De heksenhamer

Boekbespreking

door G.C. Molewijk

De Malleus Maleficarum verscheen voor het eerst in 1487 en werd berucht als handboek voor heksenjagers. Dit jaar verscheen er voor het eerst een Nederlandse vertaling uit het Latijn.

Over de Europese heksenvervolgingen in het tijdvak tussen de Renaissance en het einde van de achttiende eeuw is al veel geschreven (zie ook Skepter, juni 1994) Toch is het nog altijd moeilijk te begrijpen wat de toenmalige overheden in zowel rooms-katholieke als protestantse gebieden heeft bezield. Zij hebben immers toegelaten dat minstens 60.000 mensen, waarvan over heel Europa genomen wel driekwart vrouwen, eerst tot absurde bekentenissen over hekserij zijn gedwongen en vervolgens op gruwelijke wijze zijn omgebracht. Dit is des te schokkender doordat er in werkelijkheid nooit heksen hebben bestaan. Er is dan ook maar één conclusie mogelijk, namelijk dat er destijds een poging is gedaan om de niet-bestaande leden van een niet-bestaande groep te liquideren.

Heksen roosteren en koken graag kinderen om ze te eten of om uit het vet toverzalf te maken (illustratie uit het Compendium Maleficarum van Francesco Guazzo – editie 1610).

 

De geschiedenis over hekserij doet denken aan Marten Toonders verhaal De maanblaffers. In Rommeldam arriveren een soort inquisiteurs die krachtig tegen ‘maanblaffers’ waarschuwen: ‘Ze vermommen zich goed en dringen overal in. Soms vindt men ze op hoge posten. Ze vormen een groot gevaar.’ Hoewel niemand weet wat maanblaffers zijn, gaan de overheid en een deel van de wetenschap mee in deze gedachtegang en spoedig zit de gevangenis vol met niet-bestaande maanblaffers. In dit geval wordt iedereen gered door Tom Poes, die het meteen al niet vertrouwt dat er vanaf de eerste geruchten ‘deskundigen’ blijken te bestaan die zogenaamd kunnen vaststellen wie maanblaffer is.

Heksen lijken op maanblaffers en moeten niet met ketters worden verward. Ketters bestonden echt en waren vanwege hun ideeën buiten de kerk getreden. In Spanje bijvoorbeeld werden ze langer vervolgd dan de heksen. Daar werd de heksenjacht niet veel later dan 1610 gestaakt omdat de inquisitie er niet meer in geloofde. Heksen moeten ook niet worden verward met de zich in onze eigen tijd manifesterende ‘moderne heksen’, die volgens eigen zeggen zijn teruggekeerd naar een voorchristelijke natuurgodsdienst – een idee dat in de negentiende eeuw reeds door Jacob Grimm was geuit, en waarover de Franse historicus Jules Michelet in 1862 een heel boek schreef (La Sorcière). Deze ‘hekserij’ is een onschuldig vermaak van lieden die hun spiritualiteitsquotiënt voelen stijgen wanneer ze samen zelfbedachte oerriten uitvoeren.

De eerste Nederlandse vertaling van De Heksenhamer werd verzorgd door uitgever Ivo Gay van Uitgeverij Voltaire. In het verleden was hij onder meer verantwoordelijk voor de bekende reeks Ambo-klassiek. Er bestonden al Duitse, Engelse, Franse, Italiaanse en Spaanse vertalingen uit de twintigste eeuw. De nationaal-socialisten hebben de oudste Duitse vertaling zelfs nog gebruikt in hun strijd met de kerk!

Gay merkt in zijn inleiding op dat er altijd een zeker geloof aan met bovennatuurlijke gaven begiftigde mensen heeft bestaan. Personen die over goede (genezende) vermogens zouden beschikken, werden tot het einde van de middeleeuwen echter meestal ongemoeid gelaten, terwijl zij die ervan werden verdacht deze gaven voor negatieve doelen aan te wenden, slechts op individuele basis werden aangepakt. Ze werkten in de ogen van hun tijdgenoten niet samen als een gevaarlijke groep.

