Ketter met de kwast

Was Jeroen Bosch een Kathaar?

door Marcel Hulspas

De schilderijen van Jeroen Bosch staan boordevol raadselachtige wezens en bouwsels. Veel hiervan is moeilijk te duiden, maar Lynda Harris ontwaart de sporen van verboden kathaarse opvattingen.

Ze zit vlak naast een gevaarlijk vervallen schuurtje, overeind gehouden door een kromme boomtak onder de uitstekende nok van het dak. Rechts zit Maria met op haar schoot het kind. Links knielen en staan de drie koningen. Een heeft zijn geschenk al voor Maria’s voeten gezet, de andere twee hebben het nog in hun handen. Vanuit de deuropening van het schuurtje kijken woeste mannen het tafereeltje aan; vooraan staat een naakte man gehuld in het rood met een ingewikkeld soort doornenkroon op zijn hoofd. Vanachter Maria en vanaf het dak wordt het tafereel gadegeslagen door boeren en herders. In de verte lijken twee legers in volle vaart op elkaar in te rijden. Een ridder te voet trekt zijn paard waarop een aap zit, aan de teugels voort, in de richting van een schitterende stad aan de horizon. Wie de tijd neemt, ontdekt nog veel meer. De aanbidding van Christus door de drie koningen (want dat is het thema van het schilderij) lijkt een onbetekenende gebeurtenis in een waanzinnige wereld.

Aanbidding der koningen
Aanbidding der koningen, ca 1495. Museo del Prado, Madrid.

Waarom gaat die ridder niet zelf op het paard zitten, maar mag de aap hier van het comfort van een rijdier genieten? In een standaardwerk over het werk van Bosch (1) wordt bij deze scène een citaat afgedrukt uit ‘Historien der heiligher drien coninghen’, een religieus traktaatje gedrukt te Delft in 1479: ‘dat volc doe ten tijden was seer onnosel goedertieren ende cleyne.’ De nieuwsgierige boeren, de op elkaar afstormende legertjes en de ridder die zijn aap laat rijden staan allemaal symbool voor diepe onwetendheid omtrent goed en kwaad waaronder de wereld vóór de komst van Christus gebukt ging.

LyndaHarris-BoschMaar neem de volgende interpretatie van de ridder en zijn aap onderweg: ‘De aap [is] een figurant in het traditionele verhaal van de Geboorte. In werkelijkheid lijkt het op een beledigende bespotting van Maria zelf, die zittend op de traditionele ezel naar Bethlehem of Egypte geleid wordt. (…) De boodschap lijkt te zijn dat de traditioneel beschreven route van de Heilige Familie de weg van Satan is en dat leidt naar een rijk van ongezonde corruptie.’

Aldus Lynda Harris in haar boek ‘Ketterij en esoterie in het werk van Jeroen Bosch’ (2), een boek dat grote populariteit geniet en geleid heeft tot het ontstaan van een kleine maar hardnekkige club ‘Bosch-interpretatoren’ die in menig detail een schokkende ketterse onthulling zien. De schilder, zo beweert Harris, was een geheim tegenstander van de katholieke kerk, het ‘rijk van ongezonde corruptie’.

Gecodeerd verslag

Jeroen Bosch was niet ‘zomaar’ een ketter, nee, hij was een Kathaar (3). Deze sekte gaat waarschijnlijk terug op het manicheïsme van het begin van de jaartelling, en vond haar oorsprong waarschijnlijk in Constantinopel. Kruisridders en/of handelaren introduceerden het kathaarse gedachtegoed in de 12de eeuw in West-Europa.

Katharen kenden geen hiërarchie en ook geen tot in de puntjes uitgewerkte theologie, maar de kathaarse leer was in wezen gnostisch: ze beschouwden al het aardse en stoffelijke als het rijk van het kwaad; Jhwh die de wereld geschapen had, was een boosaardige god, gelijk te stellen aan Satan. De enige goede schepper had slechts de geestelijke wereld geschapen. In iedere mens zat een stukje daarvan gevangen. Deze ziel kon door het afzweren van ieder aards genot (inclusief seks) uit de gruwelijke cyclus van wedergeboorten worden bevrijd. Een dergelijke gelofte afleggen deed men voor de rest van het leven, en zoiets gebeurde dan ook meestal op latere leeftijd. Zij die de gelofte hadden afgelegd, de ‘perfecten’, stonden in hoog aanzien.

