Irrationele verdunningen

De homeopathische geneesmiddelleer

Dit is het eerste deel van een tweeluik over esoterische geneeswijzen. Het tweede deel, over antroposofische middelen, werd in Skepter gepubliceerd.

door Bram de Boer

Uit een enquête van het NIPO bleek enkele jaren geleden dat 73% van de Nederlandse bevolking meent dat reguliere en alternatieve geneeswijzen beide hun sporen hebben verdiend bij het genezen van ziekten. Slechts 18% vond dat alternatieve geneeswijzen een moderne vorm van kwakzalverij zijn.

De kennis van het functioneren van het menselijk lichaam is iets van de laatste eeuwen. In de 18de eeuw was eenvoudig onderzoek als luisteren naar de lichaamsgeluiden met een stethoscoop nog onbekend en honderd jaar geleden waren we ten aanzien van geneesmiddelen nauwelijks verder gekomen dan middelen waarvan het effect alleen maar was dat de patiënt zich prettig voelde. Eigenlijk placebo’s dus; van het Latijnse placebo dat ik zal behagen betekent. Het was de tijd van de laxeermiddelen, de pijnstillers en de bloedzuigers. Gericht therapeutisch werkende geneesmiddelen zoals wij die nu kennen waren er nog nauwelijks.

Karakteristiek voor de geneesmiddelensector is de kennisexplosie van de laatste halve eeuw. De situatie van vandaag, waar in efficiënt ingedeelde ladekasten duizenden verpakte geneesmiddelen klaar liggen om aan de patiënt overhandigd te worden tegen het overleggen van een recept, kan men haast niet vergelijken met de situatie voor de Tweede Wereldoorlog. Toen nog werd een medicijn naar een handgeschreven recept van de arts bereid uit een beperkt assortiment van grondstoffen, soms kruiden, vaak gewone chemicaliën. Wat er aan van tevoren in de fabriek vervaardigde geneesmiddelen voorhanden was, was een schijntje in vergelijking met tegenwoordig. Nu zijn er ongeveer 7000 geneesmiddelen op de markt waarvan de werking gecontroleerd is door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen.

Naast kruiden en anorganische geneesmiddelen kunnen wij in onze tijd door de opkomst van de organische scheikunde bepaalde stoffen synthetisch in het laboratorium bereiden die oorspronkelijk alleen in de natuur gevonden werden of zelfs in de natuur helemaal niet voorkomen. Daardoor is er bij de beoordeling van geneesmiddelen een probleem ontstaan. Veel mensen hebben aarzelingen om fabrieksmatig geproduceerde geneesmiddelen te gebruiken, die denigrerend ‘chemicaliën’ genoemd worden. Synthetische medicijnen hebben vooral bij voorstanders van alternatieve geneeswijzen een slechte roep gekregen. Hoewel ik ook liever een sinaasappel eet dan een vitamine-C-pil, is het lang niet altijd zo dat een werkzaam kruidenpreparaat de voorkeur verdient boven de moderne preparaten uit de reguliere farmaceutische industrie. Wanneer de scheikundige samenstelling van het werkzame bestanddeel van een geneesmiddel nauwkeurig bekend is, en dat is belangrijk, kan men in eerste instantie kiezen tussen drie mogelijkheden: men kan een ruw extract van de plantaardige grondstof gebruiken, men kan de werkzame stof in een laboratorium met chemische hulpmiddelen isoleren of men kan het werkzame bestanddeel geheel langs scheikundige weg synthetiseren. De leek denkt dan vaak dat dan het kruidenextract de voorkeur heeft en dat het uit plantaardige grondstoffen geïsoleerde preparaat altijd beter is dan de langs scheikundige weg gesynthetiseerde stof. Dat is volstrekt onjuist. Een zuivere stof waarvan de biochemische werking en de scheikundige structuurformule bekend zijn, heeft in elk opzichtaltijd precies dezelfde eigenschappen, of die stof nu is geïsoleerd uit een plantaardige grondstof of gesynthetiseerd is uit chemicaliën en vertoont dezelfde medische werking. In het alternatieve circuit worden vaak farmaceutische preparaten gepropageerd die geëxtraheerd worden uit natuurlijke grondstoffen omdat het natuurproduct beter zou zijn dan synthetisch vervaardigde geneesmiddelen. Een gevaarlijk vooroordeel, want de onzuiverheden die soms in geëxtraheerde plantaardige geneesmiddelen voorkomen, kunnen deze minder betrouwbaar maken dan gesynthetiseerde.

