbewuste) techniek was om psychische problemen op te lossen. De moderne mens met psychische problemen geloofde niet meer in die oude mythen en moest ze daarom als het ware gaan opzoeken in zijn collectief onbewuste, door zich te verdiepen in hun dromen en fantasieën. De archetypen (zie verderop) die ze zo leerden kennen wezen hen de Heilsweg, de weg naar herstel. Aangezien het collectief onbewuste geen verleden, heden of toekomst kent, waren voorspellende dromen niet onmogelijk. Jung was er verder van overtuigd dat er bepaalde fasen in het leven waren waarin een mens moeite had met de zin van het leven, crises die gepaard zouden gaan met ‘grote dromen’ die zeer direct verwezen naar het collectief onbewuste. En aangezien de belangrijkste crisis zich voordeed om en nabij het veertigste levensjaar, zou hij zich uiteindelijk ook toeleggen op de analyse van oudere cliënten.

Met de woordassociatietechniek kwam Jung dicht in de buurt van het werk van Sigmund Freud, de beruchte Weense therapeut die beweerde dat neurosen veroorzaakt werden door verdrongen herinneringen van seksuele aard. Freud speurde dergelijke herinneringen op en maakte ze onschadelijk door als een ware detective zaken als dromen, curieuze gedragingen en minieme versprekingen uit te pluizen (en zijn conclusies tot groteske proporties op te blazen). Hij werd door het leeuwendeel der psychologen en psychiaters als een rare kwast beschouwd, en het was dan ook bepaald moedig van Jung dat hij het tijdens een conferentie in maart 1906 opnam voor zijn Weense collega. Spoedig daarna begonnen ze aan hun beroemde correspondentie. Jung wilde vooral Freuds advies over intieme relaties met vrouwelijke cliënten (iets waarover Freud geschreven had en waar Jung zich regelmatig aan bezondigde), terwijl Freud probeerde om Jung en zijn collega’s in Burghölzli tot zijn inzichten te bekeren. Naast Jung is hem dat inderdaad bij verscheidene medewerkers van dit instituut gelukt, maar de grootste vis, Bleuler himself, heeft hij nooit kunnen vangen.

Jung en Freud waren aanvankelijk erg blij een geestverwant te hebben ontdekt. Pas later kwamen de immense theoretische verschillen naar voren. De communis opinio luidt dat de vriendschap uiteindelijk daarop stukliep, maar in werkelijkheid echter was de breuk het eindresultaat van een gecompliceerd psychologisch spel. Ten eerste was Jung enorm jaloers. Hij kon het niet verkroppen indien iemand te intiem met Freud omging. Zijn eerste slachtoffer was Otto Rank, de secretaris van Freuds woensdagse discussieclubje, het tweede was Karl Abraham, een eveneens ‘bekeerde’ collega uit de Burghölzli.

Kort nadat hij Abraham uit de club had gewerkt, nam hij zijn ontslag. Een mogelijke reden was dat Auguste Forel, die zo nu en dan nog kwam kijken, zich ontpopte als een felle anti-freudiaan, en Jung ergerde zich aan het feit dat Bleuler daar niet tegenin ging. Een andere reden was wellicht dat diezelfde Bleuler hem passeerde toen er een hoogleraarspositie vrijkwam aan de universiteit van Zürich, een die traditioneel aan een belangrijke medewerker van Burghölzli toekwam, maar waarvoor Bleuler uiteindelijk de reeds vertrokken Riklin uitkoos in plaats van zijn directe ondergeschikte, Jung. (6)

Bolwerk tegen het occultisme

Hij vertrok in maart 1909. In diezelfde maand had hij een tweede ontmoeting met Freud. Het was geen succes. In de Memories is te lezen dat ze ruzie kregen over parapsychologische fenomenen, waarbij zich twee onverklaarbare knallen zouden hebben voorgedaan in de boekenkast die Jung onmiddellijk interpreteerde als externalisaties van de tussen hen gerezen spanningen. (1) Jung zou ook nog eens beweren dat Freud hem bij die gelegenheid had opgedragen nooit de seksuele verklaring voor neurosen los te laten, maar het als een bolwerk te beschouwen. ‘Een bolwerk waartegen?’, zou Jung hebben gevraagd. ‘Tegen de zwarte vloedgolf van het occultisme’, zou Freud hebben geantwoord.