De Kathaarse beweging wist in de loop van de 12de eeuw een grote aanhang te verwerven, vooral in Noord-Italië en Zuid-Frankrijk. De ambitieuze paus Innocentius III riep in 1209 op tot een heuse kruistocht tegen de sekte, die uiteindelijk twintig bloedige jaren zou duren. Daarna was sprake van sporadisch verzet. Het laatste katharenbolwerk, de machtige vesting van Montségur, viel in 1244. De laatste kathaarse prediker, de moordzuchtige, als een hond opgejaagde William Bélibaste, besteeg in 1321 de brandstapel. Zijn dood geldt als het definitieve einde van de kathaarse beweging — maar niet volgens Harris. De schilderijen van Bosch bewijzen volgens haar dat de beweging anderhalve eeuw lang in het geniep was blijven bestaan, en dat er rond 1500 ten minste één kathaar in Den Bosch woonde.

Waaróm zij ervan overtuigd is dat juist Jeroen Bosch hiervan aanhanger was en juist zijn schilderijen daarom op deze wijze geïnterpreteerd moeten worden, blijft onduidelijk. Harris biedt voor deze hypothese geen enkel ander houvast dan haar fantasievolle interpretatie van (voor wie de overvolle schilderijen van Bosch kent) een onbeduidend aantal details. Ze heeft geen andere bewijzen of zelfs maar aanwijzingen; ze poneert zijn ketterij simpelweg en slaat aan het interpreteren.

Lees de eerste zinnen van de inleiding: ‘In de hoofdstukken die hierna volgen zullen de mythen en beelden van de katharen een grote rol spelen. We zullen ons namelijk bezighouden met de excentrieke, onorthodoxe symbolen van Jeroen Bosch en ervan uitgaan dat dit gecodeerde verslagen zijn van de zwaar vervolgde ketterij van de katharen. De iconografiebeeldentaal van Bosch is nooit verklaard. Sommige onderzoekers hebben zijn werk geïnterpreteerd als ketters (zie hoofdstuk 2), maar meestal wordt hij beschouwd als een enigszins excentriek, maar toch vroom lid van de kerk (…). Deze visie op Bosch is begrijpelijk, maar gebaseerd op een misvatting van zijn werkelijke motieven. Deze kunstenaar was in de eerste plaats een mysticus…’

Om de lezer en zichzelf er vooral diep van te doordringen dat zij op de enige echte goede weg is, komt Harris regelmatig met lege belijdenissen van haar geloof, zoals deze op p.36: ‘Hij kon geen orthodox christen geweest zijn, want zijn houding ten opzichte van de wereld en de gevestigde godsdienst van zijn land was totaal verschillend van die van zijn tijdgenoten.’

Ze kan weinig anders doen dan haar overtuiging voortdurend herhalen, want over de schilder Jeroen Bosch is bijzonder weinig bekend. Hij is tussen 1450 en 1460 geboren te Den Bosch en gestorven in 1516. De familie was afkomstig uit Aken en noemde zich tot 1500 ‘Van Aken’. Het ging de familie voor de wind: vader Anthonius ‘Van Aken’ kocht in 1462 een stenen huis aan het grootste plein van de stad. Jeroen trouwde rond juni 1481 met de rijke Aleid Royarts van den Meervenne, en werd omstreeks 1486 lid van het Bossche Zwanenbroedersgilde, een katholieke herenclub die zich wijdde aan goede werken in en om de stad. Er zijn in de schaarse officiële documenten geen aanwijzingen te vinden dat hij er op religieus gebied curieuze opvattingen op nahield. Bosch’ schilderijen staan echter vaak zó vol wonderlijke wezens dat het weinig moeite kost om er allerlei interpretaties aan te geven. De meeste kenners beschouwen zijn werken als de hoogst persoonlijke fantasieën van een door hel en duivel geobsedeerde middeleeuwer; een obsessie die verlicht wordt door boertige humoristische invallen. Anderen herkennen alchemistische symbolen (wat helemaal niet vreemd zou zijn); weer anderen komen met freudiaanse of jungiaanse interpretaties van zijn overvolle, nachtmerrieachtige werken. De bekendste ‘ketterse’ interpretatie is die van Wilhelm Fraenger, die meende te kunnen constateren dat Bosch lid of sympathisant was geweest van de Broeders en Zusters van de Vrije Geest, een sektarische stroming die meende dat ware gelovigen zich volledig vrij mochten achten van aardse machten. De pseudo-interpretatie van Harris is in vier opzichten opmerkelijker: ze is de bizarste, de meest recente, de minst onderbouwde en desondanks de bekendste. Dat laatste heeft waarschijnlijk alles te maken met het feit dat ze een verband legt tussen Bosch en de katharen, een in New Age-kringen buitengewoon populaire middeleeuwse sekte.