Homeopathische geneesmiddelen

Enquêtes leren dat de huisarts hoog scoort onder de hoog aangeschreven beroepen, vooral als vertrouwensman waarbij men terechtkan om voorlichting over medische kwalen en problemen. Homeopathische artsen blijken over het algemeen op dit punt een goede naam te hebben. Hun patiënten verklaren die tevredenheid vooral uit het feit dat hun arts zeer veel aandacht besteedt aan de patiënt. Zij kunnen terugvallen op de (reguliere) geneeskunde voor de genezing van kwalen die niet met een eenvoudige homeopathische medicatie verholpen kunnen worden. Het oordeel van de patiënten over het handelen van de homeopathische artsen mag dan over het algemeen gunstig zijn, maar hun geneesmiddelenleer is omstreden.

Daguerreotype van Samuel Hahnemann
Daguerreotype van Samuel Hahnemann

De homeopathie is ontstaan aan het eind van de 18de eeuw. De arts Samuel Hahnemann experimenteerde met de invloed van geneesmiddelen op het gezonde menselijk lichaam; voor die tijd een progressieve aanpak. Hahnemann had ontdekt dat hij, als hij kinabast (de gemalen schors van de kinaboom, die kinine bevat) slikte, bij zichzelf de symptomen ‘koorts’ (althans wat daar toen onder verstaan werd) opriep die bekend waren van de ziekte die men ermee bestreed, meerdaagse koortsen oftewel malaria. Hij poneerde dat bepaalde stoffen die eigenlijk vergiftig zijn en die tot bepaalde klachten aanleiding geven, in sterk verdunde vorm geneeskrachtige werking hebben tegen kwalen die tot diezelfde klachten leiden. Similia similibus curantur, het gelijkende zal door het gelijkende genezen worden, was zijn stelling. Hij was minder duidelijk over de verklaring hiervoor. Hij meende dat een tijdelijke ‘kunstmatige’ ziekte de oorspronkelijke kwaal kon verdrijven, omdat twee gelijkende ziekten als het ware concurrerende verstoringen van de levenskracht zijn. Anders gezegd, hij meende dat het levensprincipe in een ziek orgaan door de kunstmatige ziekte ‘de gewaarwording van de natuurlijke ziekte verliest’.

Hahnemann had weinig vertrouwen in het classificeren van ziekten. Elk samenstel van subjectieve symptomen was voor hem een aparte verstoring van de levenskracht. Nog steeds hebben homeopaten een eigenaardige opvatting van ziekte, wat onderzoek naar hun methoden extra moeilijk maakt. Personen die naar het oordeel van een regulier arts allemaal hetzelfde mankeren, kunnen volgens homeopaten op grond van hun subjectieve symptomen, waaronder ook dagelijkse gewoonten, lichaamsbouw en ‘constitutie’ met totaal verschillende middelen behandeld worden. Ik ga daar niet nader op in, en wil me alleen richten op de middelen zelf.

Het is logisch dat men voor het vervaardigen van geneesmiddelen die in hoge concentratie giftig zijn, de werkzame stof zo ver moet verdunnen dat de ongunstige, giftige werking wordt geëlimineerd. Aan de andere kant moet de concentratie van de werkzame stof wel hoog genoeg zijn om nog steeds werkzaam te zijn. Als een bepaald geneesmiddel in hoge concentraties giftig is en in een bepaalde lage doses geneeskracht heeft, dan is het mogelijk dat bij verdunning de voor de genezing nodige concentratie niet meer gehaald wordt en dan zal met het geneesmiddel ook de geneeskracht verdwijnen. Geen zinnig mens zal op het idee komen dat de geneeskracht van bepaalde verdunde stoffen die in hogere concentratie giftig waren, bij steeds verder verdunnen steeds maar blijft toenemen. Hahnemann meende dat dat wel zo was, en vond steun bij het verschijnsel dat magnetisme door wrijven met een magneet kan worden overgebracht op ijzer. Hahnemanns verdunningen werden daarom telkens gevolgd door schudden. Paragraaf 270 in zijn Organon der geneeskunst is daar heel duidelijk over: ‘men …geeft dan het toegekurkte flesje met de hand 100 krachtige schudstoten tegen een hard maar elastisch voorwerp, bijvoorbeeld op een in leer gebonden boek’. Aldus werd de graad van verdunning van homeopathische geneesmiddelen ad absurdum opgevoerd; dat leidt er toe dat veel homeopathische geneesmiddelen zo sterk verdund worden dat zij helemaal geen geneesmiddel meer bevatten. Hahnemann schrijft dat ‘de geneesmiddelsubstantie … zich door middel van zulke steeds hogere dynamiseringen eindelijk helemaal tot een geestachtige, spirituele geneesmiddelkracht verfijnt en omvormt … ‘, en rekent in een voetnoot bij deze passage voor hoe hoog de verdunningsgraad wel kan oplopen.

