Dagen met Houtsmuller

door Redactie Actieblad tegen de Kwakzalverij

houtsmullerHet begon met een briefje naar het Koningin Wilhelmina Fonds en liep uit op een kort geding. De arts A.J. Houtsmuller kreeg van de rechter te horen dat de betiteling ‘kwakzalver’ voorshands niet onrechtmatig was.

4 februari. Het bestuur van de Vereniging tegen de Kwakzalverij schrijft aan mevrouw Monda Heshusius, directeur voorlichting en pr van het Koningin Wilhelmina Fonds (de prestigieuze Nederlandse organisatie ter bestrijding van kanker). Het bestuur was hiertoe aangemoedigd door enkele leden van de VtdK, maar ook door nabestaanden van kankerpatiënten, die zich erover verbaasden dat het KWF met Houtsmuller in zee ging. Het bestuur stelde onder meer dat Houtsmuller elementaire gedragsregels voor artsen overtrad. Het drama van Flora (zie Skepter, december 1998) werd genoemd, als voorbeeld van waar ongefundeerde dieetadviezen toe kunnen leiden.

22 februari. Heshusius schreef terug dat Houtsmuller slechts zou spreken in het minisymposium ‘voeding en kanker’. Ze benadrukte, dat de volgelingen van Moerman en Houtsmuller tegenwoordig gematigd en coöperatief zijn. Dat je kanker met een dieet kunt genezen, zeggen ze niet meer. De artsen van de ANTT (Artsen niet-toxische tumortherapie) hadden samen met het KWD ook nog een voedingsboekje samengesteld, dat op het congres ten doop zou worden gehouden. De voorzitter van de VtdK werd alsnog uitgenodigd om op het congres te komen spreken. (Uiteindelijk zou deze weigeren samen met Houtsmuller op één sprekerslijst genoemd te worden, laat staan dat hij met Houtsmuller wilde debatteren voor een zaal vol kankerpatiënten.)

25 februari. Het Parool berichtte over de controverse, en de volgende dag doet René Steenhorst in De Telegraaf een flinke duit in het zakje. Steenhorst legt Renckens het volgende in de mond: ‘Neem nu die Houtsmuller! Die man is echt een oplichter en een kwakzalver, dat mag u gerust uit mijn mond optekenen . …’ (met aanhalingstekens). Renckens protesteert later dat hij het woord oplichter nooit gebruikt heeft. Dit protest wordt genegeerd. Steenhorst heeft een ‘perfect geheugen voor citaten’ en ‘wij rectificeren niet!’. Perfecte journalist Steenhorst had Renckens uiteraard geen voorinzage van de tekst gegeven.

27 februari. Renckens schrijft (vertrouwelijk) aan het KWF over recente geruchten als zou Houtsmuller over zijn ziektegeschiedenis liegen en ten onrechte in al zijn boeken beweren dat hij aan uitgezaaide kanker heeft geleden en zichzelf vervolgens, opgegeven als hij was, genas met zijn methode.

4 maart. Renckens schrijft aan Houtsmuller dat hij afstand neemt van de kwalificatie ‘oplichter’ die Steenhorst in zijn verslag had geïntroduceerd. Hij dringt er vervolgens op aan dat Houtsmuller een eind aan alle twijfel zou kunnen maken door toestemming te verlenen aan een onafhankelijk oncoloog om zijn dossier in te zien.

5 maart. Heshusius schrijft: ‘met uw wat vage gegevens over het medisch dossier van de heer Houtsmuller kan ik heel weinig. Indien sommige aanwijzingen naar uw mening sterk genoeg zijn, ligt daar wellicht een taak voor uw vereniging.’ Het boekje Wegen en afwegen met (gewone en Moerman-) voedingsadviezen voor kankerpatiënten (productie: KWF, ANTTT, Landbouwuniversiteit Wageningen en VWS) gaat ook gewoon door.

16 maart. Houtsmuller antwoordt Renckens. Hij zal aangifte doen wegens smaad en laster, naar aanleiding van het Telegraaf-interview.

19 maart. Het Parool bericht dat er inmiddels aan de waarheid van Houtsmullers ziektegeschiedenis wordt getwijfeld.