Het is niet duidelijk waarom Jung zijn leermeester later afschilderde als bang voor het occulte, iets waar Freud helemaal geen last van had. Wat in beide anekdotes wél doorklinkt, is Jungs verlangen zijn leermeester te doorzien en voorbij te streven. Datzelfde thema komt ook naar voren in een andere anekdote over hun breuk, een voorval dat zich in dezelfde maand af zou hebben gespeeld tijdens de overtocht naar de VS (waar ze waren uitgenodigd om lezingen te geven). Freud, Jung en de Hongaarse psychoanalyticus Sandor Ferenczi maakten er tijdens die reis een gewoonte van elkaars dromen te interpreteren. Op een gegeven moment vertelde Freud zijn droom aan Jung, die daarop om enige intieme informatie vroeg. Freud weigerde die vragen te beantwoorden. ‘Dan verlies ik mijn gezag’, zou hij hebben gezegd. Jung schreef dat Freud daarmee voorgoed voor hem had afgedaan, want: ‘hij plaatste persoonlijke autoriteit boven de waarheid’. Probleem is dat Jung Freud daarna nog geruime tijd met groot respect behandelde.

Ondanks de groeiende kloof bleef Freud hopen dat Jung de psychoanalyse zou redden. Jungs brieven bevatten allerlei theoretische overpeinzingen waar Freud niets in zag, maar toch stelde hij tijdens een conferentie in Neurenberg in 1910 voor om Jung te benoemen tot voorzitter voor het leven van de Internationale Psychoanalytische Vereniging. De Weense deelnemers kwamen in opstand, maar Freud wist hen ervan te overtuigen dat alleen een vooraanstaande niet-jood ervoor zou kunnen zorgen dat het levenswerk van de jood Freud niet verloren ging. Het kwam tot een compromis, maar het gekonkel en gekuip gingen gewoon door.

Freud bleef Jung beschouwen als zijn enige hoop – zelfs na publicatie van het eerste deel van Symbolen van transformaties (1911), waarin Jung zijn theorie over het collectief onbewuste ontvouwde en en passant de freudiaanse hypothese verwierp dat schizofrenie veroorzaakt werd door ‘regressie van het libido’ (de terugval van de seksuele drift in een reeds gepasseerd stadium). Jung stelde dat ook die regressie slechts een symbool was voor problemen die verband hielden met een veel fundamentelere ‘levensenergie’.

Het tweede deel van Symbolen, gepubliceerd in 1912, is vooral opmerkelijk vanwege de volstrekt chaotische structuur. Details uit gevalsbeschrijvingen vormen de aanleiding voor ellenlange uitweidingen over mythologie, religie en literatuur. Tegen die tijd was de breuk tussen Freud en Jung echter al een feit. Jung had de Züricher afdeling van de beweging ondertussen zwaar verwaarloosd, zijn maîtresse Sabine Spielrein had de kant van zijn tegenstrever gekozen en zijn vrouw, zo ontdekte hij, had ook een briefwisseling met Freud. En ondertussen verzuurde Jungs correspondentie snel omdat Jung oude gevalsbeschrijvingen van Freud meende te moeten herinterpreteren.

In november 1911 zag Freud in dat verder discussiëren zinloos was. Jung moest en zou zijn eigen weg gaan. Een jaar later was de breuk definitief. Tegen die tijd noemde Freud Jung ‘een gek’ en iemand ‘die denkt dat hij Jezus is’. Jung had Freud laten weten dat hij zijn ‘spelletjes’ wel door had.