Hahnemann gebruikte, heel misleidend, voor deze vorm van verdunnen de term potentiëren en daarmee schiep hij een suggestieve verwarring, want die term betekent normaal versterken van de werking van een geneesmiddel of behandelwijze en dat is iets wat men normaliter niet doet door er nog meer oplosmiddel bij te gieten. Tegenwoordig staan er dan ook in het Zakwoordenboek der Geneeskunde heel democratisch achter potentiëren twee definities: één reguliere (potentiëren is versterken) en één homeopathische (potentiëren is verdunnen en dus versterken); volgens de tweede definitie betekent potentiëren het omgekeerde als volgens de eerste.

Wat betekent dit in de praktijk voor het homeopathische geneesmiddel? Uitgangspunt is een ‘oertinctuur’: het eigenlijke werkzame middel, bijvoorbeeld een plantenextract in alcohol. Die oertinctuur wordt stapsgewijs verdund en telkens na elke verdunningsstap geschud. Eerst wordt een deel gemengd met negen delen alcohol. Men spreekt dan van D1-potentie. Men kan ook in stappen van 1:100 te werk gaan. De eerste stap is dan een verdunning met 99 delen alcohol en men spreekt dan van C1-potentie. Dit proces kan vele malen herhaald worden en leidt dan tot steeds hogere verdunningen. D12 of C6 betekent een verdunning van 1 op 1012. Let wel: een hogere verdunning betekent in deze theorie een sterker geneesmiddel. D25, één op 10000000000000000000000000, is zo groot dat nog maar weinigen weten dat zoiets met de tongbreker ‘één tienquadriljoenste’ wordt aangeduid. Om de gedachten te bepalen: om suikerwater in een verdunning D25 te maken moet men een suikerklontje van ongeveer een kubieke centimeter in Scheveningen in zee gooien en daaruit vormt zich dan na homeopathisch schudden van de aardbol (tegen een in leer gebonden boek!) een suikeroplossing D25 waaruit voor de kust van Australië nog flesjes Suiker D25 gevuld kunnen worden. Het is interessant na te gaan hoeveel denkbeeldige aardbollen men moet omschudden om een verdunning D200 te realiseren. Iedere leerling van de middelbare school die scheikunde in zijn pakket heeft begrijpt dat de zo gefabriceerde flesjes homeopathische geneesmiddelen helemaal niets meer van het oorspronkelijke geneesmiddel bevatten. Men moet overigens niet denken dat Hahnemann niet in de gaten had dat zijn verdunningen onbegrijpelijk hoog waren. Hij heeft het in zijn bovenvermelde voetnoot over een fractie, zo klein dat men die nauwelijks meer in getallen zou kunnen uitspreken. Maar hij verbindt er de conclusie aan dat de materie zich zo volledig ‘oplost in haar individuele spirituele wezen’. De onbewerkte materie is dan ‘onontplooide spirituele essentie’.

Het curieuze is dat aanhangers van de homeopathie erkennen dat door verdunning de werking van middelen verdwijnt. Volgens hen is het essentieel dat er telkens geschud wordt op de manier die Hahnemann voorschreef, alleen dan gaat de spirituele kracht van het middel op de alcohol over, beweren ze. De afzonderlijke moleculen van de vloeistof krioelen echter wild door elkaar, waarbij ze vele miljarden malen per seconde met snelheden in de orde van de geluidssnelheid (honderden meters per seconde) op elkaar stuiten. In dit gedruis gaat het effect van de zachte klopjes op in leer gebonden boeken natuurlijk geheel verloren, hoe effectief dat ook mag zijn voor het homogeen maken van een grof mengsel. Het schudden kan slechts worden opgevat als een ritueel, vergelijkbaar met het draaien aan gebedsmolens.