20 maart. Telegraaf-column ‘Doorbraak’ van Heshusius: doorbraken in de kankerbehandeling zijn er maar weinig, maar de heilzame harmonie tussen het KWF en de alternatieven over het onderwerp ‘voeding en kanker’, dat is er zo een. ‘Een Vereniging tegen de Kwakzalverij die nu toch nog liever op technisch-wetenschappelijke gronden een tegenstelling in stand houdt, bewijst de patiënten geen goede dienst.’

22 maart, 19 uur 23. Renckens ontmoet Houtsmuller in het veelbekeken tv-programma B&W onder leiding van Sonja Barend. Houtsmuller geeft toe, dat hij nooit aan een uitgezaaide vorm van kanker (melanoom op het been) heeft geleden. Hij zou 16 jaar verkeerd zijn voorgelicht door zijn oncoloog en pas eind 1997 te horen hebben gekregen hoe het werkelijk heeft gezeten. Houtsmuller is dus genezen door reguliere chirurgie en chemotherapie! Hij had later wel een andere ‘verkeerde ziekte’ gehad, waarvan hij zich dankzij zijn dieet ook had bevrijd. Velen moeten het stomverbaasd hebben zitten aanhoren. Diezelfde avond faxt de VtdK het laatste nieuws naar het KWF en oppert – onder verwijzing naar de brief van 5 maart – dat er nu toch voldoende reden was om Houtsmuller als leugenaar van het programma of te voeren.

22 maart, 22 uur 52. Uitzending van het eerder opgenomen tv-programma Vinger aan de pols, gewijd aan voeding en kanker (en gefinancieerd door het KWF). Aan het woord kwamen enkele patiënten en verder Heshusius, Pinedo, Renckens en Houtsmuller. Pinedo ontraadde zijn patiënten het alternatieve dieet. Een patiënte van Houtsmuller, lijdend aan een uitgezaaid melanoom, bleek in de veronderstelling te leven dat de ziekte was teruggekomen omdat zij zich, toen alles goed leek te gaan, minder strikt aan de Houtsmullertherapie had gehouden. Houtsmuller gaf toe misschien te soepel te zijn geweest. Wat is het verschil eigenlijk met het stuitend gedrag van Adelbert Nelissen van het Kushi Instituut?

24 maart. Prof. Frits van Dam (UVA en AVL) en Renckens schrijven in Het Parool over de affaire. Citaat: ‘Het lijkt onwaarschijnlijk dat oncologen een collega internist willens en wetens foutief informeren over zijn exacte diagnose’. Houtsmuller beoefent volgens de gangbare definities de kwakzalverij, constateren ze.

25 maart. Nog geen reactie op de fax van 22 maart. Renckens belt maar eens. Hij krijgt te horen dat Houtsmuller gewoon komt spreken, hij heeft beloofd nooit meer te zullen beweren dat kanker met zijn therapie kan worden genezen.

25 maart. De VtdK schrijft aan Bohn Stafleu Van Loghum, Houtsmullers uitgever, met het verzoek om Houtsmullers boeken met hun leugenachtige voorwoord onmiddellijk uit de handel te nemen.

26 en 27 maart. Drukbezocht congres Kanker ’99 in de RAI. Borst en Pinedo leggen rustig uit dat je kanker niet met dieet kunt genezen. Zij spoeden zich demonstratief weg zodra Houtsmuller onder donderend applaus het katheder beklimt, waarna deze een wankel betoog (Trouw) afsteekt. Hij begon te verklaren dat hij nooit gezegd zou hebben dat je kanker met een dieet kan genezen. Het scheen hem moeite te kosten, maar Heshusius kon opgelucht ademhalen. Later signeerde Houtsmullers vrolijk zijn boeken (inclusief het leugenachtige voorwoord!). Onder enig feestgedruis wordt het boekje Wegen en afwegen ten doop gehouden, met o.a. heerlijke en o zo gezonde Houtsmullerrecepten (op 1 april gerecenseerd door Johannes van Dam, culinair redacteur van Het Parool, tezamen met diens broer Frits). In het Algemeen Dagblad geeft ook prof. J.J. Rasker zijn mening. Rasker staat erom bekend dat hij vriendelijk is over alternatieve geneeswijzen, maar de handelwijze van het KWF noemt hij ‘doodeng’ en ‘immoreel’ en hij veroordeelt de valse hoop, die de alternatieve kankergenezers bieden.

27 maart. Steenhorst deelt in zijn Telegraaf-column ongevraagde adviezen uit aan de VtdK. Die moet een andere voorzitter zoeken, eentje die minder kortzichtig is en niet zo bang voor de juridische consequenties van zijn woorden.

