Angstig naar Aquarius

Carl Gustav Jung en de UFO-mythe

door Stef Ketelaar – Skepter 18.1 (2005)

De Zwitserse psycholoog Carl Gustav Jung stelde in 1958 een psychologische UFO-theorie voor zonder de fysieke realiteit van ‘dingen die men aan de hemel ziet’ te ontkennen.

Carl Gustav Jung (1875-1961) heeft een zeldzaam gespleten reputatie. Critici doen zijn werk af als vaag, duister en slechts voor ingewijden toegankelijk. Het zou een heilsleer of een surrogaatreligie zijn en met wetenschap weinig te maken hebben. De moderne psychiatrie beschouwt zijn ideeën als historisch interessant maar voor de dagelijkse praktijk van geen nut. (1) Dat neemt niet weg dat Jung nog steeds een grote populariteit geniet, vooral bij new-ageaanhangers en dat over de hele wereld zijn werk nog bestudeerd wordt in zogeheten Junginstituten. (2)

Jung interesseerde zich zijn leven lang voor parapsychologie en het occulte, een belangstelling die zich in de laatste jaren van zijn leven verhevigde. Hij stortte zich op astrologie, I Ching, Tarot, alchemie en geestverschijningen. Na een arbeidzaam leven – zijn verzamelde werk beslaat twintig delen – publiceerde hij in zijn laatste jaren nog slechts enkele kleinere verhandelingen.

De nu oude, ziekelijke Jung leest misdaadromans, spreekt tegen de koffiepot en jaagt zijn omgeving de stuipen op het lijf met zijn woedeaanvallen. Hij is een beroemdheid en ontvangt een voortdurende stroom bewonderaars, onder wie vooraanstaande kunstenaars, wetenschappers en journalisten van over de hele wereld. Tegen deze tijd heeft Jung een nieuw gespreksonderwerp: unidentified flying objects. (3) Voordat ik tot de bespreking van zijn UFO-theorie overga, is een korte introductie van zijn werk, voorzover hier relevant, noodzakelijk.

jung-aliens

Collectief onbewuste

Carl Gustav Jung wordt in 1875 geboren in het Zwitserse Kesswill in een intellectueel maar arm domineesgezin. Hij studeert geneeskunde in Bazel, Zürich, Parijs en Londen. Tijdens zijn studie verdiept hij zich in het occultisme en sluit hij zich aan bij een groep die experimenteert met spiritisme en parapsychologie. Jung komt echter weer op het rechte pad, en kiest voor de psychiatrie als beroep. In 1900, het jaar van Freuds Traumdeutung, gaat Jung werken in de Burghölzikliniek te Zürich, waar hij zijn opleiding tot psychiater geniet.

Als Jung in 1906 in contact komt met Sigmund Freud (1856-1939) erkennen beide mannen ieders kwaliteiten. Een tijd lang geldt Jung zelfs als Freuds kroonprins. Als hij zich in zijn Wandlungen und Symbole der Libido (1912) kritisch uitlaat over Freud, komt het tot een onherstelbare breuk. Jung gaat zijn eigen weg en ontwikkelt als alternatief voor Freuds psychoanalyse zijn eigen ‘analytische psychologie’. Daarin is een centrale rol weggelegd voor het begrip collectief onbewuste.

Terwijl bij Freud het onbewuste gelijkstaat aan datgene wat een individu tijdens zijn leven aan gedachten verdringt, geeft Jung er een veel uitgebreider betekenis aan. In Freuds visie is het onbewuste bovendien negatief van aard, vormt het een bedreiging voor het bewustzijn en kan het een ziekmakende invloed uitoefenen. Het doel van de Freudiaanse psychotherapie is daarom zoveel mogelijk van het onbewuste door analyse bewust en daardoor onschadelijk maken. Daarbij kent Freud de seksualiteit een doorslaggevende betekenis toe als bron van verdrongen gedachten en daarmee als oorzaak van het ontstaan van neurosen.

Jung daarentegen beschouwt het onbewuste als de oorsprong van het bewustzijn. Bovendien is het onbewuste van collectieve aard, het is gegeven aan alle mensen gemeenschappelijk. De psyche is volgens Jung geënt op een aan alle individuele bewuste en onbewuste ervaringen ten grondslag liggend zeer oud verleden van ervaringsmateriaal.

Dit heeft gevolgen voor de praktijk. De Jungiaanse psychotherapie probeert een relatie tot stand te brengen tussen het onbewuste en het bewuste. Alleen de ‘hele’ mens is een gezonde mens. Omdat het bewustzijn niet in staat is een blik te werpen in zijn onbewuste, verloopt de communicatie tussen beide via symbolen. Wat onbewust is, kan alleen maar via symboolvorming door middel van projectie plaatsvinden. Jung constateert tijdens zijn therapeutische arbeid steeds weer het opduiken van bepaalde mythologische elementen in de dromen en fantasieën van zijn patiënten. Deze symbolen vertonen gedurende de hele geschiedenis van de mensheid een verbluffende overeenkomst. Hieruit concludeert Jung het bestaan van een overgeërfde structuur, verankerd in het centrale zenuwstelsel, waaraan hij de naam archetypen geeft.