Inmiddels is een vreemd soort registratie begonnen van homeopathische ‘geneesmiddelen’ die niet aan de eisen voldoen om als regulier geneesmiddel te worden geregistreerd door toekenning van een RVG-nummer. Producenten van homeopathische preparaten kunnen een zogenaamd RVH-nummer aanvragen en behoeven dan niet te voldoen aan de verplichting aan te tonen dat het middel blijkens onderzoek werkelijk helpt. Zo worden ook preparaten in de verdunning D200 goedgekeurd en geregistreerd.

Het succes van homeopathische artsen met oneindig verdunde geneesmiddelen past feilloos in het bekende beeld van de placebo uit de reguliere geneeskunde. Sommige homeopaten geven toe dat die uitzonderlijk verdunde medicijnen geen spoor van geneesmiddelen bevatten, maar die mededeling gaat altijd gepaard met het verhaal dat het hier niet gaat om een placebo-effect. Voor de geneeskrachtige werking van een homeopathisch geneesmiddel zou iets anders verantwoordelijk zijn wat niet goed kan worden omschreven en als het magische parapsychologische begrip psi wordt aangeduid, of als de essentie. Die essentie zorgt er voor dat een geneesmiddel door het steeds verder te verdunnen (en te schudden, jazeker), ondanks het feit dat het steeds minder van het oorspronkelijke preparaat bevat, maar toch een steeds hogere potentie of geneeskracht krijgt doordat het oplosmiddel zich die geneeskracht als het wareherinnert.

Deze wonderlijke theorie is afkomstig van de Franse arts Jacques Benveniste, die pretendeerde in een klinisch onderzoek de werking te hebben aangetoond van een geneesmiddel (immuunglobuline) in verdunningen tot C60 waar dus met geen mogelijkheid meer iets van een genezende werking meer aanwezig kon zijn. Die studie heeft zelfs het serieuze tijdschrift Nature gehaald. De redactie van dit tijdschrift is daarvoor ernstig bekritiseerd. Herhaling van het onderzoek door anderen bleek uiteraard geen enkel positief resultaat op te leveren.

Benvenistes verhaal leverde hem de Ig-Nobelprijs op, een prijs ingesteld door het Amerikaanse tijdschrift The Annals of Improbable Research voor mensen die kans zien volstrekt onwaarschijnlijke research voor waar te verkopen. Benveniste heeft een record gehaald door als enige de prijs twee maal in de wacht te slepen. Hij heeft namelijk later geprobeerd te bewijzen dat de in de herinnering van het oplosmiddel levende stoffen per e-mail kunnen worden overgebracht naar een andere portie oplosmiddel waardoor ook dat de werkzame eigenschappen krijgt.

Bij het schudden en verdunnen zoals dat gebeurt bij de vervaardiging van homeopathische preparaten zouden dus andere natuur- en scheikundige wetmatigheden gelden dan voor dezelfde bewerkingen als die worden uitgevoerd in de duizenden andere laboratoria die de wereld rijk is. De scheikunde laat geen ruimte voor zulke variaties; vandaar dat de ‘gelovigen’ een beroep doen op de werking van mysterieuze krachten die de reguliere chemicus ontgaan.

De onbetrouwbare kaalkop

Deze situatie heeft wel eens aanleiding gegeven tot vermakelijke voorvallen. In de tijd dat de apothekersflesjes in de apotheek normaliter nog gevuld werden uit grote voorraadflessen was een hele serie flesjes met verdunde alcohol die onder allerlei verschillende benamingen werden aangeleverd door de homeopathische industrie duurder dan een flinke voorraadfles met verdunde alcohol die in de farmacie als oplosmiddel werden geleverd. Ik las kort na de Tweede Wereldoorlog in een lovend boekje over de geschiedenis van de homeopathie een verhaal over een apotheker die zuivere, ongevaarlijke oplosmiddelen uit de grote voorraadfles overgoot in kleine apothekersflesje en die vervolgens met een keurig etiket overeenkomstig het recept van de homeopathische arts aan de patiënt afleverde. Toen de homeopathische arts hier achter kwam en de apotheker op de proef wilde stellen, schreef hij een recept uit voor het niet-bestaande geneesmiddel Madaroma Fraudulentum, wat medisch Latijn is voor onbetrouwbare kaalkop, en ziet: het preparaat werd prompt door de apotheek afgeleverd, met inbegrip van de op het recept aangegeven naam en verdunningscode. Of het preparaat volgens de auteurs van dit door een homeopathisch bedrijf gepubliceerde boek werkte, vermeldden zij niet. Ik houd het er op dat de patiënt niets merkte omdat het effect van een homeopathisch placebo niet verschilde van dat van een placebo uit de reguliere geneeskunde. Daarover straks meer.