Zeven preken

Na de breuk belandde Jung in een geestelijke crisis die verscheidene jaren duurde. Hij werd geplaagd door visioenen waarin Europa in bloed werd gedrenkt, iets dat diepe indruk op hem maakte. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meende hij te weten dat hij de oorlog had ‘voorzien’ en raakte ervan overtuigd dat hij over profetische gaven beschikte – dat wil zeggen: dat er een verbintenis bestond (later zou hij dat ‘synchroniciteit’ noemen) tussen zijn geestesgesteldheid en die van de wereld.

In die crisisjaren verkende hij zijn droom- en fantasiewereld (oftewel: het collectief onbewuste), bijgestaan door een onzichtbare entiteit genaamd Philemon waarmee hij lange conversaties hield. Jung raakte bezeten van de gedachte dat hij op deze manier zélf god kon worden, en hij heeft dat ook naar eigen zeggen uiteindelijk ervaren. (Het bereiken van deze ervaring was de geheime opdracht die hij zijn leerlingen meegaf.)

Deze persoonlijke ‘reis naar de Onderwereld’ werd de basis voor zijn eigen vorm van psychotherapie. Om uit te leggen wat daarbij gebeurde, gebruikte Jung graag geologische metaforen. Individuele mensen waren als afzonderlijke bergen, ieder met zijn persoonlijke structuur, maar wie ging graven ontdekte dat iedereen ondergronds op dezelfde lagen rustte en dat afzonderlijke individuen daar in elkaar overgaan tot één gemeenschappelijke oerlaag, het collectief onbewuste. Jung koppelde dit idee aan de in die tijd populaire ideeën over een Arische of Germaanse ‘oerziel’, een associatie die hem dicht in de buurt bracht van de rechts-nationale völkische beweging en het nationaal-socialisme. Zo zou hij al in 1918 schrijven dat het christendom de Germaanse ziel maar half getemd had. Dat geloof was niet meer dan een inferieure religieuze noviteit, een dun vernis over de Duitse oerreligie. Het werd volgens hem hoog tijd dat de Duitsers daarvan werden bevrijd.

Jung reconstrueerde op basis van de Mithrascultus zijn eigen inzichten en historische werken. Deze Germaanse oerreligie was volgens hem gebaseerd op de gelijkstelling van God, zon en fallus enerzijds en van oermoeder, maan en baarmoeder anderzijds. Iedere Ariër, zo zei hij, kon via zijn onbewuste kennisnemen van deze collectieve erfenis, en dat was ook de enige manier om de ware betekenis van het leven te ontdekken. Die betekenis zat dus ín de mens en niet, zoals bij het jodendom en christendom, daarbuiten.

Jung legde dit nog het helderst uit in zijn Septem Sermones ad Mortuos (Zeven preken voor de doden, 1916; volgens Jung het werk van Philemon) waarin de hoofdpersoon Basilides de teruggekeerde zielen van gesneuvelde kruisvaarders (lees: teleurgestelde christenen) uitlegt dat zij de hemel niet ergens in de lucht moeten zoeken maar diep in zichzelf.

Doel van zijn therapie was dus het afleggen van de Heilsweg, de ‘individuatie’, het doordringen in het collectief onbewuste, en dan uiteindelijk de versmelting met ‘Het Zelf’, het beste te vergelijken met God. Wie deze weg insloeg, werd onderweg geconfronteerd met de zogenaamde archetypen, entiteiten die in vele gedaanten konden opdoemen en die samenhingen met conflicten en levensfasen. Eerst verschenen de Schaduw en de Persona, dan de Animus en Anima, dan de Wijze Oude, et cetera. Jung ontleende deze voorstellingen aan zijn persoonlijke ervaringen en die van zijn assistenten, opgedaan door middel van ‘actief fantaseren’. Als een cliënt van Jung in een droom iets had gezien dat op een archetype leek, dan liepen Jung of zijn assistenten de hele lijst af om deze te identificeren.