Voorbeelden van archetypen zijn de figuur van de moeder, de vader, het kind, God, de held, het zelf, de wijze, de hemel, de heiland en het kwade. Anders dan bij het dierlijke instinct (dat enigszins vergelijkbaar is), reageren archetypen niet op prikkels met voorspelbaar gedrag, maar met ingewikkelde combinaties van symbolen die in de omringende wereld worden geprojecteerd. Daardoor komt voor het bewustzijn een niet direct herkenbare zielsinhoud naar buiten. De genezing van de ziel nu hangt af van de vraag of het bewustzijn weer aansluiting krijgt bij het onbewuste. Jung bedeelt de manifestatie van symbolen daarom een helende werking toe. Het genezingsproces van de ziel noemt hij het ‘individuatieproces’. (4)

Het levenswerk van Jung bestaat uit het verder uitwerken van het concept van het onbewuste, de werking van archetypen en de helende rol van symbolen. In dit kader moeten we ook Ein moderner Mythus, Jungs verhandeling over UFO’s, plaatsen.

‘Alle speculatie is zinloos’

De wereld maakt in 1954 kennis met Jungs UFO-fascinatie, als er van zijn hand een artikel over dit onderwerp verschijnt in het Zwitserse weekblad Die Weltwoche. (5) Daarin schrijft hij dat hij zich al vanaf 1946 interesseert voor UFO’s en er sindsdien informatie over verzamelt. (6) In zijn omvangrijke correspondentie zijn UFO’s vanaf 1956 een regelmatig terugkerend thema.

Zelf heeft Jung nooit een UFO gezien, maar hij kent persoonlijk twee ooggetuigen van een waarneming. Daarnaast leest hij alle boeken over het onderwerp die op dat moment beschikbaar zijn. (7) In zijn artikel duidt hij het fenomeen in psychologische zin als een ‘spontane compensatie’ van het onbewuste op de onzekere politieke situatie die volgens hem op ieder moment op een catastrofe kan uitlopen. In deze tijden richten mensen hun blik naar de hemel voor hulp waarop wonderbaarlijke tekens van bedreigende of geruststellende aard verschijnen. Een groot aantal waarnemingen wijst op een natuurlijke of ‘fysieke’ oorsprong. Sommige van de waargenomen objecten gedragen zich echter niet conform de natuurwetten en vertonen intelligent gedrag. De enorme versnellingen die ze maken zou geen mens kunnen overleven.

Jung is verbaasd door de mystificatie van het UFO-dossier door de Amerikaanse luchtmacht. De weigering om materiaal vrij te geven draagt volgens hem bij aan de publieke angst en kan gemakkelijk leiden tot een herhaling van de hysterie die volgde na de uitzending van Orson Welles’ beroemde hoorspel War of the Worlds in 1938. (8) Met de informatie die nu beschikbaar is, vindt Jung dat hij geen definitieve uitspraak kan doen over de aard van de vliegende schotels. Hij is het dan ook niet eens met de stelling dat het fenomeen van buitenaardse herkomst is: ‘Alle speculatie is zinloos.’ Overigens zou deze optie rampzalig zijn voor de mensheid. De aarde zou worden gekoloniseerd – vergelijk het lot van ‘primitieve’ volken na de komst van de Europeanen – wat zou leiden tot universele paniek.

Ook verwerpt hij een parapsychologische verklaring van de waarnemingen. Hoewel voor hem vaststaat dat er zoiets als collectieve hallucinaties bestaan, kan hij geen causaal verband aantonen tussen de geestelijke gesteldheid van de waarnemers en de verschijning van vliegende schotels. Jung wijst op de tegenstelling tussen het huidige wetenschappelijke wereldbeeld en de schotelepidemie. Hij beschouwt het laatste als compenserende reactie op het eerste. In een tijd waarin alles wordt gereduceerd tot gemiddelden en de natuur wordt beschreven in termen van wetmatigheden, waardoor niets onverklaarbaar blijft, is er een ‘onstilbare honger’ naar het buitengewone. Deze gemoedsgesteldheid valt samen met een universele bezorgdheid vanwege de gevaren van de waterstofbom. Volgens hem is de communistenjacht van senator McCarthy een uiting van de grote angst die het Amerikaanse volk in zijn greep houdt. Om die reden zullen de meeste ‘tekens’ in de hemel in Noord-Amerika worden waargenomen. Jung sluit zijn artikel af met de opmerking, dat hij ondanks zijn intensieve studie van het UFO-fenomeen nog steeds niet weet welke realiteit de vliegende schotels hebben. (9)

Een moderne mythe

Jung laat zich in Die Weltwoche bepaald niet als UFO-gelovige kennen, maar – haast onjungiaans – als een scepticus die zijn oordeel opschort vanwege een gebrek aan informatie. Ook met zijn verwijzing naar de Koude Oorlogspsychose die de VS in haar greep houdt als verklaring voor de massale hallucinaties, staat hij verre van de buitenaardse hypothese die begin jaren 1950 in Donald Keyhoe haar vurigste pleitbezorger vindt en die daarmee veel aandacht krijgt in de pers.

