Bloed op het altaar

Boekbespreking: David A. Reed, Blood on the Altar. Confessions of a Jehovah’s Witness Minister.

door Richard Singelenberg

Het bloedtransfusieverbod is een van de bekendste en meest controversiële onderdelen van de leer der Jehova’s Getuigen. Artsen zijn tegenwoordig vaker bereid om dit soms dodelijke voorschrift te respecteren, maar ex-Jehova Getuige David Reed vergelijkt deze doctrine met de door sekteleider David Koresh uitgelokte slachtpartij te Waco.

In een aflevering van de onvolprezen tv-serie All in the Family komt het onderwerp bloedtransfusie ter sprake. Gezinshoofd Archie Bunker, de verpersoonlijking van kortzichtigheid en vooroordeel, peinst er niet over om bloed af te staan. Hij is als de dood voor die dikke naald in zijn arm, maar dat geeft hij uiteraard niet toe; de echte Amerikaanse man kent geen pijn. Nee, er is volgens hem een veel wezenlijker gevaar aan deze medische ingreep verbonden. Wie bloed geeft, draagt namelijk ook zijn persoonlijke eigenschappen aan de ontvanger over. Archie beweert dat een bloeddonatie van de stereotype drankzuchtige Ier onherroepelijk zal leiden tot alcoholische neigingen bij de ontvanger, terwijl dat van een zwarte medeburger zal resulteren in het opvoeren van voodoorituelen. Met afgrijzen tracht zijn tegenpool, progressieve schoonzoon Mike, deze biologische mythe te ontzenuwen, maar Archie laat zich niet vermurwen en haalt een geopsychische wijsheid uit de kast: ‘If all blood is the same, how come there’s no mafia in Sweden?’

De literatuur over medische folklore is bezaaid met dergelijke fraaie voorbeelden. Wat te denken van de Engelsman, die drie transfusies krijgt met bloed van een Schot? Dankbaar betaalde hij tien pond voor de eerste, veel tegenzin vijf pond voor de tweede en de derde keer kon er slechts een karig dankjewel vanaf. Het verhaal gaat dat tijdens de Tweede Wereldoorlog een fanatieke SS’er zich van het leven beroofde toen hij, gewond in krijgsgevangenschap, erachter kwam dat hij was getransfuseerd met geallieerd bloed.

Omgekeerd schijnt een Britse bevelhebber tijdens de acties in Noord-Afrika het bevel te hebben gegeven om honderd flessen bloed van Duitse krijgsgevangenen te vernietigen, liever dan ze toe te dienen aan zijn gewonde manschappen. En wie een oud exemplaar (d.w.z. van vóór 1980) doorneemt van de bestseller De Kleine Dokter van de Zwitserse natuurgenezer Vogel, zal lezen dat bloedtransfusies kunnen leiden tot karakterveranderingen. (1) Dat laatste is niet zo vreemd, want Dr. (h.c.) Vogel behoorde tot de Jehova’s Getuigen en die moeten niets van bloedtransfusies hebben. Het is ze op grond van hun leer verboden.

jehovahVolgens Jehova’s Getuigen volgt dat uit de oudtestamentische wet in het 17de hoofdstuk van Leviticus, waarin de Joden het eten van ‘enig soort van bloed’ wordt ontzegd (2). Het wordt nog eens herhaald in het Nieuwe Testament: het bijbelboek Handelingen (15:28,29) geeft aan dat de christenen de Joodse wetten overboord mogen kieperen, behalve dat bloedverbod. Het eten van bloed staat op één lijn met afgoderij en overspel, althans volgens de exegese van de Jehova’s Getuigen.

‘Ho nou even!’, zo werpt u deels triomfantelijk, deels geïrriteerd tegen (op de vroege zondagmorgen, verkleumd in de deuropening), ‘eten is toch wat anders dan transfuseren?’ Doch dat wordt door de beminnelijke maar onverstoorbare bezoeker of bezoekster mogelijk gepareerd met een voorbeeld uit, wat ik maar even noem, het ‘handboek effectieve tegenwerpingen’ waarover de Jehova’s Getuige beschikt: ‘Neemt u eens een man die van de dokter te horen krijgt dat hij zich van alcohol moet onthouden. Zou hij zich daaraan houden als hij geen alcohol meer zou drinken maar het rechtstreeks in zijn aderen liet spuiten?’

Voornamelijk als gevolg van de praktische consequenties van het bloedtransfusieverbod vormen de Jehova’s Getuigen dan ook een uitermate omstreden religieuze beweging. Het weigeren ervan kan immers in het uiterste geval de dood tot gevolg hebben. Vanaf de jaren ’50 – de doctrine werd in 1945 geïntroduceerd – is dit gevoelige thema het onderwerp geweest van talloze beschouwingen op het terrein van de medische ethiek. De fundamentele vraag spitst zich toe op het conflict tussen een hoogst omstreden geloofsovertuiging en de geneeskundige beroepscode. Of, zoals de anesthesioloog Smalhout dat enige jaren geleden pregnant uitdrukte: ‘Deze vorm van rituele zelfdoding is de keuze van de Jehova’s Getuigen, maar ze doen het onder ónze neus’.