Dat haar bewijzen voor deze connectie uiterst dun zijn, bewijst in haar ogen alleen maar haar gelijk: dat komt natuurlijk doordat Jeroen Bosch, een beroemde ingezetene van Den Bosch, het zich niet kon permitteren ‘gesnapt’ te worden. Waarom hij zijn geheime overtuiging überhaupt op zijn doeken wilde etaleren, blijft een open vraag. Wat bij lezing van het boek van Harris vooral verwondert, is de moeite die ze moet doen om die ketterij op te sporen.

Neem weer De aanbidding der wijzen. Een van de koningen heeft zijn geschenk voor de voeten van Maria op de grond gezet. Het tafereel is omgeven door parels, voorstellende het offer van Abraham. De aartsvader heeft van God de opdracht gekregen om zijn enige zoon Isaak te offeren. Terwijl Abraham het zwaard heft boven het hoofd van Isaak, komt een engel tussenbeide. Het offer van de zoon verwijst uiteraard naar de komst van Jezus, Gods zoon, het offer dat God zelf bracht om de mensheid te redden. Een passend symbolisch geschenk met andere woorden, niets ketters aan. Maar van onder dat geschenk steken enkele dierlijke pootjes, als zaten er een stel kikkers onder verscholen. Niets bijzonders voor Bosch uiteraard, die dol was op dergelijke dierlijke ingrediënten, maar Harris herkent de pootjes van de pad, een dier dat met hekserij geassocieerd wordt: ‘Door de padden wordt het oudtestamentische verhaal, zijn nieuwtestamentische tegenhanger en, door implicatie de mis zelf, op één lijn gesteld met duisternis en demonen.’

Of neem de figuur met de ingewikkelde doornenkroon die vanuit de deuropening naar Maria loert. Het gaat hier natuurlijk om de antichrist (vandaar die kroon), de kosmische tegenhanger van de boreling die vlak voor het Einde der Tijden de gelovigen zal misleiden. Om deze toekomstige rol aan te geven heeft Bosch hem in zijn linkerhand (niet op het hoofd) een kroon meegegeven die wel wat weg heeft van de pauselijke tiara. Harris (p.44): ‘Als wij zijn symboliek beschouwen met de ogen van een middeleeuwse ketter, wordt zijn identiteit duidelijk. Deze kwade figuur is een beeld van de paus.’ Ze wijst erop dat de paus door zijn tegenstanders wel eens een zwijn werd genoemd. En wie schetst haar verbazing: ‘Het is dan ook interessant dat Bosch een klein wild zwijn afbeeldt, dat op de bovenste helft van het schilderij uit het bos komt.’ De slachtoffers van de paus zijn op deze manier ook wel te vinden (p.45): ‘Erachter worden een man en een vrouw aangevallen door wolven. De man en vrouw zouden gewone leden van de kerk kunnen zijn, die worden aangevallen door demonen omdat ze niet worden beschermd door hun geestelijkheid, of mogelijk ketters, die vervolgd worden door hun kerk.’

Terug in het ei

Een van de hoogtepunten in Bosch’ oeuvre, en een van zijn meest overdadige en raadselachtige werken, is de triptiek De tuin der Lusten. (4) Ooit hing het in het paleis van de Nassaus te Brussel, daarna ging het als oorlogsbuit naar Madrid, waar het nog steeds in het Prado te bewonderen is. Dichtgeslagen toont het de kosmos direct na de scheiding van hemel en aarde. We zien een perfecte bol waarvan de onderste helft gevuld is met de chaos van monsterachtige, starre ‘dingen’. Gods geest zweeft hierboven in de vorm van een zeer kleine afbeelding van God in de linkerbovenhoek. een volstrekt katholieke manier om de schepping te beschouwen, maar Harris denkt alvast te kunnen scoren (p.89): ‘Bosch beeldt de aarde af als een platte halve bol, overkoepeld door een transparant firmament. Dit beeld komt treffend overeen met het Kathaarse universum.’

Eenmaal opengeslagen verschijnt aan de toeschouwer een waarlijk overdonderend visueel spektakel. Links een met wonderlijke wezens verluchtigde schepping van Adam en Eva, met God tussen hen in. Rechts een gruwelijke, duistere Dag des Oordeels en in het midden een groot paneel overvol van de geneugten van het Aards Paradijs.