29 maart. Column van Frits Abrahams in NRC Handelsblad. Houtsmuller heeft jarenlang haaienkraakbeenpoeder gepropageerd (‘het werkt bij 50% van de gevallen van prostaatkanker’) en laat het nu vallen. Houtsmuller ontweek tijdens het KWF-congres vragen hierover. Het KWF dreigt zijn geloofwaardigheid te verliezen, vindt Abrahams.

29 maart. Brief Heshusius: het congres was zeer geslaagd en eigenlijk zijn de VtdK en het KWF het niet zo met elkaar oneens als het lijkt. Houtsmullers uitlatingen in B&W over zijn ziektegeschiedenis waren voor Heshusius toch nog wat onduidelijk gebleven. Wel zou Houtsmuller tijdens B&W nog teveel nadruk hebben gelegd op het genezend effect van zijn dieet en dat was ‘in tegenspraak met zijn standpunt in alle overlegsituaties bij het KWF.’ Hierover had Heshusius contact opgenomen met Houtsmuller, die toegaf kanker niet te kunnen genezen, maar wel volhield de kans op herstel te kunnen vergroten. Door zijn claims te kunnen genezen in zulke exact-statistische taal te gieten, maakte hij het er niet beter op natuurlijk. Ingezonden brief van Houtsmuller in het AD. Hij genas zichzelf niet van zijn huidkanker, maar leefde toch nog maar mooi wel ’19 jaar na het krijgen van de ergste graad van huidkanker’ en slaagde er later bovendien in ‘een andere dreigende vorm van kanker in mijn rechterknie af te wenden’ (‘knie’ blijkt later een tikfout voor ‘nier’).

1 april. Brief van Bohn Stafleu Van Loghum. Houtsmuller had hen begin 1998 laten weten dat er nooit een uitzaaiing van het melanoom had bestaan! Toen was besloten zijn boeken van een gecorrigeerd voorwoord te voorzien. Die verbeterde uitgave is nog steeds in voorbereiding – aldus directeur Snakkers. Begin april 1999 waren de boeken van Houtsmuller inclusief de Grote Leugen nog alom verkrijgbaar. Nieuwe oplagen: bijgedrukt in juni en zomer 1998, ja zelfs nog in maart 1999! Van uit de handel nemen geen sprake. (Pas in mei gaat Bohn Stafleu Van Loghum exemplaren van dit boek die ze naar de boekhandels versturen, voorzien van een ‘Bericht van de uitgever’ in de vorm van een inlegvel.)

3 april. Kankerbioloog dr. Mels Sluyser schrijft in De Telegraaf over voeding en kanker. Hij besluit met: ‘Hopelijk zullen patiënten zich minder gauw verlaten op kwakzalvers die verkondigen de waarheid in pacht te hebben en valse hoop wekken, waardoor ze de verwarring en ellende voor patiënten alleen maar groter maken.’ Kijk dat is nou toch leuk van De Telegraaf, dat ze ook eens een betrouwbare auteur aan het woord laten.

8 april. Column in Intermediair van Ronald Plasterk, ook al over Houtsmullers haaienkraakbeendraaikonterij. Eerst niks willen bewijzen en nonchalant voorschrijven, dan achteloos laten vallen, daarmee bestempelt Houtsmuller zich tot kwakzalver.

15 april. De advocaten van Houtsmuller eisen (in een conceptdagvaarding) advertenties in drie grote landelijke kranten waarin de beschuldigingen ‘oplichter, kwakzalver en leugenaar’ onrechtmatig worden genoemd. De VtdK gaat zich voorbereiden op het kort geding van 4 mei.

18 april. Plasterk herhaalt zijn beschuldigingen aan Houtsmuller in het veelbekeken NPS tv-programma Buitenhof. Hij noemt Houtsmuller een kwakzalver. Hij ‘vreest nu ook een dagvaarding te zullen ontvangen. ‘Betaalt de VPRO dan de proceskosten, mijnheer Witteman?’.

4 mei. Houtsmuller eist rectificatie in kort geding (een civielrechtelijke procedure). Als raadsman van Houtsmuller trad op de Amsterdamse advocaat mr. G.J. Kemper, die op het gebied van smaad, belediging, problemen met roddeljournalistiek e.d. landelijke faam geniet. Hij geniet tevens bekendheid als de columnist Lex Dura in Vrij Nederland. De VtdK werd bijgestaan door haar bestuurslid mr. Th.J. Douma, die eerder het proces tegen VSM won.

