Paranormale bemoeienis met Drentse hunebedden

door Wilmar Taal – Skepter 29.1 (2016)

Ze doen het opeens weer waanzinnig goed op televisie, de antieke astronauten. In Ancient aliens (History Channel) zien we overvloedig bewijs voor hun bestaan voorbijkomen: van vliegende schotels op oude Italiaanse schilderijen en antieke Peruviaanse smeedkunst tot helikopters en onderzeeërs in Egyptische hiërogliefen. De Drentse hunebedden zijn tot op heden echter buiten beeld gebleven — terwijl Frits Bom eind jaren zeventig toch een fraaie poging deed om ze ‘paleo’ te verklaren.

Hunebed D53 Havelterberg (foto: Gouwenaar | Wikimedia Commons)

Het is alweer bijna een halve eeuw geleden dat Erich von Däniken het denkbeeld van prehistorisch buitenaards bezoek onder de aandacht van een groot publiek bracht. Hij kreeg in korte tijd vele navolgers en meedenkers. De meesten van hen zullen inmiddels buiten het zicht van Skepter-lezers zijn geraakt, maar helemaal verloren gegaan is zijn gedachtegoed nooit, ook niet in Nederland.

Heel populair is de ‘antieke-astronautenhypothese’ bij onze ufologen overigens nooit geworden — misschien is het tekort aan archeologische bouwwerken die voor buitenaardse bouwsels kunnen worden aangezien daaraan debet. Hans van Kampen wijdde in 1992 in De gezanten van Hyperion een paar regels aan de hypothese, evenals Theo Paijmans in zijn boek Kosmisch netwerk uit 1996 [zie ook Skepter 10.1, 1997]. De journaliste Marieke Groen publiceerde in 1999 een boekje getiteld Zijn we alleen? UFO’s in Nederland en België. Zij mag worden beschouwd als de ware Nederlandse evangelist van von Däniken.

Iets van ruimtevaart

Een onverwacht pleitbezorger blijkt overigens ook ruimtevaartschrijver Piet Smolders, die nog in 2006 het boekje ET, geen mythe maar werkelijkheid het licht liet zien [zie ook Parariteiten, Skepter 19.4, 2006]. De inmiddels 75-jarige Smolders was, volgens zijn website, ‘al bezig met ruimtevaart toen die nog niet bestond’. In het boek verhaalt hij van zijn ontmoeting twintig jaar eerder met von Däniken, die dan zijn boek De fantastische werkelijkheid aan het promoten is. Smolders meldt parmantig dat het een misvatting is om von Däniken als de bedenker van de antieke-astronautenhypothese te zien, immers de Rus Vljatsjeslav Zaitsev had al in 1968 enige artikelen over het onderwerp gepubliceerd. (Als Smolders dieper had gegraven, dan zou hij weten dat von Däniken ruim voor 1968, het jaar dat zijn Chariots of the Gods? verscheen, liep te leuren met zijn manuscript en dat het idee zelfs al in 1919 werd geopperd door Charles Fort in The book of the damned, maar dit terzijde.)

Smolders toont zich in eerste instantie sceptisch jegens antieke astronauten, maar laat zich overtuigen door de plaat op de graftombe van Pacal in Palenque, Mexico, die volgens hem een aanwijzing is van contact tussen de Maya’s en buitenaardse wezens: ‘Iedereen die de plaat nauwkeurig heeft bestudeerd en iets van ruimtevaart weet, moet wel tot de conclusie komen dat von Däniken zo gek nog niet is,’ schrijft Smolders.

Het mysterie

De voorbeelden die onze vaderlandse auteurs noemen, komen steevast uit het buitenland. Toch heeft iemand eens geprobeerd het idee over te brengen op een archeologisch vondst in Nederland: Frits Bom opperde in 1978 — het jaar waarin hij ‘De Ombudsman’ voor de VARA werd — dat de hunebedden door een onbekende intelligentie gebouwd zijn. Hij schreef er meer dan tweehonderd pagina’s over in het boek Het mysterie van de hunebedden. Als handzaam naslagwerkje schreef hij er de Eerste Nederlandse hunebeddengids bij, eveneens door Ankh-Hermes uitgegeven.