Detail van de Tuin der Lusten
Detail van de Tuin der Lusten

Het linkerpaneel toont op de achtergrond een vijver met daarin een halfgotisch vormgegeven, maar ook levend lijkende fontein. Terecht schrijft Harris (p.94): ‘Hoe meer je naar de fontein kijkt, hoe meer je ziet dat zijn vorm een opmerkelijke overeenkomst vertoont met die van Jehovah.’ En prompt slaat ze op de van haar bekende maar in dit geval niet te volgen wijze aan het interpreteren: ‘Het is in feite een sinistere parodie op de schepper zelf. Dit komt omdat het leven dat hij brengt het valse leven van Satans wereld en Satans godsdienst is. Het is het fysieke leven, dat voor de geest gelijkstaat aan de dood.’

De grond waarop de fontein rust, is bezaaid met edelstenen, wat zich eenvoudigweg laat interpreteren als een symbool voor de rijkdom van de aarde in het Aards Paradijs. Maar voor Harris is dat niet voldoende: ‘De parels en juwelen aan zijn voet zijn afbeeldingen van menselijke zielen (de goede gevallen engelen), die in de modder van de stoffelijke wereld zijn terechtgekomen.’ Het paneel barst wat haar betreft van de stille verwijzingen naar de Kathaarse reïncarnatieleer. Zo zijn er vogeltjes die een reusachtig ei binnenlopen en andere die om en door een fantasievol bouwsel cirkelen. Harris (p.98): ‘Al deze vogels bij de rots en bij het ei stellen de zielen voor van reïncarnerende menselijke wezens, die de stoffelijke wereld en het stoffelijk lichaam verlaten en weer opnieuw betreden.’

Jammer, het lijken zulke prachtige verbeeldingen van het plezier dat deze schepselen hadden in hun kersvers bestaan. Bosch had in ieder geval duidelijk wél plezier in het schilderen van die enorme verscheidenheid aan creaturen. We zien zelfs een giraf en een olifant met op zijn rug… een aap. Symbool van de onschuld der dieren of alweer een parodie op Maria?

Egyptische connecties?

Hoe volkomen uit de lucht gegrepen Harris’ interpretaties zijn, wil ik demonstreren aan de hand van haar commentaar op nog twee werken van Bosch. Ten eerste zijn Kruisdraging, te zien in het Museum voor Schone kunsten in Gent. (5)

Kruisdraging - (navolger) Jeroen Bosch
De kruisdraging, oorspronkelijke toegeschreven aan Jheronimus Bosch, circa 1510-1535. Museum voor Schone kunsten, Gent.

Een verbijsterend werk; het is niet meer dan een verzameling gezichten, maar dan uitgewerkt en gegroepeerd tot een beangstigend, van haat gistend gezelschap rondom het serene gelaat van Christus. Het enige rustpunt in deze collectie tronies is het gezicht van Veronica die zich rechtsonder uit de voeten maakt met een afbeelding van Christus’ gezicht, de beroemde ‘zweetdoek van Veronica’. (Het verhaal komt niet in de bijbel voor, het gaat om een vrome legende. De naam Veronica is afgeleid van ‘vera’ en ‘icoon’: ware afbeelding.) Wat heeft Harris hierover te melden? ‘In deze versie is Veronica’s hoofd te zien als één helft van een tweezijdig beeld. Haar andere ‘gezicht’ is het vertrokken gelaat van een man met een rode hoed en een witte snor. Hij kijkt naar Jezus, terwijl Veronica de andere kant op wijst. (…) Het is heel waarschijnlijk dat, in Bosch’ wereld, deze doek het valse kerkelijke beeld of de ‘icoon’ van Christus voorstelt. In dat geval geven Veronica’s zelfgenoegzame glimlachje en deemoedig neergeslagen ogen haar een schijn van hypocriete vroomheid. Zij zou het vals-vrome gezicht van Satans kerk kunnen personifiëren. De vertrokken gelaatstrekken van de man die haar ‘andere gezicht’ is, zou de kwaadaardigheid en de satanische afkeer van de waarheid daarvan kunnen personifiëren.’ (p.136)

De Marskramen (ook wel'De Verloren Zoon' of 'De Landloper'), ca 1493. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam.
De Marskramer (ook wel’De Verloren Zoon’ of ‘De Landloper’), ca 1493. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam.