‘Joodse psychologie’

Omstreeks 1918 krabbelde Jung weer overeind, en was zijn filosofie zo goed als afgerond. De jaren daarna, tot aan zijn dood, besteedde hij hoofdzakelijk aan reizen, het geven van lezingen en het verder uitbouwen van zijn systeem, voornamelijk door het inpassen van andere opvattingen, theorieën en wereldsystemen. Een voorbeeld is zijn Psychologische Typen (1921) waarin hij zijn beroemde karakterindeling extravert-introvert lanceerde. Het oorspronkelijke idee gaat terug op de beroemde psycholoog William James (1842-1910), maar Jung maakte daar door het te combineren met het kwartet denken-voelen-ervaren-intuïtie een volstrekt onhandelbaar systeem van. In diezelfde tijd raakte hij ook in de ban van het Chinese orakelboek I Ching en de astrologie. Hij meende dat de effectiviteit van deze technieken verklaard kon worden vanuit een acausaal maar toch zinvol verband tussen de microkosmos op papier en de macrokosmos om ons heen, een verband dat hij ‘synchroniciteit’ noemde. Hij heeft daar echter nooit een scherpe definitie van kunnen geven. (7)

Een derde traditie die hij in zijn psychologie incorporeerde (of beter: tot jungiaanse psychologie herschreef) was de alchimie. Alchemistische symbolen waren volgens hem in wezen archetypen, een inzicht dat hij te danken had aan een patiënte van hem, Kristine Mann, die haar Heilsweg in de vorm van schilderijen had uitgebeeld en een van de daarop voorkomende symbolen alchemistisch interpreteerde. (8) Spoedig ‘ontdekte’ Jung dat de hele alchimie het product was van actief fantaseren, en dat de door alchimisten beschreven processen (bedoeld om van lagere metalen goud te maken en in een moeite door de ziel te veredelen) een beschrijving van de Heilsweg waren.

Jungs meest beruchte ‘interpretatie’ was die van het nationaal-socialisme. (9) Hij had (uiteraard) de nodige aanmerkingen op de nazi-ideologie, maar Hitler was in zijn ogen een opmerkelijke, bovenmenselijke verschijning. In 1936 schreef hij in het essay Wotan dat het Duitse volk onder Hitler ‘bezeten’ was geraakt van een collectieve Duitse geest, gepersonifieerd in het archetype Wodan en gematerialiseerd in de figuur van de nieuwe dictator. Een paar jaar later was zijn belangstelling voor het nationaal-socialisme (‘dit indrukwekkende verschijnsel’, zoals hij het eens noemde) danig bekoeld, en na de oorlog trachtte hij zijn eigen dubieuze uitlatingen te verbergen achter felle aanvallen op het Duitse volk, dat in zijn ogen collectief schuldig was aan het Hitlerregime.

Zijn ambivalente houding werd waarschijnlijk mede veroorzaakt doordat de machtswisseling in Duitsland, in 1933, hem onverwachte kansen bood. Direct na hun ‘legale revolutie’ trachtten de nazi’s alle tijdschriften onder nazi-beheer te krijgen, waaronder het Zentralblatt für Psychotherapie. De voorzitter van de Internationale Vereniging voor Psychotherapie (tevens redacteur van het Zentralblatt) legde daarop uit protest zijn functies neer – en Jung bleek bereid die op zich te nemen. De Duitse afdeling gooide daarna alle joodse leden eruit – en Jung deed niets. Weer een paar maanden later, in december 1933 drukte het Zentralblatt (per abuis?) een nazistisch manifest van dezelfde afdeling af.

Jungs weerwoord was vaag en liet bij vele intellectuelen een vieze smaak achter. Ze beschouwden hem voortaan als pro-nazi en keerden zich van hem af. Een artikel waarin hij schreef dat men niet langer kon ontkennen dat er een kloof bestond tussen de ‘Duitse’ en de ‘joodse’ psychologie, droeg ook niet bepaald bij aan de sfeer. (10)

