Homeopatisch pendelen

door Rob Nanninga

bryoniaSommige homeopaten gebruiken een pendel om vast te stellen welk geneesmiddel hun patiënten nodig hebben. Maar kunnen ze zo’n middel wel van een placebo onderscheiden?

Het Royal London Homoeopathic Hospital (RLHH) is het oudste homeopathische ziekenhuis ter wereld. Het werd al in 1849 opgericht en verkreeg in 1948 de koninklijke status. Koningin Elizabeth is beschermvrouwe van het hospitaal en Dr. Peter Fisher, de huidige klinisch directeur, werd ruim een jaar geleden aangesteld als haar homeopatisch arts. [NB: in 2010 is het ziekenhuis omgedoopt tot Royal London Hospital for Integrated Medicine]

Vanaf het midden van de jaren 1970 maakte het RLHH een moeilijke periode door, maar sinds een aantal jaren gaat het weer voor de wind. Het ziekenhuis biedt nu een breed scala aan alternatieve en aanvullende therapieën. Bovendien werd er een commerciële onderneming opgericht, die onder eigen merknaam voedingssupplementen, kruidenpreparaten en andere heilzame producten verkoopt. In het Verenigd Koninkrijk besteedt men jaarlijks 800 miljoen euro aan zulke middelen.

Op de website van nieuwe firma kun je onder meer een flesje White Willow bestellen (www.RLHH.co.uk [gearchiveerde link]). Dit wordt bereid uit de schors van de schietwilg. Het werkzame bestanddeel is salicine, dat in het lichaam wordt omgezet tot salicylzuur. Hieruit werd in de 19de eeuw de stof acetylsalicylzuur ontwikkeld, die sinds 1900 onder de merknaam Aspirine wordt verkocht. Aspirine is in alle opzichten beter dan salicine en bovendien goedkoper dan White Willow. De website van het RLHH vermeldt echter dat wilgenschors eeuwenlang is gebruikt in het oude China, en dat strekt vermoedelijk tot aanbeveling.

Een pluspunt is dat de opbrengst van de gezondheidsproducten voor een deel wordt besteed aan wetenschappelijk onderzoek. Zo voerde Fisher samen met enkele collega’s een experiment uit waarbij 50 ervaren homeopaten probeerden om Bryonia c12 van een placebo te onderscheiden door beide vloeistoffen zelf in te nemen (Vickers et al., 2001).

Volgens de homeopathische leer zal een middel dat bij zieke mensen bepaalde symptomen kan genezen, soortgelijke symptomen opwekken wanneer het wordt ingenomen door gezonde vrijwilligers, en andersom. De homeopaten die aan het onderzoek deelnamen, zouden dus aan die symptomen moeten kunnen merken of ze al of niet Bryonia hadden gekregen. De inhoud van de flesjes kon niet op andere wijze worden vastgesteld, want de verdunning was zo hoog (1024) dat er geen moleculen van de oorspronkelijke stof meer aanwezig waren. Homeopathisch gezien vormt dat geen probleem omdat men aanneemt dat extreem hoge verdunningen juist extra sterk werken, mits ze op de juiste wijze zijn geschud (gepotentieerd).

De deelnemers aan het onderzoek gebruikten een week lang Bryonia en eveneens een week lang een placebo. Ze wisten niet in welke volgorde dit gebeurde en kregen tussentijds twee weken rust om te herstellen. De resultaten waren volgens de onderzoekers hoopvol. De gerapporteerde symptomen leken niet geheel door suggestie te zijn veroorzaakt, want 60 procent slaagde erin het flesje Bryonia te identificeren. Dit percentage had echter betrekking op slechts 40 gissingen (waarbij 24 keer goed werd geraden), zodat het niet statistisch significant was.

Een van de deelnemers bleek een pendel te hebben gebruikt om de Bryonia van het placebo te kunnen onderscheiden. De onderzoekers beseften dat dit misschien een veel eenvoudiger manier was om aan te tonen dat hun Bryoniaverdunning niet hetzelfde was als gedistilleerd water. Met behulp van een pendel was het wellicht mogelijk de vibraties van het homeopathische middel te detecteren.

Zes medisch gekwalificeerde homeopaten waren bereid aan een pendelexperiment deel te nemen. Ze hadden gemiddeld twintig jaar ervaring als homeopathisch arts en maakten daarbij al minimaal twaalf jaar gebruik van een pendel. Elke deelnemer kreeg 26 gecodeerde sets van twee flesjes, waarvan het ene Bryonia c12 bevatte en het andere gedistilleerd water. Omdat de deelnemers bang waren dat de prestatiedruk hun resultaten negatief zou beïnvloeden, kregen ze de flesjes thuisgestuurd, zodat ze in alle rust konden pendelen. Ze ontvingen ook twee flesjes waarvan de code was verbroken en waarmee ze van te voren konden oefenen.

De resultaten lieten niets aan duidelijkheid te wensen over: slechts 48 procent van de flesjes werd correct geïdentificeerd (McCarney et al., 2002). De deelnemers hadden ook moeten aangeven in welke gevallen ze erg zeker waren dat hun pendel de juiste uitslag gaf. Deze `zelfverzekerde’ keuzes (63%) leverden een succespercentage van 45 op. De resultaten lagen dus nog iets (maar niet significant) onder de gemiddelde kansverwachting, die uiteraard 50 procent bedraagt. Er was geen enkele deelnemer die het significant beter deed. Het is niet bekend of de artsen hun pendel inmiddels aan de wilgen hebben gehangen. Vermoedelijk blijven ze geloven dat het in de praktijk wel werkt.

Literatuur

Vickers A, McCarney R, Fisher P, van Haselen R. (2001). Can homeopaths detect homeopathic medicines? A pilot study for a randomised, double-blind, placebo controlled investigation of the proving hypothesis. British Homeopathic Journal, 90(3), 126-30.
McCarney R, Fisher P, Spink F, Flint G, van Haselen R. (2002). Can homeopaths detect homeopathic medicines by dowsing? A randomized, double-blind, placebo-controlled trial. J. of the Royal Society of Medicine, 95(4), 189-91.

Uit: Skepter 15.4 (2002)

Rob Nanninga was hoofdredacteur van Skepter van 2002 tot 2014