Desalniettemin sluit de UFO-gemeente Jung als ‘gelovige’ in de armen als een uittreksel van zijn artikel uit Die Weltwoche verschijnt in Flying Saucer Review (1955) en later nog in APRO Bulletin (1958). Deze artikelen veroorzaken de nodige publiciteit als de pers eruit meent op te maken dat Jung overtuigd is van de fysieke realiteit van UFO’s. (10)

Jung reageert met een statement in het Badener Tageblatt en een brief aan Donald Keyhoe. (11) Hij beklaagt zich over de pers die zijn opmerkingen over UFO’s heeft verdraaid en herhaalt zijn eerdere standpunt dat hij vanwege een gebrek aan informatie geen uitspraken kan doen over de fysieke realiteit van de UFO’s. Hij vat zijn positie op dat moment samen met de opmerking: ‘Er wordt iets waargenomen, maar het is onbekend wat het is.’

jung_moderner_mythusTerwijl Jung in 1954 nog geen idee heeft wat de vliegende schotels zijn, komt hij in 1958 met een uitgewerkte theorie in Ein moderner Mythus: Von Dingen die am Himmel gesehen werden. (12) Toch zit de kiem van zijn projectietheorie al wel degelijk in zijn artikel in Die Weltwoche: het verband tussen de geestelijke volksgezondheid tegen de achtergrond van de Koude Oorlog en de waarneming van vliegende schotels, vooral in de VS.

Het enige wat in 1954 ontbrak was een verklaring. Nu vertelt Jung welk mechanisme achter de waarnemingen schuilgaat.

Maar voordat hij daaraan toekomt, zet hij het belang van dit contemporaine fenomeen uiteen en de reden waarom een psychiater zich ermee bezig zou moeten houden. Volgens Jung begeleidt de massale waarneming van UFO’s de verandering van de menselijke psyche die een nieuw tijdperk inluidt, dat van Aquarius. (13) Hij ziet het als zijn taak om voor deze verandering te waarschuwen, zelfs als hij daarmee het gevaar loopt zijn ‘reputatie van man van het wetenschappelijke oordeel’, in gevaar te brengen.

Voor Jung staat vast dat er iets wordt gezien in de hemel. Hij voelt zich als psycholoog onbekwaam om een uitspraak te doen over de eventuele fysieke aard van de UFO’s. Hij houdt zich slechts bezig met het psychische aspect van het fenomeen.

Vanwege de omvang van het fenomeen enerzijds en het ontbreken van betrouwbare informatie anderzijds, noemt Jung de UFO’s een visionair gerucht. Volgens hem zijn we getuige van het ontstaan van een ‘levende mythe’ en is dit een gouden kans om te zien hoe een legende wordt gevormd.

Jung beschrijft vervolgens hoe dit in zijn werk gaat. De verhalen over UFO’s vinden hun oorsprong gedurende de Tweede Wereldoorlog met de berichten over de spookraketten in Zweden en de Foo Fighters boven Duitsland. Het feit dat er geen basis op aarde wordt gevonden vanwaar de UFO’s opereren, leidt tot de hypothese dat het fenomeen van buitenaardse oorsprong is. Het gerucht neemt dan nog het element op van de paniek zoals die uitbrak tijdens Orson Welles’ hoorspel. De term UFO (waarin de U voor ongeïdentificeerd staat) wordt synoniem aan een machine die bestuurd wordt door intelligente wezens uit het heelal. Mensen voelen zich voortaan bespied vanuit de ruimte. In Amerika krijgt het gerucht officiële erkenning als de luchtmacht een onderzoeksbureau opzet om de UFO’s te bestuderen. Het gerucht wordt vervolgens steeds meer geladen met allerlei elementen, zoals het uiterlijk van de buitenaardsen en hun motieven om de aarde te bezoeken.

Foo fighters (foto: US Air Force)
Foo Fighters – onverklaarde UFO’s tijdens de Tweede Wereldoorlog (foto: US Air Force)

Hoewel de UFO-mythe dus een psychologisch fenomeen is, sluit Jung niet uit dat het getriggerd is door fysieke verschijnselen, zoals door niet als zodanig herkende vliegtuigen of raketten, zaken waarvoor in principe een normale verklaring voorhanden is. De fysieke UFO’s veroorzaken de psychische projecties niet, ze zijn er slechts de aanleiding toe.