Sinds de jaren twintig, vooral dankzij het werk van de archeoloog Albert van Giffen, is de wetenschappelijke consensus dat hunebedden prehistorische graven zijn, twee- tot vierduizend jaar voor het begin van onze jaartelling gebouwd door volken van de ‘Trechterbekercultuur’. In Duitse hunebedden zijn menselijke resten gevonden, maar in de zure Drentse bodem zijn ze waarschijnlijk vergaan. Een hunebed bestaat uit verticale draagstenen en horizontale dekstenen. Deze stenen moeten naar Nederland zijn gevoerd door het landijs in de voorlaatste ijstijd, en door het Trechterbekervolk gestapeld tot grafmonumenten.

Journalistieke methode

Frits Bom is het daar niet mee eens. Volgens hem worden wij misleid. Hij baseert zich naar eigen zeggen op de journalistieke methode, als tegenhanger van de wetenschappelijke methode die hij als rechtlijnig en dogmatisch beschouwt. Bom verwerpt de grafhypothese, vooral omdat er in de Drentse hunebedden nimmer menselijke resten zijn aangetroffen. Hunebedden verraden volgens Bom een onderliggende intelligentie — de hunebedden zijn door het Trechterbekervolk niet gebouwd, maar aangetroffen. De bouwers beschikten over moderne technologieën en waren zo intelligent dat ze over paranormale gaven beschikten. Bom laat in het midden of dit volk buitenaards was. Naar zijn mening kan het ook een volk zijn geweest dat zijn tijd ver vooruit was. Hij heeft bepaald geen hoge dunk van het Trechterbekervolk, dat hij regelmatig typeert als slampampers en domme rendierjagers.

Een nader bewijs voor zijn gelijk ziet Bom in het feit dat sommige dek- en draagstenen geheel afgevlakt zijn. De wetenschappelijke verklaring, wrijving tijdens het transport in het landijs, wordt door Bom verworpen: de ‘exacte’ helft van zo’n vlakke steen ligt namelijk in de buurt, wat impliceert dat de stenen zijn gespleten. Dit kan niet gedaan zijn met wiggen, want daarvoor is de snede te perfect. Hier moet een laser aan te pas zijn gekomen.

En, zegt Bom, de stenen zijn veel te zwaar om verplaatst te zijn met hefbomen, touwen en zandheuvels. Bom vermoedt dat deze stenen door middel van levitatie op elkaar zijn gestapeld. In feite zijn de stenen zelfs niet door landijs naar Nederland gekomen, maar ze zijn met levitatie uit Scandinavië gehaald.

De oost-westoriëntatie van de hunebedden is de volgende aanwijzing voor Bom: de bouwers moeten over gecompliceerde kompassen hebben beschikt. De opening van het hunebed ligt altijd naar het zuiden. Dit brengt Bom tot de overtuiging dat hunebedden geen graven waren, maar schuilkelders, en zij moeten bescherming bieden tegen een ramp die uit het noorden kwam.

De aard van de ramp is nog discutabel: het kan een atoomramp zijn, een kosmische ramp, een zondvloed of een catastrofe van geologische aard. De catastrofe is voorspeld door middel van paranormale waarneming. In de visie van Bom is de mensheid aan het degenereren en raakt zij haar paranormale vermogens langzaam kwijt.

Buitenaardse hulp

Het Vrije Volk, 24 november 1978 (via Delpher)

Het verhaal van Bom blijft niet onopgemerkt en journalisten kunnen het niet laten de draak ermee te steken. Een recensie in Het Vrije Volk van 24 november 1978 kopt: ‘Had ombudsman buitenaardse hulp bij studie hunebedden?’ De recensent valt erover dat Bom tijdens de perspresentatie zei pas het jaar daarvoor zijn eerste hunebed te hebben gezien, en maakt zich er vrolijk om: ‘Wie binnen een jaar twee wetenschappelijke, nou ja, semiwetenschappelijke werken kan produceren over een onderwerp waarin hij zich nooit eerder heeft verdiept, levert óf slordig werk af, óf is geholpen op een wijze die tot nog toe niet bekend was en dus wel buitenaards moet zijn.’ De gehele antieke-astronautenhypothese in één zin samengevat: wat niet verklaard kan worden, is buitenaards.