Tijdens de voorbereiding op het geding stuitte de VtdK op maar liefst drie interviews met Houtsmuller uit 1998, waarin hij zijn leugens over zijn uitzaaiing had herhaald. Dat was de VtdK tevoren niet bekend.

Over de vraag of in ons land een kwakzalver een kwakzalver genoemd mag worden, bestond meer onzekerheid. Recente citaten van de hoofdredacteur Van Gijn van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (over Di Bella), van Piet Borst (over homeopathische artsen) en van de kankeronderzoekers Mels Sluyser en Ronald Plasterk (over Houtsmuller zelf) toonden aan dat deze aanduiding een bepaalde welomschreven betekenis heeft. Dat kon goed van pas komen!

Onder de aanbevolen ‘kankerremmende middelen’ van Houtsmuller vonden we onderaan pagina 183 in Het Dr. Houtsmullerdieet het middel 27b: Tardolyt, oftewel dragees met 0,15 gram aristolochiazuur uit de gewone pijpbloem (Aristolochia clematitis), drie maal daags in te nemen. Tegen deze zeer giftige en kankerverwekkende stof werd reeds jaren geleden gewaarschuwd in het Geneesmiddelenbulletin. De stof is uiterst schadelijk voor de nier (zie Skepter, juni 1998). De stof is in de meeste Europese landen verboden, maar in Nederland verkrijgbaar via de Stichting informatie natuurlijke geneeswijzen te Uden. Ook dit feit zou ter kennis van de rechter worden gebracht.

Tijdens de zitting in de Amsterdamse arrondissementsrechtbank, met als fungerend president mr. Orobio de Castro (tevens voorzitter van het medisch tuchtcollege), hield allereerst Kemper een zwierig betoog: Houtsmuller, wetenschapsman en arts, kan bogen op een glanzende carrière. Als internist en diabetoloog was hij van 1974 tot 1986 verbonden aan de Erasmus Universiteit. In diezelfde periode was hij lid van de Voedingsraad. Hij is auteur van 80 artikelen en acht boeken. De niet-toxische tumortherapie is de basis van zijn ‘levenswerk’, dat overigens nog niet voltooid is. Het is een uphill battle en alleen door pech is het wetenschappelijk onderzoek naar de waarde van zijn kankerbenadering nog niet van de grond gekomen. In het Canisiusziekenhuis te Nijmegen was het er na felle pleidooien van o.a. wijlen Piet Vroon en de natuurarts Leen Kunst bijna van gekomen. ‘Geneesheer-directeur Versteeg’ (eigenlijk: Verstegen) was zelf initiatiefnemer geweest. Er zou een ‘dubbelblind onderzoek’ komen, aldus Kemper. Hoe je dieettherapie zou kunnen blinderen lichtte hij niet toe. Volgens Kemper trachtte de VtdK dit levenswerk kapot te maken, en wel als volgt: eerst essentiële gegevens weglaten, dan een ondergeschikt detail aanvallen, vervolgens makkelijk in het gehoor liggende scheldwoorden toe laten passen door iemand die in de ogen van het publiek terzake deskundig lijkt.

Het ondergeschikte detail was Houtsmullers ziekte uit 1981: Houtsmuller wist dan nu wel sinds 1997 dat het geen uitzaaiing was maar er was wel degelijk sprake van een nieuwe inoperabele vorm van nierkanker, die genezen was dankzij zijn eigen aanpak. En die interviews uit 1998 dan? Die waren grotendeels al voor dat jaar afgenomen en werden pas veel later gepubliceerd. Houtsmuller had vergeten de nieuwe feiten aan zijn interviewers door te geven! Dat Het Dr. Houtsmullerdieet nog in maart 1999 in ongewijzigde vorm was bijgedrukt, verbaasde de president zeer. Dat lag uitsluitend aan de uitgever, waar Houtsmuller geen vat op heeft, maar met wie hij tegelijkertijd in goede harmonie een nieuwe versie van zijn boek aan het voorbereiden is. De president hoorde deze reeks onwaarschijnlijkheden onbewogen aan.