Maar als UFO’s geen fysieke realiteit hebben en een psychologische projectie zijn, wat is dan de achterliggende oorzaak? Volgens Jung is die gelegen in de collectieve angst die samenhangt met de dreiging van een allesvernietigende nucleaire oorlog. De wereld zucht onder de spanning van de sovjetpolitiek en haar onvoorspelbare gevolgen. (14) Dit is precies de situatie waarin men kan verwachten dat het onbewuste spontaan reageert door middel van een projectie. Hierdoor wordt de onzichtbare en onkenbare inhoud van het onbewuste kenbaar gemaakt voor het bewustzijn.

Het feit dat UFO’s ronde vormen hebben, is logisch en dat zij overeenkomst vertonen met de mandala geen toeval. De mandala, Sanskriet voor cirkel, is een symbool van heelheid, het vertegenwoordigt het archetype van het zelf. De mandala verenigt de ‘gespleten ziel’ waarmee het individuatieproces zich voltrekt.

Jung noemt het typisch voor deze tijd dat het symbool zich als een technologische constructie gedraagt. Alles wat er technisch uitziet, accepteert de mens zonder moeite. Metafysische verklaringen daarentegen hebben afgedaan. Het is ook geen toeval dat juist rationeel ingestelde mensen zoals militairen en piloten UFO’s zien. Bij hen is de gespletenheid het grootst en zal daarom het onbewuste des te sterker geprikkeld worden om het individuatieproces op gang te helpen.

Maar de mandala is niet het enige symbool in dit verband. Sommige van de gerapporteerde UFO’s zijn niet rond, maar sigaarvormig. Het zijn fallussymbolen, die echter niet op een freudiaanse wijze geïnterpreteerd moeten worden, dat wil zeggen als verdrongen seksualiteit. Het fallussymbool dient met andere symbolen in verband gebracht te worden en kan dan als een religieuze ervaring worden geduid. De oppervlakkige Freud miste de diepere betekenis van dergelijke symbolen.

Ter verdere uitwerking van zijn theorie, presenteert Jung zeven dromen die hij van patiënten heeft gekregen, telkens gevolgd door zijn interpretatie ervan. Evenals Freud ziet Jung de droom als de beste toegangsweg naar het onbewuste. Dromen vertellen de psycholoog hoe de UFO’s worden begrepen door het onbewuste. De analyse van de dromen geschiedt volgens de zogenaamde comparatieve symboliekduiding. Maar behalve deze intellectuele opgave die bestaat uit het interpreteren van (combinaties van) symbolen, gaat het er ook om de numineuze kwaliteit, de gevoelswaarde van de droom te duiden. Op een voor nietingewijden onnavolgbare wijze worden elementen uit de dromen in verband gebracht met mythen waarvan de betekenis vervolgens licht werpt op de toestand van het onbewuste. (15) Dezelfde exercitie herhaalt Jung bij de analyse van UFO’s in moderne kunst.

Ten slotte bespreekt Jung UFO’s als een konkrete Tatsache, als niet-psychologisch verschijnsel. Er bestaan immers foto’s en radarbeelden van de vliegende voorwerpen. In het geval dat de UFO’s ook fysiek van aard zijn, spreekt hij over een ‘synchronistisch verschijnsel’. (16)

Paranoia

Jung is de eerste wetenschapper die UFO’s als archetypisch fenomeen analyseert. Hij maakt echter geen school met zijn theorie, omdat de meeste – en vaak best verkopende – auteurs de hypothese verdedigen dat UFO’s van buitenaardse herkomst zijn. Uitzonderingen hierop zijn schrijvers als John Keel, Jacques Vallée en Brad Steiger. Zij betogen dat het UFO-fenomeen in de eerste plaats een subjectief en symbolisch verschijnsel is en leggen de nadruk op de mystieke en irrationele elementen die het omgeven.

In de UFO-literatuur is er wel degelijk aandacht voor de rol van de menselijke psyche (hallucinatie) als mogelijke verklaringsgrond voor UFO-meldingen. Toch worden ze maar zelden als de werking van de archetypen door middel van projectie geduid. Dit hangt wellicht samen met de onbekendheid met Jungs terminologie waardoor Ein moderner Mythus voor de meeste lezers niet erg toegankelijk is.

Hoewel opgeleid als arts, een man van de wetenschap, drukt Jung zich uit in een taal die met wetenschap niet veel te maken heeft. De ironie van Jungs UFO-theorie is dat ze aan de ene kant zo gecompliceerd is en verwoord in zulke esoterische taal, dat het sceptici niet aanspreekt, terwijl aan de andere kant een psychologische verklaring niet in het straatje past van ‘gelovige’ auteurs. Jungs onvermogen om een eenduidige verklaring te geven is ook problematisch. Hij blijft twijfelen: ‘Het is ofwel op visioenen, ofwel op een zekere realiteit gebaseerd’, beweert hij nog eens in zijn autobiografie. (17)