Omstreeks 1430 veranderde dit. Er ontstond het idee dat er binnen het christendom een geheime sekte zou bestaan, een soort vijfde colonne van de duivel. De leden van deze sekte waren de heksen. Zij hadden geheel vrijwillig een pact met de duivel gesloten met de bedoeling om behalve individuen ook de samenleving als geheel in het verderf te storten door middel van onheilen zoals onweer, misoogst, hongersnood, epidemieën, dood en onvruchtbaarheid van mensen en vee. Heksen werkten volgens deze complottheorie in het geheim met demonen samen en zouden derhalve systematisch moeten worden opgespoord en uitgeroeid.

Vrouwenhaat

Tussen 1435 en 1487 moeten er meer dan tien traktaten over deze niet-bestaande heksensekte zijn verschenen, maar ze trokken weinig aandacht en de bijval was gering. Velen zagen dit heksenverhaal als oudewijvenpraat van het onwetende volk en bovendien bestond er een officieel en gezaghebbend oud document, de Canon Episcopi, waarin het bestaan van heksen sterk werd betwijfeld. Volgens Gay ontstond er tegen het eind van de jaren 1470 echter een omslag. Een verslechtering van het klimaat leidde tot een reeks van misoogsten met ondervoeding en hongersnood als gevolg. De reeds verzwakte bevolking werd geteisterd door epidemieën. De grote sterfte en de verminderde vruchtbaarheid leidde zelfs tot ontvolking van sommige streken. Tegen de achtergrond van deze ellende bleken velen bevattelijk voor het idee dat toch ‘iemand’ voor deze rampen verantwoordelijk moest zijn, die moest worden opgespoord en bestraft.

Er bestonden reeds waangedachten over rituele moorden door joden op christenkinderen en de rond 1430 geboren dominicaan Henricus Institoris (Heinrich Kramer) spande zich graag in om de joodse ‘daders’ van zulke ‘misdaden’ op te sporen. Misdaden die aan joden en heksen werden toegeschreven leken op elkaar. Veronderstelde nachtelijke bijeenkomsten van heksen werden dan ook wel synagogen of sabbats genoemd. Bovendien moet Institoris naast jodenhaat ook aan vrouwenhaat hebben geleden. Zo klaagde hij in 1480 te Augsburg een groep vroom levende vrouwen aan, want wie erg vroom leefde moest immers wel iets te verbergen hebben!

Deze Institoris werd in 1482 als inquisiteur in het diocees Bazel aangesteld, maar hij slaagde er tot zijn ongenoegen lang niet altijd in om met succes heksen op te sporen en te vervolgen. Hij stuitte steeds op verzet van magistraten die geloofden dat hekserij niet echt bestond. Rome vaardigde zelfs strafmaatregelen tegen hem uit. In 1486 moet hij uit teleurstelling over zijn tegenslagen de Malleus Maleficarum (Heksenhamer) hebben geschreven, die een jaar later in druk verscheen. De titel was ongetwijfeld geïnspireerd op de Malleus Haereticorum (Ketterhamer) van Hiëronymus uit de vierde eeuw of op de Malleus Judaeorum (Jodenhamer) van Johannes van Frankfurt uit circa 1420.

Institoris blijkt behalve een joden- en vrouwenhater ook een dwangmatige leugenaar te zijn geweest. Niet alleen geeft hij in zijn boek diverse heksenprocessen waar hij kennis van moet hebben gehad onjuist weer, hij noemt de destijds veel gezaghebbender dominicaan Jacobus Sprenger als medeauteur. In werkelijkheid was Sprenger een tegenstander van hem die geen belangstelling voor heksen had. Sprengers naam moet zonder diens toestemming door Institoris zijn misbruikt om de status van het boek te verhogen. Overigens werden de namen van beiden in de eerste drukken alleen in een soort voorwoorden genoemd en niet op het kaft vermeld. Dat laatste gebeurde pas na hun dood. Sprenger werd toen soms wel ten onrechte als enige auteur vermeld.