Het Nederlands Dagblad laat een medewerker van het Provinciaal Museum van Drenthe, Ger de Leeuw, het boek van Bom lezen. Ook zijn commentaar, verschenen op 9 maart 1979, liegt er niet om. De Leeuw ziet 114 thema’s waar hij een opmerking bij kan plaatsen. Zo wijst hij erop dat er soms potscherven onder de keienvloer van hunebedden zijn gevonden, wat betekent dat die al in de grond lagen voordat het hunebed werd gebouwd. Hij verwijt Bom de publicaties over hunebedden onjuist geïnterpreteerd te hebben, waardoor veel in het boek als ‘onwaar’ bestempeld kan worden. Frits Bom zou voornamelijk in zijn eigen straatje hebben geredeneerd.

Een recensie in de Leeuwarder Courant van 25 juli 1979 noemt het boek ‘vermakelijk, maar niet wereldschokkend’. ‘Bom haalt op het eerste gezicht heel wat overhoop, maar blijft steken in vraagtekens, veronderstellingen en speculaties.’ De recensent bewondert de moed van Bom om met betwistbare en soms komische invallen voor het voetlicht te treden. Het boek moet dan ook niet ernstig worden opgevat.

(foto: Wilmar Taal)

Product van zijn tijd

Heeft Het mysterie van de hunebedden nog sporen nagelaten in de geschiedschrijving over deze megalithische structuren? Hedendaagse boeken, artikelen en websites die zich serieus met hunebedden bezighouden, noemen de ‘paleo-hypothese’ niet, of hooguit in een voetnoot. Het hele idee moet dan ook gezien worden als een product van zijn tijd. Het boek van von Däniken was net tien jaar op de markt, hij had zelf al een aantal ‘vervolgen’ geschreven en kreeg navolging van mensen als Zecheria Sitchin en Robert Charroux. Frits Bom heeft het boek van von Däniken gelezen, anders kon hij er geen kritiek op leveren (Bom verweet von Däniken de mogelijkheid van een aardse oorsprong van het intelligente ras te veronachtzamen), maar hij is wel degelijk schatplichtig. Beiden refereren via een cirkelredenering naar het bestaan van een ‘hogere intelligentie’ in de prehistorie, beiden achten onze prehistorische voorouders te achterlijk om zulke bouwwerken zelf te maken en Bom laat de mogelijkheid open dat de ‘intelligentie’ toch van buitenaardse oorsprong zou kunnen zijn.

Maar er is nog een element dat de hypothese van Bom tot een product van zijn tijd maakt: hij ziet hunebedden als schuilkelders. In de jaren zeventig woedde de Koude Oorlog nog hevig. De nucleaire dreiging tussen Oost en west was reëel, er hing nog een ijzeren gordijn in het Duitse landschap, en aan weerszijden daarvan waren troepen van NAVO en Warschaupact gelegerd. Nederlanders die het zich konden veroorloven bouwden een schuilkelder in de tuin, anderen moesten hopen op een plaats in een van de openbare publieke schuilkelders of bereidden zich voor op een plekje onder de eigen trap. De mergelgrotten in Valkenburg waren als een enorme schuilkelder uitgerust, inclusief bombestendige deuren en een voedsel- en watervoorraad voor enkele jaren.

Het lijkt alsof Bom heeft geprobeerd op de populariteit van de antieke-astronautenhypothese mee te liften door die van een Hollands jasje te voorzien. Het probleem waar hij vooral tegenaan liep, is dat de Nederlandse megalithische monumenten simpelweg niet indrukwekkend genoeg zijn om als ‘anomalie’ te functioneren, zoals de piramiden, Stonehenge, het plateau van Baalbek of de Ziggoerat van Ur. Wat uiteraard ook telt, is dat het Bom niet lukte een prehistorische laser of een gecompliceerd kompas op te graven — daarmee zou alle twijfel direct van tafel zijn geveegd.

Frits Bom kunnen we bijschrijven in de annalen van de Nederlandse ufologie als de enige die heeft geprobeerd de antieke-astronautenhypothese te introduceren in ons cultureel erfgoed.

Uit: Skepter 29.1 (2016)

Wilmar Taal is cultuurhistoricus