Als de vermaarde piloot Charles Lindbergh in 1959 een bezoek aan Jung brengt, staat deze verbaasd als de psycholoog zich ‘niet in het minst geïnteresseerd toont’ in het psychologische aspect van UFO’s. De mededeling van Lindbergh dat zijn oude assistent Donald Keyhoe, toevallig de nu door Jung zeer gewaardeerde schrijver van UFO-bestsellers, aan zenuwinzinkingen lijdt, ontlokt de Zwitserse psychiater geen enkele reactie. (18)

Dit werpt licht op een ander interessant gegeven. Een substantieel deel van de UFO-literatuur put zich uit in het bewijzen of weerleggen (afhankelijk van het parti pris) van de betrouwbaarheid van de UFO-waarnemer. Ook staan de auteurs waarop men zich beroept ter discussie. Jung gaat daaraan echter helemaal voorbij. Dat de psychologie wel degelijk een belangrijke bijdrage kan leveren in het begrijpen van het UFO-fenomeen, blijkt uit diverse studies over het verband tussen het geloof in UFO’s en paranoia, een ziektebeeld gekenmerkt door een zich geleidelijk ontwikkelend, logisch en systematisch opgebouwd waansysteem.

Daar komt nog bij dat de geschriften van sommige ufologen zozeer bol staan van het geloof in complotten dat men zich in enkele gevallen zorgen kan maken over de geestelijke gezondheid van de auteurs in kwestie. (19) Het is treffend dat Jung als psychiater totaal geen aandacht heeft voor deze kant van de medaille. Door te abstraheren van de psyche van het individu en zich slechts op het niveau van het collectieve te concentreren, heeft Jung geen oog voor gevallen van individuele desoriëntatie.

Invaders from Mars (1953)
Invaders from Mars (1953)

Koude Oorlogsangst

Een interessante vraag betreft welke omvang de door Jung veronderstelde Koude Oorlogsangst, die immers het sine qua non is voor zijn theorie, vanaf eind jaren 1940 eigenlijk aanneemt. De realiteit van een derde wereldoorlog is tijdens de donkerste dagen van de Koude Oorlog verre van denkbeeldig. Wellicht vormen de films die in deze periode gemaakt worden – The Day the Earth Stood Still, The Thing, Invaders from Mars, Killers from Space, Invasion of the Body Snatchers – een aardige graadmeter van de geestelijke gesteldheid van het Amerikaanse publiek. De Koude Oorlog verschaft seculiere religies apocalyptische beelden en verleent het UFO-fenomeen de connotatie van heilsverwachting. De boodschap van diverse UFO-contactpersonen luidt dan ook eensgezind dat vernietiging dreigt voor de aarde, maar dat er hoop komt van boven. (20)

Het blijft echter problematisch om de collectieve angst onder bevolkingen te peilen. Dat de periode van Koude Oorlog, althans voor het westen, ook een periode van relatieve stabiliteit en welvaart is en dat veel mensen zich in het dagelijks leven wel voor acutere problemen gesteld zien dan de dreiging van de bom, maakt de zaak nog ingewikkelder.

Hoe het ook zij, vaststaat dat Jung zelf diverse malen zijn verwachting uitspreekt dat er omstreeks 1964 een wereldoorlog zal uitbreken. (21) Ook is hij gepreoccupeerd met het bevolkingsvraagstuk en legt hij een dubieus verband tussen overbevolking en de beide wereldoorlogen als ‘natuurlijke overloop’. (22)

Het feit dat Jung zo pregnant wijst op de angst in zijn eigen tijd en deze ook nadrukkelijk uitvergroot, hangt waarschijnlijk samen met het gegeven dat zij het fundament is van zijn theorie. Wanneer hij echter zijn verwachting uitspreekt dat de aarde op korte termijn door een catastrofe getroffen zal worden – en dat allemaal de schuld van de sovjets – neemt de profeet in hem het over van de wetenschapper en geraakt hij daarmee echt in het kamp van de apocalyptici.

De vraag is wat de toetsing van Jungs theorie oplevert. Ze zou immers moeten voorspellen waar en wanneer er UFO’s gemeld worden. Het meest in aanmerking komen de hotspots van de Koude Oorlog. In bepaalde gebieden van de VS en de Sovjet-Unie, Cuba, Berlijn en Korea moeten mensen ze zien vliegen. In neutrale en perifere gebieden, verstoken van alle spanning die de strijd tussen de grootmachten met zich meebrengt, zoals Nieuw-Zeeland, Afrika en Zuid-Amerika is er geen vuiltje aan de lucht. Jungs theorie voorspelt ook dat sinds de ontspanning vanaf 1962 en vooral na de val van de Muur in 1989 het aantal UFO-meldingen afneemt (om wellicht weer toe te nemen in de periode na september 2001 wanneer de Amerikaanse bevolking immers met een reële dreiging te maken krijgt). Het moet mogelijk zijn om met eliminatie van alle andere storende factoren, hetzij van culturele, hetzij van fysieke aard, hierover op basis van literatuuronderzoek uitsluitsel te verkrijgen.