Het boek was bedoeld om tot een gezaghebbend handboek uit te groeien waarmee inquisiteurs succesvoller tegen heksen op konden optreden. Hoewel de Malleus Maleficarum in slecht Latijn was geschreven en veel onlogische redeneringen bevatte, werd het boek snel populair.

Gezagsargument

Er is destijds iets gebeurd dat ook in andere literatuur wordt beschreven, namelijk dat ongesystematiseerd volksgeloof over heksen en toverkollen (vooral in de zin van zonderlinge, vaak alleenstaande arme oude dorpsvrouwen over wie griezelige praatjes de ronde deden) gedurende de vijftiende eeuw in handen viel van de intellectuele bovenlaag die deze volkspraat in een geleerd klinkend theologisch systeem wist te gieten.

Vanaf 1520 zakte de belangstelling voor het boek weer in en werd het gedurende een halve eeuw niet herdrukt. Maar het beleefde opnieuw gouden tijden toen de heksenjacht tussen 1580 en 1650 ongekende hoogtepunten bereikte. De Heksenhamer is daarmee een vroeg voorbeeld van een slecht geschreven boek van een dubieuze auteur dat desondanks veel heeft bijgedragen om ongefundeerde fantasieën tot een heuse pseudowetenschap (demonologie) te laten uitgroeien, een pseudowetenschap die het overheidsapparaat daarna succesvol wist te infiltreren en infecteren. Dit verschijnsel doet zich nog steeds op grotere of kleine schaal voor maar kost in de meeste gevallen geen doden meer.

Naar hedendaagse maatstaven leest de Heksenhamer niet lekker weg, zodat het vermoedelijk niet opnieuw populair zal worden. Het is rommelig gecomponeerd, getuigt van slordig denkwerk en heeft een betoogtrant die in onze ogen niet meer overtuigt.

Institoris hanteerde vooral het gezagsargument door, als dat in zijn kraam te pas kwam, niet alleen de bijbel (Paulus) en gezaghebbende kerkvaders als Augustinus, Thomas van Aquino, Dionysius en Isidorus aan te halen, maar ook een moslim als Avicenna, ‘klassieke’ heidenen als Ptolemaeus, Cicero, Seneca en Aristoteles en zelfs de Perzische godsdienststichter Zarathoestra. Het zou volgens hem absurd zijn om zoveel autoriteiten tegen te spreken. Hij kampte met het probleem dat veel van zijn tijdgenoten nog steeds aan het bestaan van heksen twijfelden en probeerde hen met zijn boek het idee aan te praten dat juist die twijfel als een soort ketterij moest worden opgevat.

Om de verdorvenheid, het slechte geheugen of het zwakke geloof van vrouwen te bewijzen, verwees hij onder meer naar Eva, Circe en Cleopatra wegens hun slechte invloed op achtereenvolgens Adam, Odysseus’ manschappen en Julius Caesar. Demonen konden in de vorm van ‘verdikte lucht’ als incubus (man) of succubus (vrouw) heksen bezoeken en zo kinderen verwekken. Die kinderen konden dan weer worden geslacht om er toverzalf van te maken. Dat kon ook door ongedoopte baby’s van anderen om het leven te brengen. Een tocht door de lucht behoorde eveneens tot de mogelijkheden. Maar er was volgens Institoris ook veel hekserij die deels op gezichtsbedrog berustte, zoals het wegnemen van voortplantingsorganen of het zich veranderen in een dier. Volgens Institoris waren dergelijke zaken soms reëel en soms inbeelding. Ze waren echter in alle gevallen strafbaar.

De voor Institoris natuurlijk lastige Canon Episcopi ‘neutraliseerde’ hij door te suggereren dat de door hem beschreven hekserij een vrij recent verschijnsel was. In de middeleeuwen zouden heksen van het ‘type 1487’ nog niet hebben bestaan, en dat betekende dat de Canon Episcopi noodzakelijkerwijs over een heel ander soort heksen handelde, namelijk waarzegsters. Op die manier poogde Institoris deze gezaghebbende kerkelijke tekst te ondergraven.