Tot ver in de jaren ’70 was het duidelijk dat een groot gedeelte van de medische beroepsgroep zich weinig gelegen liet liggen aan deze merkwaardige religieuze opvatting. Wie zoiets geloofde, had ze toch niet allemaal op een rijtje. Zo schreef een psychiater in het meinummer van 1967 van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde dat het heimelijk toedienen van bloed best wel geoorloofd was: ‘Wat niet weet, dat niet deert. (…) De patiënt is een gevaar voor zichzelf en anderen. De afgifte van een krankzinnigheidsverklaring voor Jehova’s Getuigen zou onelegant zijn, maar er zijn wel gronden om een psychische aberratie bij te patiënt aan te nemen’.

Dertig jaar later lijkt er, mede als gevolg van de voortschrijdende erkenning van het zelfbeschikkingsrecht over het eigen lichaam, in medische kringen een soort ongeschreven consensus te bestaan. Als volwassen Jehova’s Getuigen in noodgevallen bloed weigeren, dan is het hun keuze en dienen we dat, eventuele gevolgen ten spijt, te respecteren. Als het gaat om minderjarigen, dan wordt in de meeste gevallen de officier van justitie ingeschakeld zodat een tijdelijke toevertrouwing aan de Raad van Kinderbescherming plaatsvindt en behandeling alsnog kan plaatsvinden.

Niet alleen de opvattingen over ethiek zijn gewijzigd, ook de medische technologie is gevorderd. In de wetenschappelijke literatuur zijn talloze bijdragen aan te treffen waarin oplossingen worden aangedragen voor de vraag ‘hoe doen we het zonder transfusie’. Werd het tot enkele decennia vrijwel onmogelijk geacht ingrijpende chirurgische behandelingen zonder extra bloedtoevoer te verrichten, nu vinden er complete harttransplantaties plaats zonder dat daar een druppel extern bloed aan te pas komt. Ook is inmiddels duidelijk dat het aantal nadelen van transfusies groter is dan aanvankelijk werd aangenomen. De relatie met aids is het meest in het oog springende voorbeeld.

Aangezien de doctrine op theologische gronden niet te verdedigen is en aangezien – met name in noodgevallen – de medische voordelen opwegen tegen eventuele schadelijke bijwerkingen, heeft iedere tegenstander van de Jehova’s Getuigen het bloedverbod wel een keer verketterd. Dat gebeurt met name in de geschriften van ex-aanhangers, zoals Blood on the Altar van David Reed. Zijn stelling komt er in het kort op neer dat de wereldpers zo’n ophef heeft gemaakt van de gewelddadige dood van de Branch Davidians in Waco, maar dat drama zinkt in het niet bij het aantal zinloze slachtoffers van het bloedtransfusieverbod. Er kleeft zo mogelijk nog meer bloed aan de handen van de leiders van de Jehova’s Getuigen dan aan die van David Koresh. Wie zich voegt in de gelederen van de Getuigen, tekent voor suïcide.

Reed poogt tot een schatting te komen van deze mortaliteit. Hij baseert zich op cijfers van het Amerikaanse Rode Kruis uit 1980, waaruit zou blijken dat ieder jaar maar liefst 10 procent van de bevolking op de een of andere manier bloed nodig heeft. Voor 1996 zou dat neerkomen op minstens 500.000 Jehova’s Getuigen. De volgende vraag is hoeveel er overlijden als ze het niet krijgen. Dat is moeilijk te zeggen, maar Reed citeert een medisch vakblad uit 1993, dat meldt dat van ruim 1400 bloedloze chirurgische ingrepen op Jehova’s Getuigen, 1,4 procent eindigt met een sterfgeval als gevolg van het achterwege laten van bloedtoediening. Omgerekend betekent dat er per jaar minstens zevenduizend Jehova’s Getuigen sterven als gevolg van bloedweigering.

Een belangrijk probleem is Reeds uitgangspunt dat iedere Jehova’s Getuige klakkeloos het verbod accepteert. Wederom zijn cijfers niet bekend, maar menige gelovige heeft op het beslissende moment de voorkeur gegeven aan een veilig werelds vooruitzicht en de eventuele religieuze onheilsverwachtingen op de koop toegenomen.

Vergelijkbare cijfers voor Nederland zijn er helaas niet, aldus de overkoepelende Federatie van Bloedbanken. Er is geen zinnig woord over te zeggen of die 10 procent ook op Nederland van toepassing is, zo laat een woordvoerder weten. Weliswaar is het gebruik van bloedproducten sinds de ontdekking van aids afgenomen, tegelijkertijd is het aantal toepassingen uitgebreid. Als we Reeds berekeningen extrapoleren naar Nederland, zou dat betekenen dat er jaarlijks zo’n 40 Jehova’s Getuigen als gevolg van bloedweigering overlijden. Ik vermoed dat in de annalen van de Nederlandse geneeskunde een dergelijke omvang niet onopgemerkt zou blijven. Er is niets over te vinden.