De ‘invectieven’ als leugenaar, kwakzalver en oplichter worden door de frequente herhaling daarna door journalisten en medestanders overgenomen en voortdurend herhaald. Kemper: ‘Dat kakelt elkaar maar na, president!’.

De mensen met gezag waarop Kemper doelde waren de VtdK en voorzitter Renckens. Deze zouden, alweer volgens Kemper, hun proces tegen VSM in 1995 verloren hebben, dus slechts schijnbaar deskundig zijn.

Het betoog van Douma was zakelijk en rustig. Hij onderbouwde de kwalificaties ‘leugenaar’ en ‘kwakzalver’, met verwijzing naar de boeken en interviews van Houtsmuller en naar de definitie van kwakzalverij, zoals de VtdK deze al sinds jaar en dag hanteert: het toepassen van behandelwijzen waarvan het nut niet wetenschappelijk bewezen is. Dat Renckens het woord ‘oplichter’ had gebruikt kon niet worden hard gemaakt. Douma’s lange betoog was zo helder dat de verslaggever van NRC Handelsblad sprak van een ‘eenvoudig verweer’. Het draaide vooral om de definitie van kwakzalverij en de vrijheid van meningsuiting in een publiek debat. Over het haaienkraakbeen begon Douma maar helemaal niet.

Ten slotte had de president aan Houtsmuller nog wat vragen over diens ziektegeschiedenis. Wie had die tweede ziekte uit 1981 eigenlijk behandeld? Was dat een andere dokter geweest dan bij zijn huidtumor in 1980? Doodnerveus vertelde Houtsmuller dat hij in 1980 door prof. Wieberdink geopereerd en later door radioloog Van Andel nagecontroleerd was. De tweede nierziekte werd vastgesteld in het Bergwegziekenhuis te Rotterdam door een uroloog, bij wie hij vervolgens niet meer hoefde terug te komen. Die zou gezegd hebben: ‘U heeft nog 3 à 4 maanden te leven, maak er het mooiste van!’. Het bleef onduidelijk waarom een beginnende vorm van kanker direct al onbehandelbaar was en hoe die diagnose dan wel was gesteld. Volgens Houtsmuller gebeurde dat o.a. met behulp van mri-onderzoek. Bij deze woorden klonk er gegons in de zaal, want deze vorm van diagnostiek bestond destijds nog niet! Het gezicht van de president bleef in de plooi.

Na afloop werd Houtsmuller bestormd door de aanwezige journalisten, die opnieuw uitleg eisten over die rare ziekte en over die ongewijzigde bijdrukken. ‘Ik heb geen greep op de uitgever,’ kreunde Houtsmuller, hetgeen hij later voor het journaal van Radio 1 herhaalde.

12 mei. Het vonnis wordt bekend. De vorderingen van Houtsmuller worden afgewezen. De termen ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ waren niet onrechtmatig, en of Renckens ‘oplichter’ heeft gezegd is niet voldoende duidelijk.

Het vonnis had ‘niet vernietigender kunnen uitpakken,’ aldus Frits Abrahams in NRC Handelsblad. Abrahams bekritiseerde ook Monda Heshusius met haar ‘doorbraak’ in De Telegraaf. Dat de rechter zo wordt gesteund door schertsende journalisten is natuurlijk goed, maar wordt de schade daarmee hersteld die het KWF aanrichtte door met zoveel ophef Houtsmuller en consorten te consacreren?

Inmiddels heeft Houtsmuller hoger beroep aangetekend. Ook werd Renckens eind mei verhoord door de Hoornse recherche in opdracht van de Alkmaarse officier van justitie, in verband met een in maart ingediende strafklacht wegens smaad.

Uitspraak kort geding

Hieronder volgen enkele essentiële fragmenten uit de uitspraak betreffende het op 4 mei 1999 gehouden kort geding Houtsmuller vs. Renckens