Zonder mij uitputtend in deze exercitie te begeven, een aantal korte opmerkingen hierover. Het ontstaan van het moderne UFO-fenomeen valt inderdaad samen met de verkondiging van de Trumandoctrine in maart 1947, die algemeen geldt als het begin van de Koude Oorlog. De vliegende schotels zijn sindsdien echter gebleven, ontspanning of niet. Ook kan men zich afvragen waarom het onbewuste pas in 1947 op deze massale wijze optreedt om door middel van projectie de angst te bezweren. Waarom niet in de jaren 1930 tijdens de zware economische crisis en de opkomst van Hitler aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog? En hoe zit het met de Eerste Wereldoorlog en de Napoleontische oorlogen? In tegenstelling tot de Koude Oorlog zijn dit immers manifeste conflicten geweest waarbij miljoenen mensen daadwerkelijk in hun bestaan werden bedreigd. Waar zijn de begeleidende hemelse tekens? En welke spanning veroorzaakte trouwens de golf van spookluchtschepen eind negentiende eeuw in de VS?

Het antwoord dat Jung geeft, is dat het ‘massagerucht’ slechts is voorbehouden aan onze verlichte, rationalistische tijd. Kennelijk is deze pas na 1945 begonnen. Dat dit moeizaam valt te rijmen met zijn bewering dat de twintigste eeuw het ‘gouden tijdperk’ is voor de astrologie, is een typisch jungiaanse paradox waaraan zijn oeuvre zo rijk is. (23)

Psychologische grootheden

Volgens Jung zijn het juist de ‘rationeel ingestelde’ mensen die getuige zijn van het verschijnen van UFO’s. Hoewel het ongetwijfeld waar is dat rationele mensen onverklaarbare dingen zien, is het de vraag of een oververtegenwoordiging van hen in de UFO-literatuur niet veel meer samenhangt met de neiging van de auteurs om juist betrouwbare, rationele getuigen te presenteren en de minder degelijke types uit het onderzoek weg te laten. Anderzijds staat de veronderstelde UFO-ontvankelijkheid van de rationele waarnemer in schrille tegenstelling met de talloze Adamski-achtige types die de UFO-literatuur evenzeer bevolken. Overigens spreekt Jung diverse malen zijn afkeer uit van Adamski, die volgens hem een zwendelaar is.

Problematisch blijft ook de door Jung naar voren gebrachte projectie als verklaring voor de waarneming van UFO’s. Nu is projectie, een afweermechanisme bestaande uit het toeschrijven aan anderen van eigen onbewuste impulsen, wensen, gevoelens, herinneringen of fantasieën, op zichzelf geen omstreden begrip in de psychologie. Jung illustreert hoe dit werkt op collectief niveau waarbij vrijmetselaars, joden en jezuïeten als voorbeelden dienen. In deze gevallen is er echter een projectiedrager aanwezig, die als het ware fungeert als het witte doek waarop de onbewuste zielsinhoud terecht komt. Wat echter vervult de functie van projectiedrager in het geval van een lege hemel? Of moeten we in alle gevallen uitgaan van de aanwezigheid van een fysieke UFO als projectiedrager? (24)

Maar dan is het fenomeen minstens evenzeer van fysieke als van psychologische aard en in dat geval is er geen enkel verband tussen de verschijning van UFO’s en de psychologische gesteldheid van de mensheid. Aan causale verbanden heeft Jung echter een broertje dood en het in de strijd werpen van de term synchroniciteit lost het probleem op. De aanwezigheid van UFO’s hangt dan niet op een causale, maar op een betekenisvolle manier samen met de staat van de psyche.

Het wordt er niet overzichtelijker op als Jung zich, geconfronteerd met het bestaan van foto’s en radarwaarnemingen van UFO’s, gedwongen ziet enige aandacht te besteden aan een niet-psychologische verklaring. Ja, UFO’s kunnen wel degelijk fysieke lichamen van onbekende, zelfs buitenaardse herkomst zijn, hetgeen niet in tegenstelling is met zijn theorie.

Het feit dat ‘het buitenaardse’ al ver voor de twintigste eeuw een rol speelt in de literatuur, maar dat het vooral negentiendeeeuwse schrijvers als H.G. Wells en Kurd Lasswitz zijn geweest die de alien hebben ‘uitgevonden’, vermag op Jung waarschijnlijk geen indruk te maken. (25) Doordat Jung alles tot psychologie reduceert, is ook alles herleidbaar tot de werking van de archetypen en het is daarbij onverschillig of ze optreden in een religieuze context of in dromen, in kunst of sciencefictionromans.