Als laatste voorbeeld neem ik De Verloren Zoon (zoals het schilderij meestal wordt aangeduid, zonder goede reden) in Boymans van Beuningen in Rotterdam. We zien een berooide marskramer die voorbij gaat aan een huis, waarschijnlijk een bordeel. Het thema van dit schilderij was dus waarschijnlijk berouw, of tot inkeer komen langs de weg des levens. In de boom rechtsboven wordt een meesje bedreigt door een roofvogel. Symbool voor het gevaar van het kwaad? Harris (p.158) maakt er iets heel anders van. Volgens haar is de mees soms, dus ook hier, symbool van dronkenschap. ‘Het meesje wordt bedreigd door een bijzonder felle, bloeddorstige uil (…) Deze nadruk op intoxicatie is vooral relevant voor de Kathaarse betekenis van Bosch’ schilderij, want zoals we eerder zagen gebruikten de gnostici en de manicheeërs dronkenschap en slaap als metaforen voor het door de ziel vergeten van zijn ware aard.’

Harris noemt de herberg nog ‘een tijdelijke verblijfplaats, die de aarde voorstelt’ en wijdt nog enige regels aan de haveloze kleren van de zwerver (‘die de verdorvenheid van zijn lichaam symboliseren’) en stapt over naar het volgende schilderij, om ook dat even hapsnap te interpreteren. En zo gaat het maar door. Jammer, want wie aangestoken is door haar methodiek, kan in De Verloren Zoon nog veel onthullingen doen.
De man die tegen het bordeel staat te pissen, is natuurlijk een grappige verwijzing naar de zondvloed die de zondige aarde onder water zette. Aan de mand op zijn rug hangt een kattenvel. De kat was in Egypte heilig; hetzelfde geldt voor de stier, die hier achter het hek staat. Verkondigde Bosch een door de kerk vermoorde en ‘opgesloten’ occulte Egyptische traditie? Is die dolk op zijn heup bestemd voor magische offers?
Dat deze schilder tegen het Oude Testament ageert is duidelijk: de zeven varkens slobberend rond de trog geven aan dat hij geen greintje respect heeft voor de God die deze smerige aarde in zeven dagen zou hebben geschapen. Vlak daarachter loopt een haan een heuveltje op. De haan is het symbool voor een nieuw begin. En beschrijft de Egyptische kosmogonie de schepping van de aarde niet als het verrijzen van een heuvel uit de oerwateren? Geloofde Jeroen Bosch, net als de monnik Giordano Bruno een eeuw later, in de wederopleving van de Egyptische oerreligie? De bewijzen hiervoor zijn talrijker dan Harris’ bewijzen.

Ik laat het hierbij. Het moge de lezer duidelijk zijn dat het na enige oefening weinig moeite kost om welk detail dan ook zodanig te interpreteren dat men Bosch overal van kan betichten. Zijn rijke iconografie, de beeldrijke christelijke en ketterse literatuur plus een snufje stevig doorfantaseren en het wonder is geschied: men gedraagt zich als een expert op het gebied van Jeroen Bosch en kan vriend en vijand (die laatste zijn vooral de vermaledijde ‘gevestigde’ Boschkenners) imponeren met een ‘ketterse’ visie op zijn leven en werken. Harris heeft een aardig gezelschapsspel bedacht. Meer niet.

Literatuur

1. Roger H. Marijnisse, Peter de Ruyffelaere. Hiëronymus Bosch. Het volledige oeuvre. H.J.W. Becht, Haarlem, 1987.

2. Lynda Harris, Ketterij en esoterie in het werk van Jeroen Bosch. Christofoor, Zeist, 1996.

3. Voor een geschiedenis van de katharen zie Malcolm Lambert, The Cathars (Blackwell, 1998) en Stephen O’shea, The Perfect Heresy (Walker & Co, 2000).

Noten toegevoegd bij online publicatie van dit artikel

4. Bij de NTR is de Tuin der Lusten als een online interactief avontuur te bekijken.

5. De Kruisdraging werd door diverse experts op stilistische gronden al langer niet als echte Bosch gezien. In 2015 oordeelde het Bosch Research and Conservation Project, dat het definitief geen schilderij van Bosch is, maar waarschijnlijk van een tijdgenoot en navolger. Het museum in Gent is het daar overigens niet mee eens. Of Lynda Harris van de controverse rondom het schilderij wist bij het schrijven van haar boek, is niet duidelijk. (Toegevoegd door webredactie bij online publicatie van dit artikel)

Uit: Skepter 14.3 (2001)

Marcel Hulspas is wetenschapsjournalist en was hoofdredacteur van Skepter van 1988 tot en met 2002