4.1. Met dit uitgangspunt wordt over de uitlatingen ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ welke door Renckens c.s. jegens Houtsmuller zijn gedaan, geoordeeld als volgt:
In het licht van de openbare discussie rond het ‘Dr. Houtsmullerdieet’, gelet op het feit dat Houtsmuller zelf medicus is en zelf het door hem ontwikkelde dieet actief in de openbaarheid brengt als een toegevoegde waarde bij de repressieve bestrijding van kanker, kan Houtsmuller verwachten dat deze geneeswijze krachtig zal worden bestreden. Het ligt daarbij voor de hand dat de reguliere geneeskunde en in het bijzonder de Vereniging tegen de Kwakzalverij, die dat nu juist als doel heeft, daarbij zal wijzen op de afwezigheid van bewijs van de door Houtsmuller beweerde werking van het dieet. In de wandeling wordt in de medische wereld een behandeling waarvan in geen enkel opzicht is bewezen dat zij de beweerde werking heeft, betiteld als kwakzalverij. De door Renckens c.s. gebruikte betiteling van Houtsmuller is in dit licht gerechtvaardigd, nu zij inderdaad willen betogen dat Houtsmuller aan deze beschrijving beantwoordt. Zij kunnen dit ook doen, aangezien Houtsmuller inderdaad op geen enkele wijze wetenschappelijk aantoont dat zijn dieet op de door hem beweerde wijze werkt. Het meest concrete bewijs dat hij voor die werking aanvoert is zijn eigen ziektegeschiedenis, hetgeen op zichzelf al geen wetenschappelijk bewijs kan opleveren, aangezien het hier dan slechts om één geval zou gaan, terwijl de gestelde genezing ook aan andere factoren zou kunnen worden toegeschreven.

Hoofdzaak is echter dat inmiddels in 1997 is gebleken dat de ziektegeschiedenis van Houtsmuller anders is dan tot dan toe aangenomen, zodat de ‘bewijskracht’ daarvan nog beperkter is. Niettemin heeft Houtsmuller niet ervoor gezorgd dat sedertdien die onjuiste voorstelling van zaken is gecorrigeerd. Hij had daarvoor in elk geval kunnen zorgen door in de nadien verschenen oplagen van zijn laatste boek de inleiding aan te passen of weg te laten of het boek in deze vorm uit de handel te nemen. Niet alleen liet hij dit na, maar is hij ook publiciteit blijven geven aan die onjuiste ziektegeschiedenis, zoals blijkt uit verschillende publicaties, zoals in Gezondheidsnieuws van december 1998 en TV-studio van juni/juli 1998. Het voortgaan met de publicatie van deze onjuiste voorstelling van zaken, die nu juist moest dienen als bewijs van de omstreden werking van zijn dieet en die ook als blikvanger dient, rechtvaardigt in de gegeven omstandigheden dat in de discussie door Renckens c.s. daarbij jegens Houtsmuller ook de kwalificatie leugenaar wordt verbonden.

4.3. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het gebruik van de term ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ door Renckens c.s. voorshands niet als onrechtmatig jegens Houtsmuller kan worden aangemerkt.

4.4. Houtsmuller hgeeft eveneens gesteld dat Renckens hem een oplichter heeft genoemd, hetgeen door Renckens c.s. gemotiveerd is betwist. Gelet op hetgeen partijen hiertoe hebben aangevoerd en de door hen overgelegde producties, is in het bestek van een kortgedingprocedure niet vast te stellen of Renckens in het interview met De Telegraaf de term ‘oplichter’ daadwerkelijk heeft gebezigd. Derhalve hoeft de president aan een beoordeling van de onrechtmatigheid van het gebruik van deze term, die een meer strafrechtelijke lading heeft, in voornoemd artikel niet toe te komen.

5. Nu, gelet op het vorenstaande, het gebruik van de termen ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ voorshands niet onrechtmatig worden geacht en aan de beoordeling van de term ‘oplichter’ niet wordt toegekomen, zullen de door Houtsmuller gevorderde voorzieningen worden afgewezen.

Dit is een bewerkte en ingekorte versie van twee redactionele bijdragen die eerder verschenen in het Actieblad tegen de Kwakzalverij.

Naschrift van de websiteredactie

Op 4 mei 1999 besliste de Amsterdamse arrondissementsrechtbank, met als president mr. Orobio de Castro (tevens voorzitter van het medisch tuchtcollege), dat Renckens het recht heeft om Houtsmuller een kwakzalver te noemen.

In de uitspraak staat:
‘In de wandeling wordt in de medische wereld een behandeling waarvan in geen enkel opzicht is bewezen dat zij de beweerde werking heeft, betiteld als kwakzalverij. De door Renckens c.s. gebruikte betiteling van Houtsmuller is in dit licht gerechtvaardigd, nu zij inderdaad willen betogen dat Houtsmuller aan deze beschrijving beantwoordt.’