Wellicht is het meest fundamentele bezwaar gelegen in het feit dat Jung zich bedient van de voor hem zo typische cirkelredenering: de psychologische aard van UFO’s wordt bewezen door de onbewezen hypothese van het bestaan van archetypen en hun werking door middel van projectie. Daarnaast heeft Jungs UFO-theorie het manco dat zij te eendimensionaal is. Niet alles wat onverklaarbaar is laat zich herleiden tot psychologische grootheden. De poging om het UFO-fenomeen in het jungiaans universum te incorporeren is geforceerd en toont eerder de beperking van Jungs theorieën, dan dat zij deze ondersteunt.

De vraag is wat Jung eigenlijk heeft verklaard: zijn UFO’s nu manifestaties van het onbewuste als reactie op angst, of zijn het tekens die de verandering naar het Aquariustijdperk begeleiden? Is het een psychologisch fenomeen, of is het een konkrete Tatsache, of misschien beide en in dat geval een ‘synchronistisch fenomeen’? Het probleem met Jung, schrijft ook zijn biograaf Frank McLynn, is dat hij zoveel verschillende verklaringen geeft voor een fenomeen, dat hij uiteindelijk niets meer verklaart dan de tautologie dat een geest nu eenmaal een geest is. (26)

Terwijl Jungs theorie als geheel niet kan bevredigen, bevat zij wel degelijk interessante elementen. In een tijdperk waarin met Nietzsche God dood is verklaard en de mens bezig is de ruimte te verkennen, is Jungs interpretatie van UFO’s als technologische engelen treffend. Waar een groteske auteur als Erich von Däniken wereldberoemd is geworden door de bijbel met een ruimtevaartbril te lezen, heeft Jung oog voor de oneindig subtiele mythologische en religieuze motieven die het verkeer tussen hemel en aarde begeleiden. Dat levert esoterisch proza op, maar het feit dat Jung er zich in de jaren 1950 van bewust is dat hij getuige is van het ontstaan van een levende mythe, bewijst dat hij wel degelijk in staat is om met de afstandelijke en oorspronkelijke blik van de wetenschapper naar een bepaald aspect van het UFO-fenomeen te kijken. Dat is de meeste auteurs van de tienduizenden boeken die sindsdien over het onderwerp zijn verschenen maar zelden gelukt.

Noten

1. Marcel Hulspas, ‘Psychiater, praatjesmaker, profeet. Leven en werk van Carl Gustav Jung (1875-1961)’, Skepter 10.3, 1997.

2. Zo citeert Marilyn Ferguson in haar new-ageklassieker The Aquarian Conspiracy (Los Angeles 1981) Jung uitgebreid als een van de ‘grondleggers’ van de beweging. David Tacey wijst in Jung and the New Age (Hove 2001) echter terecht op de al te simplistische reductie van Jung tot new-ageprofeet, een proces dat hij als de ‘Amerikanisering van Jung’ begrijpt. Zijn opmerking: ‘High and low cultures have conspired to turn Jung into a figure of ridicule and contempt, and it is time this conspiracy was brought to light’, is tekenend voor de ideologische loopgraven die zijn ontstaan in het gevecht om Jungs intellectuele erfenis.

3. Deirdre Bair, Jung: a Biography (Boston etc., 2003), p. 557-568.

4. Er zijn talloze inleidingen op de psychotherapie van Jung. Ik gebruik: Helmut Barz, Jung en zijn psychotherapie (Amsterdam 1989, oorspronkelijk Stuttgart 1979).

5. De aanleiding voor het artikel in Die Weltwoche (09-07-1954) vormt een verzoek van een journalist van dit blad om een interview met Jung over zijn UFO-fascinatie. Jung weigert, maar schrijft vervolgens een artikel over het onderwerp voor dit blad. Dit wordt gevolgd door een aantal schriftelijke vragen waarop Jung reageert en dat ook in Die Weltwoche verschijnt. Het artikel is opgenomen in C.G. Jung, Gesammelte Werke (20 delen, 1958-1974) als deel 18, paragraaf 1431-1445.

6. Bair (zie noot 3) houdt het op basis van archiefmateriaal op 1950 (p. 830, noot 61). Jung wordt bij de verzameling van het materiaal geholpen door zijn schoonzoon Walther Niehus en zijn secretaresse Aniela Jaffé.

7. Jung leest, naar eigen zeggen, zes boeken over UFO’s waaronder in ieder geval de boeken van de kampioen van de cover-up theorie Donald Keyhoe, Flying Saucers are Real (New York 1950), Gerald Heard, Is Another World Watching? The Riddle of the Flying Saucers (Londen 1950) en Edward J. Ruppelt, Report on Unidentified Flying Objects (Londen and New York 1956).

8. Hoorspel van 30 oktober 1938 uitgevoerd door Welles met het Mercury Theatre Company naar het boek van H.G. Wells, The War of the Worlds (1898). Talloze luisteraars van het hoorspel zijn overtuigd dat de aarde een invasie van Marsbewoners ondergaat (zie ook Skepter, september 1998). De massale paniek die het teweegbrengt, wordt vaak gepresenteerd als modelcasus als het gaat om de reactie die te verwachten is als de aarde door buitenaardse wezens zou worden bezocht.