Het einde van de oorlog betekende tevens het begin van Jungs laatste productieve jaren. Hij publiceerde uitgebreid over zijn interpretatie van de alchimie (in twee duistere werken, de Mysterium Coniunctionis en Aion) en een kritiek op het christendom, Antwoord aan Job. Het christendom was volgens hem niet ‘af’ omdat het geen raad wist met het Kwaad. Het christendom moest – net als de alchimisten – goed en kwaad doen versmelten, wat neerkwam op de opname van het Kwaad in de Heilige Drie-eenheid. Hierdoor zou een volmaakte Heilige Viereenheid zou ontstaan en zou het christendom gelijkwaardig worden aan, en aansluiting kunnen vinden bij, diepzinniger filosofieën als het gnosticisme en de alchimie (lees: analytische psychologie), waarin viertallen prominent voorkwamen. (Vier was in Jungs mystieke filosofie een uiterst belangrijk getal. Hij zag overal viertallen opdoemen en als in een theorie of filosofie begrippen in een groepje van vier kwamen, was haar geldigheid eigenlijk al bewezen.) Het lijkt dus alsof Jung het Kwaad net zoveel realiteit toedichtte als God zelf, maar dit dualisme wordt elders in het boek tegengesproken wanneer het Kwaad beschreven wordt als de keerzijde, de ‘schaduw’ van God – een afgeleid fenomeen dus.

Daarna kwamen er geen grote werken meer uit zijn handen , hooguit verhandelingen omtrent zijn filosofie. Een bescheiden uitzondering is zijn boekje over UFO’s uit 1958 (Ein moderner Mythos von Dingen, die am Himmel gesehen werden), waarin hij dit fenomeen heel karakteristiek ‘verklaart’ als projecties van het onbewuste, veroorzaakt door verdrongen religieuze behoeften. Verder maakte hij veel reizen, vooral naar zijn geliefde Italië, en ontving hij bewonderaars en journalisten. Hij werd in zijn laatste jaren regelmatig gefêteerd, geëerd en gedecoreerd, en zijn analytische psychologie werd daarbij steeds vaker omschreven als een alternatief voor de in die tijd dominerende leer van Freud. Maar het interessantst aan Jung was en bleef zijn emotionele conflict met de roemruchte grondlegger van de psychoanalyse. Wat dat betreft is hij er nooit in geslaagd zich werkelijk aan de schaduw van zijn leermeester te onttrekken. De oude Jung, die zich in zijn laatste jaren op aarde ontpopte als een enorme driftkop en huistiran, werd naarmate zijn einde naderde door steeds meer mensen vereerd. Niet als psycholoog, maar als een duistere, fascinerende stem uit een lang vervlogen tijdperk.

Literatuur

Frank McLynn, Carl Gustav Jung. A biography. Bantam Press, 1996.
Richard Noll, The Jung Cult, Princeton University Press, 1994 (gecorrigeerde editie 1995).
Edward Shorter, A History of Psychiatry, John Wiley & Sons, 1997.

Noten

1. Iedere poging om het leven van Jung te beschrijven moet noodgedwongen zwaar leunen op Erinnerungen, Träume, Gedanken von C. G. Jung (1962), een ‘autobiografie’ die grotendeels geschreven is door zijn leerlinge Aniela Jaffé. Jung zélf schreef de eerste paar hoofdstukken (over zijn jeugd) en een slotbeschouwing, maar deze stukken – en die van Jaffé – zijn weer geredigeerd door anderen. Het boek is zó vergeven van de mythische en miraculeuze anekdotes dat het lijkt alsof de auteurs volstrekt niet geïnteresseerd zijn in harde historische feiten. Voorop staat de unieke Heilsweg van de grote voorman. Peter Homans noemde het werk in zijn Jung in Context (1979) daarom een ‘automythologie’. Noll (1995) vergelijkt het werk met de laat-antieke biografieën van geestelijk leiders en met middeleeuwse heiligenlevens. Hij spreekt van ‘a life produced directly by essentially a religious community, and therefore a biography as ”cult legend”.’ (cursivering van de auteur)

2. Dit vorige leven van ‘Inverness’ sloot wonderwel aan op een oud verhaal dat in de familie Jung rondging, en dat erop neerkwam dat Jung af zou stammen van de grote Goethe.