De rechter ging er blijkbaar vanuit dat iemand die kwakzalverij aanprijst en toepast een kwakzalver mag worden genoemd. Daar valt wat voor te zeggen, want als iemand een leugen vertelt, mag je hem ook een leugenaar noemen. Het woord leugenaar hoeft niet te betekenen dat iemand voortdurend leugens vertelt. Evenzo hoeft kwakzalver niet te betekenen dat iemand alle medische kennis overboord heeft gegooid en reguliere behandelingen afwijst of ontraadt.

Alle kwakzalvers zijn niet gelijk: er bestaan meer en minder erge exemplaren. Sommige kwakzalvers vragen onbehoorlijk veel geld, brengen de gezondheid van hun patiënten in gevaar of zijn regelrechte oplichters die zelf heel goed weten dat ze onjuiste informatie verstrekken. Maar dat hoeft volgens de definitie die Renckens hanteert, niet altijd het geval te zijn.

In zijn boek Hedendaagse Kwakzalverij schrijft Renckens (1992): ‘Een constante in alle beeldvorming van de kwakzalver is wel dat zijn middelen meestal nutteloos zijn. Kwade trouw hoeft zeker niet altijd in het spel te zijn. (…) Een malafide, op winst beluste instelling zal men bij de kwakzalver weliswaar soms (of vaak) vermoeden, maar bewijzen vallen hier zeer moeilijk te leveren. (…) Ik ben er voor honderd procent van overtuigd dat, vaker nog dan door oplichters, de kwakzalverij wordt beoefend door mensen die in hun warhoofdigheid volledig te goeder trouw zijn.’

Renckens sluit zich aan bij de definitie die te vinden is in de dissertatie ‘Kwakzalverij en onbevoegd uitoefenen der geneeskunst’ van L.F. Bakker (1969): ‘(…) elk zelfstandig beroepsmatig handelen c.q. het verlenen van raad of bijstand al of niet met het oogmerk verbetering te brengen in de gezondheidstoestand van levende wezens, dat niet gefundeerd is op voldoende kennis – overeenkomstig voor die tijd algemeen aanvaarde normen – van de diagnose “ziek” en de daarbij behorende therapie.’

Tijdens een radio-uitzending van de VPRO op 4 februari 1992 vroeg Piet Vroon aan Renckens: ‘Kwakzalverij, wat is dat eigenlijk?’ Renckens vertelde toen dat hij het woord gebruikt voor behandelmethoden waarvan het nut niet is aangetoond. Hij noemde dit ‘nutteloze methoden’, hoewel dat ook niet altijd bewezen is – maar er zijn waarschijnlijk wel goede medische gronden om dit aan te nemen. De alternatieve arts L. Kunst, die ook aan de discussie meedeed, nam aanstoot aan het woord kwakzalverij omdat dit zou impliceren dat er sprake is van oplichterij. Een verslag van de discussie is te vinden in Skepter (maart 1992). Het volgende citaat is wel aardig:

‘Vroon zet tot besluit de puntjes nog eens op de i door Renckens te vragen of Kunst een kwakzalver is. Ja of nee? Renckens benadrukt dat Kunst nutteloze behandelmethoden toepast en zich in die zin regelmatig schuldig maakt aan kwakzalverij. Hij verbindt daaraan geen moreel oordeel, omdat hij aanneemt dat Kunst te goeder trouw is. ‘Dus ik ben een kwakzalver?!’, roept Kunst uitdagend. ‘Ja of nee?’ Renckens wil het liever niet zo hard stellen zolang zijn collega de reguliere geneeskunde nog niet geheel heeft afgezworen. Maar als Kunst voor de radio beweert dat driekwart van de reumapatiënten baat vindt bij zijn methoden, dan wordt het volgens Renckens tuchtrechtelijk interessant.’

Het is duidelijk dat Renckens het woord kwakzalverij gebruikt voor nutteloze behandelmethoden. Aan de andere kant wekt Renckens de indruk dat hij niet iedereen die kwakzalversmethoden gebruikt een kwakzalver wil noemen. Deze kwalificatie reserveert hij naar het schijnt voor de in zijn ogen ergste gevallen. Dat bleek ook tijdens het hoger beroep van het kort geding dat Houtsmuller tegen hem aanspande.