9. Jung, Gesammelte Werke, deel 18, paragraaf 1431-1445.

10. Ibidem, paragraaf 1431, noot 1.

11. Statement in Badener Tageblatt van 29-08-1958 en brief aan Keyhoe van 16-08-1958. Beide zijn opgenomen in Gesammelte Werke, deel 18, paragraaf 1445-1451.

12. C.G. Jung, Ein moderner Mythus: Von Dingen die am Himmel gesehen werden (Zürich und Stuttgart 1958). Het is opgenomen als deel 10 van het verzamelde werk. Jung draagt het op aan schoonzoon Niehus, de architect, die hem tot het schrijven van dit ‘kleine boek’ bewoog.

13. Jungs opvatting over astrologie is dat men het ‘kaf van het koren’ dient te scheiden. Een afkeer van krantenhoroscopen gaat bij hem hand in hand met de overtuiging dat het einde van een platoonse maand (2000 jaar) een ‘verandering in de macrokosmos’ inluidt. Volgens de astrologie komt de aarde rond het jaar 2000 (Jung spreekt soms over 1940, dan weer over 2200, diverse astrologen noemen tijdstippen tussen 1781 en 2740) in het dierenriemteken Waterman (Aquarius), waarmee een nieuw tijdperk begint, het Aquariustijdperk, met mogelijkheden voor de ontwikkeling van een nieuw menselijk bewustzijn, dat niet dualistisch, maar heelmakend is. Frank McLynn, Carl Gustav Jung. A Biography (New York, 1996) p. 492-494.

14. Gemakshalve vergeet Jung dat er twee partijen bij de Koude Oorlog betrokken zijn. Dit is niet zo vreemd aangezien Jung bekendstaat als een fervente communistenhater. Dit systeem verdrukt volgens hem het individu, ontbeert spiritualiteit en activeert de laagste menselijke behoeften. McLynn (zie noot 13), p. 345.

15. Dat Jungs analyse van UFO-dromen allerminst een curiositeit is, blijkt uit de droomanalyses die ene Dr. Remo F. Roth op het internet publiceert. Zoals het een goede leerling van Jung betaamt, beweert Roth over de UFO-dromen van zijn patiënte dat deze zowel een uiting zijn van een persoonlijk als ook van een collectief probleem, namelijk dat deze: ‘(…) belong to apocalyptical events to be expected in the near future, that were launched with the shocking terror of “9/11”’. Zie: www.psychovision.ch/ufnw/ufo_dreams_interpret_part1.htm.

16. Een innerlijke voorstelling of gedachte kan een opmerkelijke overeenkomst vertonen met een uiterlijke gebeurtenis, zonder dat er sprake is van een causaal verband. Jung bedacht de term synchroniciteit voor zulke zinvolle coïncidenties. Hij nam aan dat ze vooral optreden in crisissituaties, wanneer er sterke archetypische emoties bestaan.

17. C.G. Jung, Herinneringen, dromen, gedachten (Deventer 1970) p. 305. Deze autobiografie, vanwege het grote gehalte aan mythische en miraculeuze anekdotes ook wel ‘automythologie’ genoemd, is grotendeels opgetekend door Aniela Jaffé en verscheen in 1962.

18. Bair (zie noot 6), p. 572-573.

19. Martin S. Kottmeyer, ‘Paranoia and UFOs’, in: Ronald D. Story ed., The Encyclopedia of Extraterrestrial Encounters (New York 2001) p. 401-422.

20. Bijvoorbeeld Adamski. Zie: Stef Ketelaar, ‘Gezant van Venus. Koninklijke ontvangst voor een fantast’, Skepter 17.3, 2004.

21. M. Serrano, De Hermetische cirkel. Jung en Hesse (Rotterdam 1975, oorspronkelijk 1966) p. 77. De auteur, Chileens diplomaat en Hitlervereerder, is bevriend geweest met Jung en heeft behalve een boek over zijn vriend, hoe toepasselijk, ook een boek geschreven over een vliegende schotelbasis op Antarctica, onder leiding van een nog immer levende Führer van het Derde Rijk. Serrano geldt als een van de grondleggers van het zogenaamde esoterisch Hitlerisme.

22. Jung, Gesammelte Werke deel 18, paragraaf 615.

23. McLynn (zie noot 13), p. 492.

24. Jung lijkt hier van uit te gaan: ‘Ich sage immer, dass für eine Projektion auch der entsprechende Nagel vorhanden sein muss, an dem man sie aufhängen kann.’ C.G. Jung, Briefe 1956-1961, (Olten 1973) 3e band, p. 184.

25. Steven J. Dick, Life on Other Worlds. The 20th-Century Extraterrestrial Life Debate (Cambridge 1998) p. 106-116.

26. McLynn (zie noot 13), p. 487-489.

Uit: Skepter 18.1 (2005)

Stefan Ketelaar is historicus