Is de potentiëringstheorie op zich zelf als merkwaardig genoeg, soms komt men in de literatuur over alternatieve geneesmiddelen varianten tegen die men zonder meer excessen mag noemen. Zo verscheen er in 1985 een boekje waarin een geneesmiddelenleer werd beschreven die in het verlengde ligt van de homeopathie, maar gericht op zelfmedicatie. De methode heet isopathie (overigens een door Hahnemann verketterde methode!). Ik illustreer de methode aan een praktisch voorbeeld uit het boekje met dezelfde titel van Ilse Dorren in een serie monografieën van de New Age-uitgeverij Ankh-Hermes.

Wanneer men diarree heeft, kan men als geneesmiddel gebruikmaken van een zelf gemaakt ‘isopathicum’. Men schudt een bepaalde hoeveelheid dunne poep met negen delen alcohol, laat dat staan uittrekken en schudt het mengsel af en toe. Uit dit mengsel haalt men weer een deel en mengt het weer in een verhouding één op tien. Dit uit de homeopathie bekende procédé herhaalt men dertig keer, dus totdat men poep-D30 heeft. Ter toelichting wordt daarbij verteld dat men bij het innemen niet bang hoeft te zijn dat men merkbaar poep eet, want om een speldenprikje van de oorspronkelijke poep binnen te krijgen, moet men een kubusvormig vat van duizend bij duizend bij duizend kilometer leegdrinken (ten naaste bij het totale volume van alle oceanen van de aarde). Toch zou de ‘verdunde poep’ die uiteindelijk uit schone alcohol bestaat, een geneesmiddel tegen diarree zijn.

Ook dierenartsen en tandartsen blijken erg tevreden over homeopathische geneesmiddelen. Tijdens een televisie-uitzending vertelde een dierenarts over een vijf jaar oude hond met heupdysplasie, die niet genezen was maar dank zij zijn behandeling met homeopathische middelen nu in ieder geval geen pijn meer had. In antwoord op de vraag, wat er zou zijn gebeurd als er geen homeopathisch middel was geweest, antwoordde de dierenarts glashard dat er in dit bijzondere geval niets van terechtgekomen zou zijn en dat men het beest dan waarschijnlijk al binnen het jaar had laten inslapen. Een ander paard verstuikt een been bij een misstap. Daar helpt een homeopathisch middel tijdelijk. Het zou eigenlijk Calcium Carbonicum Hahnemanni als constitutiemiddel nodig kunnen hebben. Voor de goede orde: Calcium Carbonicum Hahnemanni is potjeslatijn voor een volgens voorschrift van Hahnemann bereide, extreem verdunde kalk uit oesterschelpen.

Ook de tandarts gebruikt homeopathische middelen voor problemen waar de reguliere geneeskunde blijkbaar faalt. Een tandarts vertelde in hetzelfde televisieprogramma dat hij door een patiënt die hij een kies had getrokken, uit zijn bed werd gebeld omdat het zo hevig bloedde. ‘Nou, dan steek ik het flesje Phosphorus D200 al in de zak. Een paar druppeltjes onder de tong en na vijf minuten was de bloeding over.’ Als men iets verdunt tot D200, dat is dus 1 op een getal dat gevormd wordt door een 1 met tweehonderd nullen, is het oorspronkelijke preparaat geheel door de afvoer van het betreffende laboratorium in het riool verdwenen.

De wat wonderlijke verklaring van de werking van homeopathische geneesmiddelen doet denken op de wijze waarop bijvoorbeeld de magnetiseur zijn toverkunsten verdedigt. Hij voert met zijn handen ‘kwade energieën’ af. Zo’n verklaring is niet zo nodig. Als er al genezing door een magnetiseur plaatsvindt, kan dat net als de werking van homeopathie verklaard worden uit suggestie of uit het vermogen van het menselijk lichaam om pijn en andere symptomen te overwinnen. In kringen van parapsychologen houdt hardnekkig vast aan de gedachte dat een eventueel succes van een paranormale genezer niet mag worden toegeschreven aan een placebo-effect.