In de uitspraak van het hoger beroep kwam de rechter op de proppen met Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Daarin worden drie betekenissen aan kwakzalver toegekend:

1. past nutteloze middelen toe om ziekten te genezen
2. is een onbevoegd beoefenaar van de geneeskunst
3. is een bedrieger of oplichter

Volgens de rechter heeft de term kwakzalver voor het grote publiek de negatieve betekenis van een malafide en onbevoegde charlatan die patiënten (opzettelijk) misleidt. Het is aan Renckens om aan te tonen dat hij deze indruk niet heeft gewekt toen hij Houtsmuller via de krant een kwakzalver noemde.

Het lijkt niet aannemelijk dat Reckens de indruk heeft gewekt dat Houtsmuller een onbevoegd beoefenaar van de geneeskunst is, want iedereen weet dat dr. Houtsmuller een medicus is. De Telegraaf citeerde Renckens als volgt: ‘Neem nu die Houtsmuller! Die man is een echte oplichter en kwakzalver, dat mag u gerust uit mijn mond optekenen. Wat hij bedacht heeft, dat malle dieet van hem, doet helemaal niets tegen kanker.’ (26-2-’97)

Renckens ontkende dat hij het woord ‘oplichter’ had gebruikt en schreef aan Houtsmuller dat hij afstand neemt van deze kwalificatie, die volgens hem door de journalist werd toegevoegd. Daarom gaat het in de rechtzaak niet over het woord ‘oplichter’.

Toch is het wel relevant dat in De Telegraaf werd gesproken over een ‘oplichter en kwakzalver’. Daaruit zou je kunnen afleiden dat een kwakzalver dus blijkbaar niet automatisch een oplichter is, zoals de rechter schijnt aan te nemen. Bovendien blijkt uit de laatste zin van het citaat waarom Renckens Houtsmuller een kwakzalver noemt: zijn dieet werkt niet tegen kanker. Dit is in overeenstemming met de definitie die Renckens hanteert.

De rechtbank verwijst ook naar een artikel dat Renckens in Het Parool publiceerde (24 maart 1999). Daarin staat echter heel duidelijk wat Renckens onder een kwakzalver verstaat: ‘Volgens de Dikke van Dale is een kwakzalver iemand die nutteloze middelen toepast ter genezing van een of andere kwaal. Aangezien Houtsmuller op geen enkele manier aannemelijk maakt dat zijn behandeling werkt, beoefent hij volgens deze definitie kwakzalverij.’

Het is algemeen bekend dat Renckens de voorzitter is van de Vereniging tegen de Kwakzalverij en dat deze vereniging alle onbewezen alternatieve geneeswijzen kwakzalverij noemt. Dat blijkt ook uit de titels van zijn boeken: Hedendaagse kwakzalverij en Kwakzalvers op kaliloog. In deze boeken gaat het niet alleen over de ergste misstanden. Iedere arts die bijvoorbeeld homeopatische middelen voorschrijft, maakt zich volgens Renckens schuldig aan kwakzalverij.

In de uitspraak van het hof staat: “Renckens heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard in het algemeen terughoudend te zijn met het gebruik van de aanduiding ‘kwakzalver’, maar hiertoe in dit geval vooral te zijn gekomen doordat bleek dat de ziektegeschiedenis onwaar was en hij dit als leugenachtig beschouwde.”

Waarschijnlijk was dit niet verstandig van Renckens. Hij had beter kunnen betogen dat volgens hem iedereen die kwakzalversmethoden propageert een kwakzalver mag worden genoemd. Dan zou zijn verweer consistenter zijn geweest. Renckens lijkt nu te erkennen dat hij het woord ‘kwakzalver’ reserveert voor de ergste gevallen. Maar tijdens het proces kon hij niet aantonen dat Houtsmuller werkelijk zo ver over de schreef is gegaan:

1. Hij kon niet aantonen dat Houtsmuller zijn ziektegeschiedenis opzettelijk verkeerd heeft voorgesteld.
2. Hij kon niet aantonen dat Houtsmuller heeft beweerd dat zijn dieet meer is dan een aanvulling op de reguliere kankertherapieen.
3. Hij kon niet aantonen dat patiënten schade hebben geleden door de adviezen van Houtsmuller op te volgen.

Hierdoor kwam de rechter tot de conclusie dat Renckens het woord ‘kwakzalver’ lichtvaardig heeft gebruikt.

Uit: Skepter 12.3 (1999)

Meerdere auteurs