Wie zich druk maakt over de gifaanval van een gestoorde Japanse sekteleider en overstromingen in Bangladesh, moet ook eens acht slaan op deze catastrofe, zo betoogt Reed. Hij mag dan zijn godsdienstige overtuiging aan de kapstok hebben gehangen, zijn zwart-wit wereldbeeld is nog steeds intact.

En dat is het dan. Ondanks de uitgebreide flaptekst en de titel die duidelijk aangeven waar het in dit boek om gaat, en even afgezien van een aantal cursief gedrukte passages uit de bekende sensationele krantenberichten over transfusieweigering met fatale afloop die op de 250 pagina’s zijn geplaatst, komt het onderwerp bloedtransfusie niet meer ter sprake. Deze vignetten, die kennelijk de aandacht van de lezer moeten vasthouden aan het grondthema, hebben verder geen enkele relatie met de tekst.

Het is een simplistische oplossing voor een boeiend en uitermate controversieel probleem. Maar kennelijk beschikt de auteur niet over het analytisch vermogen om enige pogingen te doen de diepere sociale betekenis van het taboe te doorgronden, bijvoorbeeld als bindmiddel voor een groep die zich bedreigd voelt door een vijandige buitenwereld.

De rest van zijn – overigens aardig geschreven – betoog gaat over de geschiedenis van de Jehova’s Getuigen, zijn eigen ervaringen en hoe schuldig hij zich voelt omdat hij ooit anderen tot de beweging heeft gebracht. Maar dit inmiddels uitgekauwde stramien biedt, behalve voor de geïnteresseerde leek, weinig nieuws. Het is de zoveelste bijdrage aan de zogenaamde anti-cult literatuur: het oeuvre van ex-sekteleden die hun religieuze verleden van zich af proberen te schrijven en waarvan voormalige Jehova’s Getuigen een belangrijk deel voor hun rekening nemen. Wat trouwens altijd weer fascineert bij deze categorie schrijvers, is de ogenschijnlijk gemakkelijke inwisselbaarheid van het geloof. Zo moest ik even verifiëren of het boek inderdaad door Prometheus was uitgegeven en niet door zoiets als Nashville Baptist Bookhouse, want Reed weet ons verheugd te melden dat hij nu tot Jezus is gekomen.

Noten

1. Voor lezers die niet in het bezit zijn van oude exemplaren van De kleine dokter volgen hier enkele kenmerkende citaten uit de editie van 1967:

(p.151) De bijbel vertelt ons dat de ziel in het bloed is, en ook de dichter voelt de geheimzinnige werking ervan aan, want hij zegt: ‘Het bloed is een heel bijzonder sap’. (…) [H]oewel men reeds heeft geconstateerd dat er, net zoals bij de huid met grove en fijne poriën, fijn- en grofkorrelig bloed bestaat, zijn toch de eigenaardigheden van het bloed, zoals persoonlijke verschillen in gehalte en structuur, nog een groot geheim. (…) Wanneer men verder was met het onderzoek van het bloed, dit werkelijk mysterieuze levenssap, dan zouden er in Amerika wel nauwelijks ongeveer 20.000 sterfgevallen per jaar voorkomen als gevolg van bloedtransfusie.

(p.152) [T]al van artsen willen deze risico’s [van hepatitis] niet meer aanvaarden (…) Er bestaat dan ook voor de patiënt voldoende aanleiding om zijn persoonlijk inzichten ten deze tot uitdrukking te brengen, er met de dokter over te spreken en naar bevind van zaken een beslissing over deze kwestie te nemen.

Hoe zouden wij mensen alle geheimen van het bloed moeten kennen, wij die het immers niet zelf geschapen hebben? Maar Hem die het schiep, zijn deze geheimen allerminst verborgen. In zijn goddelijke en vaderlijke voorzienigheid verbood Hij daarom degenen die de zondvloed hebben overleefd, heel positief het tot zich nemen van bloed. Later ging dit verbod over op het volk dat Hem in eigendom toebehoort en het werd ook ten tijde van Paulus door de leidende figuren van de oerkerk niet opgeheven, maar als een bindende zaak herhaald. Daarom vormen de geldigheid ervan en de eis met betrekking hiertoe als maatstaven ook voor het christelijke tijdperk tot op de huidige dag.

(p. 186)[De hormonen] oefenen ook een zeer grote invloed uit op ons gevoelsleven, en bepalen zelfs voor een groot gedeelte ons karakter, zoals is aangetoond door veranderingen in het karakter, die het gevolg waren van stoornissen in verband met de hormonen. Indien iemand dit overweegt, gaat hij zich wel wat onbehaaglijk voelen, wanneer hem door een dokter een transfusie wordt toegediend met bloed van een ander mens. (Noot toegevoegd voor de Skepsis-site.)

2. Leviticus 17:10-14, en bovendien ook Genesis 9:4, waar Vogel ook op doelt. (Noot toegevoegd voor de Skepsis-site.)

Uit: Skepter 10.1 (1997)

 

Richard Singelenberg is cultureel antropoloog.