Het is met enige aarzeling dat ik een getuige oproep uit het alternatieve circuit. De parapsycholoog Henri van Praag, in het paranormale circuit een erkende autoriteit, schreef kort voor zijn overlijden in 1988 in het tijdschrift Integraal(ook uitgeverij Ankh-Hermes) naar aanleiding van een door hem gesignaleerde genezing door een paragnost, dat men kan aannemen dat de paranormale genezer aansluiting vindt bij de zelfgenezingscapaciteit, die ook bij het placebo werkt.(…) Zolang we nog weinig nauwkeurig weten van paranormale therapie en van placebo-werkingen, dienen wij voorzichtig te zijn met uitspraken als ‘dat is niets anders dan…’ Men kan die uitspraak in twee richtingen doen, want misschien zijn beide fenomenen identiek. Schrijver dezes neigt ertoe dit standpunt aan te nemen. Aldus Henri van Praag.

Ik was het meestal oneens met Van Praag, maar ik betreur dat hij het op dit punt heeft gelaten bij deze voorzichtige uitspraak. Want als wij proberen de concrete vraag te beantwoorden of de alternatieve arts echt een alternatief kan bieden voor de zorg die verleend wordt door zijn reguliere collega, moeten we Van Praag gelijk geven. Alternatieve genezingen zoals de activiteit van homeopaten zijn uiteindelijk te verklaren uit het placebo-effect, dus uit het zelfgenezend vermogen van het menselijk lichaam.

Men moet namelijk het genezende effect van doodgewone placebo’s niet onderschatten. De psychiater prof. dr. T. Compernolle van de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft in een artikel in het dagblad Trouw van 6 maart 1999 betoogd dat er bij het gebruik van geneesmiddelen altijd een placebo-effect meespeelt en dat er, welke kwaal men ook behandelt, altijd een grote groep mensen evenveel baat vindt bij een placebo als bij een ‘echte’ pil. Bij pijnbestrijding heeft ongeveer 50% van de patiënten baat bij een placebo, bij kalmerende middelen is dat aandeel soms wel 80%. Hij geeft een concreet voorbeeld. Als men bij de behandeling van paniekaanvallen waarvoor medicijnen worden voorgeschreven van de groep waartoe Prozac behoort de medicatie stopt, dan werkt overschakeling op een placebo dat wordt gepresenteerd in de originele Prozacverpakking bij de helft van de patiënten even goed als het echte medicijn. Toch wordt er in de medische literatuur nooit afgeweken van de gedachte dat het ‘echte’ geneesmiddel, met al zijn bijverschijnselen, bij paniekaanvallen altijd eerste keuze is. Het zou volgens prof. Compernolle medisch gesproken wenselijk zijn als men bij de behandeling van kwalen waar een placebo werkt, indien mogelijk eerst een placebo zou voorschrijven. Maar het probleem is dat voor de werking van een placebo en zekere vorm van misleiding van de patiënt een essentiële factor is. Leg dat maar eens uit aan een patiënt.

Genezing is dus niet een proces dat alleen maar het gevolg is van de toediening van geneesmiddelen volgens de gangbare farmacotherapeutische opvattingen, maar een subtiel samenspel van een aantal factoren waarbij naast het placebo-effect de presentatie van het geneesmiddel een veel sterke rol speelt dan men tot nu toe aannam. Daarmee heeft het zwart-witonderscheid tussen geneesmiddelen: de eigenlijke bron van de genezing, versus de placebo’s die niet aan de genezing deelnemen, sterk aan betekenis ingeboet.