Hij sierde zijn betoog tevens op met wetenschappelijk klinkende uitspraken, zoals dat heksen in het westen de gewoonte hadden om zichzelf in dieren te veranderen, terwijl heksen in het oosten juist anderen in dieren plachten te transformeren. Verder zou een door een prostituee geplante olijfboom geen vruchten dragen, zouden slangen gevoeliger zijn voor toverspreuken dan andere dieren en zouden veel heksen op Goede Vrijdag bekentenissen afleggen. Het klinkt als een vroege vorm van serieuze statistische arbeid, maar het was in feite uit de duim gezogen apekool.

Tegenwicht

Nadat hij in de eerste twee delen van zijn boek het bestaan van heksen had ‘aangetoond’ en had gesproken over manieren van tegenweer (lijdzaam afwachten totdat een beheksing overgaat, is beter dan het gebruik van ‘tegenmagie’), schreef hij in het derde deel over de juridische procedures. Omdat in het rechtssysteem uit zijn tijd een aanklager die zijn bewijs niet rond kon krijgen, zelf risico liep, pleitte hij ervoor dat in aanklachten tegen heksen getuigen anoniem moesten kunnen blijven zodat de aanklager risicoloos kan werken. De lezer zou zich kunnen afvragen of heksen de procesgang niet konden beïnvloeden door de rechters te beheksen. Volgens Institoris was dat onmogelijk; rechters waren tegen hekserij afgeschermd.

De Heksenhamer bleef tot ver in de zeventiende eeuw een gezaghebbend handboek. Toch waren er ook altijd critici zoals de Noord-Brabander Johannes Wier (1515- 1588) die het bestaan van heksen wel erkende, maar die ze eerder als ontoerekeningsvatbaar beschouwde. Zijn De Praestigiis Daemonum (Over de voorspiegeling van demonen) uit 1563 heeft de grote massaprocessen die pas daarna begonnen echter niet kunnen tegenhouden.

Toch heeft er altijd twijfel bestaan aan het reële karakter van de vermogens die heksen zouden bezitten. Zo viel het natuurlijk op dat er nooit een heks dankzij het duivelspact rijk was geworden en er waren ook geen voorbeelden bekend van veldheren die hadden gepoogd om de bezemsteelaandrijving van heksen ten tijde van oorlog te benutten door boven de vijandelijke linies een spionagevlucht te laten uitvoeren.

Maar pas de Nederlandse predikant Balthasar Bekker (1634-1698) wist met zijn Betooverde Werelt (1691-1693) een effectief tegenwicht te vormen. Volgens hem hadden er nooit heksen bestaan en was het absurd te denken dat God de duivel ooit zoveel macht had gelaten. Hoewel in Nederland de heksenvervolging net als in Spanje al in het begin van de 17de eeuw was stopgezet, ondervond Bekker nog krachtige tegenstand en raakte hij door deze opvattingen toch zijn baan kwijt. Hierna werden in Europa de grote vervolgingen echter wel gestaakt.

Het is nuttig dat de Malleus Maleficarum eindelijk ook in het Nederlands is vertaald en het is een grote verdienste van Gay dat hij die arbeid op zich genomen heeft. Wie op de hoogte is van de gruwelen die tegen tienduizenden onschuldige mensen zijn bedreven, kan dit boek echter onmogelijk zonder gemengde gevoelens lezen. Gay spreekt in zijn verantwoording van een waanzinnig en misdadig boek en onthult dat hij meer dan eens heeft overwogen om zijn vertaalwerk te staken. Gelukkig heeft hij dat niet gedaan.


Henricus Institoris [& Jacobus Sprenger]. De Heksenhamer. Malleus Maleficarum. Ingeleid, vertaald en geannoteerd door Ivo Gay. ‘s-Hertogenbosch: Uitgeverij Voltaire, 2005. ISBN 90-5848-054-2.

Uit: Skepter 18.3 (2005)

G.C. Molewijk is historicus