3. Het lijkt er sterk op dat Jung een diepe haat koesterde jegens Hélène, zijn promotieonderwerp. Zijn beschrijving van haar karakter was allesbehalve vleiend, en door haar het pseudoniem S.W. te geven, gaf hij bovendien haar identiteit prijs. S.W. was namelijk al eerder gebruikt, in een standaardwerk over psychiatrie, en die S.W. was een naaister – en dat was ook het beroep van Hélène. Eenmaal ‘ontmaskerd’ was ze dan ook gedwongen om Bazel te ontvluchten.

4. Het idee van een collectieve, dat wil zeggen veel meer dan de gewone individualiteit omvattende ‘bodem’ in de menselijke geest was niet origineel, doch geïnspireerd op het werk van de beroemde Duitse bioloog Ernst Haeckel (1834-1919). Deze meende ontdekt te hebben dat de groei van het individu in de baarmoeder de geschiedenis van de soort waartoe het behoort weerspiegelt, en op een gegeven moment suggereerde hij dat zoiets ook in de psychologie moest gelden: er moest een parallel bestaan tussen de geestelijke ontwikkeling van het individu en de evolutie, in de loop van miljoenen jaren, van de menselijke geest. Een psychoot zou vergelijkbaar zijn met de oermens, een kind met een inboorling, et cetera. Dit idee heeft niet alleen Jung geïnspireerd, maar is bijvoorbeeld ook terug te vinden in de rassenleer van Rudolf Steiner.

5. De Mithrascultus was een mysterie. Dat wil zeggen, het was een cultusvorm met riten die slechts toegankelijk waren voor ingewijden, die daarover niet spraken met oningewijden. Deze cultus (uitsluitend voor mannen) was gericht op de verering van de (oorspronkelijk Indo-Iraanse) zonnegod Mithras. Na het jaar 100 werd deze cultus tamelijk plotseling erg populair in de Romeinse wereld, meer speciaal onder soldaten. Grieken voelden niet zoveel voor de verering van een Perzische god. Vermenging met het wereldbeeld en de filosofie die Plato in zijn Timaeus beschreef kan aan deze populariteit hebben bijgedragen. Nadat Constantijn het christendom omhelsde, verdween deze cultus weer. Verscheidene ondergrondse tempels, Mithraea, zijn teruggevonden, maar veel is er niet bekend over deze religie. Jung werd gefascineerd door deze cultus. Volgens hem (en hij maakte daarbij gebruik van nu als achterhaald beschouwde bronnen) zou het hier gaan om een oeroude zonnegodsdienst, verwant aan de oergodsdienst der Ariërs. Deze oerreligie werd volgens hem uiteindelijk onderdrukt door de latere, ‘semitische religies’, het jodendom en het christendom. Juist omdat het Mithrascultus zo oeroud was, moest veel ervan nog traceerbaar zijn in het collectief onbewuste. De als zon-fallus-man aangeduide cliënt was in feite Jungs protégé Johann Honegger, die na een zeer voorspoedige start als onderzoeker op een gegeven moment psychotische trekken ging vertonen. Het feit dat het hier om een leerling van Jung ging, maakt de theorie dat de zon-fallus-man op de hoogte was van de mythologische gegevens alleen maar waarschijnlijker. Overigens was het gebruiken van ervaringen van ingewijden ‘vermomd’ als gewone cliënt geen ongebruikelijke truc. Freud deed precies hetzelfde.

Correctie: De man die een zonnepenis zou hebben gezien was Emile Schwyzer, een patiënt van Jungs leerling Johann Honegger. Honegger was doelgericht op zoek naar mythologische voorstellingen en had Schwyzer in 1910 twee maanden ondervraagd, waarbij hij hem mogelijk woorden en de mond legde. Honegger hield er meteen een lezing over op een congres, terwijl Jung in de VS zat. De mythe was onder meer te vinden in een populair boek dat in 1903 in Duitsland was gepubliceerd. Jung beweerde later dat hij het verhaal zelf van de patiënt had gehoord, maar dat was hoogst waarschijnlijk niet waar. Honegger gaf zichzelf een jaar later een dodelijke injectie.