Dit heeft verstrekkende consequenties voor de mogelijkheid om een homeopathisch geneesmiddel met behulp van een dubbelblind onderzoek te ontmaskeren. Als men bij onderzoek naar de werking van een bepaald geneesmiddel voor de blinde proef gewoon water gebruikt en dat water geeft een positief effect, betekent dat niet dat gewoon water dezelfde werking vertoont als het geneesmiddel in kwestie, maar dat er iets fout is gegaan bij het experiment. Stel we vergelijken het genezend effect van twee identieke porties kraanwater. Wat wil men dan bewijzen? Dat er verschil is tussen het genezend effect van de twee porties water? Dat is geen logische onderzoekopdracht. Als één van de twee porties bij een dubbelblind onderzoek een genezend effect lijkt te hebben, dan is er kennelijk iets misgegaan. Stel dat we gewoon kraanwater vergelijken met kraanwater dat is ingestraald door de gebedsgenezeres Jomanda. De reguliere statisticus zal dat onderzoek bij gebrek aan een logische verklarende falsifieerbare hypothese niet entameren. Stel nu dat de statistische bewerking van de gegevens met een volstrekt ondoorzichtig meta-onderzoek zou uitwijzen dat volgens de gangbare statistische criteria ingestraald water een duidelijk effect heeft. Dan is dat geen medisch probleem, maar een methodologisch probleem op het terrein van de wiskundige statistiek.

Een dubbelblind-onderzoek van oplosmiddel versus naar de homeopathisch regels oneindig verdund oplosmiddel is een spel tussen twee placebo’s. De vraag hoe toch een positief effect wordt gemeten is geen medisch, maar een wiskundig-statistisch probleem.

Het oordeel van de Gezondheidsraad

In 1993 gaf de Gezondheidsraad een eerste (zwak) signaal in het rapport Alternatieve behandelwijzen en wetenschappelijk onderzoek van de Gezondheidsraad. Het was een advies aan de regering over ‘onderzoektechnieken waarmee de effectiviteit van (de verschillende stromingen in) alternatieve behandelingswijzen redelijkerwijs aantoonbaar zou kunnen worden gemaakt.’ Tien jaar is er in allerlei werkgroepen aan dit probleem gewerkt.

Zoals de Gezondheidsraad in de persoon van haar toenmalige vice-voorzitter, dr. E. Borst (de latere minister van Volksgezondheid) in de aanbiedingsbrief onderstreepte, had de Gezondheidsraad de gestelde vragen nog niet beantwoord. Eigenlijk was nog niet verder gekomen dan het signaleren van de problemen. Het bijna 800 bladzijden tellend rapport is een uniek stuk documentatie, maar harde conclusies zijn er niet getrokken.

De reden van het falen liggen in de bizarre filosofie van de onderzoekers. Men kan in het rapport van de Gezondheidsraad bij herhaling de stelling tegenkomen dat men alternatieve geneeswijzen moet beoordelen in de context van hun eigen theorie. Het feit dat het probleem zo wordt aangepakt maakt het onmogelijk om tot harde uitspraken te komen en het is dan ook tragisch om te zien hoe karrenvrachten kool en hele kuddes geiten gespaard worden.

Over de onjuistheid van de potentiëringstheorie van de homeopathische arts of over de theorie dat de eigenschappen van een stof worden afgeschud en dan worden opgenomen in het geheugen van het oplosmiddel, zou in een commissie van chemici, farmaceuten en artsen makkelijk consensus bereikt kunnen worden. Maar het is volstrekt begrijpelijk dat men in praktische moeilijkheden komt als men het onderzoek laat uitvoeren door ‘onpartijdige’ werkgroepen die samengesteld zijn uit voor- en tegenstanders van zulke wetenschappelijk kolder. Dat bleek al in 1993 en dat zal ook wel in de 21ste eeuw weer blijken. Ten aanzien van de homeopathie bijvoorbeeld kwamen de wetenschappelijk geschoolde vergaderaars tot de onzinnige conclusie dat het zinvol is om na te gaan of de werking van geneesmiddelen werkelijk toeneemt door verdunnen. Een leerling van het vwo zou de scheikundeles uitgestuurd worden als hij of zij dit serieus zou poneren. De beschrijving van de werking van de homeopathische geneeswijze in het rapport – de eigen theorie – lijkt keurig overgenomen uit een boekje uit homeopathische kring. Dat het effect door het toedienen van schoon oplosmiddel als geneesmiddel door een homeopaat wel eens een placebo-effect zou kunnen zijn, net als het toedienen van suikerwater vroeger in de reguliere geneeskunde, haalde niet eens de status van werkhypothese of mogelijk onderwerp van onderzoek. Hooguit wordt voorzichtig erkend dat sommige geneeswijzen veel verwantschap hebben met placebo-effecten en er wordt wel aanbevolen een uitgebreid onderzoek te entameren naar de aard van placebo-effecten. Dat is een wat mager resultaat.

Bram de Boer is wiskundig econoom en publicist