6. Jung vestigde zich als zelfstandig therapeut. Hij was in 1903 getrouwd met Emma Rauschenbach, die een behoorlijk kapitaal meebracht. Later, toen hij eenmaal beroemd was, kon hij zeer kieskeurig zijn wat betreft de cliënten die hij accepteerde. Hij had een voorkeur voor oudere mannen met bescheiden psychische problemen – en dan nog kreeg hij de reputatie agressief en onvoorspelbaar te zijn. Het huwelijk was niet bepaald een succes. Emma was regelmatig zwanger, iets waar Jung een hekel aan had (hij experimenteerde ook met allerlei technieken voor anticonceptie). Hij viel haar lastig met pleidooien voor polygamie en had geregeld maîtresses, iets wat Emma geacht werd onvermijdelijk te vinden. Een van de eerste en bekendste was Sabina Spielrein, die hij in 1904 voor het eerst ontmoette. Jung was helemaal weg van haar en pende allerlei intieme details door naar Freud, iets waar hij buitengewoon veel spijt van zou kreeg nadat hij met Freud had gebroken en Spielrein diens kant koos.

7. Synchroniciteit was geen bedenksel van Jung maar van de bioloog Paul Kammerer (1880-1926). Kammerer is waarschijnlijk het meest bekend om zijn onderzoek naar de overerfbaarheid van verkregen eigenschappen (zijn werk en tragische zelfmoord werden beschreven door Arthur Koestler), maar hij hield ook een dagboek bij waarin hij curieuze samenlopen noteerde, naar hij meende bewijzen voor een acausale ‘wet van de serialiteit’. Ook Jung kon synchroniciteit uitsluitend ‘bewijzen’ met behulp van losse anekdotes, maar hij verwees ook wel naar de vermeende bruikbaarheid van zaken als de I Ching en astrologie. Een theoretische verklaring heeft hij nooit kunnen geven. Wel correspondeerde hij met de fysicus Wolfgang Pauli (1900-1958) en heeft hij wel geopperd dat de kwantummechanica wellicht ooit een verklaring zou kunnen leveren.

8. Jungs volgelingen beschouwen haar schilderingen als een fraai bewijs voor het collectieve onbewuste, maar Kristine was de dochter van een vooraanstaand Amerikaans volgeling van de Zweedse mysticus Emanuel Swedenborg (1688-1772), wiens geschriften nogal wat alchimie bevatten.

9. Jungs politieke overtuigingen lagen altijd al dicht tegen het rechts-nationale gedachtegoed aan, maar hij is altijd vooral een oppassend burger geweest. Het was echter veel meer de mystieke, contemplatieve (oftewel: de chique) kant van de racistisch-mystieke filosofie die hem aantrok. Zo was hij in de jaren ’20 en ’30 een regelmatig bezoeker van de salon van Olga Froebe-Kapteyn in Ascona, aan het Lago Maggiore. De ‘Eranos-conferenties’ aldaar waren een ontmoetingsplaats voor mystici en occultisten van zeer verschillend pluimage, met Jung als intellectueel middelpunt.

10. Jung heeft nooit echt blijk gegeven van antisemitisme, al scheelde het soms niet veel. In de jaren ’30 heeft hij zich uitgebreid beziggehouden met (zoals dat toen heette) ‘het joodse probleem’, en dan vooral de ‘joodse psychologie’. Deze verschilde volgens hem grondig van de niet-joodse en hing nauw samen met het feit dat de joden verstrooid waren geraakt over de aarde. Hij gebruikte de term ‘joodse psychologie’ overigens vaak als synoniem voor de psychoanalyse van zijn aartsvijand Freud en meende ook dat hij daarmee een vernietigend argument had gevonden tegen de vermeende universaliteit van Freuds werk. McLynn (1996) meent dat deze oude vijandschap in feite Jungs diepste drijfveer was tijdens zijn ‘onderzoek’: ‘het is vrijwel altijd zo dat als Jung ”jood” zegt, hij Freud bedoelt en wanneer hij ”joods” zegt betekent dat Freudiaans.’ (p. 362)

Uit: Skepter 10.3 (1997)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002